Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 20-10-2022, nr. C-66/21
ECLI:EU:C:2022:809
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-10-2022
- Magistraten
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei,
- Zaaknummer
C-66/21
- Conclusie
J. Richarde de la Tour
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:809, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑10‑2022
ECLI:EU:C:2022:434, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑06‑2022
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBDHA:2021:727
Uitspraak 20‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Grenscontroles, asiel en immigratie — Asielbeleid — Verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie — Richtlijn 2004/81/EG — Artikel 6 — Werkingssfeer — Onderdaan van een derde land die stelt slachtoffer te zijn geweest van een strafbaar feit in verband met mensenhandel — Toekenning van de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn — Verbod op tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel — Begrip — Draagwijdte — Berekening van deze bedenktijd — Verordening (EU) nr. 604/2013 — Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend — Overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek om internationale bescherming
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei,
Partij(en)
In zaak C-66/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Den Haag (Nederland) bij beslissing van 28 januari 2021, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2021, in de procedure
O.T. E.
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, L. S. Rossi (rapporteur), J.-C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en P. Huurnink als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en F. Wilman als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB 2004, L 261, blz. 19, met rectificatie in PB 2013, L 82, blz. 63).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen O. T. E., Nigeriaans onderdaan, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland) (hierna: ‘Staatssecretaris’) over het besluit van de Staatssecretaris om de door verzoeker in het hoofdgeding ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen op de grond dat de Italiaanse Republiek de voor de behandeling van dit verzoek verantwoordelijke lidstaat was.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2004/81
3
De overwegingen 2, 4 en 9 tot en met 11 van richtlijn 2004/81 luiden als volgt:
- ‘(2)
De Europese Raad heeft tijdens zijn speciale bijeenkomst van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 verklaard dat hij vastbesloten is om de illegale immigratie bij de bron aan te pakken, meer bepaald door de strijd aan te binden met diegenen die zich met mensensmokkel en economische uitbuiting van migranten bezighouden. De lidstaten werd verzocht hun inspanningen te richten op het opsporen en ontmantelen van de betrokken criminele netwerken en ervoor te zorgen dat de rechten van de slachtoffers worden gewaarborgd.
[…]
- (4)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bescherming die overeenkomstig het internationale vluchtelingenrecht wordt verleend aan vluchtelingen, rechthebbenden op subsidiaire bescherming en aanvragers van internationale bescherming. Zij doet evenmin afbreuk aan de andere instrumenten betreffende mensenrechten.
[…]
- (9)
Bij deze richtlijn wordt voor slachtoffers van mensenhandel of, indien de lidstaten de werkingssfeer van de richtlijn wensen te verruimen, voor onderdanen van derde landen die hulp hebben gekregen bij illegale immigratie een verblijfstitel ingesteld die voor de betrokkenen een voldoende prikkel moet zijn om samen te werken met de bevoegde autoriteiten en waaraan, om misbruik te voorkomen, bepaalde voorwaarden zijn verbonden.
- (10)
Daartoe dienen de criteria voor de afgifte van een verblijfstitel, de voorwaarden voor verblijf en de gronden voor niet-verlenging of intrekking te worden vastgesteld. Het aan deze richtlijn ontleende recht van verblijf is van voorlopige aard en verbonden aan voorwaarden.
- (11)
De betrokken onderdanen van derde landen moeten in kennis worden gesteld van de mogelijkheid deze verblijfstitel te verkrijgen en zij dienen bedenktijd te krijgen. Dit moet hen in staat stellen met kennis van zaken te beslissen of zij, gezien de eventueel daaraan verbonden risico's, bereid zijn samen te werken met de bevoegde autoriteiten (politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke autoriteiten), zodat zij hun medewerking op vrijwillige basis verlenen en deze derhalve doeltreffender is.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
‘Het doel van deze richtlijn is de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van verblijfstitels van beperkte duur, gekoppeld aan de duur van de daarmee verband houdende nationale procedures, aan onderdanen van derde landen die hun medewerking verlenen bij het bestrijden van mensenhandel of hulp bij illegale immigratie.’
5
Artikel 2 van die richtlijn luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘maatregel tot uitvoering van een verwijderingsbesluit’: elke maatregel die door een lidstaat wordt getroffen met het oog op de uitvoering van een door de bevoegde autoriteiten genomen besluit waarin de verwijdering van een onderdaan van een derde land wordt bevolen;
- e)
‘verblijfstitel’: iedere door een lidstaat verleende toestemming op grond waarvan het een onderdaan van een derde land die aan de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldoet, is toegestaan legaal op het grondgebied van die lidstaat te verblijven;
[…]’
6
Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘De lidstaten passen deze richtlijn toe op onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel, ook als zij het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen.’
7
Artikel 5, eerste alinea, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van oordeel zijn dat deze richtlijn van toepassing zou kunnen zijn op een bepaalde onderdaan van een derde land, stellen zij de betrokkene in kennis van de mogelijkheden die deze richtlijn biedt.’
8
Artikel 6 van deze richtlijn (‘Bedenktijd’) bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken onderdanen van derde landen bedenktijd krijgen om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten, zodat zij met kennis van zaken kunnen beslissen of zij bereid zijn met de bevoegde autoriteiten samen te werken.
Duur en aanvang van de in de eerste alinea bedoelde termijn worden overeenkomstig het nationale recht vastgesteld.
- 2.
Tijdens de periode voor de bedenktijd hebben de betrokken onderdanen van derde landen, in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten, toegang tot de behandeling waarin artikel 7 voorziet en mag geen enkele tegen hen genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd.
- 3.
De bedenktijd geeft geen recht op verblijf uit hoofde van deze richtlijn.
- 4.
De lidstaat kan de bedenktijd te allen tijde beëindigen indien de bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat de betrokkene actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de daders van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, onder b) en c), alsook om redenen die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.’
9
Artikel 7 van richtlijn 2004/81 (‘Behandeling die verleend wordt voorafgaand aan de afgifte van de verblijfstitel’) bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten waarborgen de betrokken onderdanen van derde landen die over onvoldoende middelen beschikken, een levensstandaard die hen in staat stelt in hun onderhoud te voorzien, alsmede toegang tot spoedeisende medische behandelingen. Zij voorzien in de bijzondere behoeften van de meest kwetsbare personen, zo nodig en indien het nationale recht hierin voorziet, in de vorm van psychologische bijstand.
- 2.
De lidstaten houden bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn naar behoren rekening met de behoeften van de betrokken onderdanen van derde landen op het gebied van veiligheid en bescherming, overeenkomstig het nationale recht.
[…]’
10
Artikel 8 van deze richtlijn (‘Afgifte en verlenging van de verblijfstitel’), bepaalt in lid 1:
‘Wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het […] onder b) genoemde criterium, bekijkt een lidstaat:
- a)
of het voor het onderzoek of de gerechtelijke procedure dienstig is het verblijf van de persoon in kwestie op zijn grondgebied te verlengen, en
- b)
of deze duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking, en
- c)
of deze alle banden met de vermoedelijke daders van een of meer van de in artikel 2, onder b) en c), omschreven strafbare feiten heeft verbroken.’
Dublin III-verordening
11
Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 50, blz. 1), is met ingang van 18 juli 2013 ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31) (hierna: ‘Dublin III-verordening’).
12
Artikel 1 van de Dublin III-verordening luidt:
‘In deze verordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten is ingediend (hierna ‘de verantwoordelijke lidstaat’ genoemd).’
13
Artikel 21 van deze verordening (‘Indiening van een overnameverzoek’) bepaalt in lid 1:
‘De lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan die andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, lid 2, om overname verzoeken.
Niettegenstaande de eerste alinea wordt, in het geval van een Eurodac-treffer met gegevens die zijn opgeslagen overeenkomstig artikel 14 van verordening (EU) nr. 603/2013 [van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van ‘Eurodac’ voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van verordening nr. 604/2013 en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB 2013, L 180, blz. 1)] het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van de treffer toegezonden overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening.
Indien er binnen de in de eerste en tweede alinea vastgelegde termijnen geen verzoek tot overname van de verzoeker wordt ingediend, is de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.’
14
Artikel 26, lid 1, eerste volzin, van de Dublin III-verordening bepaalt:
‘Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), stelt de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen.’
15
Artikel 27 van deze verordening (‘Rechtsmiddelen’) luidt:
- ‘1.
De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.
- 2.
De lidstaten stellen een redelijke termijn vast waarbinnen de betrokkene zijn recht op het instellen van een daadwerkelijk rechtsmiddel overeenkomstig lid 1, kan uitoefenen.
- 3.
Voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat:
- a)
het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of
- b)
de overdracht automatisch wordt opgeschort en dat dergelijke opschorting verstrijkt na een bepaalde redelijke termijn, binnen welke een rechterlijke instantie na nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het verzoek een beslissing heeft genomen of een beroep of bezwaar al dan niet opschortende werking heeft, of
- c)
de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. […]’.
16
Artikel 29 van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.
[…]
- 2.
Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.
[…]’
Richtlijn 2001/40
17
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/40/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen (PB 2001, L 149, blz. 34) bepaalt:
‘Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van artikel 23, enerzijds, en de toepassing van artikel 96, anderzijds, van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het [tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek gesloten] Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 [betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19)], heeft deze richtlijn ten doel de erkenning mogelijk te maken van een verwijderingsbesluit dat door een bevoegde autoriteit van een lidstaat, hierna ‘de uitvaardigende lidstaat’ te noemen, is genomen ten aanzien van een onderdaan van een derde land die zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat, hierna ‘de uitvoerende lidstaat’ te noemen.’
18
Artikel 2 van die richtlijn bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
- b)
‘verwijderingsbesluit’: elk door een bevoegde administratieve instantie van een uitvaardigende lidstaat genomen besluit waarin de verwijdering wordt bevolen;
[…]’
Richtlijn 2004/38
19
Artikel 28, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35, en PB 2019, L 34, blz. 10), bepaalt:
- ‘1.
Alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, neemt een gastland de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong, in overweging.
- 2.
Behalve om ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid kan een gastland geen besluit tot verwijdering van het grondgebied nemen ten aanzien van burgers van de Unie of familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die een duurzaam verblijfsrecht op zijn grondgebied hebben verworven.’
Nederlands recht
20
Artikel 8 van de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (Stb. 2000, 496), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘Vw’), bepaalt:
‘De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
[…]
- k.
gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht [betreffende mensenhandel]’.
21
Artikel 30, lid 1, Vw bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfstitel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublin III-verordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
22
Paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘Vc’), luidt als volgt:
‘De Commandant van de Koninklijke Marechaussee [(hierna: ‘KMar’)] heeft dezelfde bevoegdheden als de Korpschef van de Nationale Politie voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling. […]
De [Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)] onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:
- 1.
de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel;
- 2.
de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en
- 3.
de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel.
Ad 1. De bedenktijd
Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, onder k, van de Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.
Reeds bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en/of op voorspraak van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Opsporing (ISZW-DO), biedt de politie of KMar aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan.
Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op.
De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.
De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en:
- —
werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr;
- —
nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of
- —
geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de KMar, zo nodig in overleg met het OM, de bedenktijd aanbiedt bij de geringste aanwijzing van mensenhandel.
De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel.
De IND verleent de bedenktijd aan vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden uitsluitend als het OM en de politie of KMar hiermee akkoord gaan.
Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie of KMar waar hij of zij administratief is ondergebracht.
De bedenktijd eindigt op het moment dat:
- —
de politie of KMar vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken;
- —
het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte;
- —
het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of
- —
het vermoedelijke slachtoffer een aanvraag voor een verblijfsvergunning (anders dan op grond van deze paragraaf) indient.
Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.’
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
23
Na drie asielverzoeken in Italië en ook nog een asielverzoek in België te hebben ingediend, heeft verzoeker in het hoofdgeding, Nigeriaans onderdaan, op 26 april 2019 in Nederland asiel aangevraagd.
24
Op 3 juni 2019 heeft het Koninkrijk der Nederlanden bij de Italiaanse Republiek een verzoek tot terugname van de betrokkene ingediend in de zin van artikel 18, lid 1, onder d), van de Dublin III-verordening. De Italiaanse Republiek heeft deze terugname op 13 juni daaropvolgend aanvaard.
25
Op 18 juli 2019 heeft de Staatssecretaris verzoeker in het hoofdgeding in kennis gesteld van zijn voornemen om zijn asielverzoek niet in behandeling te nemen, aangezien de Italiaanse Republiek ingevolge de Dublin III-verordening de voor de behandeling van zijn verzoek verantwoordelijke lidstaat was.
26
Op 30 juli 2019 heeft verzoeker verklaard dat hij in Italië slachtoffer is geweest van mensenhandel en dat hij een van de daders in een opvanglocatie in Nederland heeft herkend. Hij is hierover gehoord door de vreemdelingenpolitie.
27
Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de Staatssecretaris geweigerd de aanvraag van verzoeker in het hoofdgeding tot afgifte van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in behandeling te nemen, op de grond dat de Italiaanse Republiek krachtens de Dublin III-verordening de daarvoor verantwoordelijke lidstaat was. Bij dat besluit is tevens gelast verzoeker in het hoofdgeding over te dragen aan Italië.
28
Op 3 oktober 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding aangifte gedaan bij de Nederlandse autoriteiten op de grond dat hij slachtoffer was geweest van mensenhandel.
29
Volgens de aan het Hof voorgelegde gegevens is het Openbaar Ministerie na onderzoek tot de conclusie gekomen dat er in Nederland geen enkele aanwijzing bestond die de klacht van verzoeker in het hoofdgeding kon staven. De medewerking van verzoeker in het hoofdgeding aan een strafrechtelijk onderzoek in Nederland was dan ook niet nodig en diens klacht zou zijn geseponeerd.
30
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen het besluit van 12 augustus 2019 beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij stelt met name dat dit besluit onrechtmatig is, aangezien hem ingevolge artikel 6 van richtlijn 2004/81 een bedenktijd had moeten worden gegund.
