Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.5.b
7.5.b Recht op een eerlijk proces: toegangsvoorwaarden
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611948:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 4.3 en 4.6.
Paragraaf 4.3c.
Paragraaf 4.3c.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.4; zie daarvóór HR 22 oktober 2002, NJ 2002/154 (speculatieve klacht) en HR 22 oktober 2002, NJ 2003/155, m.nt. Buruma (overschrijding inzendtermijn) en daarover Van Elst 2003.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.4.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.4.
Zie bijv. HR 18 juni 2013, NJ 2013/452, m.nt. Reijntjes, contrair aan voorstel tot strafvermindering van A-G Aben.
Dit geldt sinds EHRM (GK) 26 oktober 2000, NJ 2001/594 (Kudla/Polen); zie nader de annotatie van Barkhuysen in NJCM-Bulletin 2001, p. 71-88 en de noot van Alkema in NJ 2001/594; Jansen & Wenders 2006, p. 1107-1122.
Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 766-767.
Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 767.
HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.
Noot onder HR 12 april 2016, NJ 2016/250.
Jansen & Wenders 2006, p. 1101; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 441.
EHRM 28 juni 1978, nr. 6232/73 (König/Duitsland) (civiel).
Twijfel is mogelijk over of Kooijmans alleen het oog heeft op klachten die niet tot cassatie kunnen leiden of ook op klachten waaruit niet meer dan onvoldoende belang bij het beroep naar voren komt. Ik ga af op het laatste, mede door Kooijmans’ overweging dat “slechts in evident kansloze zaken sneuvelt een klacht over de schending van de redelijke termijn derhalve in het voorportaal van art. 80a RO”, die kennelijk het oog heeft op beide gronden voor niet-ontvankelijkverklaring uit artikel 80a RO, zie zijn noot onder HR 12 april 2016, NJ 2016/250.
Kooijmans maakt in zijn noot in dit verband ook een voorbehoud, zie onderdeel 4 van zijn noot onder HR 12 april 2016, NJ 2016/250.
Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 440-442; Jansen & Wenders 2006, p. 1099-1103.
Vgl. A-G Spronken in haar conclusie voor in haar conclusie voor en Kooijmans in zijn noot onder HR 12 april 2016, NJ 2016/250; zie bijv. ook EHRM 13 juni 2006, nr. 44068/02 (Magura/Slowakije) (civiel), waarin ondanks vertraging te wijten aan de klager een schending wordt vastgesteld.
Schending van de regels die de Hoge Raad in HR 17 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. Mevis heeft geformuleerd, in het bijzonder enkele overschrijding va de inzendtermijn, impliceert nog geen schending van artikel 6 EVRM. Aldus ook A-G Spronken in haar conclusie voor en Kooijmans in zijn noot onder HR 12 april 2016, NJ 2016/250.
Is HR 14 april 2015, ECLI:944 hiervan wellicht een voorbeeld? Daartegenover staat een groot aantal beroepen waarin in schijnbaar vergelijkbare gevallen toch artikel 80a RO is toegepast. Vergelijking is lastig, omdat uit deze arresten niet altijd met precisie de duur van relevante (inzend)termijnen kan worden afgeleid.
Vgl. bijv. HR 6 oktober 2015, ECLI:2921 met conclusie A-G Spronken.
Zie betreffende de victim status onder het EVRM hierover EHRM (GK) 29 maart 2006, nr. 65075/01, i.h.b. r.o. 96 en 83 (Procaccini/Italië); EHRM (GK) 2 november 2010, nr. 21272/03, r.o. 67 (Sakhnovskiy/Rusland); aldus ook Jansen & Wenders 2006, p. 1118-1119.
EHRM 27 augustus 2013 (ontv.), nr. 12810/13 (Çelik/Nederland).
A-G Spronken in haar conclusie voor HR 12 april 2016, NJ 2016/250; conclusie instemmend aangehaald in HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.2.
EHRM 27 augustus 2013 (ontv.), nr. 15909/13 (Van der Putten/Nederland).
Jansen & Wenders 2006, p. 1103-1104.
EHRM 5 februari 2015, nr. 2834/09 (Kücher/Oostenrijk).
Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 440-442.
