Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.2:2.2 Doel van het hoofdstuk/leeswijzer
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.2
2.2 Doel van het hoofdstuk/leeswijzer
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590822:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nader hierover Van den Berg/Jansen 2007, p. 149-150. Bovendien staan zij relatief dicht bij de hier te lande vigerende rechtscultuur. In deze zin ook Schoordijk 2002, p. 326.
Zie voor wat betreft Atiyah en Fried: Kimel 2003, p. 2. Zie voor wat betreft Canaris, Flume en Larenz: Dedek 2007, p. 35 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doel van dit hoofdstuk is om te bezien of de in het vorige hoofdstuk gevonden visie op redelijkheid en billijkheid als dwingende gedragsnorm voor partijen wellicht bij kan dragen tot een beter begrip van het verschijnsel van contractuele gebondenheid en wellicht voor dat verschijnsel zelfs een passende verklaring kan bieden. Alvorens de beantwoording van beide vragen aan te vatten, zal ik de (in Nederland) klassieke gebondenheidsleren behandelen (§ 3). Op die klassieke leren is in de loop der tijd van diverse zijden kritiek gekomen, die onder andere is verwoord door de auteurs Hijma, Smits en Nieuwenhuis. Hun alternatieve gebondenheidsvisies worden in § 4 besproken. Een beoordeling van genoemde klassieke en contemporaine gebondenheidsleren vindt plaats in § 5. Inhoudelijke consistentie, werkbaarheid in de praktijk en dogmatische aanvaardbaarheid vormen het uitgangspunt voor die beoordeling. Daaropvolgend zal ik, aan de hand van hetzelfde beoordelingskader, in § 6-7 enige visies op gebondenheid van Anglo-Amerikaanse respectievelijk Duitse origine bespreken. In die paragrafen komen achtereenvolgens de Amerikaanse rechtsgeleerde Charles Fried, zijn Britse collega Patrick Atiyah en de bekende Duitse dogmatici Canaris, Flume en Larenz aan bod. De keuze om juist deze schrijvers te bespreken hangt samen met het feit dat de Anglo-Amerikaanse en Duitse rechtsculturen beide behoren tot de meest invloedrijke ter wereld — ook waar het gaat om het denken over gebondenheid1 — en de hier te bespreken schrijvers zonder uitzondering behoren tot de meest invloedrijke contemporaine denkers over contractuele gebondenheid.2 Een behandeling van hun respectievelijke visies over dit onderwerp is dan ook op zijn plaats. In § 8 wordt ten slotte in het licht van het hiervoor geformuleerde doel van dit hoofdstuk een eigen visie op gebondenheid gepresenteerd. In § 9 zal ik vervolgens ingaan op het belang van de te kiezen grondslag van gebondenheid voor de uitleg van de overeenkomst. De bevindingen worden ten slotte samengevat in de tiende en laatste paragraaf.