31
Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of op enig moment vanaf 30 juli 2019 de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd aan verzoeker in het hoofdgeding had moeten worden gegund en, zo ja, of de Staatssecretaris, terwijl die bedenktijd niet was gegund, maatregelen mocht treffen ter voorbereiding van de verwijdering van verzoeker in het hoofdgeding van het Nederlands grondgebied en — in aansluiting op die vraag — of het besluit van 12 augustus 2019 een verwijderingsmaatregel in de zin van artikel 6, lid 2, is. Voorts vraagt deze rechter zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat, afgezien van de in de Vc genoemde elementen, het Nederlands recht noch de duur, noch de aanvang van deze bedenktijd bepaalt en dat artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dus niet in dit recht is omgezet.
32
In die omstandigheden heeft de rechtbank Den Haag de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1) a)
Moet, nu Nederland heeft verzuimd de aanvang van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn [2004/81] gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege aanvangt met de melding (mededeling) door de derdelander van mensenhandel aan de Nederlandse autoriteiten?
- 1) b)
Moet, nu Nederland heeft verzuimd de duur van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn [2004/81] gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege eindigt nadat aangifte van mensenhandel is gedaan of de betrokken onderdaan van een derde land te kennen geeft af te zien van het doen van aangifte?
- 2)
Moeten onder verwijderingsmaatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] ook worden verstaan maatregelen ter verwijdering van een derdelander van het grondgebied van de lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat?
- 3) a)
Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een overdrachtsbesluit te nemen?
- 3) b)
Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een al genomen overdrachtsbesluit uit te voeren of de uitvoering ervan voor te bereiden?’
Verzoek om een prejudiciële beslissing
Ontvankelijkheid
33
De Nederlandse en de Tsjechische regering betwijfelen of de gestelde prejudiciële vragen relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.
34
Volgens de Tsjechische regering houdt de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2004/81 kennelijk geen verband met de situatie van verzoeker in het hoofdgeding. Allereerst doet verzoeker niet meer dan alleen stellen slachtoffer te zijn geweest van strafbare feiten die verband houden met mensenhandel, terwijl richtlijn 2004/81 volgens artikel 3 ervan enkel van toepassing is op onderdanen van derde landen die ‘slachtoffer zijn of zijn geweest’ van dergelijke strafbare feiten. Voorts merkt de Tsjechische regering op dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt dat de bevoegde autoriteiten zijn ingegaan op de vraag of richtlijn 2004/81 ingevolge artikel 5, eerste alinea, ervan van toepassing was op verzoeker in het hoofdgeding.
35
De Nederlandse regering betoogt dan weer dat artikel 6 van die richtlijn niet van toepassing is op een onderdaan van een derde land die, zoals bij verzoeker in het hoofdgeding het geval zou zijn, in zijn hoedanigheid van aanvrager van internationale bescherming rechtmatig op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft.
36
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op vragen die betrekking hebben op het Unierecht. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arresten van 15 december 1995, Bosman, C-415/93, EU:C:1995:463, punten 59 en 61, en 25 november 2021, État luxembourgeois (Inlichtingen over een groep belastingplichtigen), C-437/19, EU:C:2021:953, punt 81].
37
Verder dient de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen [arrest van 10 maart 2022, Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs (Verzekering die de ziektekosten volledig dekt), C-247/20, EU:C:2022:177, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38
In casu betreft het verzoek om een prejudiciële beslissing in essentie de vraag of de Nederlandse autoriteiten verzoeker in het hoofdgeding — een Nigeriaans onderdaan die in Nederland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend na dat in Italië en in België te hebben gedaan — vanaf het moment dat hij bij die autoriteiten heeft verklaard zowel in Italië als in Nederland slachtoffer te zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel, de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 hadden moeten verlenen voordat het besluit van 12 augustus 2019 tot overdracht van de betrokkene naar het grondgebied van de Italiaanse Republiek ingevolge de Dublin III-verordening rechtmatig kon worden vastgesteld. De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of het desbetreffende besluit moet worden aangemerkt als een ‘verwijderingsmaatregel’ in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81.
39
Aangezien de verwijzende rechter zich moet uitspreken over de vraag of de Nederlandse autoriteiten in het hoofdgeding artikel 6 van richtlijn 2004/81 hebben geschonden door verzoeker in het hoofdgeding de krachtens dit artikel geboden waarborgen te weigeren, blijkt bijgevolg geenszins dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
40
In deze omstandigheden heeft het bezwaar van de Nederlandse en de Tsjechische regering dat artikel 6 van richtlijn 2004/81 niet van toepassing is op het hoofdgeding, geen betrekking op de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar op het onderzoek ten gronde van de vragen (zie in die zin arresten van 19 maart 2020, ‘Agro In 2001’, C-234/18, EU:C:2020:221, punt 44, en 28 oktober 2021, Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo, C-319/19, EU:C:2021:883, punt 25).
41
Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Ten gronde
42
Wat betreft de volgorde waarin de in het verzoek om een prejudiciële beslissing gestelde vragen worden behandeld, moet allereerst een antwoord worden gegeven op de tweede vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 en op het punt of dit begrip een besluit omvat waarbij een lidstaat een onderdaan van een derde land ingevolge de Dublin III-verordening overdraagt aan een andere lidstaat. Vervolgens moet een antwoord worden gegeven op de derde vraag, waarin de verwijzende rechter zich afvraagt wat de draagwijdte is van het in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bedoelde verbod. Tot slot moet worden ingegaan op de eerste vraag, waarin de verwijzende rechter zijn twijfels uit over de regels die van toepassing zijn op de berekening van de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn.
Tweede vraag
— Opmerkingen vooraf
43
Alvorens de tweede vraag te onderzoeken, moet in de eerste plaats worden geantwoord op het in punt 34 van het onderhavige arrest aangevoerde argument van de Tsjechische regering dat de bij artikel 6 van richtlijn 2004/81 vastgestelde bedenktijd in wezen niet ten goede mag komen aan een onderdaan van een derde land die niets meer doet dan alleen stellen slachtoffer te zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel.
44
In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2004/81 volgens artikel 1 ervan tot doel heeft de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van verblijfstitels van beperkte duur aan onderdanen van derde landen die hun medewerking verlenen bij het bestrijden van mensenhandel of hulp bij illegale immigratie.
45
Krachtens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/81 passen de lidstaten deze richtlijn toe op onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel, ook als zij het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen.
46
Artikel 5, eerste alinea, van deze richtlijn legt de bevoegde nationale autoriteiten de verplichting op om iedere onderdaan van een derde land in kennis te stellen van de door deze richtlijn geboden waarborgen wanneer zij van mening zijn dat hij ‘binnen de werkingssfeer’ van deze richtlijn ‘kan vallen’. Een van die waarborgen is volgens overweging 11 van richtlijn 2004/81 het recht om de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn te krijgen.
47
Deze bedenktijd heeft volgens artikel 6, lid 1, van deze richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat de betrokken onderdanen van derde landen kunnen herstellen en zich kunnen onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten waarvan zij slachtoffer zijn of zijn geweest, en zo met kennis van zaken kunnen beslissen of zij bereid zijn met de bevoegde autoriteiten samen te werken.
48
Krachtens artikel 6, lid 2, van deze richtlijn hebben de betrokken onderdanen van derde landen, in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten, toegang tot de behandeling waarin artikel 7 van deze richtlijn voorziet en mag geen enkele tegen hen genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd.
49
Met de verduidelijking dat de maatregelen waarvoor deze onderdanen van derde landen tijdens de periode van de bedenktijd in aanmerking komen, van toepassing zijn ‘in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten’, verwijst artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 impliciet naar artikel 8 van deze richtlijn, op grond waarvan aan deze onderdanen, onder bepaalde voorwaarden, na afloop van de bedenktijd of eerder een verblijfstitel kan worden verleend. Uit artikel 8, lid 1, van die richtlijn en in het bijzonder uit punt c) ervan, volgt echter dat voor de toekenning van een dergelijk verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond dat die onderdanen het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel. Hieruit volgt a fortiori dat deze onderdanen in aanmerking kunnen komen voor de bedenktijd van artikel 6 van die richtlijn, ook al is niet aangetoond dat zij slachtoffer zijn of zijn geweest van dergelijke strafbare feiten. In dit verband volgt uit artikel 5 juncto artikel 6 van richtlijn 2004/81 dat een dergelijke bedenktijd aan iedere onderdaan van een derde land moet worden gegund zodra de betrokken lidstaat redelijke gronden heeft om aan te nemen dat die onderdaan slachtoffer kan zijn of zijn geweest van strafbare feiten die verband houden met mensenhandel, hetgeen noodzakelijkerwijs het geval is wanneer die onderdaan, voor een van de autoriteiten die kennis moeten nemen van zijn situatie, op voldoende aannemelijke wijze aanvoert dat hij dergelijke feiten ondergaat of heeft ondergaan.
50
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat verzoeker in het hoofdgeding vóór de vaststelling van het besluit van 12 augustus 2019 dat door de verwijzende rechter op rechtmatigheid moet worden getoetst, heeft gesteld slachtoffer te zijn geweest van mensenhandel, heeft verklaard dat hij op die grond aangifte wenste te doen en heeft aangegeven een van de plegers van dit strafbare feit te hebben herkend in een opvanglocatie in Nederland. Verzoeker in het hoofdgeding lijkt dan ook op voldoende aannemelijke wijze te hebben gesteld slachtoffer te zijn geweest van mensenhandel, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
51
Wat in de tweede plaats het argument van de Nederlandse regering betreft dat de bedenktijd van artikel 6 van richtlijn 2004/81 naar de aard ervan niet van toepassing is op personen die om internationale bescherming verzoeken aangezien deze rechtmatig op het grondgebied van een lidstaat verblijven en dus niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, moet worden opgemerkt dat geen enkele bepaling van deze richtlijn onderscheid maakt tussen de betrokken onderdanen van derde landen naargelang zij al dan niet rechtmatig op het grondgebied van de lidstaten verblijven. Deze richtlijn sluit met de vermelding in artikel 3, lid 1, ervan dat zij van toepassing is op slachtoffers van strafbare feiten in verband met mensenhandel, ‘ook’ als zij ‘het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen’, juist geenszins uit dat dergelijke slachtoffers die het grondgebied van een lidstaat rechtmatig zijn binnenkomen en daar rechtmatig verblijven, in aanmerking komen voor de door deze richtlijn geboden waarborgen.
52
Bovendien volgt uit overweging 4 van richtlijn 2004/81 dat de rechten die deze richtlijn aan bepaalde onderdanen van derde landen verleent geen afbreuk doen aan onder meer de waarborgen die zij ontlenen aan hun eventuele hoedanigheid van aanvrager van internationale bescherming. Hieruit volgt dat de Uniewetgever geenszins heeft uitgesloten dat richtlijn 2004/81 andere rechten kan toekennen dan die welke aan die onderdanen van derde landen worden verleend op grond van hun hoedanigheid van aanvrager van internationale bescherming, met name gelet op de specifieke behoeften die verband houden met hun bijzondere kwetsbaarheid, zoals de in artikel 7, lid 2, van die richtlijn bedoelde behoeften op het gebied van veiligheid en bescherming door de nationale autoriteiten.
— Ten gronde
53
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat de maatregel waarbij een onderdaan van een derde land ingevolge de Dublin III-verordening van het grondgebied van een lidstaat naar dat van een andere lidstaat wordt overgebracht, onder het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ valt.
54
In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2004/81 het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ niet definieert en voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst. Aan dit begrip moet dan ook een autonome en uniforme uitlegging in de zin van richtlijn 2004/81 worden gegeven (zie in die zin arrest van 15 april 2021, The North of England P & I Association, C-786/19, EU:C:2021:276, punt 49).
55
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C-184/20, EU:C:2022:601, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
In dit verband moet worden opgemerkt dat, letterlijk bezien, aan de hand van de term ‘verwijdering’ in zijn gebruikelijke betekenis niet kan worden bepaald of het grondgebied dat de verwijderde persoon moet verlaten, het grondgebied is van de lidstaat die de betrokken verwijderingsmaatregel heeft vastgesteld dan wel dat van de Europese Unie in haar geheel. Uit de door richtlijn 2004/81 nagestreefde doelstellingen en uit de context van artikel 6, lid 1, ervan volgt evenwel dat de maatregel waarvan de tenuitvoerlegging krachtens dit artikel is verboden, die maatregel is waarbij de betrokkene wordt opgedragen het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten.
57
Wat in de eerste plaats de doelstellingen van richtlijn 2004/81 betreft, deze richtlijn streeft, zoals met name blijkt uit artikel 1 en de overwegingen 2, 4 en 11 ervan, de tweeledige doelstelling na om de inspanningen te concentreren op de opsporing en de ontmanteling van criminele netwerken en tegelijkertijd de rechten van slachtoffers van mensenhandel te waarborgen door deze slachtoffers de mogelijkheid te bieden om, gedurende een bepaalde periode, na te denken over de mogelijkheid om in het kader van de bestrijding van een dergelijk strafbaar feit hun medewerking te verlenen aan de politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke autoriteiten.
58
De invoering van de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bepaalde bedenktijd die, volgens deze bepaling, beoogt te waarborgen dat de onderdanen van derde landen kunnen herstellen en zich kunnen onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten waarvan zij slachtoffer zijn of zijn geweest zodat deze onderdanen met kennis van zaken kunnen beslissen om al dan niet met de bevoegde autoriteiten mee te werken, is in overeenstemming met deze tweeledige doelstelling om de rechten van slachtoffers van mensenhandel te waarborgen en tot de doeltreffendheid van de strafrechtelijke vervolging bij te dragen.
59
Het is ook in het licht van deze tweeledige doelstelling dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene zich bevindt, vereist dat deze lidstaat, ten eerste, gedurende de periode voor de bedenktijd met name voorziet in de basisbehoeften van de betrokkene door hem de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde behandeling toe te kennen en, ten tweede, er in die periode van afziet om enige verwijderingsmaatregel ten uitvoer te leggen en de betrokkene tijdelijk toestemming geeft om ‘in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten’ op het betrokken grondgebied te blijven. Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt hangen beide vereisten samen, aangezien de in artikel 7 van richtlijn 2004/81 bedoelde maatregelen voor ondersteuning en bijstand die tijdens de periode van de bedenktijd moeten worden getroffen, niet ten volle kunnen worden uitgevoerd indien de betrokkene het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft verlaten.