Zie nog sterker EHRM 18 juni 2013, nr. 13071/06 (Sereny/Roemenië), waarin de indruk wordt gewekt dat bij trage strafzaken eerder significant nadeel wordt aangenomen omdat deze zaken een “public-interest component” hebben en “a question of principle for the applicant” betreffen. Significant nadeel hangt in zaken over de redelijke termijn overigens uitdrukkelijk niet alleen af van de hoogte van de opgelegde sanctie of in civiele zaken de schadevergoeding, zie bijv. EHRM 30 april 2015, nr. 78165/12 (Ferreira Alves/ Portugal (civiel) waarin de schorsingsprocedure van een advocaat ruim vier jaar duurt doch de klachten tegen hem ongegrond worden verklaard, zuiver omdat in die periode “the applicant did not know which disciplinary penalty would be applied to him, [which] must have had a negative effect on his personal situation”. Vgl. over huurtoeslag EHRM 2 februari 2016, nr. 50627/09 (Binder/Oostenrijk); en EHRM 20 september 2011 (ontv.), nr. 7332/ 10 (Havelka/Tsjechië) (civiel); zie evenwel – voor Nederlandse cassatie mogelijk relevant – de zaak EHRM 5 maart 2013 (ontv.), nr. 54388/09 (Galović/Kroatie) (civiel), waarin hangende de langdurige constitutionele procedure de voor de verdachte negatieve beslissing (uithuisplaatsing) niet ten uitvoer werd gelegd, hetgeen volgens het Hof “compensated for or at least significantly reduced the damage normally entailed by the excessive length of civil proceedings”.
Zie bijv. EHRM 6 maart 2012, nr. 23563/07 (Gagliano Giorgi/Italië); en Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 68-70; Council of Europe 2014, p. 111-112.
EHRM 27 augustus 2013 (ontv.), nr. 12810/13 (Çelik/Nederland); EHRM 27 augustus 2013 (ontv.), nr. 15909/13 (Van der Putten/Nederland).
Zie ook Nan 2013b, p. 740.
EHRM 10 mei 2011, nr. 37346/05 (Finger/Bulgarije); Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 70-71; Council of Europe 2014, p. 117-118.
Granata 2010, p. 122.
In die zin ook het EHRM in een vaak voorkomende overweging in dit soort zaken: “Inspired by the general principle of de minimis non curat praetor, this admissibility criterion hinges on the idea that a violation of a right, however real from a purely legal point of view, should attain a minimum level of severity to warrant consideration by an international court” [dikgedrukt GP], zie bijv. EHRM 18 juni 2013 (ontv.), nr. 13071/06 (Sereny/Roemenië).
Anders dan het mensenrecht op beroep is artikel 6 EVRM op de behandeling van elk cassatieberoep van toepassing. Artikel 6 EVRM stelt echter tamelijk beperkte eisen aan de voorwaarden voor toegang tot beroep. Binnen het kader van de access to court-jurisprudentie worden tal van ontvankelijkheidsvoorwaarden geaccepteerd en wordt de toepassing ervan doorgaans alleen op legaliteit en onredelijkheid getoetst.1 De rechtspraak van het EHRM duidt er in het bijzonder op dat inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling toelaatbaar is.2 Dat toepassing van artikel 80a RO in strijd komt met artikel 6 EVRM, acht ik daarom onwaarschijnlijk. Voor die conclusie telt dat aan cassatie doorgaans berechting in twee feitelijke instanties voorafgaat, het karakter van de toetsing in cassatie beperkt is, en de Hoge Raad in overzichtsarresten de toepasselijkheid van artikel 80a RO heeft verduidelijkt. Aan deze factoren hecht het EHRM in diverse uitspraken belang.3
Niettemin zou schending van artikel 6 EVRM kunnen plaatsvinden in de gevallen waarin de Hoge Raad artikel 80a RO toepast terwijl de redelijke termijn voor afhandeling van een strafzaak in het geding is.
