Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/4.3.2
4.3.2 Consolidatie van dochtermaatschappijen
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605416:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
N. Krol, ‘Consolidatie onder geldend en komend recht (IAS en Titel 9 Boek 2 BW)’, Ondernemingsrecht 2004, 16.
Rapport ‘Comments concerning certain Articles of the Regulation (EC) No. 1606/2002 of the European Parliament and of the Council of 19 July 2002 on the application of international accounting standards and the Fourth Council Directive 78/660/EEC of 25 July 1978 and the Seventh Council Directive 83/349/EEC of 13 June 1983 on accounting’, ontleend aan N. Krol, a.w.
Deze omstandigheden zijn nader omschreven in de appendix bij SIC-12.
IAS 27 behandelt de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening. Daarbij gaat het om een groep van entiteiten waarover een moedermaatschappij de zeggenschap heeft, zo bepaalt IAS 27 alinea 1. Dit duidt op het belang van organisatorische verbondenheid voor de omschrijving van ‘verbondenheid’.
In de ‘IAS-verordening’ worden geen nadere regels voor de consolidatieplicht gesteld. Op basis van IAS 27 alinea 9 dient een moedermaatschappij een geconsolideerde jaarrekening te publiceren, waarin de investeringen in dochtermaatschappijen worden opgenomen. Uit IAS 27 alinea 10 blijkt dat deze consolidatieplicht niet geldt, indien de moedermaatschappij op haar beurt een 100%-meerderheidsdeelneming is van een andere onderneming, en haar financiële positie en resultaat als zodanig is opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van die andere onderneming. Deze regeling is vergelijkbaar met de in paragraaf 4.2.2 genoemde vrijstelling van art. 2:408 BW voor de tussenhoudstermaatschappij. Ik merk echter op dat ten aanzien van art. 2:408 BW minder strikte voorwaarden gelden, omdat tegen de toepassing van die bepaling alleen bezwaar kan worden gemaakt door aandeelhouders die ten minste 10% van het geplaatste aandelenkapitaal bezitten. Aandeelhouders met een belang van minder dan 10% kunnen dus wel bezwaar maken tegen de toepassing van de vrijstelling van IAS 27 alinea 10, maar niet tegen die van art. 2:408 BW.
Op basis van IFRS geldt in principe geen vrijstelling voor kleine groepen. Krol meent echter dat deze vrijstelling van art. 2:407 lid 2 BW ook van toepassing kan zijn, indien de geconsolideerde jaarrekening op basis van IFRS wordt opgesteld.1 Zij leidt dit af uit een rapport van de Europese Commissie, waarin is opgemerkt dat de vraag of een rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, moet worden beantwoord aan de hand van het recht van het land waarin de rechtspersoon zijn zetel heeft.2 Op basis van deze opmerking meent Krol dat onder IFRS ook een beroep zou kunnen worden gedaan op de vrijstelling van art. 2:408 BW voor tussenhoudstermaatschappijen.
Volgens IAS 27 alinea 12 omvat de consolidatiekring alle dochtermaatschappijen (‘subsidiaries’) van de moeder. In termen van Beckman’s (1995) consolidatieconcepten geldt hierbij de ‘power-to-control’-conceptie als uitgangspunt, met uitbreidingsmogelijkheden naar de ‘control- en joint-control’-conceptie en de ‘group’-conceptie. Het consolidatieconcept van IFRS is hierdoor vergelijkbaar met dat van Titel 9 Boek 2 BW, zij het dat daarin de ‘group’-conceptie als uitgangspunt wordt genomen, met uitbreidingsmogelijkheden tot de ‘control- en joint-control’-conceptie en de ‘powerto-control’-conceptie.
‘Group’ en ‘subsidiary’
IAS 27 alinea 4 omschrijft de ‘group’ als volgt:
‘... a parent and all its subsidiaries.’
Hierbij is de moedermaatschappij (‘parent’) te beschouwen als een entiteit die één of meer dochtermaatschappijen heeft. In dit verband wordt onder een dochtermaatschappij verstaan:
‘... an entity, included an unincorporated entity such as a partnership, that is controlled by another entity (known as the parent).’
Bij ‘control’ gaat het om de mogelijkheid om zeggenschap uit te oefenen (‘power-tocontrol’), en niet zozeer om de feitelijke zeggenschap:
‘... the power to govern the financial and operating policies of an entity so as to obtain benefits from its activities.’
In IAS 27 alinea 13 is het eerder genoemde zeggenschapsvermoeden opgenomen, indien een moedermaatschappij meer dan 50% van de stemrechten bezit in een dochter. In dit opzicht is sprake van financiële verbondenheid. Er geldt een tweezijdige tegenbewijsmogelijkheid, waardoor de feitelijke zeggenschap uiteindelijk bepalend is. Enerzijds kan namelijk het vermoeden van ‘control’ op basis van de feitelijke situatie worden weerlegd, terwijl anderzijds kan worden aangetoond dat daarvan juist wel sprake is bij een belang van minder dan 50%.
Bij het bepalen van de omvang van de stemrechten moeten ook potentiële stemrechten worden meegeteld, zo bepaalt IAS 27 alinea 14. Dit zijn stemrechten die kunnen worden verkregen uit warrants, optierechten en vergelijkbare financiële instrumenten. Op basis van alinea 15 wegen de intentie van het management en de financiële mogelijkheden om de bedoelde stemrechten daadwerkelijk uit te oefenen of te verkrijgen, niet mee.
‘Special Purpose Entity’
SIC-12 bevat de interpretatie van IAS 27 ten aanzien van entiteiten die zijn opgericht voor een bijzonder doel (‘Special Purpose Entity’; SPE). In dit verband is een SPE in SIC-12 alinea 1 omschreven als een onderneming die is opgericht om een beperkt en nauw omschreven doel te bereiken, bijvoorbeeld de effectuering van een leasetransactie, speur- en ontwikkelingswerkzaamheden of een securitisatie van financiële activa. De contractuele regelingen bevatten volgens SIC-12 alinea 1 vaak beperkingen ten aanzien van de macht van de leiding van een SPE. Veelal is bepaald dat het beleid ten aanzien van de activiteiten niet kan worden gewijzigd door de leiding (‘autopilot’).
Op basis van SIC-12 alinea 8 moet een entiteit een SPE consolideren, indien zij hierover zeggenschap (‘control’) uitoefent. Böhmer e.a. (2006) merken op dat de consolidatieregels van IAS 27 hierbij niet zonder meer kunnen worden toegepast, omdat op basis van het ‘autopilot’-mechanisme niet altijd sprake is van zeggenschap zoals is beschreven in IAS 27 alinea 13. Daarom zijn in SIC-12 alinea 10 aanvullende omstandigheden genoemd die kunnen duiden op de aanwezigheid van zeggenschap.3 Het valt op dat deze aanvullende omstandigheden met betrekking tot de zeggenschap in feite duiden op een economische verbondenheid van de activiteiten van de SPE en de desbetreffende onderneming. Een kapitaalbelang is niet zozeer van belang, zo blijkt uit SIC-12 alinea 9.