60
Het standpunt dat de in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bedoelde ‘verwijderingsmaatregel’, die tijdens de periode van die bedenktijd niet ten uitvoer mag worden gelegd, geen betrekking heeft op een krachtens de Dublin III-verordening genomen besluit tot overdracht aan een andere lidstaat, zou de verwezenlijking van het door deze richtlijn nagestreefde tweeledige doel dus in gevaar kunnen brengen.
61
De tenuitvoerlegging van een dergelijk overdrachtsbesluit tijdens de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 zou er namelijk toe leiden dat het slachtoffer van mensenhandel niet langer in de buurt is van de gespecialiseerde hulpdiensten waarbij het steun heeft kunnen vinden, waardoor er een einde komt aan de behandeling die hem krachtens artikel 7 van richtlijn 2004/81 in die lidstaat is verleend, hetgeen het herstel van dat slachtoffer zou schaden en bijgevolg diens kwetsbaarheid zou vergroten.
62
Verder zou de tenuitvoerlegging van een dergelijk besluit in het vroege stadium waarin de aan het slachtoffer van mensenhandel toegekende bedenktijd speelt, afbreuk kunnen doen aan de medewerking van dat slachtoffer aan het strafrechtelijk onderzoek en/of de gerechtelijke procedure. Door dat slachtoffer aan een andere lidstaat over te dragen nog voordat hij zich tijdens de periode van de bedenktijd waarover hij beschikt heeft kunnen uitspreken over zijn bereidheid om mee te werken aan dat onderzoek en/of aan die procedure, wordt de bevoegde autoriteiten immers niet alleen een getuigenis onthouden die bijzonder nuttig zou kunnen zijn voor de vervolging van de daders van het betrokken strafbare feit, maar doet zich bovendien het paradoxale gevolg voor dat de betrokkene van het grondgebied van de bevoegde lidstaat wordt verwijderd, hoewel hij daar aanwezig zou moeten zijn om, zo veel als noodzakelijk, bij dat onderzoek te worden betrokken.
63
Wat in de tweede plaats de context van de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 betreft, zij eraan herinnerd dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn jegens het slachtoffer van mensenhandel verplicht zijn om hem vooraf in kennis te stellen van ‘de mogelijkheden die deze richtlijn biedt’. Zo bestaan onder meer de mogelijkheid om deze bedenktijd te krijgen, alsook die om te profiteren van de in artikel 7 van richtlijn 2004/81 bedoelde maatregelen voor ondersteuning en bijstand en, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid om een tijdelijke verblijfstitel te krijgen overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, die volgens overweging 9 ervan voor het slachtoffer een ‘voldoende prikkel’ moet zijn om met de bevoegde autoriteiten samen te werken.
64
Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, zou deze informatieplicht haar nuttige werking verliezen indien de betrokken lidstaat de betrokkene tijdens de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 mocht overdragen aan een andere lidstaat, terwijl de betrokken lidstaat zich ertoe heeft verbonden om hem gedurende die bedenktijd de bovengenoemde ondersteuning en bijstand te verlenen en, uiterlijk bij het verstrijken van die bedenktijd, een tijdelijke verblijfstitel voor zijn grondgebied af te geven wanneer de voorwaarden van artikel 8 van deze richtlijn zijn vervuld.
65
Aan deze uitlegging kan niet worden afgedaan door het onderzoek van de door de verwijzende rechter genoemde richtlijnen 2001/40 en 2004/38. Het volstaat om vast te stellen dat uit deze richtlijnen — die zelf geen enkele definitie van het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ geven — geen eenduidige conclusie kan worden getrokken over de geografische reikwijdte van een dergelijk begrip in de zin van richtlijn 2004/81. Het door de Duitse regering aangevoerde argument, dat met name uitgaat van richtlijn 2001/40 en dat luidt dat het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ typisch wordt gebruikt in verhoudingen met derde landen, wordt, vanuit een puur letterlijk oogpunt, ontkracht door het feit dat dit begrip wordt gebruikt in met name artikel 28 van richtlijn 2004/38, dat zonder enige twijfel enkel is gericht op de verwijdering van het grondgebied van een lidstaat en niet op de verwijdering van het grondgebied van de Unie in haar geheel. Bovendien wordt in richtlijn 2004/81 evenmin verwezen naar verordening nr. 343/2003, die van kracht was op de datum dat die richtlijn werd vastgesteld en die met ingang van 18 juli 2013 is ingetrokken bij en vervangen door de Dublin III-verordening, waarin die richtlijn overigens evenmin wordt genoemd.
66
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat de maatregel waarbij een onderdaan van een derde land ingevolge de Dublin III-verordening van het grondgebied van een lidstaat naar dat van een andere lidstaat wordt overgebracht, onder het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ valt.
Derde vraag
67
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat tijdens de periode van de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van die richtlijn jegens een onderdaan van een derde land een ingevolge de Dublin III-verordening genomen overdrachtsbesluit wordt vastgesteld of uitgevoerd, dan wel dat met voorbereidende maatregelen voor de uitvoering ervan wordt aangevangen.
68
Volgens artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 mag tijdens de periode van deze bedenktijd ‘geen enkele tegen [onderdanen van derde landen] genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd’.
69
Gelet op deze bewoordingen van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81, verbiedt die bepaling derhalve niet dat er een verwijderingsmaatregel of enige andere maatregel ter voorbereiding van de uitvoering ervan wordt vastgesteld.
70
Gelet op het antwoord op de tweede vraag verzet deze bepaling zich er dus uitsluitend tegen dat een overdrachtsbesluit dat op grond van de Dublin III-verordening is vastgesteld ten aanzien van onderdanen van derde landen die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen, tijdens de overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die richtlijn toegekende bedenktijd wordt uitgevoerd.
71
Niettemin is het, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie in essentie heeft aangegeven, van belang dat de bevoegde nationale autoriteiten bij de vaststelling van maatregelen ter voorbereiding van de uitvoering van het overdrachtsbesluit tijdens de periode van de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd, de verwezenlijking van het in punt 58 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte tweeledige doel dat met deze bepaling wordt nagestreefd niet in gevaar brengen. Derhalve is het weliswaar niet verboden om in de loop van de bedenktijd maatregelen ter voorbereiding van de uitvoering ervan vast te stellen, maar mag die bedenktijd daardoor niet van zijn nuttige effect worden beroofd, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan. Dit zou in het bijzonder het geval kunnen zijn indien de maatregelen ter voorbereiding van de uitvoering van een dergelijk besluit erin bestaan dat het slachtoffer van mensenhandel met het oog op zijn overdracht in bewaring wordt gesteld, aangezien dergelijke voorbereidende maatregelen het slachtoffer, gelet op diens kwetsbaarheid, met name niet in staat stellen om te herstellen of, met kennis van zaken, te beslissen of hij bereid is om samen te werken met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij aanwezig is.
72
Hieraan moet worden toegevoegd dat een dergelijke uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 geen gevaar kan vormen voor de inachtneming van de duidelijk omschreven en relatief korte termijnen die krachtens de Dublin III-verordening gelden voor de administratieve procedure om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming over te dragen aan de aangezochte lidstaat.
73
Zo volgt allereerst uit punt 69 van het onderhavige arrest dat de toekenning van bedenktijd aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt, de lidstaat op het grondgebied waarvan hij zich bevindt niet belet om in de loop van die bedenktijd zijn verzoek om overname van die persoon door een andere lidstaat in te dienen overeenkomstig artikel 21, lid 1, van die verordening en, ingeval die andere lidstaat met het verzoek instemt, tijdens de periode van de bedenktijd een besluit tot overdracht aan de aldus aangezochte lidstaat vast te stellen.
74
Vervolgens is het juist dat de verzoekende lidstaat overeenkomstig artikel 29, leden 1 en 2, van die verordening voor de overdracht van de verzoeker beschikt over een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de vaststelling van de definitieve beslissing op het tegen het overdrachtsbesluit ingestelde beroep of bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht, wanneer dat besluit overeenkomstig van artikel 27, lid 3, van die verordening opschortende werking heeft, en dat indien de overdracht niet plaatsvindt, de verplichting van de aangezochte lidstaat om de betrokkene over te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid dan overgaat op de verzoekende lidstaat (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, A.S., C-490/16, EU:C:2017:585, punten 46, 57 en 58).
75
Wat richtlijn 2004/81 betreft, zij er evenwel aan herinnerd dat, zoals in artikel 6, lid 1, tweede alinea, ervan is bepaald, duur en aanvang van de in die bepaling bedoelde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht worden vastgesteld.
76
Bijgevolg is het aan de lidstaten om te zorgen voor een evenwicht tussen de duur van de bedenktijd die zij slachtoffers van mensenhandel op hun respectieve grondgebieden gunnen en de inachtneming van de termijn die is bepaald in artikel 29, leden 1 en 2, van de Dublin III-verordening, teneinde de juiste afstemming en het behoud van de nuttige werking van deze instrumenten te waarborgen.
77
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een overdrachtsbesluit dat ingevolge de Dublin III-verordening is genomen jegens een onderdaan van een derde land, tijdens de in lid 1 van dat artikel 6 gewaarborgde periode van de bedenktijd wordt uitgevoerd, maar er niet aan in de weg staat dat een dergelijk besluit wordt vastgesteld of voorbereidende maatregelen voor de uitvoering daarvan worden getroffen, mits deze voorbereidende maatregelen een dergelijke bedenktijd niet van zijn nuttige werking beroven, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
Eerste vraag
78
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81, bij gebreke van een maatregel tot omzetting ervan in nationaal recht, aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde bedenktijd van rechtswege ingaat op het moment waarop de betrokken onderdaan van een derde land de bevoegde nationale autoriteiten ervan in kennis stelt dat hij slachtoffer is of is geweest van mensenhandel, en van rechtswege eindigt nadat deze onderdaan aangifte heeft gedaan op de grond dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel, dan wel daarentegen deze nationale autoriteiten heeft laten weten dat hij daarvan afziet.
79
Zoals naar voren komt uit de uiteenzetting van de feiten die ten grondslag liggen aan het hoofdgeding, zoals samengevat in de punten 23 tot en met 30 van het onderhavige arrest, hebben de bevoegde nationale autoriteiten in casu verzoeker in het hoofdgeding — die eerder had beweerd het slachtoffer te zijn geweest van mensenhandel, had verklaard hiervan aangifte te willen doen en had aangegeven een van de daders van dat strafbare feit te hebben herkend in een opvanglocatie in Nederland — op geen enkel moment vóór de vaststelling van het overdrachtsbesluit van 12 augustus 2019 in kennis gesteld van de door richtlijn 2004/81 geboden mogelijkheden, met inbegrip van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn vastgestelde bedenktijd, en hem evenmin een dergelijke bedenktijd toegekend.
80
Niettemin moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding, zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte aanwijzingen, betrekking heeft op de rechtmatigheid van het besluit van 12 augustus 2019 om verzoeker in het hoofdgeding krachtens de Dublin III-verordening over te dragen aan Italië. Zoals in punt 77 van het onderhavige arrest is uiteengezet, verzet richtlijn 2004/81 zich er niet tegen dat tijdens de periode van de bedenktijd krachtens artikel 6, lid 1, van die richtlijn een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld. Hieruit volgt dat, zelfs indien wordt verondersteld dat verzoeker in het hoofdgeding een dergelijke bedenktijd had moeten worden gegund, de onrechtmatigheid die de Nederlandse autoriteiten hebben begaan door in casu geen dergelijke bedenktijd toe te kennen, niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit dat voor de verwijzende rechter wordt aangevochten, daar artikel 6 van richtlijn 2004/81 zich er louter tegen verzet dat een dergelijk besluit wordt uitgevoerd wanneer de onderdaan van een derde land de bedenktijd waarop hij recht had krachtens artikel 6, niet heeft gekregen.
81
Uit het voorgaande punt volgt eveneens dat, met het oog op de toetsing van de rechtmatigheid van het besluit van 12 augustus 2019, de beantwoording van op de vraag vanaf welk moment en tot op welke datum verzoeker in het hoofdgeding bedenktijd had moeten worden toegekend, zou inhouden dat het Hof een advies over een zuiver hypothetische vraag formuleert.
82
Volgens vaste rechtspraak is het echter niet aan het Hof om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren (arresten van 16 juli 1992, Meilicke, C-83/91, EU:C:1992:332, punt 25, en 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 33).
83
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het niet aan het Hof is om de eerste vraag te beantwoorden.
Kosten
84
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie
moet aldus worden uitgelegd dat:
de maatregel waarbij een onderdaan van een derde land ingevolge verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, van het grondgebied van een lidstaat naar dat van een andere lidstaat wordt overgebracht, onder het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ valt.
- 2)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81
moet aldus worden uitgelegd dat:
het eraan in de weg staat dat een overdrachtsbesluit dat ingevolge verordening nr. 604/2013 is genomen jegens een onderdaan van een derde land, tijdens de in lid 1 van artikel 6 gewaarborgde periode van de bedenktijd wordt uitgevoerd, maar er niet aan in de weg staat dat een dergelijk besluit wordt vastgesteld of voorbereidende maatregelen voor de uitvoering daarvan worden getroffen, mits deze voorbereidende maatregelen een dergelijke bedenktijd niet van zijn nuttige werking beroven, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
Lycourgos | Rossi | Bonichot |
Rodin | Spineanu-Matei |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 oktober 2022.
De griffier | De kamerpresident |
A. Calot Escobar | C. Lycourgos |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑10‑2022
Conclusie 02‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Immigratiebeleid — Voorkoming en bestrijding van mensenhandel — Richtlijn 2004/81/EG — Verblijfstitel die wordt afgegeven aan derdelanders die slachtoffer zijn van mensenhandel — Artikel 6 — Bedenktijd — Dag van aanvang (dies a quo) en dag van einde (dies ad quem) — Verbod om gedurende deze bedenktijd verwijderingsmaatregelen ten uitvoer te leggen — Begrip ‘verwijderingsmaatregelen’ — Nationale regeling op grond waarvan het slachtoffer kan worden overgedragen aan de lidstaat die overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming — Toelaatbaarheid
J. Richarde de la Tour
Partij(en)
Zaak C-66/211.