Sinds de 80a-overzichtarresten van 11 september 2012 geldt dat indien in cassatie enkel en alleen wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM in de cassatiefase, het beroep niet- ontvankelijk wordt verklaard.4 Door het instellen van beroep in cassatie, of in elk geval door het niet intrekken van het cassatieberoep nadat de bestreden uitspraak is uitgewerkt, heeft de verdachte op zekere hoogte zelf ervoor gekozen langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging te moeten leven. Van een verzuim dat invloed heeft gehad op de bestreden beslissing, is hier geen sprake, aldus de Hoge Raad.5 Hetzelfde lot delen beroepen in cassatie waarin naast het middel over de redelijke termijn wel één of enkel middelen zijn ingediend die niet in de weg staan aan toepassing van artikel 80a RO.6 Dus ook als wél over de bestreden beslissing wordt geklaagd, is een beroep op schending van het redelijke-termijnvereiste in de cassatiefase geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt, aldus de Hoge Raad.7 De Hoge Raad zet deze regel als hard and fast rule neer: 80a-afdoening zál plaatsvinden, omdat voldoende belang niet bestaat. Kennelijk gaat de Hoge Raad ervan uit dat het verdragsrecht zich hiertegen niet verzet.
Dat standpunt is onderschreven door Kooijmans, hij is althans van oordeel dat de rechtspraak van de Hoge Raad niet in strijd is met het recht op een effective remedy tegen verdragsschendingen uit artikel 13 EVRM. Dat verdient enige toelichting. Op grond van artikel 13 EVRM zijn nationale gerechten gehouden om redelijke-termijnschendingen te voorkomen, te beperken en indien nodig te compenseren, bijvoorbeeld door schadevergoeding of strafvermindering.8 Van belang is dat het recht op een effectieve remedie reeds van toepassing is als de burger een arguable claim heeft dat een schending heeft plaatsgevonden.9 Of een claim daadwerkelijk terecht is, kan vervolgens binnen het kader van de remedie worden bepaald. Of een claim verdedigbaar (arguable) is, hangt af van de omstandigheden van het geval, aldus het EHRM.10 Indien dus een verdachte verdedigbaar claimt dat het redelijketermijnvereiste van artikel 6 EVRM in zijn zaak niet wordt nageleefd, moet op grond van artikel 13 EVRM een effectieve remedie bestaan om de eventuele schending te redresseren. Gewoonlijk biedt de Hoge Raad die remedie in cassatie zelf,11 maar thans blijft zo’n remedie bij 80a-afdoening dus achterwege. Er wordt geen strafkorting gegeven, en ook uitdrukkelijke vaststelling van een schending vindt niet plaats.
Volgens Kooijmans is dit toch niet problematisch omdat “een termijnoverschrijding — en daarmee een onnodig lange onzekerheid over de uitkomst van de zaak — [...] niet ‘arguable’ [is] als de verdachte zelf (door het instellen van cassatieberoep) heeft aangestuurd op verlenging van de procedure zonder dat hij na kennisneming van de gedingstukken een in redelijkheid te verdedigen standpunt tegen de gewraakte uitspraak kan opwerpen.”12 Inderdaad is voor de bepaling van de duur van de redelijke termijn onder meer het procesgedrag van de verdachte van belang. Als de verdachte of zijn raadsman het proces zelf significant vertraagt, is langdurige berechting minder snel onredelijk in de zin van artikel 6 EVRM. Voorbeelden zijn de weigering een advocaat te benoemen of ontvluchting van de berechting,13 maar ook het instellen van een rechtsmiddel maakt langduriger berechting tot op zekere hoogte aanvaardbaar.14 Tot op zekere hoogte, want een hoger beroep of cassatieberoep moeten als zodanig eveneens binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. Kooijmans’ standpunt komt als ik het goed zie op het volgende neer: indien de klacht of klachten die naast de redelijke-termijnklacht zijn opgeworpen voor 80a-af-doening in aanmerking komen, dan mag termijnoverschrijding in de cassatieprocedure gelden als veroorzaakt door onredelijk procesgedrag van de verdediging en daarom ook aan hem worden toegerekend.15 Een verdedigbare schending van artikel 6 EVRM is dan niet aan de orde, waardoor ook een schending van artikel 13 EVRM is uitgesloten. Aldus geformuleerd, kan aan dat standpunt worden getwijfeld.
