Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.4
3.4.3.4 Enkele uitgangspunten
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474383:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 30 mei 2008, NJ 2008/400 en HR 2 december 2011, NJ 2012/173, m.nt. L.C.A. Verstappen.
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN). Zie ook HR 14 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle); en HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN) en en HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/243. Zie ook Out 2002, p. 64.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/247 en Out 2002, p. 65.
Vgl. HR 4 juni 2004, JOR 2004/219, m.nt. B. Wessels (Loyalis/Missler q.q.).
Vgl. HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
Zie onder meer HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN); en HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.). Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/166.
HR 25 maart 1988, NJ 1989/200, m.nt. W.M. Kleijn (Staal Bankiers/Ambags q.q.).
HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle).
Volgens A-G Wuisman in zijn conclusie bij HR 3 december 2010, JOR 2011/63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.), onder 3.6, lijkt de terughoudendheid van de Hoge Raad in het aannemen van bestaande vorderingen te zijn ingegeven door de rechtspolitieke wens om tot een evenwichtiger verdeling te komen van de verhaalsmogelijkheden in faillissement tussen separatisten en niet-separatisten.
HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.) en HR 9 juli 2004, JOR 2004/222, m.nt. J.J. van Hees, NJ 2004/618, m.nt. P. van Schilfgaarde (Bannenberg q.q./NMB-Heller).
HR 27 november 1981, NJ 1982/503, m.nt. E.A.A. Luijten; m.nt. W.H. Heemskerk (Boon/Van Loon) en HR 12 november 1993, NJ 1994/229, m.nt. W.M. Kleijn (Frima q.q./Blankers). Het arrest is inmiddels achterhaald door de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Vgl. de Curaçaose zaak HR 2 mei 2014, NJ 2014/310 (C./Hallmark Cards).
93. In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn een aantal meer algemene onderscheidingen en uitgangspunten de revue gepasseerd. Om te beginnen is voor het ontstaan van een vordering niet vereist dat haar omvang al is vastgesteld of bekend is.1
Daarnaast volgt uit het arrest SOS/ABN dat een vordering niet bestaat op de enkele grond dat zij haar onmiddellijke grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding.2 Het bestaan van een verbintenis veronderstelt echter wel het bestaan van een rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de schuldeiser van de verbintenis. De verbintenis, als vermogensrechtelijke betrekking tussen personen, kan niet bestaan zonder dat deze personen tot elkaar in een vermogensrechtelijke relevante verhouding staan die een grondslag vormt voor de verbintenis. Het bestaan van een rechtsverhouding is om deze reden te beschouwen als een condicio sinequa non, als een noodzakelijk vereiste voor het bestaan van de verbintenis. Men mag het bestaan van de verbintenis echter niet vereenzelvigen met het bestaan van de rechtsverhouding waaruit de verbintenis voortvloeit. Deze rechtsverhouding kan reeds bestaan voordat een verbintenis daaruit voortkomt. Het bestaan van de rechtsverhouding is een noodzakelijk, doch niet per definitie voldoende ontstaansvereiste voor de verbintenis.
In het arrest SOS/ABN gaf de Hoge Raad tevens aan dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van bijvoorbeeld een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot (terstond vaststaande) periodieke betalingen. 3
Een opschortende tijdsbepaling verbonden aan een vordering, houdt slechts in dat een termijn is bepaald voor de nakoming van de verbintenis. Van een tijdsbepaling is slechts sprake, indien het zeker is dat het aangegeven toekomstige tijdstip zal aanbreken, ongeacht of onduidelijk is wanneer dit het geval zal zijn.4 De tijdsbepaling schort niet het bestaan van de verbintenis op, slechts de uitvoering van de verbintenis wordt opgeschort tot een bepaald tijdstip.5 De vordering bestaat om deze reden reeds vóór het aanbreken van het aangewezen tijdstip. Dit volgt met zoveel woorden uit art. 6:39 lid 2 BW, dat bepaalt dat betaling voor de vervaldag niet onverschuldigd is.6 De rechtsgevolgen van de opschortende tijdsbepaling richten zich op de bevoegdheid voor de schuldenaar om zijn schuld voor de vervaldag te betalen en de bevoegdheid voor de schuldeiser om voor de vervaldag nakoming te vorderen. Een en ander hangt af van de strekking van de tijdsbepaling. Tenzij anders mocht blijken, mag worden aangenomen dat de tijdsbepaling slechts in het voordeel van de schuldenaar strekt. Art. 6:39 lid 1 BWdrukt dit uit met een vermoeden dat de tijdsbepaling slechts belet dat voor het tijdstip nakoming kan worden gevorderd. Als blijkt dat de termijn mede strekt in het belang van de schuldeiser, dan zal de schuldenaar niet voor de vervaldatum mogen betalen. Strekt de tijdsbepaling enkel ten voordele van de schuldeiser, dan verhindert zij slechts eerdere betaling door de schuldenaar; de schuldeiser kan zelfs voor het verstrijken van de termijn betaling vorderen.7