O.T. E.
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
[verzoek van de rechtbank Den Haag (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Kan een lidstaat tijdens de bedenktijd die hij op grond van artikel 6 van richtlijn 2004/81/EG2. gunt aan een persoon die slachtoffer is van mensenhandel, die persoon overdragen aan de lidstaat die hij overeenkomstig de criteria van verordening (EU) nr. 604/20133. verantwoordelijk acht voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming? En voorts: op welke dag begint (dies a quo) en op welke dag eindigt (dies ad quem) deze bedenktijd?
2.
Dit zijn in wezen de vragen die de rechtbank Den Haag (Nederland) in het kader van dit verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gesteld.
3.
Deze prejudiciële verwijzing biedt het Hof de gelegenheid om zich voor het eerst uit te spreken over de wijze waarop de procedure van richtlijn 2004/81 inzake de afgifte van een tijdelijke verblijfstitel aan een derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, zich verhoudt tot de procedure voor de overdracht van deze derdelander aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, welke procedure is geregeld in verordening nr. 604/2013.4. Het is juist dat richtlijn 2004/81 de lidstaat verplicht om het slachtoffer van mensenhandel een bedenktijd te gunnen, waarna deze persoon in ruil voor zijn medewerking deze verblijfstitel kan krijgen, maar verordening nr. 604/2013 bepaalt daarentegen dat de lidstaat die derdelander zo spoedig mogelijk overdraagt aan de aangezochte lidstaat met het oog op de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
4.
In deze conclusie zal ik in de eerste plaats uiteenzetten waarom het in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bedoelde begrip ‘verwijderingsmaatregel’ mijns inziens de maatregelen omvat waarmee een derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, als gevolg van de tenuitvoerlegging van een krachtens verordening nr. 604/2013 vastgesteld overdrachtsbesluit wordt gedwongen het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt te verlaten. Ik zal dienovereenkomstig uitleggen dat dit artikel, door die lidstaat te verbieden tijdens de bedenktijd een verwijderingsmaatregel te nemen, eraan in de weg staat dat die lidstaat tijdens deze bedenktijd die derdelander ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 604/2013 genomen besluit overdraagt aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
5.
Ik zal evenwel uiteenzetten dat de bevoegde nationale autoriteiten de mogelijkheid behouden om gedurende die bedenktijd een besluit tot overdracht vast te stellen of voorbereidende maatregelen te treffen voor de tenuitvoerlegging daarvan, voor zover deze maatregelen de nuttige werking van de bedenktijd niet in gevaar brengen.
6.
In de tweede plaats zal ik in deze conclusie specificeren hoe de termijn van de bedenktijd moet worden berekend, en in het bijzonder op welke dag deze begint (dies a quo) en op welke dag deze eindigt (dies ad quem).
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 2004/81
7.
Artikel 1 van richtlijn 2004/81 bepaalt het volgende:
‘Het doel van deze richtlijn is de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van verblijfstitels van beperkte duur, gekoppeld aan de duur van de daarmee verband houdende nationale procedures, aan onderdanen van derde landen die hun medewerking verlenen bij het bestrijden van mensenhandel of hulp bij illegale immigratie.’
8.
Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘1.
De lidstaten passen deze richtlijn toe op onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel, ook als zij het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen.’
9.
Artikel 5, eerste alinea, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van oordeel zijn dat deze richtlijn van toepassing zou kunnen zijn op een bepaalde onderdaan van een derde land, stellen zij de betrokkene in kennis van de mogelijkheden die deze richtlijn biedt.’
10.
Artikel 6 van deze richtlijn (‘Bedenktijd’) bepaalt het volgende:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken onderdanen van derde landen bedenktijd krijgen om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten, zodat zij met kennis van zaken kunnen beslissen of zij bereid zijn met de bevoegde autoriteiten samen te werken.
Duur en aanvang van de in de eerste alinea bedoelde termijn worden overeenkomstig het nationale recht vastgesteld.
- 2.
Tijdens de periode voor de bedenktijd hebben de betrokken onderdanen van derde landen, in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten, toegang tot de behandeling waarin artikel 7 voorziet en mag geen enkele tegen hen genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd.
- 3.
De bedenktijd geeft geen recht op verblijf uit hoofde van deze richtlijn.
- 4.
De lidstaat kan de bedenktijd te allen tijde beëindigen indien de bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat de betrokkene actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de daders van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, onder b) en c), alsook om redenen die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.’
11.
Artikel 7 van richtlijn 2004/81 (‘Behandeling die verleend wordt voorafgaand aan de afgifte van de verblijfstitel’) bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten waarborgen de betrokken onderdanen van derde landen die over onvoldoende middelen beschikken, een levensstandaard die hen in staat stelt in hun onderhoud te voorzien, alsmede toegang tot spoedeisende medische behandelingen. Zij voorzien in de bijzondere behoeften van de meest kwetsbare personen, zo nodig en indien het nationale recht hierin voorziet, in de vorm van psychologische bijstand.
- 2.
De lidstaten houden bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn naar behoren rekening met de behoeften van de betrokken onderdanen van derde landen op het gebied van veiligheid en bescherming, overeenkomstig het nationale recht.
[…]’
12.
Artikel 8 van deze richtlijn luidt:
- ‘1.
Wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het […] onder b) genoemde criterium, bekijkt een lidstaat:
- a)
of het voor het onderzoek of de gerechtelijke procedure dienstig is het verblijf van de persoon in kwestie op zijn grondgebied te verlengen, en
- b)
of deze duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking, en
- c)
of deze alle banden met de vermoedelijke daders van een of meer van de in artikel 2, onder b) en c), omschreven strafbare feiten heeft verbroken.
- 2.
Onverminderd redenen die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid mag de verblijfstitel alleen worden afgegeven als aan de in lid 1 genoemde voorwaarden is voldaan.
[…]’
2. Andere bepalingen van het Unierecht
13.
In het kader van deze conclusie zal ik verwijzen naar de artikelen 21, 29, 31 en 32 van verordening nr. 604/2013.
14.
Ik zal ook verwijzen naar richtlijn 2011/36/EU5., die een omschrijving bevat van het strafbare feit van mensenhandel en bepaalt welke bijstands- en beschermingsmaatregelen moeten worden verleend aan slachtoffers van mensenhandel, en naar richtlijn 2012/29/EU6..
B. Nederlands recht
15.
Artikel 8, aanhef en onder k), van de Vreemdelingenwet 20007. van 23 november 2000 bepaalt het volgende:
‘De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
[…]
- k.
gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f[8.] van het Wetboek van Strafrecht[9.];’
16.
17.
Artikel 30, lid 1, Vw bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfstitel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van verordening nr. 604/2013 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
18.
De regelingen voor het gunnen van de bedenktijd zijn te vinden in de Vreemdelingencirculaire 200010., met name in paragraaf B8/3.1 ervan, waarin het volgende is vermeld:
‘De Commandant van de Koninklijke Marechaussee heeft dezelfde bevoegdheden als de Korpschef van de Nationale Politie voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling.
[…]
De [Immigratie- en Naturalisatiedienst11.] onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:
- 1.
de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel;
- 2.
de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en
- 3.
de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel.
Ad 1. De bedenktijd
Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, [aanhef en] onder k Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.
Reeds bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel en/of op voorspraak van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Opsporing (ISZW-DO), biedt de politie of [de Koninklijke Marechaussee] aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan.
Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op.
De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.
De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en:
- —
werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr;
- —
nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of
- —
geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de [de Koninklijke Marechaussee], zo nodig in overleg met het [Openbaar Ministerie], de bedenktijd aanbiedt bij de geringste aanwijzing van mensenhandel.
[…]
Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie of [Koninklijke Marechaussee] waar hij of zij administratief is ondergebracht.
De bedenktijd eindigt op het moment dat:
- —
de politie of [de Koninklijke Marechaussee] vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken;
- —
het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte;
- —
het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of
- —
het vermoedelijke slachtoffer een aanvraag voor een verblijfsvergunning (anders dan op grond van deze paragraaf) indient.
Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.
[…]’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
19.
Verzoeker in het hoofdgeding, Nigeriaans staatsburger, heeft op 26 april 2019 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend, na eerder drie verzoeken om internationale bescherming in Italië en ook nog een verzoek om internationale bescherming in België te hebben ingediend.
20.
Op 3 juni 2019 heeft het Koninkrijk der Nederlanden de Italiaanse Republiek verzocht verzoeker in het hoofdgeding terug te nemen, overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder d), van verordening nr. 604/2013, welk verzoek op 13 juni 2019 door Italië is aanvaard.
21.
Het aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden op 26 april 2019 en verzoeker in het hoofdgeding heeft bij schrijven van 30 juli 2019 te kennen gegeven aangifte te willen doen bij de politie, aangezien hij slachtoffer zou zijn geweest van mensenhandel in Italië en een van de daders van dit misdrijf in een Nederlands opvangcentrum zou hebben herkend. Hij werd hierover gehoord door de vreemdelingenpolitie. Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd de aanvraag tot het verlenen van internationale bescherming van verzoeker in het hoofdgeding te onderzoeken op de grond dat Italië hiervoor verantwoordelijk was en zijn overdracht aan Italië gelast.
22.
Op 3 oktober 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding aangifte gedaan bij de Nederlandse autoriteiten op grond dat hij slachtoffer was van mensenhandel.
23.
Na onderzoek is het Nederlandse Openbaar Ministerie tot de slotsom gekomen dat er in Nederland geen bewijs was ter onderbouwing van de aangifte van verzoeker in het hoofdgeding en dat zijn medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek in Nederland dus niet nodig was. Aan zijn aangifte is daarom geen gevolg gegeven.
24.
Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen het besluit van 12 augustus 2019 beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij stelt met name dat dit besluit onrechtmatig is, aangezien hem op grond van artikel 6 van richtlijn 2004/81 een bedenktijd had moeten worden gegund.
25.
Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of aan verzoeker in het hoofdgeding op enig moment vanaf 30 juli 2019 de in artikel 6 van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd had moeten worden gegund en, zo ja, of de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid maatregelen mocht treffen ter voorbereiding van de verwijdering van verzoeker in het hoofdgeding van het Nederlandse grondgebied terwijl die bedenktijd niet is gegund, en — in het verlengde daarvan — of het besluit van 12 augustus 2019 een maatregel tot verwijdering is. Bovendien vraagt die rechter zich af welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat, afgezien van de in de Vc genoemde elementen, het nationale recht noch de duur, noch de aanvang van deze bedenktijd bepaalt en dat artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dus niet is omgezet in Nederlands recht.
26.
In die omstandigheden heeft de rechtbank Den Haag de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
- a)
Moet, nu Nederland heeft verzuimd de aanvang van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn [2004/81] gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege aanvangt met de melding (mededeling) door de derdelander van mensenhandel aan de Nederlandse autoriteiten?
- b)
Moet, nu Nederland heeft verzuimd de duur van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn [2004/81] gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege eindigt nadat aangifte van mensenhandel is gedaan of de betrokken onderdaan van een derde land te kennen geeft af te zien van het doen van aangifte?
- 2)
Moeten onder verwijderingsmaatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] ook worden verstaan maatregelen ter verwijdering van een derdelander van het grondgebied van de lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat?
- 3)
- a)
Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een overdrachtsbesluit te nemen?
- b)
Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn [2004/81] eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een al genomen overdrachtsbesluit uit te voeren of de uitvoering ervan voor te bereiden?’
27.
De Tsjechische, de Duitse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
28.
Partijen werd ook verzocht om schriftelijke beantwoording van de door het Hof gestelde vragen en met name om zich uit te spreken over de vraag in hoeverre en hoe voor de beantwoording van de prejudiciële vragen rekening moet worden gehouden met zowel de bepalingen betreffende de preventie van mensenhandel en de bescherming van de slachtoffers als bedoeld in richtlijn 2011/36, als de regels betreffende de rechten van slachtoffers van strafbare feiten, zoals vervat in richtlijn 2012/29.
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
29.
Alvorens over te gaan tot de behandeling van deze vragen, wil ik twee opmerkingen maken.
30.
De eerste betreft de volgorde die ik voorstel voor de behandeling van deze vragen.
31.
Ik zal in mijn analyse namelijk allereerst de fundamentele vraag onderzoeken die door de tweede prejudiciële vraag wordt opgeworpen, te weten de uitlegging van het begrip ‘verwijderingsmaatregel’, dat door de Uniewetgever is gebruikt in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81. De verwijzende rechter vraagt zich namelijk af of onder dat begrip een maatregel valt waarbij een lidstaat een derdelander op grond van verordening nr. 604/2013 aan een andere lidstaat overdraagt.
32.
Om de samenhang te bewaren, zet ik mijn analyse daarna voort met het onderzoek van de derde prejudiciële vraag, die er betrekking op heeft in hoeverre een lidstaat tijdens de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd een overdrachtsprocedure kan starten tegen de derdelander die slachtoffer is van mensenhandel. De verwijzende rechter vraagt zich met name af, om te beginnen, of een overdrachtsbesluit kan worden vastgesteld [onder a)] en, voorts, of een dergelijk overdrachtsbesluit — dat vóór het begin van de bedenktijd is genomen — ten uitvoer kan worden gelegd of kan worden voorbereid met het oog op de tenuitvoerlegging ervan [onder b)].
33.
Ten slotte zal ik mijn analyse beëindigen met de behandeling van de eerste prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de berekening van de termijnen die van toepassing zijn op de bedenktijd. Bij gebreke van een nationale omzettingsmaatregel verzoekt de verwijzende rechter het Hof namelijk te bepalen op welke dag de termijn begint (dies a quo) en op welke dag deze eindigt (dies ad quem).
34.
De tweede opmerking betreft de regels aan de hand waarvan ik de tweede en de derde prejudiciële vraag zal onderzoeken, die betrekking hebben op de reikwijdte van het verbod op de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel tijdens de bedenktijd.
35.
