Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.1.1
5.1.1 Het belang van de NV: het bestendige succes van haar onderneming
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232646:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 (Doetinchemse IJzergieterij). Zie hierover paragraaf 2.4 van dit proefschrift en Overkleeft 2017, par. 2.4.
Wet van 6 mei 1971 (Stb. 1971, 289). Zie hierover paragraaf 2.4 van dit proefschrift.
Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 10 (MvA), p. 2 en 10.
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (Stb. 2011, 275) (de Wet bestuur en toezicht).
Zie ook voetnoot 135 in hoofdstuk 2 van dit proefschrift. Ook uit de wetsgeschiedenis van de Wet bestuur en toezicht volgt dat algemeen werd aangenomen dat voor bestuurders dezelfde norm geldt als voor commissarissen (Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 10) en dat de introductie van het wettelijk richtsnoer voor bestuurders slechts een codificatie van geldend recht betrof (Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 6, p. 22).
HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I), r.o. 4.2.1-4.2.2. Zie voor de toepassing op beursvennootschappen: Hof Amsterdam (OK) 12 oktober 2016, JOR 2017/90 (Delta Lloyd), r.o. 3.6 en Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.12. Ik schreef hier eerder over in Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12.
Zie ook Van Schilfgaarde 2016, par. 3.52.
Die economische werkelijkheid wordt ook in de literatuur erkend, zie Assink & Verbrugh 2016, par. 3.2, met verwijzing naar andere vindplaatsen.
Zie ook de focus op de onderneming en haar stakeholders in de toelichting op de Corporate Governance Code (p. 43): “Van bestuurders en commissarissen wordt verwacht dat zij duurzaam handelen door zich bij de uitoefening van hun taken te richten op creatie van waarde op de lange termijn. Bij het bepalen van de strategie en het nemen van beslissingen staat de houdbaarheid daarvan op de lange termijn centraal en worden belangen van stakeholders zorgvuldig gewogen. Eveneens verlangt lange termijn waardecreatie bewustzijn van en anticiperen op ontwikkelingen in nieuwe technologieën en veranderingen in business modellen. Voldoende oog voor de bredere context waarin de met de vennootschap verbonden onderneming opereert, draagt bij aan het bestendig succes en sluit daarmee aan bij het belang van de vennootschap.”
Van Veen, WPNR 2017/7162. Vergelijk Löwensteyn 1959, p. 130-131 en 136, die meende dat het belang van de NV volledig werd bepaald door het eigenlijke doel van de NV, dat wil zeggen datgene waar de NV naar streeft, wat anders is dan het oneigenlijke doel van de NV, zijnde het terrein van werkzaamheden van de NV zoals vervat in haar statutaire doelstelling. Löwenstein meende destijds wel dat uit de aard van de NV volgde dat de NV streefde naar het behalen van winst teneinde dat onder de aandeelhouders te verdelen.
Zie ook: Löwensteyn 1970, p. 85.
Dit raakt aan de door Van Veen centraal geplaatste “bestaansreden” van de rechtspersoon, zie Van Veen, WPNR 2017/7162, par. 2.2. Zie over bestaansdoel, waarden, missie en strategie ook Henderson 2020, p. 85 e.v.
Zie over het begrip ‘corporate purpose’ in de Verenigde Staten en het doel van de vennootschap in Nederland: Olaerts, TvOB 2015-2, par. 1. Zie ook: Martin 2011, p. 54 en De Jongh 2019, par. 21.
Zie hierover ook paragraaf 5.3.2 van dit proefschrift.
Mayer 2018, p. 201-202.
Olaerts, TvOB 2015-2, par. 6.
HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I), r.o. 4.2.1.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 2: “Van de betrokkenen wordt verder verwacht dat zij bij het nastreven van hun belangen rekening houden met het vennootschappelijk belang. In concernverband gaat het om het belang van de groep en alle groepsvennootschappen die daaronder begrepen zijn. Omgekeerd behoort het bestuur van een dochtervennootschap bij de beleidsbepaling het belang van die dochter als richtsnoer te nemen zonder daarbij het concernbelang uit het oog te verliezen. Men zie o.a. HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 en HR 10 januari 1990, NJ 1990, 465.”
Par. 3.7 concl. A-G Assink in ECLI:NL:PHR:2019:1345.