De vordering tot periodieke betaling is te beschouwen als een species van de vordering onder tijdsbepaling. De verschuldigdheid van de prestatie door de schuldenaar op regelmatige toekomstige tijdstippen staat vast. De schuldenaar heeft zich bijvoorbeeld ertoe verplicht om elke eerste dag van de maand een bepaald bedrag aan zijn schuldeiser te betalen ter aflossing van een aan hem verleend krediet. Een ander voorbeeld betreft een krachtens de wet toegekend recht van een gewezen militair op een maandelijkse uitkering.8 Er bestaat in dit geval zekerheid omtrent zowel het aanbreken van de toekomstige gebeurtenis, als omtrent het tijdstip daarvan. Slechts door het enkele verloop van tijd zal de vordering in gedeeltes opeisbaar worden. De omstandigheid dat op regelmatige toekomstige tijdstippen prestaties verschuldigd kunnen worden, zoals tot betaling van huur voortvloeiend uit een huurovereenkomst of loon voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, is onvoldoende om tot het bestaan van een vordering tot periodieke betalingen te kunnen concluderen. De verplichtingen zijn mede afhankelijk van onzekere omstandigheden, zoals het verschaffen van huurgenot of het verrichten van arbeid, en niet slechts van het verloop van tijd.9
Een vordering is voorwaardelijk indien haar werking bij rechtshandeling afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.10 Van een voorwaarde is slechts sprake, indien het onzeker is dat de toekomstige gebeurtenis zal plaatsvinden, ongeacht of duidelijk is wanneer de gebeurtenis zal voorvallen.11
Bij een opschortende voorwaarde vangt de werking van de verbintenis aan met het plaatsvinden van de gebeurtenis.12 Tot het in vervulling gaan van de voorwaarde is slechts de werking en niet de verbintenis zelf opgeschort. Een vordering onder opschortende voorwaarde wordt dan ook als een bestaande vordering beschouwd.13 Voor zover het voorwaardelijke karakter van de betrokken vordering zich daartegen niet verzet, wordt zij zelfs als een onvoorwaardelijke vordering behandeld.14
Tot slot komt betekenis toe aan de eventuele afhankelijkheid van de vordering van de uitoefening van een wilsverklaring. In het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. besliste de Hoge Raad dat indien de vordering afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar, de vordering eerst door het afleggen van deze wilsverklaring ontstaat. Van een bestaande voorwaardelijke vordering is dan geen sprake. Het betrof een waardevergoedingsvordering voor een maatschapsaandeel van een gefailleerde maat. De vordering vloeide voort uit een voortzettingsbeding dat niet automatisch in werking trad, maar afhankelijk was van een wilsverklaring van de overige maten. Het ontstaan van de vordering was daarmee afhankelijk van het afleggen van deze wilsverklaringen.15 Op vergelijkbare voet oordeelde de Hoge Raad over het ontstaansmoment van een vordering van een kredietnemer uit een kredietfaciliteit. Een verbintenis tot uitbetaling van een bedrag uit de kredietruimte ontstaat pas wanneer de kredietnemer gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot afroep van het krediet.16 De vordering ontstaat aldus eerst doordat de schuldeiser de vereiste wilsverklaring aflegt.
Verschillende gevallen hebben zich sindsdien bij de Hoge Raad aangediend waarbij het onderscheid moest worden gemaakt tussen een toekomstige of bestaande vordering. Vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van een toekomstig handelen van de schuldeiser of schuldenaar worden doorgaans vóór het verrichten van die handeling aangemerkt als toekomstig. Deze restrictieve koers wat betreft het ontstaansmoment van vorderingen is wel in verband gebracht met een rechtspolitieke keuze ten gunste van de faillissementsboedel en daarmee ten gunste van de overige schuldeisers van de pandgever.17 Voor een dergelijke rechtspolitieke keuze zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad geen duidelijke aanwijzingen te vinden. De rechtspraak van de Hoge Raad bevat ook voorbeelden van voorwaardelijke vorderingen. In het kader van een overwaarde-arrangement is een bedongen regresvordering aangemerkt als een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde.18 Ik wijs daarnaast op de kwalificatie van pensioenrechten in de bijzondere context van de verdeling van een huwelijkgemeenschap na echtscheiding. De Hoge Raad heeft de rechten uit ouderdoms- en partnerpensioen voor het reeds opgebouwdegedeelte (of het gedeelte dat moet worden geacht te zijn opgebouwd) geduid als voorwaardelijke vorderingsrechten die reeds bestaan, ook al is het pensioen op dat tijdstip nog niet tot uitkering gekomen.19 Voor uitkeringsvorderingen uit sommenverzekeringen met een vergelijkbaar karakter (zoals al dan niet uitgestelde lijfrentes), mag eveneens worden aangenomen dat zij in voorwaardelijke vormontstaan met de opbouw van de verzekerde uitkering, ongeacht of gebruik wordt gemaakt van een recht om de verzekering af te kopen.