Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.5.4
5.5.4 De aard van de verplichtingen die het doel meebrengt: het doel als last
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232361:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de last, J. Bossers-Cnossen, ‘Een lastig begrip die last’, De Notarisklerk, nr. 1513, september/oktober 2011 en R.E. Brinkman, ‘Het onderscheid tussen een legaat en een last. Ofwel: de ware aard van de last’, WPNR 2019/7249. In de wettelijke omschrijving van de testamentaire last is ‘verplichting’ opgenomen.
Zie ook Lubbers 1978 die opmerkt dat de oprichter het in zijn macht heeft te bepalen dat de stichting verplichtingen op zich neemt. Deze verplichtingen zijn dan geen verboden uitkeringen. Vgl. ook de taak van de trustee als deze niet expliciet is vastgelegd, dan zal hij zich bij de uitoefening van zijn taak moeten laten leiden door het doel van de trust, de implied powers, zie M.E. Koppenol-Laforce, Het Haagse Trustverdrag (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 1997, p. 29.
Voor de onder de levenden opgerichte stichting met vermogen, geldt mijns inziens iets vergelijkbaars. Ook daar bepaalt de stichter het doel van de stichting en heeft hij zijn gedachte bij de aanwending van dit vermogen. De oprichter noch een andere gulle gever zal willen dat het vermogen van de stichting anders wordt aangewend dan in overeenstemming met het doel. Zodat ook hier gesproken kan worden van het doel als verplichting. Vgl. Snijder-Kuipers 2010, p. 122, waar zij schrijft: ‘Schenkers zullen hun bevoordeling verrichten met het oog op het feit dat het aangebrachte vermogen zal worden aangewend voor het hun voorgespiegelde goede doel.’ Vgl. ook J.A. Terstegge, ‘Doelloze vennootschappen’, WPNR 2014/7038, alwaar hij ten aanzien van het doel van de stichting schrijft: ‘De doelomschrijving functioneert hier (mede) als de weerslag van de abstracte bedoeling (het waartoe) van degene die (vaak anoniem) aan de stichting haar vermogen verschaffen.’ Zie ook artikel 7:184 lid 1 letter a BW.
Kamerstukken II 1964-1965, 3771, nr. 8, p. 59 (Verslag van het mondeling overleg, tevens eindverslag).
De stichting is gebonden aan het doel en het bestuur is verplicht dit doel na te streven. De vraag is nu nog: wat is de aard van de verplichting van de stichting die voortvloeit uit het doel? Hiermee komen wij tot een rechtsfiguur die in het erfrecht maar al te goed bekend is: de last in de zin van artikel 4:130 BW.1 De stichting is verplicht het doel na te streven, doch er is niemand die daaraan een vorderingsrecht kan ontlenen. Als een gulle gever een al bestaande, door een ander opgerichte, stichting bevoordeelt, moet hij, zo hij bijzondere eisen stelt ten aanzien van de aanwending van deze middelen, dit de begunstigde kenbaar maken. Dit doet hij door het opleggen van een testamentaire last als de begunstiging krachtens erfrecht plaatsvindt of, bij leven, door het verbinden van voorwaarden aan de schenking.
Een uitdrukkelijke testamentaire last verbinden aan erfstellingen of legaten ten behoeve van de door de erflater zelf bij dode opgerichte stichting is niet nodig.2 De last volgt uit de rechtshandeling tot oprichting van de bij dode opgerichte stichting. De last zit als het ware ingebakken in het doel.3
Zo zag naar mijn mening ook de minister van Justitie dit toen hij opmerkte:
‘Gelijk reeds onder artikel 4.4.2.1 [thans artikel 4:117 BW], toev. TR] werd opgemerkt, zal de erflater, die de zekerheid wenst, dat zijn oogmerken zullen worden bereikt, een andere weg kiezen dan de figuur van de last. Hij zal een legaat maken aan een bestaande betrouwbare instelling onder een last als hier bedoeld, of hij zal zelf een stichting in het leven roepen, deze van de nodige middelen voorzien en zijn doeleinden vorm geven in de doelomschrijving van de stichting.’4
Mijn mening ten aanzien van het doel als last, wordt verder ondersteund door de Duitse doctrine. In Duitsland wordt de uitkering aan een Destinatär (begunstigde) van een stichting voortvloeiende uit het doel van de stichting aangemerkt als last.5
Het vermogen dat de erflater/oprichter via makingen aan de door hem bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting nalaat, bindt de stichting dus tot nakoming van het doel.
De betekenis van het duiden van het doel als last in de hiervoor door mij verdedigde zin, mag niet worden onderschat: van een verboden uitkering is alsdan geen sprake. De uitkering vormt geen onverplichte prestatie, maar juist een verplichte en valt daardoor niet onder het verbod uit artikel 2:285 lid 3 BW.