In hun opmerkingen hebben de Duitse en de Nederlandse regering namelijk voorgesteld om deze vragen te beantwoorden aan de hand van een analyse van de bewoordingen, de opzet en het doel van verordening nr. 604/2013. Uit deze aanpak blijkt dat deze partijen en de Commissie er sterk toe neigen de doeltreffendheid van de in deze verordening geregelde overdrachtsprocedures zwaarder te laten wegen. Niettegenstaande het belang van deze aanpak moet de reikwijdte van het verbod van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 mijns inziens evenwel vooral worden onderzocht in het licht van de bewoordingen, de opzet en het doel van deze bepaling, in de context van het mechanisme van de bestrijding van mensenhandel waarvan deze richtlijn deel uitmaakt.
36.
Hoewel richtlijn 2004/81 en verordening nr. 604/2013 beide bijdragen tot de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, hebben zij immers hun eigen regelingen en streven zij verschillende doelen na.
37.
Richtlijn 2004/81 is een instrument ter bestrijding van mensenhandel en is van toepassing ongeacht de status van het slachtoffer. Deze richtlijn betreft de verblijfsvoorwaarden voor derdelanders die slachtoffer zijn van mensenhandel of die hulp hebben gekregen bij illegale immigratie naar het grondgebied van de lidstaten, en voorziet met name in de afgifte van een verblijfstitel aan degenen onder hen die aan het einde van een bedenktijd besluiten samen te werken ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek en/of de gerechtelijke procedure. Deze richtlijn moet daarom bijdragen tot de doeltreffendheid van de bestrijding van netwerken van mensenhandel of illegale immigratie en tegelijkertijd de slachtoffers van deze misdrijven beschermen.
38.
Verordening nr. 604/2013 maakt daarentegen deel uit van het beheer van de migratiestromen. Zij valt onder het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en is gebaseerd op een zuiver administratieve onderzoeksprocedure die tot doel heeft om aan de hand van de in deze verordening geformuleerde criteria te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, waaraan de verzoeker eventueel wordt overgedragen en waarin hij eventueel een verblijfstitel krijgt in zijn hoedanigheid van persoon die internationale bescherming geniet.
39.
Een situatie als de onderhavige doet de vraag rijzen hoe deze twee procedures zich tot elkaar verhouden. De gelijktijdige tenuitvoerlegging ervan is eo ipso reeds paradoxaal: terwijl richtlijn 2004/81 erop gericht is de betrokken derdelander een tijdelijke verblijfstitel te verlenen op het grondgebied van de lidstaat waar hij is geïdentificeerd als slachtoffer van mensenhandel en waar hij aangifte heeft gedaan, regelt verordening nr. 604/2013 daarentegen, binnen strikte termijnen, de overdracht van deze persoon aan een andere lidstaat wanneer de lidstaat waarin hij zich bevindt niet verantwoordelijk is voor het onderzoek van zijn verzoek om internationale bescherming.
40.
Voor de onderlinge afstemming van deze procedures moet een evenwichtige aanpak worden ontwikkeld, waarbij uiteraard rekening dient te worden gehouden met de doeltreffendheid van de zogenoemde Dublinprocedures, maar vooral — volgens mij — met de kwetsbaarheid van de betrokkene, zowel vanwege zijn status als slachtoffer, waarop richtlijn 2004/81 betrekking heeft, als vanwege zijn status als persoon die om internationale bescherming verzoekt.
B. Reikwijdte van het verbod op de tenuitvoerlegging van elke verwijderingsmaatregel tijdens de in artikel 6 van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd
1. Tweede prejudiciële vraag: uitlegging van het in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 gebruikte begrip ‘verwijderingsmaatregel’
41.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 de maatregel omvat waarmee een lidstaat een derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, op grond van artikel 26 van verordening nr. 604/2013 aan een andere lidstaat overdraagt.
42.
Met andere woorden, deze rechter wenst te vernemen of dit begrip alle maatregelen omvat waarmee een derdelander wordt gedwongen het grondgebied van een lidstaat te verlaten, zoals een maatregel tot overdracht aan een andere lidstaat, dan wel, of het begrip ‘verwijdering’ veeleer alleen de maatregelen omvat waarmee een derdelander wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten, zodat een overdracht die is vastgesteld op grond van verordening nr. 604/2013 van deze kwalificatie zou zijn uitgesloten.
43.
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bepaalt dat ‘[t]ijdens de periode voor de bedenktijd […] de betrokken onderdanen van derde landen, in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten, toegang [hebben] tot de behandeling waarin artikel 7 voorziet en […] geen enkele tegen hen genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer [mag] worden gelegd’.
44.
De bewoordingen van artikel 6, lid 2, van deze richtlijn geven geen enkele aanwijzing wat betreft de geografische reikwijdte van het begrip ‘verwijdering’. De Uniewetgever geeft ook geen definitie van dit begrip in het kader van deze richtlijn. In artikel 2, onder d), van deze richtlijn preciseert hij enkel dat een ‘maatregel tot uitvoering van een verwijderingsbesluit’ moet worden opgevat als ‘elke maatregel die door een lidstaat wordt getroffen met het oog op de uitvoering van een door de bevoegde autoriteiten genomen besluit waarin de verwijdering van een onderdaan van een derde land wordt bevolen’.
45.
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bevat ook geen verwijzing naar het nationale recht van de lidstaten. Het begrip ‘verwijdering’ dat in dit artikel voorkomt, moet daarom worden opgevat als een autonoom begrip van het Unierecht. Aangezien dit begrip al is gedefinieerd in artikel 3, punt 5, van richtlijn 2008/115/EG12., die net als richtlijn 2004/81 deel uitmaakt van het immigratiebeleid van de Unie, geef ik het Hof in overweging zich daarop te baseren.
46.
In richtlijn 2008/115 wordt het begrip ‘verwijdering’ in artikel 3, punt 5, ervan gedefinieerd als ‘de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, dat wil zeggen de fysieke verwijdering uit de lidstaat’. Ingevolge artikel 3, punt 3, van deze richtlijn houdt het terugkeerbesluit op zijn beurt in dat de derdelander ‘terugkeert’ naar zijn land van herkomst, een land van doorreis, of een ander derde land. Gelet op deze definities hebben een verwijderingsbesluit en een terugkeerbesluit, ook al zijn zij vastgesteld in het kader van één procedure of handeling, een verschillende reikwijdte. ‘Verwijdering’ is de maatregel waarmee de derdelander het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt moet verlaten, terwijl in het kader van richtlijn 2008/115 ‘terugkeer’ de handeling is op grond waarvan deze persoon naar een derde land, een land van doorreis, of zijn land van herkomst moet gaan, dat wil zeggen buiten het grondgebied van de Unie. Op grond van artikel 8, lid 3, van deze richtlijn kunnen de lidstaten aldus de verwijdering van de betrokkene, in een administratief of rechterlijk besluit of administratieve handeling, los van het terugkeerbesluit, gelasten voor of na de vaststelling van dit besluit, waarbij elk van deze handelingen moet voldoen aan de vormvereisten genoemd in artikel 12 van deze richtlijn en voorwerp moet kunnen zijn van rechterlijke toetsing.13.
47.
In het arrest van 30 september 2020, OCMW van Seraing14., heeft het Hof aldus in de volgende bewoordingen een onderscheid gemaakt tussen de verwijderingsmaatregel en het terugkeerbesluit: ‘uit artikel 3, punten 3 tot en met 5, van richtlijn 2008/115 [volgt] […] dat een terugkeerbesluit de derdelander op wie het betrekking heeft, per definitie een verplichting oplegt of gelast om naar een derde land terug te keren, terwijl het begrip ‘verwijdering’ verwijst naar de fysieke verwijdering van die derdelander uit de betrokken lidstaat’.15. Volgens het Hof heeft het besluit waarbij de verwijdering wordt gelast ‘als zodanig tot gevolg dat de betrokken derdelander niet tijdelijk op het grondgebied van deze lidstaat mag blijven’.16.
48.
Uit deze tekstuele en aan de rechtspraak ontleende elementen volgt dat een maatregel als een ‘verwijderingsmaatregel’ wordt gekwalificeerd wanneer deze tot gevolg heeft dat een derdelander wordt gedwongen het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt te verlaten. Voor zover een overeenkomstig verordening nr. 604/2013 genomen overdrachtsbesluit voor de betrokken derdelander een verplichting inhoudt om zich naar de lidstaat te begeven die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming (aangezochte lidstaat), houdt de tenuitvoerlegging van een dergelijk besluit op zich in dat deze derdelander wordt verwijderd van het grondgebied van de lidstaat waar hij zijn verzoek om internationale bescherming heeft ingediend (verzoekende lidstaat).
49.
In het licht van deze overwegingen geef ik het Hof dan ook in overweging om voor recht te verklaren dat het in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 bedoelde begrip ‘verwijderingsmaatregel’ aldus moet worden uitgelegd dat hieronder mede moeten worden verstaan de maatregelen waarmee een derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, wordt gedwongen het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt te verlaten als gevolg van de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbesluit dat is vastgesteld op grond van verordening nr. 604/2013.
2. Derde prejudiciële vraag: modaliteiten van de tenuitvoerlegging van een overdrachtsprocedure gedurende de bedenktijd
50.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat gedurende de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde bedenktijd, ten eerste een overdrachtsbesluit kan worden vastgesteld [onder a)] en ten tweede een vóór aanvang van de bedenktijd genomen overdrachtsbesluit ten uitvoer kan worden gelegd of deze tenuitvoerlegging kan worden voorbereid [onder b)].
51.
In artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 heeft de Uniewetgever het verboden dat door de lidstaat een verwijderingsmaatregel ‘ten uitvoer wordt gelegd’ tegen de derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, tijdens de hem op grond van lid 1 van dit artikel gegunde bedenktijd.
52.
Rekening houdend met de bewoordingen van artikel 6 van deze richtlijn zal ik hierna onderscheid maken tussen twee situaties.
53.
De eerste situatie is die welke uitdrukkelijk door de Uniewetgever is verboden, namelijk de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel.
54.
De tweede situatie is die waarin, bij gebreke van een andersluidende aanwijzing in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81, de lidstaat gedurende deze bedenktijd zou kunnen besluiten het slachtoffer van mensenhandel over te dragen of de voorbereidende maatregelen te treffen voor de tenuitvoerlegging van deze overdracht, zonder dat echter de overdracht in eigenlijke zin van de betrokken derdelander plaatsvindt.
a) Verbod om een overdrachtsbesluit tijdens de bedenktijd ten uitvoer te leggen
55.
Gelet op het voorgaande brengt het verbod om een verwijderingsbesluit ten uitvoer te leggen mijns inziens met zich mee dat het verboden is om een overdrachtsbesluit ten aanzien van een slachtoffer van mensenhandel ten uitvoer te leggen tijdens de hem gegunde bedenktijd.
56.
Zoals ik nu zal uiteenzetten, moet deze uitlegging niet alleen worden gekozen met het oog op de nuttige werking van de procedure voor de afgifte van de verblijfstitel waarin richtlijn 2004/81 voorziet, maar ook gelet op de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen.
57.
Deze richtlijn heeft, ingevolge artikel 1 ervan, tot doel de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van verblijfstitels van beperkte duur aan derdelanders die hun medewerking verlenen bij het bestrijden van mensenhandel door deel te nemen aan het strafrechtelijk onderzoek of de gerechtelijke procedure.17.
58.
In deze context is het wezenlijk om in gedachten te houden dat de bepalingen van deze richtlijn, overeenkomstig artikel 3, lid 1, ervan, zijn gericht tot ‘onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel’.
59.
Ingevolge artikel 2, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2012/29 moet onder ‘slachtoffer’ worden verstaan ‘een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden’. Of iemand slachtoffer van een strafbaar feit is, staat los van de wettigheid van het verblijf of de verblijfsstatus van de betrokkene op het grondgebied van de betrokken lidstaat.18.
60.
61.
Uit de werkingssfeer van deze richtlijn, zoals uiteengezet in artikel 3, lid 1, ervan, gelezen in het licht van de richtlijnen 2011/36 en 2012/29, volgt dat de procedure voor de afgifte van de tijdelijke verblijfstitel — waarvan de bedenktijd deel uitmaakt — alleen mag worden ingeleid wanneer de bevoegde nationale autoriteiten van mening zijn dat de derdelander kan worden aangemerkt als ‘slachtoffer van mensenhandel’.
62.
Bij de inrichting van de verschillende fasen van de procedure voor de afgifte van de tijdelijke verblijfstitel is rekening gehouden met de bijzondere status van slachtoffer die de derdelander heeft, maar ook met de ernst van het betrokken strafbare feit. Elk van deze fasen impliceert dat het slachtoffer gedurende de hem gegunde bedenktijd op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven en dat de tenuitvoerlegging van elke tegen hem genomen overdrachtsmaatregel derhalve wordt opgeschort.
1) Informatieplicht van de lidstaat
63.
De verschillende fasen van de procedure voor de afgifte van tijdelijke verblijfstitels zijn omschreven in hoofdstuk II van richtlijn 2004/81.
64.
Deze procedure begint ermee dat aan het mogelijke slachtoffer van mensenhandel de eerste informatie wordt verstrekt, overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn.21.
65.
Ingevolge dit artikel rust deze informatieplicht op de bevoegde nationale autoriteiten, zodra deze ‘van oordeel zijn dat deze richtlijn van toepassing zou kunnen zijn op een bepaalde onderdaan van een derde land’. Met andere woorden, deze informatieplicht rust op deze autoriteiten zodra zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat deze derdelander slachtoffer is of is geweest van mensenhandel, en dus voorafgaand aan enige strafrechtelijke kwalificatie.22.
66.
Overeenkomstig dit artikel moeten deze autoriteiten de betrokkene in kennis stellen van de ‘mogelijkheden die deze richtlijn biedt’. Met andere woorden, hij moet worden geïnformeerd over de mogelijkheid om gebruik te maken van niet alleen een periode van bedenktijd en herstel, maar ook van de ondersteunings- en bijstandsmaatregelen van artikel 7 van richtlijn 2004/81 en, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid van een tijdelijke verblijfstitel op het grondgebied van de lidstaat, in ruil voor zijn medewerking, in overeenstemming met artikel 8 van deze richtlijn.23. Zoals volgt uit overweging 9 van deze richtlijn moet de verblijfstitel namelijk ‘voor de [slachtoffers van mensenhandel] een voldoende prikkel […] zijn om samen te werken met de bevoegde autoriteiten’.