Hof Amsterdam (OK) 3 december 2019, JOR 2020/85, m.nt. P.H.M. Broere (ZED+), r.o. 3.12-3.13. In dezelfde zin ook: par. 3.7 concl. A-G Assink van 12 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1345.
Eisenberg & Cox 2014, p. 251.
Eisenberg & Cox 2014, p. 251-252. Zie in dezelfde zin: par. 3.3 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO). Zie ook: Blair & Stout 1999, p. 253: “[…] a “shareholder primacy norm” that has been prominent in the legal and the economic literature for decades, but has become especially dominant in the last twenty years.”
Michigan Supreme Court, Dodge v. Ford Motor Company, 204 Mich. 459, 170 N.W. 668 (Mich. 1919).
Eisenberg & Cox 2014, p. 255.
Stout 2012, p. 27-29. Zie ook: Blair & Stout 1999, p. 301-302.
Delaware Court of Chancery, eBay Domestic Holdings, Inc. v. Newmark, 16 A.3d 1 (Del. Ch. 2010).
Delaware Supreme Court, Unocal Corp. v. Mesa Petroleum Co., 493 A.2d 946 (Del. 1985). Zie over deze uitspraak ook paragraaf 6.1.4 van dit proefschrift.
Delaware Supreme Court, Revlon, Inc. v. MacAndrews & Forbes Holdings, Inc., 506 A.2d 173 (Del. 1986).
Delaware Supreme Court, Paramount Communications, Inc. v. Time Inc., 571 A.2d 1140 (Del. 1989).
Delaware Court of Chancery, eBay Domestic Holdings, Inc. v. Newmark, 16 A.3d 1 (Del. Ch. 2010).
Zie in vergelijkbare zin: Assink 2007, nr. 7.b. Deze taakstelling kan overigens wijzigen wanneer de vennootschap in een situatie van feitelijke insolventie terecht komt, zie Assink 2007, nr. 7.c. Zie over een dergelijke situatie in Nederland: Hof Amsterdam (OK) 3 december 2019, JOR 2020/85, m.nt. P.H.M. Broere (ZED+), r.o. 3.12-3.13.
Eisenberg & Cox 2014, p. 258-259. Van Ginneken 2010, par. 3.3.1, legt uit dat deze zogenaamde constituency statutes onderdeel waren van de derde generatie anti-overnamewetten.
Subchapter XV van de DGCL.
§362(a) DGCL.
Eisenberg & Cox 2014, p. 259.
Zie over dat laatste verschijnsel: bcorporation.net.
Kamerbrief 10 juli 2020 betreffende ‘Kabinetsinzet Sociaal Ondernemen’.
Sinds 1949 was het belang van de vennootschap het leidend richtsnoer voor bestuurders en commissarissen.1 Dat veranderde bij invoering van de structuurregeling in 1971. In artikel 50 van het Wetboek van Koophandel (oud) werd voor commissarissen vastgelegd in dat zij zich dienden te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.2 Bij de totstandkoming van de nieuwe norm in 1971 werd nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘vennootschap’ en ‘onderneming’:
“De naamloze vennootschap mag echter niet met de onderneming worden vereenzelvigd: zij is de organisatie der kapitaalverschaffers, waaraan het ondernemingsvermogen toekomt. De werknemers, wier functie even essentieel is voor de onderneming, worden als zodanig in de vennootschap echter niet vertegenwoordigd. […]
De ondergetekenden zouden er voorts nog op willen wijzen dat het ontwerp niet spreekt van „het belang van de vennootschap sec”, doch van het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, ten einde duidelijk te doen uitkomen dat ook op de belangen van de – niet in de vennootschap vertegenwoordigde, doch wel bij de onderneming betrokken – werknemers acht dient te worden geslagen.”3
Voor bestuurders is het huidige richtsnoer pas in 2011 gecodificeerd bij invoering van de Wet bestuur en toezicht,4 al werd voor die tijd al aangenomen dat voor hen hetzelfde gold als voor commissarissen.5 Artikel 2:129 lid 5 BW stelt thans, in overeenstemming met de voor commissarissen geldende regeling uit 1971, dat het bestuur zich dient te richten naar twee belangen – dat van de vennootschap én de met haar verbonden onderneming. De Hoge Raad heeft deze dubbele norm in 2014 verduidelijkt in zijn Cancun-beschikkingen:
“Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. […]
Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. […] Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”6
Uit de Cancun-beschikkingen volgt dus dat áls er aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het belang van de vennootschap (in de regel vooral) bepaald wordt door het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming. Wanneer de vennootschap een onderneming drijft is er dus slechts één zelfstandig samengesteld belang waarop het bestuur zich dient te richten, namelijk (in de regel vooral) het bevorderen van het bestendige succes van die onderneming, dat los staat van de belangen van aandeelhouders of andere betrokken belanghebbenden.7 We zien zo een verandering die gaandeweg plaatsvindt in het richtsnoer voor het handelen van de vennootschapsleiding: van het belang van de vennootschap (1949), via het belang van de vennootschap en haar onderneming (1971), naar het belang van de onderneming (2014). Ik zou menen dat de Hoge Raad met deze laatste stap meer de nadruk heeft willen leggen op de onderneming als economisch-maatschappelijk verschijnsel en minder op de vennootschap als formeel-juridisch verschijnsel.8 Ook zou men de gesignaleerde wijziging in terminologie kunnen duiden als een ontwikkeling waarbij steeds minder de nadruk komt te liggen op de aandeelhouders (georganiseerd in de vennootschap) en meer op andere betrokken belanghebbenden (georganiseerd in de onderneming).9