Betwistbaar is ten eerste of het enkele feit dat de ‘overige’ klachten voor 80a-afdoening in aanmerking komen, op zichzelf al maakt dat een schending van artikel 6 EVRM vanwege langdurige berechting niet aan de orde is of een klacht daarover niet verdedigbaar is.16 Hoe lang een proces mag duren, is immers naast het gedrag van verdachte eveneens afhankelijk van andere factoren zoals de complexiteit van de zaak en de behandeling van de zaak door de autoriteiten.17 Als het uitwerken van het arrest en proces-verbaal van de zitting in hoger beroep bijvoorbeeld drie jaar op zich laat wachten, terwijl het een eenvoudige zaak betreft, dan is betwijfelbaar of het gedrag van de verdachte dat als het ware kan compenseren, te meer omdat de raadsman pas na uitwerking van het arrest de geschiktheid voor behandeling in cassatie kan beoordelen.18
Ten tweede lijkt mij van belang dat het standpunt van Kooijmans berust op een uitleg van het klaarblijkelijkheidsvereiste die gelet op de gepubliceerde rechtspraak niet door de Hoge Raad wordt toegepast. Kooijmans meent – en de wet kan die indruk wekken – dat beroepen alleen voor 80a-afdoening geschikt zijn indien daarin geen in redelijkheid te verdedigen standpunten worden ingenomen. In paragraaf 7.3g is evenwel uiteengezet dat aan de eis van klaarblijkelijkheid in de praktijk een nogal abstracte inhoud wordt gegeven. Ook een cassatieberoep waarover verschil van opvatting bestaat tussen parket en Hoge Raad en een beroep met klachten over thema’s die sterk samenhangen met de omstandigheden van het geval worden met artikel 80a RO afgedaan. Het is daardoor moeilijk om uiteindelijk kansloze beroepen van voorzienbaar kansloze beroepen te onderscheiden. Wat conform de overzichtsarresten in alle 80a-gevallen aan de verdachte wordt tegengeworpen, namelijk dat de vertraging in de cassatiefase in redelijkheid aan hemzelf is te wijten, is dus niet in alle gevallen voorzienbaar. Oftewel, ook een beroep dat in redelijkheid te verdediging standpunten bevat kan met artikel 80a RO worden afgedaan.
Een beroep in cassatie dat naast redelijke-termijnklachten enkel klachten bevat die aan 80a-afdoening niet in de weg staan, kan dus niet zonder nadere beoordeling van de duur van de berechting en de voorzienbaarheid van 80a-afdoening worden afgedaan met artikel 80a RO. Het is daarom ten minste niet uitgesloten dat het redelijke-termijnvereiste uit artikel 6 EVRM in de cassatiefase wordt geschonden in zaken waarin artikel 80a RO wordt toegepast. De Hoge Raad moet een effectieve remedie bieden in gevallen waarin de redelijke termijn naar EVRM-maatstaven19 in cassatie is overschreden, hetgeen ook bij afdoening op grond van artikel 80a RO aan de orde kan zijn.
Ondanks zijn harde vooropstellingen zou het kunnen dat de Hoge Raad oog heeft voor het voorgaande. In bijzondere gevallen kunnen de ‘overige’ cassatieklachten namelijk met artikel 81 RO worden afgedaan zodat wel ruimte bestaat voor strafvermindering.20 Verder kunnen schendingen wellicht worden voorkomen of kan zelfs een zekere genoegdoening schuilen in snelle afdoening van het cassatieberoep na overschrijding van de termijn voor inzending van de stukken.21 De enkele vaststelling of erkenning van een schending lijkt als zodanig niet (in alle gevallen voldoende), maar juist vooral vereist naast of als basis voor financiële of andersoortige compensatie.22
Wat de stringent geformuleerde rechtspraak van de Hoge Raad over redelijke-termijnklachten en 80a-afdoening in feite kan redden, is dat in Straatsburg verzoekschriften niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard indien de klager geen significant disadvantage heeft geleden (art. 35, lid 3, onderdeel b EVRM). De zaak Çelik/Nederland verdient in dit verband aandacht.23 In deze zaak werd bij het EHRM geklaagd over de 80a-afdoening van een geval waarin in cassatie over schending van de redelijke termijn was geklaagd omdat het hof de stukken te laat had ingezonden. In cassatie was uitsluitend een middel geformuleerd over de schending van de redelijke termijn. Het EHRM verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat geen wezenlijk nadeel is geleden. Spronken heeft betoogd dat op grond van deze zaak kan worden aangenomen dat het EHRM 80a-afdoening door de Hoge Raad “impliciet [heeft] gesauveerd als het gaat om de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase in een zaak waarin het cassatieberoep inhoudelijk evident kansloos is”.24 Ook dit standpunt lijkt mij betwistbaar.