67.
Deze informatieplicht zou worden uitgehold indien de betrokken lidstaat het slachtoffer uiteindelijk tijdens de hem gegunde bedenktijd zou overdragen, terwijl hij zich ertoe heeft verbonden hem niet alleen deze bedenktijd maar ook de in artikel 7 van richtlijn 2004/81 bedoelde ondersteunings- en bijstandsmaatregelen te verlenen en aan hem, onder bepaalde voorwaarden, een tijdelijke verblijfstitel af te geven als dit slachtoffer ermee instemt aangifte te doen of te getuigen tegen de daders van het strafbare feit. Een dergelijke praktijk zou niet verenigbaar zijn met de eisen die door de Uniewetgever zijn geformuleerd in artikel 1, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2012/29, volgens welke de bevoegde nationale autoriteiten respect, tact en professionaliteit moeten betonen jegens de slachtoffers van strafbare feiten.24.
2) Bedenktijd
68.
De bedenktijd wordt gegund onder de in artikel 6 van richtlijn 2004/81 geformuleerde voorwaarden. Terwijl de Uniewetgever noch de duur, noch de aanvang van deze periode definieert en het dus aan elke lidstaat overlaat om dit te regelen, is deze wetgever daarentegen veel explicieter over het doel van deze bedenktijd. In lid 1 van dit artikel geeft hij immers uitdrukkelijk aan dat deze bedenktijd het slachtoffer in staat moet stellen om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van het strafbare feit zodat de betrokkene met kennis van zaken kan beslissen of hij, gezien de eventueel daaraan verbonden risico's, bereid is samen te werken met de bevoegde autoriteiten (politie, openbaar ministerie en rechterlijke autoriteiten).25. Met de invoering van de bedenktijd houdt de Uniewetgever dus rekening met de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer en de zeer specifieke aard van het strafbare feit, aangezien — behalve dat de bestanddelen van het strafbare feit zijn vervuld — dit slachtoffer ‘vaak niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk tot slaaf wordt [gereduceerd]’.26.
69.
Het past in de logica achter het aldus gecreëerde stelsel dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 vereist dat de betrokken lidstaat, ten eerste, in de essentiële en bijzondere behoeften van het slachtoffer voorziet door hem tijdens de bedenktijd de in artikel 7 van deze richtlijn geregelde behandeling te bieden en, ten tweede, afziet van de tenuitvoerlegging van elke verwijderingsmaatregel gedurende deze periode, waarin de betrokkene tijdelijk op het grondgebied mag verblijven ‘in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten’.27. Beide vereisten houden verband met elkaar, aangezien ondersteunings- en bijstandsmaatregelen niet kunnen worden verleend aan derdelanders die het nationale grondgebied hebben verlaten.28. Naast het verlenen van taalkundige en juridische bijstand moet de betrokken lidstaat de waardigheid en de veiligheid van het slachtoffer waarborgen door ervoor te zorgen dat in zijn specifieke behoeften wordt voorzien, met name psychologische bijstand of psychotherapeutische zorg en toegang tot spoedeisende medische behandelingen.29.
70.
Met het verbod op de tenuitvoerlegging van elke verwijderingsmaatregel tijdens de bedenktijd en de eis dat het slachtoffer tijdelijk op het nationale grondgebied mag verblijven, beoogt de Uniewetgever ten eerste een aanpak te vestigen waarmee de rechten van dit slachtoffer van mensenhandel kunnen worden beschermd, een doelstelling die in veel internationale teksten is vastgelegd30., en ten tweede de doeltreffendheid van de strafvervolging te verzekeren, aangezien de politieautoriteiten in voorkomend geval kunnen overwegen het slachtoffer, voor zover deze persoon daarmee instemt, eventueel te laten meewerken aan het onderzoek en de gerechtelijke procedures.31.
71.
Ten slotte kan de betrokken lidstaat, bij het verstrijken van deze bedenktijd of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de derdelander reeds een duidelijke wens tot medewerking kenbaar heeft gemaakt, onder de voorwaarden van artikel 8 van richtlijn 2004/81 aan het slachtoffer een verblijfstitel afgeven voor een periode van minimaal zes maanden ten behoeve van zijn medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek of de gerechtelijke procedure.
72.
Hieruit volgt dat de overdracht van dit slachtoffer, tijdens de bedenktijd, mijns inziens niet de doeltreffendheid garandeert van de rechten die dat slachtoffer van mensenhandel ontleent aan richtlijn 2004/81, zowel wat betreft zijn herstel en bescherming als wat betreft zijn medewerking aan het onderzoek of de gerechtelijke procedure.
73.
In de eerste plaats moet de bedenktijd het slachtoffer de mogelijkheid bieden te herstellen en de bevoegde nationale autoriteiten in staat stellen zijn mate van kwetsbaarheid te beoordelen, teneinde niet alleen de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde behandeling aan te passen, maar ook om de risico's te beoordelen alvorens enige verwijderingsmaatregel ten uitvoer te leggen.32. In dit verband verzoekt de Commissie de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de specifieke situatie van slachtoffers van mensenhandel die geen burger van de Unie zijn, wanneer zij worden overgebracht naar het land van eerste aankomst en hierbij in contact kunnen komen met mensenhandelaren en het risico lopen opnieuw slachtoffers van mensenhandel te worden.33. Evenzo is de Groep van deskundigen van de Raad van Europa inzake actie tegen mensenhandel (Greta) van mening dat deze beoordeling noodzakelijk is om te voorkomen dat het slachtoffer wordt teruggestuurd naar de staat waar deze persoon voor het eerst om internationale bescherming heeft verzocht, maar waar hij opnieuw slachtoffer zou kunnen worden van mensenhandel. Elk overdrachtsbesluit moet dus worden beoordeeld in het licht van het risico dat de betrokkene loopt om opnieuw slachtoffer te worden in de lidstaat die is aangezocht met het oog op overname.34.
74.
Met de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbesluit tijdens de bedenktijd komt deze aanpak mijns inziens evenwel in het gedrang, om te beginnen omdat het slachtoffer hierdoor zou worden gescheiden van de personen en gespecialiseerde hulpdiensten die hem ondersteuning kunnen bieden35., vervolgens omdat deze tenuitvoerlegging neerkomt op een opschorting of zelfs onderbreking van de behandeling die hem toekwam op grond van artikel 7 van richtlijn 2004/81, en ten slotte omdat die tenuitvoerlegging de inbewaringstelling van de betrokkene zou kunnen vereisen.36.
75.
Het is waar dat op grond van de artikelen 31 en 32 van verordening nr. 604/2013 de lidstaat die een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de verantwoordelijke lidstaat overdraagt, de informatie en gegevens moet verstrekken die hij essentieel acht om de rechten van de over te dragen persoon te waarborgen en ook kan meedelen welke maatregelen onmiddellijk moeten worden genomen om de bijzondere behoeften van deze persoon te lenigen, met inbegrip van onmiddellijke medische zorg. Het is ook waar dat in een dergelijke situatie die persoon die om internationale bescherming verzoekt, gebruik zou kunnen maken van de bijzondere bepalingen van richtlijn 2012/29 voor slachtoffers die in een andere lidstaat verblijven dan die waar het strafbare feit is gepleegd. In overweging 51 van deze richtlijn valt immers te lezen dat de lidstaat van verblijf van het slachtoffer de bijstand, ondersteuning en bescherming moet verlenen die nodig is voor het herstel van het slachtoffer.37. De Uniewetgever schrijft voorts voor dat deze lidstaat het slachtoffer laat weten welke bijzondere maatregelen, procedures of regelingen ‘beschikbaar zijn’ om zijn belangen te beschermen in de lidstaat waar het eerste contact met de bevoegde autoriteit plaatsvindt, met dien verstande dat de uitgebreidheid en gedetailleerdheid van de informatie kunnen verschillen naargelang van de specifieke behoeften van het slachtoffer en de aard van het strafbare feit of het soort strafbare feit.38. Wanneer het slachtoffer geen aangifte heeft kunnen doen in de lidstaat waar het strafbare feit is gepleegd, moet hij aangifte kunnen doen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van zijn woonplaats, die bovendien verplicht zijn passende maatregelen te nemen met betrekking tot het verloop van de procedure en in het bijzonder tijdens de verklaring of het verhoor van dit slachtoffer.39.
76.
Ondanks het evidente belang van deze bepalingen ben ik er echter niet van overtuigd dat zij volstaan om voortdurend en gericht aan de specifieke behoeften van slachtoffers van mensenhandel te beantwoorden.40. De overdracht aan een nieuwe lidstaat houdt met name in dat het slachtoffer wordt ondergebracht in een nieuwe opvangstructuur, die niet noodzakelijk of onmiddellijk over voldoende middelen beschikt om aan zijn specifieke behoeften te voldoen. Deze overdracht impliceert ook dat dit slachtoffer nieuwe stappen zet bij nieuwe autoriteiten. Het lijdt geen enkele twijfel dat een dergelijke situatie, en in het bijzonder het opnieuw afleggen van getuigenverklaringen, het gevaar inhoudt dat het slachtoffer nog kwetsbaarder wordt.
77.
In de tweede plaats moet de bedenktijd de bevoegde nationale autoriteiten in staat stellen een vertrouwensband met het slachtoffer op te bouwen, zodat deze, door het vooruitzicht op een tijdelijke verblijfstitel, meewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek en/of de gerechtelijke procedure. Ik betwijfel echter of een dergelijk doel kan worden bereikt als de betrokken derdelander tegelijk met de procedure voor de afgifte van de verblijfstitel wordt geïnformeerd over de op handen zijnde tenuitvoerlegging van een tegen hem genomen overdrachtsbesluit.
78.
In de derde plaats is deze bedenktijd essentieel om deze bevoegde nationale autoriteiten in staat te stellen om ten behoeve van de inleiding van de strafprocedure betrouwbaar bewijs te verzamelen over het bestaan en de aard (bijvoorbeeld nationaal of transnationaal) van het strafbare feit. Gedurende deze periode, en — in de woorden van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 — ‘in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten’, kan de tenuitvoerlegging van een overdracht de doeltreffendheid van het strafrechtelijk onderzoek in een mate aantasten die haaks staat op de belangen van het slachtoffer en de betrokken lidstaten.
79.
Dienaangaande brengt overweging 1 van richtlijn 2011/36 in herinnering dat ‘[m]ensenhandel […] een ernstig […] misdrijf [is], een grove schending van de fundamentele rechten [is] en uitdrukkelijk verboden [is] door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie’.41. In overweging 2 van richtlijn 2004/81 herinnert deze wetgever aan de aanbevelingen van de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van Tampere (Finland) om de inspanningen te richten op het opsporen en ontmantelen van de betrokken criminele netwerken en ervoor te zorgen dat de rechten van de slachtoffers worden gewaarborgd.
80.
Deze bepalingen vinden een bijzondere weerklank in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).42. Deze rechterlijke instantie legt namelijk positieve verplichtingen op aan de lidstaten, die voortvloeien uit artikel 4 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden43. en van toepassing zijn zodra de bevoegde nationale autoriteiten kennis krijgen van omstandigheden die een redelijk vermoeden doen ontstaan dat een persoon slachtoffer is van mensenhandel. De staten die dit verdrag hebben ondertekend, hebben in dat geval een procedurele verplichting om situaties van mogelijke mensenhandel te onderzoeken. Dit onderzoek moet doeltreffend zijn en de autoriteiten moeten de redelijke maatregelen nemen die hun ter beschikking staan om bewijs te vergaren en de omstandigheden van de zaak op te helderen.
81.
In dit verband kan de getuigenis van het slachtoffer van het grootste belang zijn, met name in het kader van de inleiding van een onderzoek of een gerechtelijke procedure. Ik herinner eraan dat mensenhandel niet noodzakelijkerwijs een grensoverschrijdend element impliceert, aangezien hiervan sprake kan zijn op puur nationaal niveau. Op grond van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/36 hebben de lidstaten in beginsel territoriale bevoegdheid voor de bestraffing van strafbare feiten die op hun grondgebied of door een van hun eigen onderdanen zijn gepleegd.44. In een dergelijk geval zou de overdracht van de betrokken derdelander naar een andere lidstaat, zelfs voordat hij zich heeft uitgelaten over zijn voornemen om mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek, ertoe leiden dat het slachtoffer van het strafbare feit wordt verwijderd van het grondgebied van de lidstaat die bevoegd is voor de vervolging van de daders van dat strafbare feit, terwijl dit slachtoffer juist op dat grondgebied aanwezig moet zijn opdat die persoon zo veel mogelijk wordt betrokken bij de bescherming van zijn belangen en bij het lopende strafrechtelijke onderzoek.
82.
Het is juist dat wanneer er sprake is van een grensoverschrijdend strafbaar feit de Uniewetgever beoogt de coördinatie van onderzoeken en vervolgingen te bevorderen door nauwe samenwerking tussen de wetshandhavingsautoriteiten van de lidstaten aan te moedigen, zodat de overdracht van het slachtoffer geen groot obstakel vormt voor de vervolging van de daders van het strafbare feit.45. Deze mechanismen zijn mijns inziens echter niet noodzakelijk van toepassing in het zeer vroege stadium waarin het slachtoffer bedenktijd wordt gegund. Zij zijn later van toepassing, wanneer de wetshandhavingsautoriteiten een onderzoek hebben geopend of strafvervolging hebben ingesteld tegen de daders van het strafbare feit.
83.
Al deze elementen pleiten ervoor aan te nemen dat vanaf het moment dat een lidstaat van mening is dat een derdelander binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/81 valt omdat hij hem heeft geïdentificeerd als slachtoffer van mensenhandel, of dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat hij slachtoffer is van dit strafbare feit, deze lidstaat gedurende de op grond van artikel 6, lid 2, van deze richtlijn aan het slachtoffer gegunde bedenktijd geen overdrachtsbesluit jegens hem ten uitvoer kan leggen.
84.
In die zin beveelt de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten aan dat ‘gedurende deze periode slachtoffers en potentiële slachtoffers niet mogen worden verwijderd van het grondgebied van de staat die partij is’.46.
85.
