Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VI.B.12
VI.B.12. Casus II. De 'KNB-boedelberedderaar'
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407175:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik realiseer mij dat iedereen bevoegd is om het huis van 'zijn buurman' te verkopen.
Zie in dit verband ASSER-VAN DER PLOEG-PERRICK, Erfrecht, Deventer: WE.J. Tjeenk Willink 1996, p. 489.
Het werken met testamentaire lasten die drukken op de executeur kan onder omstandigheden wel gevolgen hebben voor de legitieme, doch in de onderhavige clausule is dit niet geschied.
Deze termijn kan wel door de kantonrechter een of meer malen verlengd worden, art. 4:150BW.
MvA I, 3771, nr. 133, p. 61.
Zie voor het oude recht ASSER-VAN DER PLOEG-PERRICK, Erfrecht, Deventer: W.E.J.Tjeenk Willink 1996, nr. 563 over art. 4:1055 (oud) BW dat in beginsel niet gold voor de boe-delberedderaar. Hierbij merk ik op dat deze oude regeling van regelend recht was, en dat de boedelberedderaar uit zijn aard deze regeling opzij zette, omdat hij meer schulden kon voldoen dan alleen legaten. Vandaar dat art. 4:1055 (oud) BW wel weer van toepassing kon zijn als de boedelberedderaar in staat werd gesteld om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Overigens kan de boedelberedderaar ook nog aan de legitimaris aanbieden, dat hij in dezelfde positie terechtkomt als onder het oude recht en de boedelberedderaar bij discussie over het al dan niet door erflater opzijgezet zijn van art. 4:150 BW, middelen in de zin van art. 4:1055 oudBWaanneemt.
Nu dezelfde exercitie met de hierboven in paragraaf 4. aangehaalde en in de praktijk veel voorkomende boedelberedderaarclausule van de KNB.
StapI
Ook hier geldt weer, op grond van art. 133 Ow1 bezit = beheer. Een be-heersexecuteur levert geen inferieure verkrijging op. Maar er is meer. De KNB-clausule rept ook over 'beredderaar van mijn boedel'. Is dit het bekleden van de executeur met een afwikkelingsbewind? De speciale bevoegdheden van de beredderaar worden hier door de 'model-erflater' ingevuld te weten: 'het recht om successierechten en schulden te voldoen alsook om goederen van mijn nalatenschap te verkopen, wanneer dit ter betaling van successierechten ofschulden nodig mocht zijn'.
StapII
Hier hebben wij de algemene 'ondergrens-bovengrensregel' niet nodig omdat de betreffende clausule zijn eigen bovengrens al aangeeft. De bevoegdheden van de boedelberedderaar zijn immers uitgeschreven.
Aangezien de bovengrens van erflater lager zou kunnen liggen dan de bovengrens van de 'ondergrens-bovengrensregel', zou men bij het gebruik van de term boedelberedderaar deze algemene toets toch ook nog kunnen toepassen en wel om het zekere voor het onzekere te nemen.
StapIII
Deze bevoegdheden dienen wij vervolgens met in ons achterhoofd het 'materiele gezichtspunt' van de wetgever te leggen op de modelbevoegdheden van de beheersexecuteur van afdeling 6 en daarbij te kijken ofdeze clausule binnen de wettelijke opdracht past. Het betalen van successierecht valt in beginsel binnen art. 4:144 BW, aangezien successierecht als een schuldvan de nalatenschap kwalificeert in de zin van art. 4:7 BW. Daarnaast wordt er gesproken van 'schulden'. Dit begrip vertaal ik als schulden in de ruime zin des woords, derhalve als de schulden van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW. Ook de schulden van de nalatenschap passen binnen art. 4:144 BW. Zou men het woord schulden lezen als 'echte' schulden van erflater (letter a) dan is er ook geen probleem, omdat dit ook binnen het bereik van art. 4:144 BW valt. De volgende stap is het toetsen van de bevoegdheid van de executeur om goederen te gelde te maken aan art. 4:147 BW. Hij is bevoegd2 om goederen te gelde te maken om successierechten en andere schulden te voldoen. Dit past binnen de door art. 4:147 BWaangegeven grens, zelfs als, zoals vermoed, het om schulden in de ruime zin des woords zou gaan.Voorts ga ik er vanuit dat op grond van de clausule de executeur niet in overleg met de erfgenamen hoeft te treden omtrent de verkoop. Ook dit is geen probleem, aangezien deze bevoegdheid past binnen het 'tenzijtje' van lid 2 van art. 4:147 BW. Kortom: er is geen sprake van een inferieure verkrijging, althans wat de boedelbereddering betreft.
