Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.10.2
4.10.2 Rekening en verantwoording jegens de Ondernemingskamer
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652429:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 19 april 2007 (r.o. 3.2), JOR 2007/142, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Begemann).
Zie bijv. Croiset van Uchelen 2008, p. 209 e.v. en p. 222 e.v., volgens wie die deze verantwoordingsplicht is beperkt tot de bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot ontslag van OK-functionarissen en de eventuele periodieke verantwoordingsplicht op grond van art. 2:357 lid 5 BW (jo. art. 2:349a lid 2 BW); Eikelboom 2017, p. 560.
Olden 2009, p. 122-123. Zie ook Storm 2008, p. 40.
Zie ook par. 4.10.4. Anders Van Emden & Wareman 2020, p. 21 en p. 45 (ten aanzien van de OK-beheerder); Nethe 2022, p. 930 (ten aanzien van de OK-bestuurder); Salemink & Nieuwe Weme 2022, p. 827 (ten aanzien van de OK-bestuurder en OK-commissaris).
Vgl. over het inwinnen van telefonische inlichtingen nog HR 1 december 1989 (r.o. 3.2), NJ 1990/438, m.nt. J.B.M. Vranken; HR 15 januari 1993, NJ 1993/594, m.nt. H.J. Snijders (onder NJ 1993/596), waarover ook Croiset van Uchelen 2008, p. 213-217, onder verwijzing naar art. 12 Wet RO; art. 6 EVRM. Zie in dit kader bijv. OK 3 oktober 2008, ARO 2008/162 (Vialle), waarover ook Olden 2009, p. 127.
Praktijktips, bepaling 1.5.2.
Zie bijv. OK 26 april 1972 (r.o. 4), NJ 1973/6 (Schenkkan); OK 8 oktober 1998 (r.o. 6), JOR 1998/166, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Hoffmann Beheer); het overzicht van Geerts 2004, p. 302-303; Eikelboom, GS Rechtspersonen, art. 2:357 BW, aant. 7 (2022). Anders nog Van Wijk 1996, p. 366, voetnoot 53, volgens wie het in Schenkkan niet ging om toepassing van art. 2:357 lid 5 BW, maar om toepassing van art. 2:357 lid 2 BW.
Zie bijv. OK 4 augustus 2005 (r.o. 1.6), JOR 2005/269 (NIBO) (OK-commissaris); OK 27 november 2007 (r.o. 1.3), ARO 2007/194 (Van Doorn) (OK-bestuurder); Cornelissen 2010, p. 75.
Zie bijv. OK 26 februari 1998, TVVS 1998, p. 241, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Houdstermaatschappij Griendtsveen), waarover ook Croiset van Uchelen 2008, p. 213; OK 24 april 2020 (r.o. 1.5), ARO 2020/97 (Kors).
OK 24 april 2020 (r.o. 1.5), ARO 2020/97 (Kors).
Salemink 2018b, p. 443-444. Het spontaan toesturen van tussentijdse verslagen aan de Ondernemingskamer zal in het algemeen overigens niet leiden tot een inhoudelijke reactie van de Ondernemingskamer, zie Praktijktips, bepaling 1.5.2. In bepaling 1.5.1 is verder opgenomen dat de secretarissen van de Ondernemingskamer het op prijs stellen van tijd tot tijd telefonisch over de voortgang te worden geïnformeerd. OK-functionarissen gaan hier wisselend mee om, zie Broekhuijsen-Molenaar & Van Wees 2015, p. 94. Zie ook nog Josephus Jitta 2021, p. 23, die een rekening- en verantwoordingsplicht voor OK-functionarissen aan de raadsheer-commissaris bepleit.
Vgl. Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 32. Zie ook par. 4.5.2.3.