Gelet op al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat gedurende de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde bedenktijd jegens een derdelander die slachtoffer van mensenhandel is, overeenkomstig verordening nr. 604/2013 een besluit tot overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, ten uitvoer legt.
b) Handelingsruimte waarover de lidstaat beschikt om tijdens de bedenktijd een overdrachtsbesluit of voorbereidende maatregelen voor de uitvoerlegging ervan vast te stellen
86.
Wat nu de mogelijkheid voor een lidstaat betreft om tijdens de bedenktijd een overdrachtsbesluit of voorbereidende maatregelen te treffen voor de tenuitvoerlegging van deze overdracht, is de redenering anders. De bewoordingen van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 verbieden immers alleen de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel. Gezien de uitlegging van dit begrip die ik in overweging geef, zou alleen de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbesluit verboden zijn, zodat de lidstaat dus ruimte heeft om een dergelijk besluit of handelingen ter voorbereiding van die overdracht vast te stellen. Maar welke handelingsruimte die lidstaat ook heeft, die maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van artikel 6 van deze richtlijn.
87.
In dit verband zijn twee opmerkingen op hun plaats.
88.
In de eerste plaats herinner ik eraan dat de bedenktijd de bevoegde nationale autoriteiten in staat moet stellen een vertrouwensband met het slachtoffer van mensenhandel op te bouwen en laatstgenoemde aan te moedigen mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek, door hem het vooruitzicht te bieden op een tijdelijke verblijfstitel op het grondgebied. Bovendien is de lidstaat tijdens deze periode verplicht het slachtoffer de bijstands- en beschermingsmaatregelen te bieden die zijn kwetsbaarheid vereist. Mijns inziens kunnen deze doelstellingen evenwel in het gedrang komen wanneer dit slachtoffer er tegelijkertijd van op de hoogte wordt gebracht dat er voorbereidende maatregelen voor de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbesluit worden getroffen, met name indien deze maatregelen inhouden dat hij in bewaring wordt gesteld met het oog op zijn overdracht.
89.
In de tweede plaats ben ik van mening dat, naast de vaststelling van een overdrachtsbesluit of enige andere voorbereidende maatregel voor de tenuitvoerlegging ervan, de bevoegde nationale autoriteiten noodzakelijkerwijs knopen moeten doorhakken, gelet op de strikte termijnen waarbinnen zij moeten handelen op grond van verordening nr. 604/2013. Ik herinner eraan dat laatstgenoemden zeer beperkte handelingsruimte hebben met betrekking tot de termijnen waarbinnen zij dergelijke maatregelen kunnen nemen, bij gebreke waarvan de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming overgaat op de verzoekende lidstaat. Zo beschikt de verzoekende lidstaat op grond van artikel 21, lid 1, van deze verordening over een termijn van maximaal drie maanden na de indiening van het verzoek om internationale bescherming om zijn overnameverzoek in te dienen. Wordt dit verzoek ingewilligd, dan beschikt hij overeenkomstig artikel 29, lid 1, van deze verordening over een termijn van zes maanden om de verzoeker over te dragen. In een situatie als de onderhavige kan deze termijn niet worden verlengd.47. Deze termijnen zijn dwingend.
90.
De haalbaarheid en in voorkomend geval de wijze waarop de procedure voor de afgifte van de tijdelijke verblijfstitel zich verhoudt tot de overdrachtsprocedure hangen dus af van verschillende variabelen en in het bijzonder van de termijnen die van toepassing zijn op elk van deze procedures (ik breng in herinnering dat de duur van de bedenktijd naar nationaal recht wordt bepaald), alsmede van de intenties en de handelwijze van het slachtoffer tijdens of aan het einde van deze bedenktijd.
91.
Zo kan de bestuurlijke autoriteit, in het in artikel 6, lid 4, van richtlijn 2004/81 bedoelde geval, waarin de betrokken derdelander actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de daders van de strafbare feiten, overeenkomstig dit artikel tegelijk met of onmiddellijk na de beëindiging van deze bedenktijd door de politie en het openbaar ministerie een overdrachtsbesluit tegen hem vaststellen.
92.
In het tegenovergestelde geval, waarin het slachtoffer heel vroeg blijk geeft van zijn intentie om mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek, zal de haalbaarheid van een dergelijke overdracht daarentegen afhangen van de afgifte van een tijdelijke verblijfstitel aan hem. In het geval dat dit slachtoffer deze titel heeft verkregen, kan een dergelijke overdracht niet ten uitvoer worden gelegd binnen de door verordening nr. 604/2013 vastgestelde termijnen. Ingevolge artikel 8, lid 3, van richtlijn 2004/81 heeft de verblijfstitel immers een geldigheidsduur van ten minste zes maanden. Na deze periode is de verantwoordelijke lidstaat ontheven van zijn verplichting om de asielzoeker over te nemen indien de overdracht niet ten uitvoer is gelegd.48.
93.
Ten slotte breng ik in herinnering dat de betrokken lidstaat altijd gebruik kan maken van de mogelijkheid die wordt geboden door de discretionaire bepaling van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 604/2013. De toepassing van deze clausule is aan geen enkele voorwaarde onderworpen en het is aan de betrokken lidstaat om uit te maken in welke omstandigheden hij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid en wenst te aanvaarden om zelf over te gaan tot de behandeling van een verzoek om internationale bescherming waarvoor hij niet verantwoordelijk is op grond van de criteria van die verordening.49.
94.
Het spreekt voor zich dat een dergelijke afstemming van procedures een nauwe samenwerking vereist tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met de procedure voor de afgifte van de tijdelijke verblijfstitel en de autoriteiten die belast zijn met de Dublinprocedures.
95.
In het licht van al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat gedurende de bedenktijd van artikel 6, lid 1, van deze richtlijn een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld of de tenuitvoerlegging daarvan wordt voorbereid, voor zover deze maatregelen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van de bedenktijd.
C. Eerste prejudiciële vraag: berekening van de bedenktijd
96.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of, bij gebreke van een nationale omzettingsmaatregel, artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin bedoelde bedenktijd van rechtswege aanvangt zodra de derdelander aan de bevoegde nationale autoriteiten meedeelt slachtoffer van mensenhandel te zijn [onder a)] en van rechtswege eindigt nadat deze derdelander aangifte heeft gedaan wegens mensenhandel of, in tegendeel, te kennen heeft gegeven hiervan af te zien [onder b)].
97.
Hoewel partijen in hun opmerkingen verschillen van mening over de modaliteiten van de omzetting van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 in de Nederlandse rechtsorde50., is de verwijzende rechter van oordeel dat deze bepaling niet in nationaal recht is omgezet en wil hij die bepaling rechtstreeks toepassen. Het verzoek om uitlegging heeft dus betrekking op de vraag hoe de bedenktijd moet worden berekend, en in het bijzonder op welke dag deze termijn begint (dies a quo) en op welke deze eindigt (dies ad quem).
1. Dies a quo van de bedenktijd
98.
Met zijn eerste subvraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de bedenktijd kan ingaan zodra de betrokken derdelander aan de bevoegde nationale autoriteiten meedeelt het slachtoffer van mensenhandel te zijn.
99.
Ik merk op dat richtlijn 2004/81 noch het begin van de bedenktijd, noch de duur ervan bepaalt. In haar voorstel had de Commissie weliswaar een bedenktijd van dertig dagen voor ogen, naar het voorbeeld van de duur van de periode die is bepaald in artikel 13, lid 1, van het verdrag inzake bestrijding van mensenhandel51., maar de Uniewetgever heeft deze maatregelen overgelaten aan het oordeel van elke lidstaat.52.
100.
In deze zaak vraagt de verwijzende rechter het Hof of het begin van de bedenktijd kan overeenkomen met het tijdstip waarop de derdelander aan de bevoegde nationale autoriteiten meedeelt slachtoffer van mensenhandel te zijn.53. Gezien de bewoordingen waarin de vraag is gesteld, lijkt mij dit scenario anders dan dat waarin de derdelander aangifte doet of getuigt tegen een persoon die hij beschuldigt van deelname aan deze mensenhandel.54.
101.
Een aanvang van de bedenktijd vanaf het tijdstip waarop de betrokken derdelander enkel aan de bevoegde nationale autoriteiten heeft meegedeeld dat hij slachtoffer is van mensenhandel, zonder dat deze autoriteiten aanwijzingen hebben over het bestaan of de aard van het strafbare feit, zou mijns inziens onverenigbaar zijn met de personele werkingssfeer van richtlijn 2004/81. Ik herinner er namelijk aan dat de procedure voor de afgifte van de tijdelijke verblijfstitel, waarvan de bedenktijd deel uitmaakt, alleen mag worden gestart voor zover deze autoriteiten deze derdelander hebben geïdentificeerd als slachtoffer van mensenhandel dan wel op grond van alle informatie en alle relevante omstandigheden van een zaak redelijke gronden hebben om aan te nemen dat hij slachtoffer hiervan is.
102.
Gelet op deze elementen ben ik daarom van mening dat in de situatie waarin een derdelander de bevoegde nationale autoriteiten meedeelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, de bedenktijd kan ingaan zodra deze autoriteiten van oordeel zijn dat er, op basis van alle informatie waarover zij beschikken, redelijke gronden zijn om aan te nemen dat deze derdelander binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/81 valt, in welk geval zij de betrokkene overeenkomstig de krachtens artikel 5 ervan op hen rustende verplichtingen in kennis stellen van de mogelijkheden die deze richtlijn biedt.
2. Dies ad quem van de bedenktijd
103.
Met zijn tweede subvraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd van rechtswege kan eindigen nadat de derdelander aangifte wegens mensenhandel heeft gedaan of, in tegendeel, de betrokken derdelander de bevoegde autoriteiten te kennen heeft gegeven af te zien van een dergelijke aangifte.
104.
Anders dan het begin van de bedenktijd, dat ingevolge artikel 6, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2004/81 wordt overgelaten aan het oordeel van elke lidstaat, regelt de Uniewetgever in artikel 6, lid 4, van deze richtlijn de situaties waarin een lidstaat, buiten het verstrijken van de bedenktijd, deze bedenktijd te allen tijde kan beëindigen. Dit betreft ten eerste de situatie waarin vaststaat dat de betrokken derdelander ‘actief, vrijwillig en uit eigen beweging’ opnieuw contact heeft opgenomen met de daders van het strafbare feit, en ten tweede de situatie waarin er redenen bestaan die verband houden met de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.
105.
De gevallen waarin een lidstaat op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 de aan de derdelander gegunde bedenktijd van rechtswege mag beëindigen, zijn daarom beperkt tot bijzonder ernstige situaties waarin de lidstaat, gelet op de aard van de banden die de betrokkene heeft met de daders van het strafbare feit en de bedreiging die hij voor zijn belangen kan vormen, kan besluiten de procedure voor de afgifte van een tijdelijke verblijfstitel niet voort te zetten.
106.
Aangezien artikel 6, lid 4, van deze richtlijn een beperking inhoudt van het recht op de bedenktijd die toekomt aan derdelanders die slachtoffer zijn van mensenhandel, moet deze bepaling mijns inziens restrictief worden uitgelegd. Ik merk echter op dat geen enkele van de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden onder een van de door de Uniewetgever in dat artikel genoemde gevallen kan vallen. Daarom denk ik dat geen van deze omstandigheden voor de lidstaat een grond vormt om deze bedenktijd van rechtswege te beëindigen.
107.
In het licht van deze elementen geef ik het Hof dan ook in overweging om voor recht te verklaren dat in een situatie waarin de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd niet is verstreken, een lidstaat deze bedenktijd niet van rechtswege kan beëindigen, behoudens in de situaties die uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 6, lid 4, van deze richtlijn.
108.
Ik zou hieraan twee opmerkingen willen toevoegen.
109.
Wat in de eerste plaats de door de verwijzende rechter genoemde situatie betreft, waarin de betrokken derdelander aangifte doet tegen de daders van het strafbare feit, blijkt uit een dergelijk initiatief van de kant van de slachtoffer een duidelijke wens tot samenwerking. In dit verband kan worden aangenomen dat de bedenktijd een nuttige werking heeft gehad. Uit artikel 8 van richtlijn 2004/81 leid ik evenwel af dat een dergelijke omstandigheid niet noodzakelijkerwijs volstaat voor de afgifte van een verblijfstitel. Op grond van artikel 8, leden 1 en 2, van deze richtlijn kan deze verblijfstitel immers alleen worden afgegeven voor zover, ten eerste, de betrokkene niet alleen blijk heeft gegeven van een duidelijke wens om mee te werken maar ook alle banden met de vermoedelijke daders van de strafbare feiten heeft verbroken en, ten tweede, de nationale bevoegde autoriteiten het voor het onderzoek of de gerechtelijke procedure dienstig achten om het verblijf van de betrokken persoon op het nationale grondgebied te verlengen. Ingevolge artikel 8, lid 1, van deze richtlijn wordt deze beoordeling gemaakt ‘[w]anneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels [duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking]’.
110.
Niets ondersteunt de stelling dat een lidstaat van rechtswege een einde zou kunnen maken aan de bedenktijd zodra het slachtoffer blijk geeft van zijn bereidheid om mee te werken. Ik ben er dan ook niet van overtuigd dat een aangifte tegen de daders van het strafbare feit op zich volstaat om een einde te maken aan deze bedenktijd, die het slachtoffer volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 ook de mogelijkheid moet bieden te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten.55.
111.
Wat in de tweede plaats de door de verwijzende rechter genoemde tegenovergestelde situatie betreft, waarin de derdelander vóór het verstrijken van de bedenktijd te kennen geeft geen aangifte te willen doen tegen de vermoedelijke daders van het strafbare feit, zou inderdaad kunnen worden aangenomen dat de betrokkene een beslissing heeft genomen over zijn medewerking en dat daardoor de bedenktijd effect heeft gehad. Een dergelijke regel biedt mijns inziens evenwel geen waarborg voor de bescherming van slachtoffers van mensenhandel als deze niet gepaard gaat met speciale waakzaamheidsmaatregelen. De lidstaat moet er namelijk voor zorgen dat, in overeenstemming met artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81, die beslissing is genomen ‘met kennis van zaken’ en dat deze uit vrije wil door de geïnformeerde derdelander is genomen en niet voortkomt uit intimidatie of represailles, waaraan hij opnieuw zou kunnen komen bloot te staan. Ik breng in herinnering dat het strafbare feit van mensenhandel immers behalve door uitbuiting ook wordt gekenmerkt door het feit dat het slachtoffer door de dader van het strafbare feit, met gebruikmaking van fysiek en psychologisch geweld, in een economische en psychologische greep wordt gehouden. Om de nuttig werking van de bedenktijd te garanderen, is het daarom essentieel ervoor te zorgen dat deze termijn niet ten onrechte wordt verkort, terwijl het slachtoffer geen tijd heeft gehad om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten.56.
