Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.4.3
2.4.3 Het risicobeginsel als samenstel van beginselen
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713127:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bruins 1906; Van Leeuwen 1913, p. 165 e.v.; Van Dunné, WPNR 1990/5976; Van Dunné 2004, p. 167 e.v.
Scholten 1899, p. 29-20, die spreekt over verlies van controle bij bijvoorbeeld passagiers van spoorwegondernemingen. Zij zouden zich ‘‘overgeven op genade en ongenade aan de onderneming’’.
Zie hierover: Klaassen 1991.
Klaassen 1991, p. 10.
Wolfsbergen 1946, p. 7. Zie ook: Hijmans 1913, p. 241 e.v.
Kolder 2018, p. 28; Concl. A-G Spier, bij: HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); Bauw 2015. Deze gedachte hangt nauw samen met kostenallocatie en risicoverdeling.
Scholten 1899, p. 19; Wolfsbergen 1946, p. 3; Slagter 1952, p. 75-76. Zie in internationaal perspectief: Keating, Michigan Law Review 1997, p. 1286-1287; Geistfeld, UCLA Law Review 1998, p. 613.
Hoekzema 2000, p. 43 e.v.; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/192-193. In gelijke zin: Schut 1963, p. 296 e.v.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/192-193; Schut 1963, p. 296 e.v.; Zie ook: Klaassen 1991, p. 10-11, 46-47, die meent dat de profijttheorie geen overtuigende ratio vormt van art. 6:170, omdat de werknemer niet altijd in het belang van de werkgever handelt.
Klaassen 1991, p. 10-11; Kolder 2018, p. 28.
Hartlief NJB 2011/1037; Klaassen 1991, p. 11.
Klaassen 1991, p. 11.
Impliciet: Scholten 1899, p. 19-20.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/192-193.
Klaassen 1991, p. 49.
Daarnaast zou dit ook ervoor zorgen dat dubbele verzekeringslasten tussen de bedrijfsmatige gebruiker en de bezitter (niet zijnde de bedrijfsmatige gebruiker) vermeden kunnen worden. Zie ook: Klaassen 1999, p. 49; Kolder 2018, p. 28.
Klaassen 1991, p. 47-48, 197-198; Hartlief, NJB 2011/1037. Deze auteurs zien slachtofferbescherming echter niet als de grondslag bij uitstek.
Kolder 2018, p. 27.
Giesen, AV&S 2007/41; Giesen, Utrecht Law Review 2010, p. 22-32.
Bijv. Verheul, WPNR 1968, p. 393-394; Van Dunné 2004, p. 163.
De gedachte komt voort uit de wens om de benadeelde partij een solvente debiteur te verschaffen.
Vgl. Bauw 2015/3.
Vgl. Klaassen 1991, p. 49; Bauw 2015/3; Katan 2017, nr. 95.
Kamerstukken II 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 7; Klaassen 1999, p. 49; Lubach 2005, p. 152-154; Bauw 2015/3; Kolder 2018, p. 29.
Scholten 1899; Klaassen 1991; Jansen 2012, par. 4.2.2; Verheij 2023/1.7; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/27.
Wertheim 1930.
Schut 1963.
Scholten 1899; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/27.
Slagter 1952, p. 54.
Bruins 1906, p. 118; Wertheim 1930, p. 3, 6; Slagter 1952, p. 54; Schut 1963, p. 28 e.v.
Ten eerste wordt het gevaarzettingsbeginsel genoemd als mogelijke rechtsgrond. Volgens aanhangers van deze opvatting1 is de rechtvaardiging voor afwenteling van de schade te vinden in de mate van gevaar die men in het leven roept. Bij ‘verhoogde gevaren’ zou het rechtvaardig zijn dat degene die dit gevaar schept, aansprakelijk wordt gehouden. In het verlengde hiervan speelt de ‘risicobeheersingsgedachte’. De gedachte is dat iemand die een (verhoogd) gevaar in het leven roept, dit doorgaans het beste zelf kan beheersen en daarom de potentiële lasten moet dragen.2 Het in het leven roepen van bepaalde gevaren vormt weliswaar een rechtvaardiging voor sommige (kwalitatieve) aansprakelijkheden,3 maar kan moeilijk als grondslag voor het gehele buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht dienen. In sommige gevallen is geen sprake van (verhoogd) gevaar.4 Daarbij komt dat ‘verhoogd’ gevaar veel afbakeningsvragen oproept.5
Ten tweede is het profijtbeginsel naar voren gebracht als rechtsgrond van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Het profijtbeginsel gaat uit van de idee dat degene die profiteert van de inzet van personen of zaken het risico moet dragen, indien deze personen of zaken schade toebrengen.6 De profijtgedachte wordt vaak naar voren geschoven als het gaat om de aansprakelijkheid van ondernemers.7 Volgens verscheidene auteurs ligt deze gedachte (onder andere)8 ten grondslag aan diverse kwalitatieve aansprakelijkheden, zoals art. 6:170 en 6:171 BW.9 De profijtgedachte vormt tevens een verklaring voor de kanalisatie van de aansprakelijkheid op grond van kwalitatieve aansprakelijkheden naar de bedrijfsmatige gebruiker (6:181 BW).10 De idee is hetzelfde: bedrijfsmatig verrichte activiteiten hebben (doorgaans) tot doel het verkrijgen van profijt. Deze bedrijven zouden daarom niet alleen de lusten, maar ook de lasten moeten dragen.11 In de literatuur gaat men ervan uit dat het profijtbeginsel niet als algemene grondslag kan dienen. Ook hier geldt dat er veel gevallen zijn waarin de laedens geen profijt had. Daarnaast is het onduidelijk wat precies onder ‘profijt’ moet worden verstaan.12