Het bestendige succes van de onderneming, dat bevorderd dient te worden door de bestuurders, onder toezicht van commissarissen, kan afhankelijk van de soort onderneming verschillend worden gedefinieerd. Hierbij dient wat mij betreft als uitgangspunt te worden genomen hetgeen de NV zichzelf als doel stelt, dus de raison d’être van de vennootschap.10 Daarmee bedoel ik niet louter de statutaire doelomschrijving, die vaak breed en veelomvattend is geformuleerd,11 maar het geheel aan door het bestuur vastgestelde doelstellingen dat zich – naast de statutaire doelomschrijving – kan uiten in zaken als visie en kernwaarden.12 Dit bepaalt waarom de onderneming bestaat en waar zij zich op de lange termijn op richt (haar ‘corporate purpose’).13 Dit bestaansdoel is de concrete kwalificatie die het bestuur van de NV geeft aan het beoogde bestendige succes van de onderneming, dat wordt gerealiseerd door middel van de door het bestuur bepaalde strategie, en welke kwalificatie mede ingevuld wordt door de relatie tussen de NV en haar stakeholders, waaronder haar aandeelhouders. In het geval van een beleggingsmaatschappij kan het financieel rendement voor aandeelhouders een belangrijke doelstelling van het bestendige succes vormen. Die doelstelling kan ook worden vastgelegd in de statuten. Indien een beursvennootschap vanuit haar doelstellingen of naar haar aard een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft, dan kan ook die deel uitmaken van het bestendige succes.14 Het begrip corporate purpose zal mijns inziens de komende jaren een steeds grotere rol gaan spelen in het nationale en het internationale ondernemingsrecht. Het begrip kent nog geen duidelijke Nederlandse pendant. Het zou aangeduid kunnen worden als het (vennootschappelijk) bestaansdoel. Het lijkt mij een goede zaak als vennootschappen dit concrete vennootschappelijk bestaansdoel, zo nodig als onderdeel van de bredere doelomschrijving, in de toekomst gaan opnemen in hun statuten.15
In de Cancun-beschikkingen kan uit de woorden “in de regel vooral” worden opgemaakt dat het belang van de onderneming niet allesbepalend is: het heeft een belangrijke invloed op de invulling van het vennootschappelijk belang, maar andere aspecten kunnen ook een rol spelen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, al lijken die in beginsel minder gewicht in de schaal te leggen.16 Ook afspraken die gelden tussen aandeelhouders of tussen de NV en een of meer aandeelhouders kunnen bij het bepalen van het vennootschappelijk belang een rol spelen.17 Dit kan tevens bij een beursvennootschap relevant zijn, zoals in het geval van een relationship agreement die wordt aangegaan tussen een beursvennootschap en haar grootaandeelhouder(s) en waarin afspraken over governance en andere zaken zijn vastgelegd. In besloten verhoudingen kan het concernbelang voor een belangrijk deel het vennootschappelijk belang van individuele groepsvennootschappen inkleuren.18 In het geval de onderneming insolvent of failliet raakt, dan zal het vennootschapsbelang in beginsel in grote mate samenvallen met het belang van de schuldeisers. Dit belang wordt vooral bepaald door het bevorderen van succesvolle discontinuatie en vereffening op de kortere termijn.19 Het belang van de schuldeisers speelt ook een overwegende rol wanneer aan een vennootschap geen onderneming verbonden is. De Ondernemingskamer kwam in 2019 tot dat oordeel in de enquêteprocedure bij ZED+:
“3.12. Bij de beoordeling van de verzoeken van ZED+ stelt de Ondernemingskamer voorop dat ZED+ geen eigen ondernemingsactiviteiten en geen werknemers heeft, haar enige actief van materiële betekenis haar 49,9%-belang in Tema Group is, dat belang een waarde heeft van niet meer dan enkele miljoenen euro’s en dat ZED+ een schuld aan het bankensyndicaat heeft van ongeveer € 120 miljoen, naast schulden aan anderen, waaronder adviseurs, voormalige werknemers, Wakkie en Jongepier. Gevolg hiervan is dat ook indien het belang in Tema Group alsnog aan een derde wordt verkocht, slechts een fractie van de totale schulden van ZED+ voldaan kunnen worden en er geen enkel uitzicht bestaat op een uitkering aan de aandeelhouders.