Stap IV
Voor een definitief oordeel zouden de overige bepalingen van de executeurbenoeming onder de juridische loep genomen dienen te worden. Bij de benoeming tot verzorger van de crematie of begrafenis werd onder het oude recht3 aangenomen dat legitimarissen zich hiertegen niet konden verzetten. Dit kon op grondvan HR 24 februari 1933, NJ 1933, 645 slechts tegen het bezit van de executeur. Ik ga er vanuit dat de wetgever onder het nieuwe erfrecht hierin geen wijziging heeft willen brengen.4 De duur van de executele (en de 'speciale bevoegdheid') wordt in de clausule verlengd totdat de nalatenschap geheel zal zijn afgewikkeld. Past dit binnen de modelregeling van afdeling 6? Afwikkelen van de nalatenschap lees ik hier in de beperkte betekenis van: de nalatenschapsgoederen beheren en de schulden van de nalatenschap voldoen. Met het oog op de voldoening van de schulden zijn de bevoegdheden om goederen te gelde te maken gegeven. Met het oog op het beheer is het bezit gegeven. Deze bevoegdheden 'beheren en schulden voldoen' passen binnen de wettelijke taak van art. 4:145 BW en op grond van art. 4:149 lid 1 sub a BW eindigt de taak van een executeur onder meer 'wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid'. 'Werkzaamheden als zodanig' ziet op zijn taak.
Een addertje onder het gras zou nog kunnen zijn, de duur van het bezit. Onder omstandigheden zou dit langer kunnen duren dan de termijn zoals opgenomen in art. 4:150 lid2 sub b, te weten een jaar en zes maanden sedert de executeur de nalatenschap in bezit heeft kunnen nemen.5 De wetgever heeft hier willen waken tegen een te langdurige executele.6 Deze zouden immers weer het karakter van bewindkrijgen in de zin van afdeling 4.5.7. En indien we aannemen dat met de betreffende clausule het dwingende art. 4:150 lid2 sub b BWopzij gezet zou zijn en daarmee het model van afdeling 6, dan zouden we alsnog met een inferieure verkrijging van doen hebben. Mijns inziens dienen we hier terug te vallen op art. 133 Ow, en te concluderen dat met de uitbreiding van de duur van het bezit, niet tegen art. 4:150 lid 2 sub b BW wordt ingegaan. De bevoegdheid in de zin van art. 4:150 BW wordt de erfgenamen na het verstrijken van de betreffende termijn immers niet afgenomen. Zij kunnen nog altijdop basis van deze bepaling in actie komen. Er staat niet expliciet dat met verlenging van de duur van het bezit door erflater, art. 4:150 lid 2 sub b BW gefrustreerd wordt. Via art. 133 Ow geldt de bepaling nog steeds. Er is immers onmiddellijke werking, tenzij erflater een eigen regeling hierover heeft opgenomen. Anders zou het derhalve zijn als in de clausule zou staan dat de erfgenamen niet bevoegd zouden zijn om (ook na het verstrijken van de termijn) het beheer van de executeur te beëindigen. Dan zou er sprake zijn van een afwikkelingsbewind.
Zou het enkele gebruik van de term boedelberedderaar7 zwaar genoeg zijn om art. 4:150 opzij te zetten?
Vooraf merk ik op dat indien de boedelberedderaar van mening is dat hij nog niet klaar is met zijn taak, hij dit vanzelfsprekend altijd nog aan de kantonrechter kan meedelen en verlenging van zijn'bezit' (beheer) vragen.Voorts is van belang dat indien de executeur-boedelberedderaar tevens erfgenaam is, art. 4:150 BW de facto niet speelt. Iedere erfgenaam kan immers een verzoek tot ontneming van het beheer tegenhouden. Er zal eenstemmigheid moeten zijn. Tot slot is van belang dat het uitbreiden van de bevoegdheid tot boedelberedderaar een aangelegenheid van erflater is, terwijl het recht van art. 4:150 BW een recht van de erfgenamen is. Zolang, zoals hiervoor reeds opgemerkt, erflater over dit recht van de erfgenamen (waar ze geen gebruik van hoeven te maken) niets heeft bepaald, is hun dat recht ook niet ontnomen en geldt er voor art. 4:150 BWonmiddellijke werking, ongeacht het gebruik van de term boedelberedderaar. Geen reden derhalve om 'modeloverschrijding' aan te nemen.
De bepaling omtrent het loon, kan ook geen roet in het eten gooien, aangezien het loon in de modelregeling van titel 6 in beginsel regelend recht oftewel een'tenzijtje' is, art. 4:144 lid2 BW.