Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/4.4.2.1:4.4.2.1 Algemene lijn
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/4.4.2.1
4.4.2.1 Algemene lijn
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS614954:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een van de eerste (`hochstgerichtliche' ) uitspraken in de Duitse rechtspraak betreft een uitspraak uit 1896 (gebaseerd op het `Allgemeine PreuBische Landrecht' )1 waarin de vraag voorlag of de gasleiding behorende bij de gasinstallatie als roerende of onroerende zaak moest worden beschouwd. In deze zaak werd geoordeeld dat de leidingen beschouwd werden als bestanddelen van het perceel waarop de gasinstallatie was gevestigd. De gasinstallatie zou zonder die leidingen niet volgens zijn bestemming gebruikt kunnen worden. Derhalve werden de leidingen en de gasinstallatie als een eenheid beschouwd zodat de leidingen die in andermans grond lagen, (bleven) toebehoren aan de eigenaar van de gasinstallatie. De gasleidingen werden als roerende zaken aangemerkt. Deze rechtspraak veranderde niet met inwerkingtreding van het Bfirgerliches Gesetzbuch. Ook nadien werd geoordeeld dat leidingen die in andermans grond liepen conform artikel 94 BGB als 'wezenlijk bestanddeel' van de installatie (of het perceel waarop de installatie stond) moesten worden beschouwd en dus niet werden nagetrokken door de percelen waarin de leidingen lagen. In 19132 kwam een (kortstondige) kentering in deze rechtspraak. Het Reichsgericht oordeelde toen dat elektriciteitsleidingen die in andermans grond zijn aangelegd géén bestanddeel zouden kunnen zijn van de elektriciteitscentrale, maar dat het 'wezenlijke bestanddelen' waren van de grond waarin de leidingen lagen. De reden hiervoor was dat de leidingen niet `wezenlijk' met de installatie verbonden waren omdat de leidingen op een gemakkelijke en schadevrije wijze konden worden verwijderd. Dientengevolge waren de leidingen geen 'wezenlijke bestanddelen' van de elektriciteitsinstallatie, maar waren ze dat wel van de grond waarin ze lagen. Deze kentering heeft, zoals gezegd, maar kort geduurd want in 19153 oordeelde het Reichsgericht dat leidingen van een elektriciteitscentrale, conform artikel 95, eerste lid BGB alleen met een tijdelijk doel in andermans grond zijn aangelegd en dientengevolge conform artikel 97 BGB (niet als wezenlijke bestanddelen, maar) als (roerende) hulpzaken behorende bij de elektriciteitsinstallatie moeten worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat de leidingen die op het fabrieksterrein zelfin de grond liggen volgens de (hoofd)regel van artikel 94 BGB als 'wezenlijk bestanddeel' van de grond moeten worden beschouwd.