Ook ik heb deze stukken niet in het procesdossier aangetroffen.
HR, 05-11-2024, nr. 22/02887 P
ECLI:NL:HR:2024:1572
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/02887 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1572, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:883
ECLI:NL:PHR:2024:883, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1572
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑01‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0266
NJ 2025/38 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Aankondiging ontnemingsvordering, art. 311.1 Sv. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in ontnemingsvordering. Heeft OvJ voornemen om ontnemingsvordering aanhang te maken overeenkomstig art. 311.1 1 Sv tijdig aangekondigd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AK:3574 en HR:2011:BN2297 m.b.t. ratio van art. 311.1 Sv, uit HR:2019:1932 m.b.t. waarborgfunctie van art. 511b.1 Sv en uit HR:2019:600 m.b.t. gerechtvaardigheid vertrouwen van betrokkene. HR stelt verder voorop dat omstandigheid dat OvJ heeft verzuimd om tijdig o.g.v. art. 311.1 Sv voornemen tot indienen van ontnemingsvordering kenbaar te maken, op zichzelf niet toereikend is om bij betrokkene het gerechtvaardigde vertrouwen te wekken dat indienen van ontnemingsvordering achterwege zal blijven. Daarom kan aan die enkele omstandigheid niet rechtsgevolg van n-o van OM in ontnemingsvordering worden verbonden. Onder omstandigheden kan nadeel dat betrokkene heeft ondervonden door verzuim om tijdig o.g.v. art. 311.1 Sv voornemen tot indienen van ontnemingsvordering kenbaar te maken aanleiding geven tot vermindering van betalingsverplichting. Zo’n vermindering van betalingsverplichting komt in aanmerking als (gelet op het door betrokkene geleden nadeel) vormverzuim in concreet geval zo ernstig is dat niet kan worden volstaan met enkele constatering van dat vormverzuim (vgl. HR:2020:1889). Hof heeft namens betrokkene gevoerd verweer verworpen en daaraan als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene tijdig bekend is geworden met het in art. 311.1 Sv bedoelde voornemen van OvJ tot indienen van ontnemingsvordering, niet kan leiden tot n-o van OM in ontnemingsvordering. Dat oordeel is, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, juist. Het is ook toereikend gemotiveerd, nu namens betrokkene gevoerd verweer uitsluitend strekt tot n-o van OM in ontnemingsvordering en daarbij voor gedaan beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van betrokkene in kern niet meer wordt aangevoerd dan dat oproeping i.v.m. behandeling op tz. van ontnemingsvordering pas bijna 6 maanden na vonnis in strafzaak is uitgereikt en dat betrokkene daarvoor niet (op juiste wijze) op hoogte zou zijn gebracht van voornemen van OM om ontnemingsvordering aanhangig te maken. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02887 P
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2022, nummer 22-001238-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat in 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak opdat die op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Het voert daartoe aan dat het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken niet overeenkomstig artikel 311 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) (tijdig) is aangekondigd.
2.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“1. Ik verzoek u het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering nu de ontnemingsvordering pas op 16 maart 2021 aan cliënt is betekend, dit terwijl reeds op 16 november 2020 in de hoofzaak vonnis is gewezen en de officier van justitie heeft verzuimd om bij requisitoir (dan wel voor het sluiten van de behandeling in eerste aanleg) de vordering aan te kondigen.
2. Blijkens de betekeningsstukken in de ontnemingsprocedure heeft de ontnemingsvordering cliënt nimmer bereikt (...). Deze stelling wordt onderstreept door de beslissing van de rechtbank van 16 oktober (de Hoge Raad begrijpt: november) 2020, inhoudende dat de betekening van de ontnemingsvordering nietig is (...). De beslissing inhoudende de nietigheid van de betekening is een van de eindbeslissingen ex artikel 349 Sv, en daarmee is een einde gekomen aan de ontnemingsprocedure.
3. Gelet op het voorgaande had het op grond van artikel 311, eerste lid derde volzin, Sv op de weg van de officier van justitie gelegen ter terechtzitting in eerste aanleg kenbaar te maken of hij voornemens was de ontnemingsvordering opnieuw aanhangig te maken. Van deze mededeling is in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aantekening gemaakt (ex artikel 311, eerste lid vierde volzin, Sv), waardoor ik er van uit zal gaan dat deze niet is gedaan (...).