3.13. DitbetekentdathetvennootschappelijkbelangvanZED+ niet bestaat uit het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, maar inoverwegendematebepaaldwordtdoorhetbelangvanhaarschuldeisers. [onderstreping SBGN] Het vennootschappelijk belang van ZED+ vergt daarom dat de verkoop van haar activa plaatsvindt tegen zo gering mogelijke kosten en met zo min mogelijk complicaties. De Ondernemingskamer hecht daarom aanzienlijk gewicht aan de hierboven in 2.6 genoemde steun van het bankensyndicaat voor het verzoek van ZED+.”20
In de Verenigde Staten is de heersende leer dat de board of directors zich moet richten op het bevorderen van waarde van de vennootschap ten gunste van de aandeelhouders.21 In de literatuur wordt dit ook wel uitgelegd als het maximaliseren van aandeelhouderswaarde.22 Een belangrijke uitspraak over de vraag in hoeverre directors zich mogen richten op andere doelstellingen en de belangen van andere stakeholders dan aandeelhouders is Dodge v. Ford Motor Co. uit 1919.23 Ford Motor Co. was opgericht in 1903 en Henry Ford bleef in de loop der jaren meerderheidsaandeelhouder en voorzitter van de board of directors. In 1916 kondigde Henry Ford aan dat Ford Motor Co. in de toekomst geen bijzondere dividenden meer zou betalen (zoals zij in het verleden had gedaan), maar alle winsten terug in de onderneming zou steken, behalve een vast regulier dividend dat zou worden uitbetaald aan de aandeelhouders: “‘My ambition,’ declared Mr. Ford, ‘is to employ still more men; to spread the benefits of this industrial system to the greatest possible number, to help them build up their lives and their homes. To do this, we are putting the greatest share of our profits back into the business.’” Hoewel de productiekosten voor en de vraag naar auto’s van Ford Motor Co. stegen, verlaagde Henry Ford de prijs per auto aanzienlijk. In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat Ford Motor Co. een dividend van meer dan $19 miljoen moest betalen. De Michigan Supreme Court bevestigde dat deel van de eerdere uitspraak en overwoog onder andere: “A business corporation is organized and carried on primarily for the profit of the stockholders. The powers of the directors are to be employed for that end. The discretion of directors is to be exercised in the choice of means to attain that end, and does not extend to a change in the end itself, to the reduction of profits, or to the nondistribution of profits among stockholders in order to devote them to other purposes.”