V. Conclusie
112.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Het begrip ‘verwijderingsmaatregel’ als bedoeld in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie moet aldus worden uitgelegd dat hieronder mede moeten worden verstaan de maatregelen waarmee een derdelander die slachtoffer is van mensenhandel, wordt gedwongen het grondgebied van de lidstaat waar hij zich bevindt te verlaten als gevolg van de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbesluit dat is vastgesteld op grond van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
- 2)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat gedurende de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde bedenktijd jegens een derdelander die slachtoffer van mensenhandel is, overeenkomstig verordening nr. 604/2013 een besluit tot overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, ten uitvoer legt.
Daarentegen staat deze bepaling er niet aan in de weg dat de lidstaat gedurende deze bedenktijd een overdrachtsbesluit vaststelt of de tenuitvoerlegging daarvan voorbereidt, voor zover deze maatregelen geen afbreuk doen aan de nuttige werking van de bedenktijd.
- 3)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 moet in die zin worden uitgelegd dat in de situatie waarin een derdelander de bevoegde nationale autoriteiten meedeelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, de bedenktijd kan ingaan zodra deze autoriteiten van oordeel zijn dat er, op basis van alle informatie waarover zij beschikken, redelijke gronden zijn om aan te nemen dat deze derdelander binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, in welk geval zij de betrokkene overeenkomstig de krachtens artikel 5 van die richtlijn op hen rustende verplichtingen in kennis stellen van de mogelijkheden die deze richtlijn biedt.
- 4)
In een situatie waarin de in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2004/81 bedoelde bedenktijd niet is verstreken, kan een lidstaat deze bedenktijd niet van rechtswege beëindigen, behoudens in de situaties die uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 6, lid 4, van deze richtlijn.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑06‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB 2004, L 261, blz. 19).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB 2011, L 101, blz. 1).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB 2012, L 315, blz. 57).
Stb. 2000, 495 (hierna: ‘Vw’).
Dat betrekking heeft op mensenhandel.
Hierna: ‘WvSr’.
Hierna: ‘Vc’.
Hierna: ‘IND’.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98).
Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2008/115.
C-402/19, EU:C:2020:759.
Punt 44 van dat arrest, cursivering van mij.
Punt 45 van dat arrest, cursivering van mij.
Zie de overwegingen 8 en 9 van richtlijn 2004/81 en overweging 17 van richtlijn 2011/36.
Anders dan hetgeen de Nederlandse regering in haar opmerkingen betoogt, heeft artikel 6, lid 2, van richtlijn 2004/81 ook betrekking op derdelanders die slachtoffers van mensenhandel zijn en die legaal op het grondgebied van betrokken lidstaat verblijven, zoals personen die om internationale bescherming verzoeken. Zie artikel 3, lid 1, van die richtlijn, volgens hetwelk de werkingssfeer van deze richtlijn zich uitstrekt tot derdelanders die het grondgebied van de betrokken lidstaat legaal zijn binnengekomen of er legaal verblijven. Zie ook artikel 1, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2012/29, volgens hetwelk ‘[d]e in deze richtlijn opgenomen rechten […] jegens slachtoffers op niet-discriminerende wijze [worden] toegepast, mede wat hun verblijfsstatus betreft’; overweging 9 van deze richtlijn, volgens welke ‘[s]lachtoffers van strafbare feiten […] als zodanig [moeten] worden erkend en op een respectvolle, tactvolle en professionele manier [moeten] worden behandeld, zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals […] verblijfsstatus’; overweging 10 van dezelfde richtlijn, volgens welke ‘[d]e lidstaten […] de nodige maatregelen [moeten] nemen om ervoor te zorgen dat de in [richtlijn 2012/29] opgenomen rechten niet afhangen van de verblijfsstatus van het slachtoffer op hun grondgebied of van diens burgerschap of nationaliteit’, en overweging 18 van richtlijn 2011/36.
Het gaat om de volgende opzettelijke gedragingen: het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening — bedelarij daaronder begrepen — slavernij en met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten, en de verwijdering van organen.
De Uniewetgever verwijst naar de artikelen 1 tot en met 3 van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel (PB 2002, L 203, blz. 1), waarvoor richtlijn 2011/36 in de plaats is gekomen.
Zie dienaangaande het arrest van de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) van 15 juni 2012 (nr. 339209), waarin deze rechter de plicht van de politiediensten benadrukt om de vermoedelijke slachtoffers te informeren en gevolgen verbindt aan het ontbreken van informatie.
Zie ook overweging 11 van richtlijn 2004/81.
Zie bijvoorbeeld artikel R. 316-1 van de code de l'entrée et du séjour des étrangers et du droit d'asile (Frans wetboek betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen en betreffende het asielrecht), dat bepaalt dat ‘[d]eze informatie wordt verstrekt in een taal die de vreemdeling begrijpt en in alle vertrouwelijkheid, waardoor hij gerust wordt gesteld en zijn bescherming wordt gewaarborgd’ (JORF van 15 september 2007, tekst nr. 17).
Zie ook de overwegingen 11 en 12 van richtlijn 2004/81 alsmede overweging 18 van richtlijn 2011/36.
Zie de interventie van Bruno Lasserre voor het ‘Franco-British-Irish Judicial Cooperation Committee’ (Frans-Anglo-Ierse commissie voor justitiële samenwerking) van 21 juli 2019 met de titel ‘Le traitement contentieux de la vulnérabilité dans les affaires d'esclavage et de traite humaine’, beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.conseil-etat.fr/publications-colloques/discours-et-interventions/le-traitement-contentieux-de-la-vulnerabilite-dans-les-affaires-d-esclavage-et-de-traite-humaine-discours-de-bruno-lasserre-vice-president-du. Zie ook de definitie van het strafbare feit van mensenhandel in de rechtspraak in het arrest van het EHRM van 7 oktober 2021, Zoletic e.a. tegen Azerbeidzjan, CE:ECHR:2021:1007JUD002011612, § 155.
Zie overweging 18 van richtlijn 2011/36.
Ik preciseer dat uit overweging 18 van richtlijn 2011/36 volgt dat deze maatregelen ten aanzien van een persoon moeten worden genomen zodra er een op redelijke gronden gebaseerde aanwijzing is dat hij het slachtoffer is geworden van mensenhandel, ongeacht diens bereidheid om als getuige op te treden. Zie dienaangaande artikel 13, lid 1, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel, ondertekend te Warschau op 16 mei 2005 en in werking getreden op 1 februari 2008 (CETS nr. 197; hierna: ‘verdrag inzake bestrijding van mensenhandel’). Deze persoon kan hiervan geen gebruik meer maken na de afronding van de identificatieprocedure of na het verstrijken van de bedenktijd, indien hij niet wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfstitel of indien hij geen legaal verblijf heeft in die lidstaat of het grondgebied van de staat heeft verlaten.
Ik verwijs onder andere naar het Protocol van de Verenigde Naties inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, gesloten te New York op 15 november 2000 (United Nations Treaty Series, deel 2237, blz. 319) en het verdrag inzake bestrijding van mensenhandel.
Zie in die zin Plouffe-Malette, K., Protection des victimes de traite des êtres humains: approches internationales et européennes, Bruylant, Brussel, 2013.
Zie in dit verband de leidraad inzake het recht op internationale bescherming van slachtoffers van mensenhandel en personen die het risico lopen slachtoffer van mensenhandel te worden, opgesteld door de Groep van deskundigen van de Raad van Europa inzake actie tegen mensenhandel (Greta), van juni 2020, beschikbaar op het volgende internetadres: https://rm.coe.int/guidance-note-on-the-entitlement-of-victims-of-trafficking-and-persons/16809ebf44.
Zie dienaangaande de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de EU-strategie voor de bestrijding van mensenhandel 2021–2025 van 14 april 2021 [COM(2021) 171 final, blz. 18].
In overweging 62 van richtlijn 2012/29 staat dat ‘[d]e overheidsdiensten […] op een gecoördineerde manier [moeten] samenwerken en op alle administratieve niveaus — op het niveau van de Unie, en op het nationale, regionale en plaatselijke niveau — aan de samenwerking [moeten] deelnemen, opdat slachtoffers van een strafbaar feit de bijstand, ondersteuning en bescherming krijgen die zij nodig hebben’.
Zie betreffende de grote rol van gespecialiseerde hulporganisaties met betrekking tot slachtoffers van ernstige criminaliteit in een lidstaat waarvan zij geen staatsburger of ingezetene zijn, overweging 38 van richtlijn 2012/29.
Zie artikel 28 van verordening nr. 604/2013.
Overweging 51 van richtlijn 2012/29 luidt als volgt: ‘Indien het slachtoffer het grondgebied van de lidstaat waar het strafbare feit werd gepleegd, heeft verlaten, kan die lidstaat niet langer verplicht worden bijstand, ondersteuning en bescherming te bieden, behalve voor aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de strafprocedure die wordt gevoerd met betrekking tot het betrokken strafbare feit, zoals speciale beschermingsmaatregelen ter terechtzitting. De lidstaat van verblijf van het slachtoffer moet de bijstand, ondersteuning en bescherming verlenen die nodig is voor het herstel van het slachtoffer.’
Zie artikel 17 van richtlijn 2012/29.
Zoals de Nederlandse regering in haar opmerkingen aangeeft, verwijst verordening nr. 604/2013 nergens naar richtlijn 2004/81. Deze verordening vermeldt alleen de situatie van personen die om internationale bescherming verzoeken, zijnde slachtoffers van mensenhandel, in het kader van de beoordeling van het belang van het kind, in artikel 6, lid 3, onder c).
De Uniewetgever zegt in deze overweging voorts dat ‘[h]et voorkomen en bestrijden van mensenhandel […] een prioriteit voor de Unie en de lidstaten [is]’ en preciseert in overweging 7 van deze richtlijn dat de verbetering van preventie, vervolging en bescherming van de rechten van de slachtoffers belangrijke doelstellingen van deze richtlijn zijn, waarbij hij van de lidstaten eist dat zij elke vorm van mensenhandel met de meest efficiënte middelen bestrijden.
Zie onder andere arrest EHRM van 25 juni 2020, S.M. tegen Kroatië, CE:ECHR:2020:0625JUD006056114, § 306.
Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
Zie overweging 5 van richtlijn 2011/36. Ik verwijs in dit verband naar de nauwere samenwerking met Europol en Eurojust, de oprichting van gemeenschappelijke onderzoeksteams en de tenuitvoerlegging van kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB 2009, L 328, blz. 42).
Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, commentaar bij de ‘Beginselen en richtsnoeren inzake mensenrechten en mensenhandel: aanbevelingen’, punt 8.6, blz. 150, beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.ohchr.org/sites/default/files/Documents/Publications/Commentary_Human_Trafficking_en.pdf.
Zie arrest van 23 januari 2019, M.A. e.a. (C-661/17, EU:C:2019:53, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zoals blijkt uit de uiteenzetting van het nationale wettelijke kader heeft het Koninkrijk der Nederlanden de duur en de aanvang van de bedenktijd niet in de Vw bepaald, maar enkel in de Vc.
Het verdrag inzake bestrijding van mensenhandel is op 3 mei 2005 aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa en op 1 februari 2008 in werking getreden. Artikel 13, lid 1, ervan bepaalt het volgende: ‘Elke Partij voorziet in haar nationale recht in een periode van herstel en bezinning van ten minste 30 dagen, wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de desbetreffende persoon een slachtoffer is. Een dergelijke periode dient voor de desbetreffende persoon voldoende te zijn om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van mensenhandelaren en/of op basis van voldoende informatie te beslissen of hij/zij met de bevoegde autoriteiten wil samenwerken. Gedurende deze periode mag geen enkele tegen hem/haar genomen verwijderingsmaatregel ten uitvoer worden gelegd. Deze bepaling geldt onverminderd de door de bevoegde autoriteiten uitgevoerde activiteiten tijdens alle fases van de relevante nationale procedures, en met name bij de opsporing en vervolging van de desbetreffende strafbare feiten. Gedurende deze periode geven de Partijen de desbetreffende personen toestemming op hun grondgebied te verblijven.’ Zie ook het toelichtend verslag bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel, punt 177, beschikbaar op het volgende internetadres: https://rm.coe.int/16800d3812.
De Deskundigengroep mensenhandel, welke is opgericht bij besluit 2003/209/EG van de Commissie van 25 maart 2003 tot oprichting van de adviesgroep ‘Deskundigengroep mensenhandel’ (PB 2003, L 79, blz. 25), geeft zijnerzijds in zijn advies van 16 april 2004 als aanbeveling een termijn van ten minste drie maanden. In Frankrijk stelt artikel R. 316-1 van de code de l'entrée et du séjour des étrangers et du droit d'asile (JORF van 15 september 2007, tekst nr. 17) deze termijn op 30 dagen.
Gezien de bewoordingen die de verwijzende rechter gebruikt, onderscheid ik deze situatie van die waarin de derdelander dit strafbare feit meedeelt door aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten.
Bovendien lijkt dit scenario mijns inziens ook te verschillen van de situatie waarnaar wordt verwezen in de Vc. Uit de bepalingen van deze circulaire volgt namelijk dat reeds bij de ‘geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel’ en/of op voorspraak van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid de politie of de Koninklijke Marechaussee aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aanbiedt.
Zie ook de overwegingen 11 en 12 van richtlijn 2004/81 alsmede overweging 18 van richtlijn 2011/36.
Zie ook de overwegingen 11 en 12 van richtlijn 2004/81 alsmede overweging 18 van richtlijn 2011/36.