4. Cliënt is dus niet tijdig op de hoogte gebracht van het voornemen van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering jegens hem te doen aanvangen. De vordering heeft hem immers niet bereikt, en voor zover dat wel kan worden gesteld is die procedure met een eindbeslissing, nietigheid van de dagvaarding, geëindigd. Er is geen aankondiging gedaan dat er een nieuwe vordering zou worden ingesteld en cliënt mocht daar ook niet zonder meer van uitgaan. Met de nietigheid van de dagvaarding lag de bal weer bij het Openbaar Ministerie. Zonder het uitdrukkelijk wederom aanhangig maken van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie zou er namelijk niets gebeuren. Er kan dan ook niet gesteld worden dat cliënt er zonder aankondiging van mocht uitgaan dat deze vordering zou volgen.
5. Nu deze aankondiging niet is gedaan heeft de officier van justitie niet aan het voornoemde voorschrift voldaan en is de officier van justitie in verzuim. De vordering is cliënt pas geruime tijd later, bijna 6 maanden, uitgereikt. Door op een dermate laat moment alsnog een ontnemingsprocedure aanhangig te maken is het gerechtvaardigd vertrouwen van de veroordeelde, dat de zaak met de uitspraak in de ontnemingszaak (nietigheid van de dagvaarding) en de uitspraak in de strafzaak definitief was afgedaan. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat het een relatief eenvoudige ontnemingsvordering betreft, maakt dat het verzuim niet anders kan worden gesanctioneerd dan met de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.”
2.2.2
Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:
“Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminaire verweer van de raadsman wordt verworpen. In artikel 311 Sv is geen sanctie gesteld op niet naleving van de aankondiging. De verplichting tot de aankondiging van een ontnemingsvordering dient de rechtszekerheid. De voorzitter wijst op het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, waarin door de Hoge Raad is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311, lid 1 Sv bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.”
2.3
Artikel 311 lid 1 Sv luidt:
“Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord en het spreekrecht is uitgeoefend, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt.”
2.4.1
Het voorschrift van artikel 311 lid 1 Sv dat de officier van justitie in de strafzaak kenbaar maakt, voor zover dat aan de betrokkene niet al eerder was gebleken, of hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, strekt ertoe dat de betrokkene niet langer dan nodig in onzekerheid hoeft te verkeren of na de strafzaak nog een ontnemingsprocedure zal volgen. Dit voorschrift vormt echter geen garantie dat de betrokkene op de hoogte komt van het voornemen van de officier van justitie. Zo is onder meer niet voorgeschreven dat als de strafzaak bij verstek wordt behandeld het voornemen van de officier van justitie wordt betekend aan de betrokkene. (Vgl., in enigszins andere bewoordingen, HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574 en HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297.) Daarnaast is van belang dat de rechtszekerheid van de betrokkene, ook als hij niet op de hoogte komt van het voornemen van de officier van justitie, mede wordt gediend met het voorschrift van artikel 511b lid 1 Sv over de termijn waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig moet worden gemaakt. Dit voorschrift vormt een waarborg voor de betrokkene, in die zin dat aan de betrokkene na verloop van tijd duidelijkheid wordt verschaft of het openbaar ministerie overgaat tot het instellen van een ontnemingsvordering. (Vgl. HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1932, rechtsoverweging 2.5.1.)
2.4.2
Uit het vorenstaande volgt dat bij de beantwoording van de vraag of aan de omstandigheid dat een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in artikel 311 lid 1 Sv is aangekondigd, een rechtsgevolg moet worden verbonden, mede bepalend is het vertrouwen dat de betrokkene in het concrete geval mocht hebben dat het op enig moment indienen van een ontnemingsvordering achterwege zou blijven (vgl. HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600, rechtsoverweging 6.6.2). De rechter moet daarom nagaan in welke mate de betrokkene door dat verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan beoordelen of het verzuim moet leiden tot een rechtsgevolg en, zo ja, welk rechtsgevolg passend is.
2.4.3
De omstandigheid dat de officier van justitie heeft verzuimd om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering kenbaar te maken, is op zichzelf niet toereikend om bij de betrokkene het gerechtvaardigde vertrouwen te wekken dat het indienen van een ontnemingsvordering achterwege zal blijven. Daarom kan aan die enkele omstandigheid niet het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering worden verbonden. Onder omstandigheden kan het nadeel dat de betrokkene heeft ondervonden door het verzuim om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering kenbaar te maken aanleiding geven tot vermindering van de betalingsverplichting. Zo’n vermindering van de betalingsverplichting komt in aanmerking als ‑ gelet op het door de betrokkene geleden nadeel ‑ het vormverzuim in het concrete geval zo ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverwegingen 2.1.3, 2.2.2 en 2.3).
