Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.2.2
3.4.2.2 Centrale rol van de verkeersopvatting
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474384:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wichers 2002, p. 31-32.
Zie Memelink 2009, p. 98-108 voor een overzicht.
Memelink 2009, p. 213-227 en 230-246; en Rogmans 2007/9 en 12.
Memelink 2009, p. 262 en 266 e.v.; Wichers 2002, p. 31-32.
Vgl. Wichers 2002, p. 34-35 enMemelink 2009, p. 273-274. Zie ook Van Schaick 2000, p. 83, die erop wijst dat de centrale rol van de verkeersopvatting de rechtszekerheid in het maatschappelijk verkeer beschermt en daarmee de goederenomloop.
HR 14 januari 1992, NJ 1993/623, m.nt. W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff).
Memelink 2009, p. 280-284. Vgl. Rogmans 2007/19 en Wichers 2002, p. 36-37. Zie echter Hof ’s-Hertogenbosch 15 augustus 2002, JOR 2002/184, m.nt. J.C. Hofland (Illinois AAR Aircraft & Engine Group) voor een (dubieus) geval waarbij op grond van de verkeersopvatting impliciet werd afgeweken van de wettelijke regel voor luchtvaartuigbestanddelen (art. 8:3a BW).
Memelink 2009, p. 320-326.
Vgl. Wichers 2002, p. 35-38; en Rogmans 2007/19. Zie voor een klassiek voorbeeld van de invloed van een verdrag op de verkeersopvatting HR 26 maart 1936, NJ 1936/757, m.nt. P. Scholten (Sleepboot Egbertha).
Vgl. Memelink 2009, p. 350-355; en Wichers 2002, p. 35-38.
Vgl. Advies RvS en MO, Parl. Gesch. Boek 3, p. 73 en 77; en HR 16 maart 1979, NJ 1980/600, m.nt. B. Wachter (Radio Holland).
Vgl. MO, Parl. Gesch. Boek 3, p. 77-78; Memelink 2009, p. 353-355 en Rogmans 2007/15.
Vgl. HR 28 februari 2003, NJ 2003/272 (Winter/Keja) en HR 6 december 2012, JOR 2013/65, m.nt. A. Steneker, NJ 2013/571, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk).
74. Bij de hierna te behandelen figuren speelt de verkeersopvatting vaak een doorslaggevende rol. De verkeersopvatting fungeert als maatstaf bij de verdere invulling van enkele centrale begrippen van het goederenrecht. De regeling van natrekking, vermenging en zaaksvorming is ervan doortrokken.1 Zo is de verkeersopvatting onder meer van belang om vast te stellen of een zaak bestanddeel is van een andere zaak (art. 3:4 lid 1 BW) of meer specifiek een natuurlijke vrucht is van die andere zaak (art. 3:9 lid 1 BW), of die andere zaak een hoofdzaak is (art. 5:14 lid 3 BW), of een gevormde zaak een nieuwe zaak is (art. 5:16 lid 1 BW) en of een persoon een nieuwe zaak voor zichzelf heeft (doen) vormen (art. 5:16 lid 2 BW).
75. De verkeersopvatting is een ongedefinieerd begrip. Over het karakter ervan wordt getwist. Is het een feitelijk gegeven, een bron van ongeschreven recht of een combinatie van beide?2 Het begrip is verwant aan hetgeen wordt begrepen onder gewoonterecht en aan de “in Nederland levende rechtsovertuigingen” in de zin van art. 3:12 BW.3 De functie van de verkeersopvatting is gelegen in een objectiverende juridische kwalificatie van feiten en omstandigheden.4 Het inzetten van de verkeersopvatting door de wetgever of rechter geeft het recht een zekere flexibiliteit om zich aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen.5 Een enkele keer bevat de wet een concretisering van de verkeersopvatting. Voor schepen en luchtvaartuigen bestaat bijvoorbeeld een bijzondere regeling voor bestanddeelvorming in de art. 8:1 en 8:3a BW. Deze bepalingen zijn te beschouwen als de weerslag van de op dit punt geldende verkeersopvatting.6 Afwijking van deze wettelijke invulling op grond van de verkeersopvatting is in principe uitgesloten. Aan de verkeersopvatting komt slechts een aanvullende functie toe.7 De vaststelling van de inhoud van de verkeersopvatting is naar haar aard lastig. Als gezichtspunten kunnen dienen de (ratio, geschiedenis of systeem van de) wet en het maatschappelijke kader.8 Ook verdragen of lagere wetgeving kunnen aanwijzingen bevatten.9 Uiteraard vormt ook rechtspraak een belangrijke vindplaats. Wat betreft het maatschappelijke kader komt het aan op een oordeel vanuit het perspectief van de derde uit de relevante kring van personen gelet op de uiterlijke feiten en omstandigheden van het geval.10 Daarbij kunnen aanwijzingen voor de verkeersopvatting zijn gelegen in gebruikelijke bedingen in het rechtsverkeer.11 De opvatting of wil van partijen is niet doorslaggevend. Afhankelijk van het geval in kwestie is de kring van relevante personen groter of kleiner. Bij meer specialistische onderwerpen kan de kring nauwer worden getrokken.12
76. Of de verkeersopvatting in een bepaald geval het ontstaan van een nieuwe zaak meebrengt, moet in het licht van alle omstandigheden van dat geval worden beoordeeld. Deze beoordeling is in hoge mate, namelijk voor zover zij berust op een waardering van die omstandigheden, van feitelijke aard.13 De gevolgtrekking van dit alles is dat het ontstaansmoment van roerende zaken in algemene zin slechts in abstracto kan worden aangegeven. Het tijdstip in een concreet geval zal steeds aan de hand van de verkeersopvatting moeten worden bepaald. In het navolgende noem ik niet meer dan enkele factoren die daarbij als aanwijzing kunnen fungeren.