25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/26.2:26.2 Rechtspersoonlijkheid voor de overheid
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/26.2
26.2 Rechtspersoonlijkheid voor de overheid
Documentgegevens:
prof. mr. F.J. van Ommeren, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. F.J. van Ommeren
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Regeerakkoord 2017-2021 van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, Vertrouwen in de toekomst, p. 40 (Kamerstukken II 2017/18, 34700, 34). Zie voorts Kamerstukken II 2017/18, 25268, 155 en Kamerstukken II 2017/18, 29984, 770.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste twee leden van artikel 2:1 BW luiden als volgt:
1. De Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen, alsmede alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is verleend, bezitten rechtspersoonlijkheid.
2. Andere lichamen, waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten slechts rechtspersoonlijkheid, indien dit uit het bij of krachtens de wet bepaalde volgt.
Het eerste lid bevat twee verschillende wijzen van toekenning. Allereerst wordt aan de Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen rechtstreeks rechtspersoonlijkheid toegekend. Voorts is tot uitdrukking gebracht dat alle lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is verleend eveneens rechtspersoonlijkheid hebben. Een derde wijze waarop overheidslichamen rechtspersoonlijkheid kunnen verkrijgen blijkt uit het tweede lid: aan lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen kan bij of krachtens wettelijk voorschrift rechtspersoonlijkheid worden toegekend.
De eerst en laatst genoemde wijze van toekenning zijn heden ten dage veruit de belangrijkste. In aanvulling op de rechtstreekse toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen zijn er tientallen wetten die aan overheidsinstellingen rechtspersoonlijkheid toekennen. Zoals artikel 2:1 lid 2 BW uitdrukkelijk zegt: het gaat om lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen. Het opdragen van een bepaalde overheidstaak en de toekenning van rechtspersoonlijkheid vindt, als het even kan, plaats in een en dezelfde wet, de zogeheten instellingswet. In de praktijk wordt de rechtspersoonlijkheid meestal in hetzelfde artikel toegekend als dat waarin de naam van de rechtspersoon en de plaats van vestiging worden bepaald. Er zijn veel voorbeelden te geven. Te denken valt aan de Sociaal-Economische Raad, kortweg: de SER (art. 1 Wet op de Sociaal-Economische Raad), de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, kortweg: het Kadaster (art. 2 Organisatiewet Kadaster), het Commissariaat voor de Media (art. 7.1 Mediawet 2008), de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Nwo (art. 2 Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek) en de politie (art. 26 Politiewet 2012).
De meeste van dit soort rechtspersonen zijn vanaf het eerste moment van hun bestaan in het leven geroepen als publiekrechtelijke rechtspersonen, andere zijn echter oorspronkelijk opgericht als privaatrechtelijke rechtspersonen en later omgezet in een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon. Een vrij recent voorbeeld van zo’n omzetting vormt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), dat gedurende vele decennia de rechtsvorm van een stichting had, maar per 2013 krachtens publiekrecht is ingesteld (men zie art. 4z Wegenverkeerswet 1994). Een naar aanleiding van de parlementaire enquête naar de Fyra in de nabije toekomst te verwachten omzetting wordt de trans- formatie van ProRail B.V. in een zelfstandig bestuursorgaan met eigen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid.1 Deze jongste ‘nationalisatie’ is verankerd in het regeerakkoord en een instellingswet is aangekondigd.2