Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.5.3.2
2.5.3.2 Effect op het insolventierisico
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406896:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In zijn artikel uit 1988 overweegt Miller dienaangaande: “[T]he “no gain from leverage” implication of the original MM invariance proposition might fail if the new debt was not made junior in status to the old, if the old bond covenant was “open ended,” […]. Assuming no change in the underlying earning power from the recapitalization, the original creditors would then find the value of their claim diluted. The benefits of this dilution of the old bondholders accrue, of course, to the stockholders, which is why it has often been labeled “theft,” particularly by the adversely affected bondholders. Finance specialists prefer the less emotionally charged term “uncompensated wealth transfer.” (Miller 1988, p. 114). Zie ook Brealy & Myers 2003, p. 466.
Asquith & Wizman 1990, p. 195-213. Zie ook Warga & Welch 1993.
Gaughan 2010, p. 232. Zie ook het lezenswaardige verslag van het overnamegevecht om RJR Nabisco: Burrough & Helyar 1990.
De Jong e.a. 2007, p. 37.
Zie daarover par. 3.4.4.
Critici stellen dat het doelwit na een LBO door de hoge rentelast meestal niet in staat is om (economische) tegenwind op te vangen, zodat het insolventierisico toeneemt en dientengevolge de ongesecureerde crediteuren de waarde van hun vorderingen zien afnemen. Ook als het doelwit na de LBO failleert, zou vaak sprake zijn van een lucratieve investering voor de private equity-partij. Door superdividenden, hoge rentevergoedingen over de aandeelhoudersleningen en eenmalige vergoedingen voor werkzaamheden die zijn verricht ten tijde van de LBO en daarna, zou de private equity-partij zijn investering er voor de beoogde exit vaak al uit hebben.
Dat een LBO het faillissementsrisico van het doelwit verhoogt staat buiten kijf. Net als een ‘reguliere’ uitkering aan aandeelhouders, heeft een LBO een negatief effect op de liquiditeit en solvabiliteit van de vennootschap. De resultaten van onderzoek naar de effecten van een LBO op de vorderingen van crediteuren zijn echter allerminst eenduidig. Sommige onderzoeken indiceren dat een LBO inderdaad resulteert in een ‘wealth transfer’ van de ongesecureerde crediteuren naar de aandeelhouders.1 Zo blijkt uit het onderzoek van Asquith en Wizman uit 1990 dat de aankondiging van een LBO in de jaren tachtig aanleiding gaf tot een waardedaling van de obligaties van het overnamedoelwit van gemiddeld 5,2 procent.2 Een bekend voorbeeld in dit verband betreft de LBO van de koekjesfabrikant RJR Nabisco in 1988, die direct leidde tot een waardedaling van de schulden van zelfs 15 procent.3 Recenter onderzoek wijst echter uit dat de verliezen van de crediteuren vanwege een LBO beperkter zijn.4 Mogelijk hangt dit samen met het feit dat sinds de eerste LBO-golf veel crediteuren de vrijheid van de vennootschap om extra krediet aan te trekken, contractueel aan banden hebben gelegd.5