In Begemann oordeelde de Ondernemingskamer dat de door haar benoemde functionarissen omtrent hun handelen en nalaten in het kader van de door de Ondernemingskamer aangewezen taak geen verantwoording zijn verschuldigd aan de rechtspersoon, zijn aandeelhouders of andere bij de rechtspersoon betrokken partijen. De Ondernemingskamer overwoog:
‘Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek stelt de Ondernemingskamer voorts voorop dat de door haar benoemde functionarissen omtrent hun handelen en nalaten in het kader van de door de Ondernemingskamer aangewezen taak geen verantwoording zijn verschuldigd aan Begemann, aan haar aandeelhouders of aan andere bij de vennootschap betrokken partijen. Zij behoeven daarvan, noch van hun bevindingen – nu zij het geraden hebben geacht zich omtrent door of namens Begemann verrichte (rechts)handelingen en besluiten te doen informeren – aan enig orgaan van Begemann of aan andere bij Begemann betrokken partijen verslag uit te brengen. Evenmin dragen zij verantwoordelijkheid of hebben zij anderszins in te staan voor de juistheid van die bevindingen. In het procedurele debat tussen partijen in dit geding is immers voor door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders en commissarissen geen rol weggelegd. In de enquêteprocedure is het – uitsluitend – de (naar aanleiding van de behandeling van het verzoek tot het doen instellen van een onderzoek) te benoemen onderzoeker die aan dat debat deelneemt in zoverre hij in zijn onderzoeksverslag de grondslagen biedt waarop het oordeel van de Ondernemingskamer, in de zogeheten tweede fase van de enquêteprocedure, omtrent het (al of niet) gebleken zijn van wanbeleid zal (moeten) zijn gebaseerd. Hem staan ter uitvoering van zijn taak als onderzoeker ook specifieke, wettelijke hulpmiddelen ter beschikking. Dat alles is in de onderhavige zaak niet anders.’1
Het oordeel van de Ondernemingskamer in Begemann lijkt achterhaald gelet op De Orthopedische Schoenmakerij, waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat zij niet bevoegd is tot de verlening van decharge aan een OK-bestuurder. OK-functionarissen zijn hierom verantwoordingsplichtig aan de rechtspersoon, zie par. 4.10.3 en par. 5.2.7.7.
Uit Begemann werd wel afgeleid dat de OK-bestuurder en OK-commissaris (enkel) verantwoording zijn verschuldigd aan de Ondernemingskamer.2 Met Olden meen ik echter dat in Begemann niet valt te lezen dat de OK-bestuurder en OK-commissaris, omdat zij geen verantwoording zijn verschuldigd aan de rechtspersoon, zijn aandeelhouders of andere bij de rechtspersoon betrokken partijen, (uitsluitend) verantwoording schuldig zijn aan de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer plaatst bovenstaande overweging in de sleutel van het ‘procedurele debat’. ‘Verantwoording schuldig zijn’ lijkt in Begemann dan ook te moeten worden begrepen als ‘vatbaar voor een opdracht aan de algemene vergadering verslag van bevindingen te doen als een quasi-onderzoeker’.3
Niettemin zou ik een zekere rekening- en verantwoordingsplicht voor OK-functionarissen jegens de Ondernemingskamer willen aannemen.4 Art. 2:357 lid 5 BW bepaalt dat de Ondernemingskamer de door haar benoemde functionarissen kan opdragen haar regelmatig verslag uit te brengen. Schriftelijke verslaggeving ligt daarbij voor de hand.5 De Ondernemingskamer maakt doorgaans geen gebruik van deze mogelijkheid.6 Slechts in enkele oudere enquêteprocedures ging zij hiertoe over.7 In die gevallen werd overigens geen verantwoordingsverplichting opgelegd specifiek ten aanzien van de beloning van OK-functionarissen. Soms leggen OK-functionarissen ook uit eigen beweging rekening en verantwoording af aan de Ondernemingskamer.8 Analoge toepassing van art. 2:357 lid 5 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen is mogelijk.9 Recent lijkt de Ondernemingskamer art. 2:357 lid 5 BW overigens breder uit te leggen, en daartoe ook het stellen van enkele vragen aan OK-functionarissen te rekenen.10
In bepaling 4.2.7 van de Praktijktips is voor OK-bestuurders verder voorgeschreven jegens partijen kort vast te leggen welke situatie bij benoeming is aangetroffen, welk onderzoek is gedaan, welke maatregelen zijn getroffen en hoe het verdere plan van aanpak eruitziet. Salemink leidt hieruit af dat OK-bestuurders ook zonder rechterlijke verplichting op de voet van art. 2:357 lid 5 BW moeten overwegen aan zowel de Ondernemingskamer als procespartijen periodiek verslag te doen, ook na de beginfase.11
OK-functionarissen dienen hiernaast steeds te administreren welke kosten zij hebben gemaakt en nog verwachten (waarvoor) te maken. Blanco Fernández, Holtzer en Van Solinge stellen in hun Richtlijnen voor de onderzoeker in enquêteprocedures de volgende bepaling voor: ‘De onderzoeker voert een zodanige administratie dat te allen tijde de financiële situatie met betrekking tot het onderzoek kan worden gekend. Hij bewaart de daartoe benodigde bescheiden.’12 Een vergelijkbare administratie dient mijns inziens te worden gevoerd door OK-functionarissen. Zij moeten de te declareren kosten steeds kunnen verantwoorden en hiertoe een behoorlijke financiële administratie bijhouden. OK-functionarissen moeten hiertoe de aard en duur van hun werkzaamheden en die van door hen ingeschakelde derden administreren.13