Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.5
2.5 Invoering BBA 1945
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS303568:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De gedelegeerde bevoegdheid van de kant van de minister lag aanvankelijk bij de Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau; nadien is dit nog verschillende malen gewijzigd: van Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening tot CWI en UWV Werkbedrijf en uiteindelijk – op het moment dat het kwam tot afschaffing van de BBA-toets in deze vorm (in 2015) - UWV.
Overigens waren ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog vergelijkbare besluiten genomen door de Duitse bezetter, eerst direct na aanvang van de oorlog om de orde op de arbeidsmarkt te kunnen handhaven, later ook om zoveel mogelijk grip te houden op potentiële werknemers ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Zie hierover ook Naber, Van een preventief ontslagverbod terug naar repressief ontslagrecht?, Deventer: Kluwer 1981.
Aldus artikel 2 BBA, dat onder meer werknemers bij een publiekrechtelijk lichaam uitzondert (omdat in dat geval controlerende rol van de overheid al gewaarborgd is, nu een overheidsinstantie de opzeggende partij is). Ook voor opzegging van arbeidsovereenkomsten met onderwijzend personeel, met personen die een geestelijke ambt bekleden en met huishoudelijk personeel is geen voorafgaande toestemming vereist. In 1972 is daar nog een groep aan toegevoegd: die van statutaire bestuurders van naamloze en besloten vennootschappen (Stcrt. 1972, 234).
Kamerstukken II 1996/97, 25 263, nr. 3, p. 34 (MvT).
Zie bijvoorbeeld M.B. Vos in Sociaal Maandblad Arbeid 1952, p. 210, die wees op de 'incongruentie' dat in feite sprake was van een dubbele controle/toets, nu ook de rechter-commissaris op grond van artikel 68 lid 2 Fw toestemming voor ontslag door de curator moest verlenen.
Stb. 1988, 573 (Wet van 1 december 1988).
Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) was een noodbesluit van de Kroon, bedoeld ter regulering van de naar verwachting turbulente of zelfs chaotische situatie op de arbeidsmarkt, direct na de Duitse bezetting. Krachtens het BBA mocht opzegging van een arbeidsovereenkomst in beginsel nog slechts geschieden met toestemming van de Directeur van het zgn. Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB).1 Een opzegging zonder deze toestemming was nietig, waarmee een algemeen opzegverbod het licht zag. Met de invoering van het BBA ontstond dus feitelijk een preventieve ontslagtoets; sindsdien was voorafgaande toestemming nodig bij opzegging van arbeidsovereenkomsten.2 Uitzondering hierop vormden opzegging op grond van een dringende reden en opzegging tijdens de overeengekomen proeftijd. Ook was een beperkt aantal specifieke groepen werknemers uitgezonderd van toepassing van het BBA.3 Desalniettemin was het besluit van toepassing op een zeer grote groep werknemers; de uitzonderingen betroffen groepen werknemers die in de visie van de overheid niet van groot belang waren voor het arbeidsmarktbeleid.
Hoewel het doel van het BBA dus niet zozeer gelegen was in het bieden van bescherming aan de zwakkere, economisch afhankelijke partij, was in de praktijk een belangrijk effect van het besluit, dat een vorm van ontslagbescherming voor werknemers ontstond. Overigens moet erop worden gewezen dat het algemene opzegverbod van het BBA eveneens van toepassing was op opzegging door werknemers. Zo kort na de Tweede Wereldoorlog was dit de uitdrukkelijke bedoeling, om te voorkomen dat werknemers te gemakkelijk hun werkgever in de steek konden laten. Nadien is dit tot dode letter verworden, waarna de bepaling is afgeschaft.4
In het BBA werd geen aandacht besteed aan de vraag of het algemene opzegverbod ook gold in geval van de failliete werkgever, zodat het ervoor moest worden gehouden dat ook een curator diende te beschikken over voorafgaande toestemming alvorens de arbeidsovereenkomst met een werknemer door de opzegging te kunnen beëindigen. Hoewel al snel gewezen werd op de onpraktische en zelfs overbodige kant hiervan,5 bleef dit decennialang het uitgangspunt. Pas aan het eind van de jaren '80 van de vorige eeuw werd een uitzondering in het BBA opgenomen, waardoor de voorafgaande toestemming om op te zeggen niet meer nodig was als het een opzegging betrof "ten gevolge van het faillissement van de werkgever."6 Meer hierover in paragraaf 2.8.