Ten derde wordt ‘slachtofferbescherming’ genoemd als rechtvaardigheidsgrond.13 De idee is dat bepaalde laedentes in het maatschappelijk leven veel sterker en machtiger zijn dan hun wederpartijen. Indien in een dergelijke (rechts)verhouding schade optreedt door een doen of nalaten van de sterkere partij, zou het rechtvaardiger zijn om dit voor rekening te laten komen van de sterkere partij.14 Op die manier kan worden gewaarborgd dat slachtoffers niet met de schade blijven zitten. In het verlengde hiervan speelt het ‘eenheid van onderneming’-argument. Wanneer schade optreedt door toedoen van de onderneming, is het voor een derde niet altijd duidelijk wie binnen de organisatie de schade heeft veroorzaakt (ervan uitgaande dat het al mogelijk is om de schadeveroorzakende gebeurtenis te herleiden tot een individuele gebeurtenis dan wel een individuele functionaris). Om de benadeelde bij de zoektocht naar en bewijs omtrent de ‘schuldige’ persoon binnen de organisatie tegemoet te komen, kan het rechtvaardiger zijn om de aansprakelijkheid te kanaliseren naar deze organisatie.15 Dit zou niet alleen een handreiking zijn naar het slachtoffer, maar kan tevens duidelijkheid scheppen voor het bedrijf. Het bedrijf zou immers makkelijker kunnen zien welke schadegevallen tot zijn risico behoren en voor welke risico’s het een verzekering moet afsluiten.16 Slachtofferbescherming wordt ook genoemd als ratio van verscheidene risicoaansprakelijkheden,17 de kanalisatie van de aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatige gebruiker18 en de bewijslastomkering die is opgenomen in art. 4:202 PETL.19 Het is echter onaannemelijk dat deze vorm van slachtofferbescherming als enige rechtvaardigheidsgrond kan gelden. In veel gevallen is geen of in mindere mate sprake van een ongelijkheid van partijen of van een ondernemer-laedens.
Ten vierde wordt het draagkrachtbeginsel en, in het verlengde daarvan, de risk spreading capacity van de laedens als grondslag genoemd.20 De gedachte is dat bepaalde laedentes meer financiële middelen hebben om schadevergoeding te betalen (het zogenaamde ‘deep pockets’-argument),21 en dit dikwijls als een bedrijfsrisico kunnen verzekeren. Indien het risico zich openbaart, is het niet de individuele ondernemer, maar het collectief van verzekerden dat de schade vergoedt.22 De ondernemer betaalt weliswaar de verzekeringspremie, maar kan deze premie verdisconteren in de prijzen van zijn diensten en producten. Hierdoor wordt de schade afgewenteld op een nog groter collectief: de afnemers.23 De risk spreading capacity van ondernemingen vormt volgens de parlementaire geschiedenis een reden voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van diegene die bedrijfsmatig opereert (6:170, 171, 175 en 181 BW).24 Een rechtvaardiging voor het gehele buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht vormt het echter niet.
Uit het voorgaande rijst het beeld op dat de genoemde beginselen zeer ongelijksoortig zijn. Deze beginselen rechtvaardigen de afwenteling van schade in specifieke gevallen. Er is niet één beginsel dat de grondslag vormt van alle wettelijke vormen van aansprakelijkheid, zelfs niet van alle wettelijke vormen van aansprakelijkheid buiten schuld.25 Als alternatief voor het schuld- en het risicobeginsel, zijn bijvoorbeeld de preventiegedachte,26 de rechtelijke verantwoordelijkheid27 en de billijkheid gesuggereerd.28 Dit is geen vreemde gedachte. Het billijkheidsbeginsel – als we al van een beginsel mogen spreken – heeft een sterkere morele lading dan het schuld- en risicobeginsel. De reden hiervan is dat het zich op een abstracter niveau bevindt. Zoals in paragraaf 2.2 is uiteengezet, vormen rechtsbeginselen de brug tussen abstracte beginselen zoals rechtvaardigheid en het positieve recht. De billijkheid wordt vereenzelvigd met ‘rechtvaardigheid’.29 Terecht is erop gewezen dat de billijkheid weinig richtinggevend is.30 Dit heeft onder andere te maken met het feit dat niet duidelijk wordt om wat voor rechtvaardigheid het gaat.
Gelet op de grote verscheidenheid, kan – zoals gezegd – moeilijk gesproken worden over het risicobeginsel. Toch kies ik ervoor om dit ‘beginsel’ – of beter gezegd: dit scala aan beginselen – als uitgangspunt van dit onderzoek te nemen. In de inleiding kwam aan bod dat de aansprakelijkheid van bedrijven door sommigen wordt beschouwd als een (quasi-)risicoaansprakelijkheid. Of dit daadwerkelijk zo is en welk(e) geconcretiseerd(e) beginsel(en) aan de aansprakelijkheid van ondernemers ten grondslag lig(t)(en), moet nog blijken. Om een zo breed mogelijk perspectief te hanteren, kies ik ervoor om niet de focus te leggen op één van de geconcretiseerde beginselen, maar ‘de vergaarbak’ als geheel in mijn onderzoek te betrekken. Hoewel het risicobeginsel niet van dezelfde orde is als het schuldbeginsel, geeft het wel aan waarom in sommige gevallen aansprakelijkheid ongeacht aanwezigheid van schuld moet worden aangenomen. Als een ‘overkoepelende’ grond zoals de billijkheid centraal zou worden gesteld, dan zou het lastig zijn om inzichtelijk te maken hoe en waarom de aansprakelijkheid van ondernemers op sommige punten afwijkt van het op het individu gerichte aansprakelijkheidsrecht dat wordt gekenmerkt door schuldoverwegingen.