Het is namelijk ten eerste twijfelachtig of significant disadvantage ontbreekt bij elke overschrijding van de redelijke termijn, hoe aanzienlijk ook. De zaak Çelik/Nederland is wat dat betreft geen sprekend voorbeeld, omdat de inzendtermijn weliswaar was overschreden maar de behandeling in cassatie in totaal nog geen twee jaar had geduurd. De vergelijkbare zaak Van der Putten/Nederland biedt een sterker precedent, omdat daarin de stukken pas twee jaar en vier maanden na het instellen van cassatie waren ingezonden en de totale behandeling van het cassatieberoep drie jaar en één maand bedroeg.25 Nu heeft het EHRM ook in deze zaak de klacht niet-ontvankelijk verklaard, maar langere overschrijdingen zijn niet ondenkbaar, zeker niet omdat het EHRM vooral let op de duur van de gehele procedure.26 Bijvoorbeeld in de zaak Kücher/Oostenrijk werd significant nadeel aanwezig geacht in een zaak waarin de berechting in twee instanties ruim negen jaar had geduurd doch uitmondde in een boete van € 210, terwijl nota bene met de vertraging in de strafoplegging rekening was gehouden – weliswaar op onduidelijke wijze.27
Daar komt ten tweede bij dat voor de bepaling van welke termijn redelijk is onder meer de complexiteit van de zaak en hetgeen voor de verdachte op het spel (at stake) staat eveneens van belang is.28 Tegen deze achtergrond telt dat in de zaak Van der Putten/Nederland, waarin de cassatiefase de meeste tijd in beslag nam, de sanctie ‘slechts’ een ontneming van circa € 50,000 betrof. Indien een vrijheidsstraf zou zijn opgelegd, had het EHRM gelet op de algemene beoordelingsfactoren waarschijnlijk eerder significant nadeel aangenomen.29 Bovendien let het EHRM ter bepaling van significant disadvantage naast de omvang van de schending nog op tal van andere omstandigheden.30 In de genoemde twee zaken tegen Nederland wijst het EHRM uitdrukkelijk erop dat naast de redelijke-termijnklacht “no complaint was made about the judgment of the Court of Appeal or about any aspect of the prior criminal proceedings”.31 Dat het EHRM hieraan belang hecht, maakt de rechtspraak van de Hoge Raad voor gevallen waarin naast de redelijke-termijnklacht wel middelen zijn ingediend juist kwetsbaar.32
Ten derde kan het EHRM op grond van artikel 35, lid 3, onderdeel b EVRM ervoor kiezen om gevallen waarin geen wezenlijk nadeel is geleden toch te behandelen, om daarmee bijvoorbeeld in het algemeen een grens voor staten te markeren of een signaal af te geven in het geval van “a structural deficiency”.33 Dat in twee zaken tegen Nederland over 80a-afdoening van redelijke-termijnklachten de toepassing van artikel 35, lid 3, onderdeel b EVRM als resultaat is geboekt, geeft dus nadrukkelijk geen garantie voor de toekomst.
Tot slot is artikel 35, lid 3, onderdeel b EVRM uiteindelijk bedoeld om klachten niet-ontvankelijk te verklaren die anders zouden slagen, maar van te gering belang zijn om het zwaar belaste EHRM uitgebreid te laten behandelen.34 Het betreft met andere woorden vrije toegangsbeoordeling. Toepassing van artikel 35, lid 3, onderdeel b EVRM sauveert nationale praktijken dus nadrukkelijk niet, maar doet enkel af aan het toezicht dat het EHRM daarop houdt.35 De vergelijking met de diefstal van fietsen dringt zich op. Eenieder weet dat daaraan nauwelijks opsporingscapaciteit wordt besteed, maar dat doet aan het verbod erop niet af.
Het is dus om verschillende redenen maar zeer de vraag of bij de afdoening van redelijke-termijnperikelen in de cassatiefase met artikel 80a RO in Straatsburg steeds het ontbreken van significant disadvantage zal worden aangenomen. En als dat toch zo zou zijn, dan is niet-ontvankelijkverklaring van een klacht op die grond door het EHRM veeleer een reden om aan het vereiste van een redelijke afdoeningstermijn in de nationale rechtspleging meer in plaats van minder aandacht te besteden.