Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.2
3.4.3.2 Wet en parlementaire toelichting
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476846:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/53-54, met voorbeelden.
Vgl. HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 (Kramer q.q./NMB); HR 28 september 1990, NJ 1991/305, m.nt. P. van Schilfgaarde (De Ranitz q.q./Ontvanger) en HR 24 mei 1991, NJ 1992/246, m.nt. P. van Schilfgaarde (Ontvanger/Amro).
Vgl. HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 94 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 95. Zie voor lijfrentetermijnen uitdrukkelijk art. 3:9 lid 3 BW.
Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 96 en NvW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 533, dat ter zake van deze vruchten spreekt van een cessie bij voorbaat van toekomstige vorderingen. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/80. Zie overigens Rongen 2012/895 en 898, die betwijfelt of met art. 3:9 lid 4 BW is beoogd een antwoord te geven op de vraag of een burgerlijke vrucht voor haar opeisbaarheid een reeds bestaand of toekomstig goed is.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 144. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburg 6-I* 2012/166.
87. Het ontstaansmoment van vorderingen wordt niet uitdrukkelijk in de wet geregeld. Art. 6:1 BW volstaat met de constatering dat verbintenissen slechts kunnen ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit. De wet knoopt voor het ontstaan van verbintenissen aan bij rechtsfeiten: rechtshandelingen, bijvoorbeeld een obligatoire overeenkomst, andere rechtsfeiten, zoals een onrechtmatige daad, of zelfs rechterlijke uitspraken.1 Hiermee is nog niet gezegd welke rechtsfeiten hebben te gelden als ontstaansvereisten voor een vordering. Ook de parlementaire geschiedenis bevat geen scherp algemeen criterium voor het bepalen van het ontstaansmoment van een vordering. De vraag wanneer een vordering ontstaat is door de wetgever overgelaten aan het oordeel van de rechter. Daarbij is slechts opgemerkt dat van belang zal zijn van hoeveel nog niet of niet volledige vaststaande feiten het bestaan van de vordering afhankelijk is.2
Hoewel de wet geen uitdrukkelijk ontstaansmoment aanreikt, vormt de relevante wettelijke regeling een belangrijke bron ter bepaling van de ontstaansvereisten van een bepaalde vordering. Voor vorderingen die rechtstreeks uit de wet voortvloeien volgen alle ontstaansvereisten uit de desbetreffende wettelijke regeling.3 Wat de ontstaansvereisten zijn voor een vordering is daarmee afhankelijk van de opzet en uitleg van de desbetreffende wet. Voor vorderingen uit overeenkomst geldt dat de ontstaansvereisten kunnen voortvloeien uit de wettelijke regeling van de overeenkomst in kwestie. Zo kan de aard van de overeenkomst of de vordering, zoals deze mede tot uitdrukking komt in een (bijzondere) wettelijke regeling, met zich brengen dat een bepaald rechtsfeit een ontstaansvereiste vormt voor het ontstaan van de contractuele vordering.4
88. De wet wijdt enkele bijzondere bepalingen aan burgerlijke vruchten en voorwaardelijke verbintenissen. Art. 3:9 lid 2 BW merkt als burgerlijke vruchten aan die rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. Voorbeelden van burgerlijke vruchten zijn vorderingen ter zake van rente, huur- en pachttermijnen, erfpachtcanon en lijfrentetermijnen. Ook dividend vormt in principe een burgerlijke vrucht.5 Een burgerlijke vrucht wordt een zelfstandig recht doordat zij opeisbaar wordt, aldus art. 3:9 lid 4 BW. Tot dit tijdstip worden burgerlijke vruchten gezien als toekomstige vorderingen.6
89. Ten aanzien van (krachtens rechtshandeling) voorwaardelijke verbintenissen volgt uit de art. 6:21 en 6:22 BW dat het bestaande verbintenissen betreft. De verbintenis is slechts voor haar werking – en dus niet haar bestaan – afhankelijk van een onzekere toekomstige gebeurtenis.7 Deze vaststelling is vooral van belang voor de verbintenis onder opschortende voorwaarde. Hoewel deze verbintenis geen werking heeft tot het tijdstip waarop de opschortende voorwaarde is vervuld, bestaat de verbintenis en de daaruit voortvloeiende vordering reeds.