Dodge v. Ford Motor Co. wordt veelal aangehaald als bevestiging van het shareholder primacy model in de Verenigde Staten, maar deze overtuiging is niet onbetwist.24 De kritiek komt erop neer dat het hier om een obiter dictum gaat (dat niet bindend is als precedent), in een oude zaak, bij een rechter in een jurisdictie die geen rol van betekenis speelt in het ondernemingsrecht in de Verenigde Staten en in een geschil tussen een meerderheidsaandeelhouder en minderheidsaandeelhouders in een besloten vennootschap.25 Daar staat tegenover dat ook in rechtspraak uit Delaware (en ook in recentere jaren) het bevorderen van de waarde van de vennootschap ten gunste van de aandeelhouders als het voornaamste richtsnoer voor de board of directors wordt gezien. De Delaware Court of Chancery in 2010 overwoog hierover (overigens ook in een besloten aandeelhoudersverband, maar gezien de bewoordingen niet noodzakelijkerwijs daartoe beperkt): “Having chosen a for-profit corporate form, the craigslist directors are bound by the fiduciary duties and standards that accompany that form. Those standards include acting to promote the value of the corporation for the benefit of its stockholders.”26
In het kader van bescherming van beursvennootschappen heeft de Delaware Supreme Court in Unocal Corp. v. Mesa Petroleum Co. in 1985 nog wel overwogen dat voor de vraag of de beschermingsmaatregel redelijk is in verhouding met de dreiging, de board of directors ook de gevolgen kan overwegen “on ‘constituencies’ other than shareholders (i.e., creditors, customers, employees, and perhaps even the community generally)”.27 Een jaar later, in Revlon, Inc. v. MacAndrews & Forbes Holdings, Inc., leek de Delaware Supreme Court deze ruimte voor de board of directors echter alweer te beperken: “while concern for various corporate constituencies is proper when addressing a takeover threat, that principle is limited by the requirement that there be some rationally related benefit accruing to the stockholders.”28 Wanneer de board of directors een solide strategisch plan heeft, hoeft dit echter niet te wijken voor een quick win: “Directors are not obliged to abandon a deliberately conceived corporate plan for a short-term shareholder profit unless there is clearly no basis to sustain the corporate strategy.”29 Uiteindelijk mag de board of directors in dat strategisch plan rekening houden met stakeholders, zolang dat op enig moment maar tot aandeelhouderswaarde leidt. Zoals de Delaware Court of Chancery overwoog in 2010: “Promoting, protecting, or pursuing non-stockholder considerations must lead at some point to value for stockholders.”30 Concluderend komt het erop neer dat een board of directors weliswaar de belangen van andere stakeholders dan aandeelhouders in aanmerking mag nemen, maar dat het strategisch plan van de board of directors primair gericht dient te zijn op het bevorderen van de economische waarde van de onderneming en daarmee aan de financiële voordelen voor aandeelhouders op lange termijn.31
Opmerkelijk is overigens dat er in de Verenigde Staten 33 staten zijn die in hun vennootschapswetgeving de mogelijkheid bieden of de verplichting opgenomen hebben dat boards of directors de belangen van stakeholders of de gemeenschap meewegen in hun besluitvorming.32 Delaware valt daar niet onder. Wel heeft Delaware in 2013, net als verschillende andere staten in de afgelopen jaren, een nieuwe rechtsvom ingevoerd: de public benefit corporation.33 De wet definieert deze rechtsvorm als volgt:
“A “public benefit corporation” is a for-profit corporation organized under and subject to the requirements of this chapter that is intended to produce a public benefit or public benefits and to operate in a responsible and sustainable manner. To that end, a public benefit corporation shall be managed in a manner that balances the stockholders’ pecuniary interests, the best interests of those materially affected by the corporation’s conduct, and the public benefit or public benefits identified in its certificate of incorporation.”34
In de kern is deze rechtsvorm erop gericht dat de boards of directors een winstgedreven onderneming managen die daarnaast ook rekening houdt met de belangen van stakeholders en maatschappelijke belangen.35 Deze rechtsvorm lijkt voor wat betreft normatief richtsnoer en corporate purpose in feite veel op de NV.
De public benefit corporation is overigens een formele rechtsvorm en daarmee iets anders dan de Certified B Corporation.36 Dat laatste is een certificering die wordt verstrekt door de non-profit organisation B Lab, wanneer vennootschappen dit wensen en wanneer zij aan bepaalde minimumvereisten voldoen. Die vereisten zien met name op het niet louter streven naar een zo hoog mogelijke winst, en het rekening houden met de gevolgen voor werknemers, klanten, leveranciers, de maatschappij en het milieu. Voorbeelden van Nederlandse Certified B Corporations zijn Triodos Bank (een NV) en Tony’s Chocolonely (een BV).
In Nederland bestaan plannen voor de invoering van een maatschappelijke onderneming als nieuwe rechtsvorm. Op het moment van schrijven is de invulling daarvan nog niet duidelijk. Wel lijkt het erop dat dit een bijzondere species van de BV zal worden die geen winstdoelstelling heeft.37 In die laatste zin wijkt de voorgestelde rechtsvorm dus af van de public benefit corporation.