2.5
Het hof heeft het namens de betrokkene gevoerde verweer verworpen en daaraan als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig bekend is geworden met het in artikel 311 lid 1 Sv bedoelde voornemen van de officier van justitie tot het indienen van de ontnemingsvordering, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering. Dat oordeel is, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, juist. Het is ook toereikend gemotiveerd, nu het namens de betrokkene gevoerde verweer uitsluitend strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering en daarbij voor het gedane beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van de betrokkene in de kern niet meer wordt aangevoerd dan dat de oproeping in verband met de behandeling op de terechtzitting van de ontnemingsvordering pas bijna zes maanden na het vonnis in de strafzaak is uitgereikt en dat de betrokkene daarvoor niet (op juiste wijze) op de hoogte zou zijn gebracht van het voornemen van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 5.222,74.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 4.960 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Slagende klacht over ontoereikend gemotiveerde verwerping van preliminair verweer dat OM n-o is in ontnemingsvordering omdat i.s.m. art. 311 Sv de ontnemingsvordering niet is aangekondigd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02887 P
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juli 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 5.222,74 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling is bepaald op 104 dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te Den Haag, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
De hoofdzaak
3. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft de meervoudige kamer van het hof in Den Haag de betrokkene op 16 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Daarmee is het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 november 2020 onherroepelijk geworden. Bij dit vonnis was de betrokkene wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
Het middel
4. Het middel klaagt dat het hof het namens de betrokkene gevoerde verweer, inhoudende dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn ontnemingsvordering op de grond dat de vordering tot ontneming in strijd met artikel 311 Sv niet (tijdig) is aangekondigd, heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet (volledig) kunnen dragen, aangezien het hof heeft nagelaten na te gaan in welke mate de betrokkene door het achterwege blijven van de aankondiging van de vordering in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan te bepalen of dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vordering dan wel tot een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.
Het procesverloop
5. Op 16 november 2020 is de betrokkene in zijn strafzaak door de politierechter in de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt niet dat de officier van justitie zijn voornemen tot het aanhangig maken van een ontnemingsvordering heeft aangekondigd.
6. De oproeping van de ontnemingsvordering is – blijkens de aantekening mondeling vonnis in de ontnemingszaak – op 16 november 2020 nietig verklaard. De betrokkene is bij deze zitting niet verschenen.
7. Tussen de stukken van het geding bevindt zich een ontnemingsvordering van de officier van justitie (gedateerd 5 maart 2021) waarin de betrokkene wordt opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van 16 april 2021. Blijkens de betekeningsstukken is deze vordering op 16 maart 2021 aan de betrokkene uitgereikt.
8. Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 april 2021 heeft de raadsman een preliminair verweer gevoerd strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingsvordering, zulks wegens het verzuim deze tijdig aan te kondigen. De politierechter heeft dit preliminaire verweer van de raadsman verworpen, het OM ontvankelijk geacht in de ontnemingsvordering en de betrokkene veroordeeld tot betaling van € 6.000,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
9. Tegen het vonnis van de politierechter heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022 houdt in:
“De raadsman deelt mede dat hij een preliminair verweer wenst te voeren. De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan het digitale dossier toegevoegde pleitnota (…).”
10. Deze pleitnota houdt in:
"1. Ik verzoek u het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering nu de ontnemingsvordering pas op 16 maart 2021 aan cliënt is betekend, dit terwijl reeds op 16 november 2020 in de hoofzaak vonnis is gewezen en de officier van justitie heeft verzuimd om bij requisitoir (dan wel voor het sluiten van de behandeling in eerste aanleg) de vordering aan te kondigen.
2. Blijkens de betekeningsstukken in de ontnemingsprocedure heeft de ontnemingsvordering cliënt nimmer bereikt (bijlage I). Deze stelling wordt onderstreept door de beslissing van de rechtbank van 16 oktober [D.A.: kennelijk wordt hier ‘november’ bedoeld] 2020, inhoudende dat de betekening van de ontnemingsvordering nietig is (bijlage II). De beslissing inhoudende de nietigheid van de betekening is een van de eindbeslissingen ex artikel 349 Sv, en daarmee is een einde gekomen aan de ontnemingsprocedure.
3. Gelet op het voorgaande had het op grond van artikel 311, eerste lid derde volzin, Sv op de weg van de officier van justitie gelegen ter terechtzitting in eerste aanleg kenbaar te maken of hij voornemens was de ontnemingsvordering opnieuw aanhangig te maken. Van deze mededeling is in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aantekening gemaakt (ex artikel 311, eerste lid vierde volzin, Sv), waardoor ik er van uit zal gaan dat deze niet is gedaan (bijlage III).
4. Cliënt is dus niet tijdig op de hoogte gebracht van het voornemen van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering jegens hem te doen aanvangen. De vordering heeft hem immers niet bereikt, en voor zover dat wel kan worden gesteld is die procedure met een eindbeslissing, nietigheid van de dagvaarding, geëindigd. Er is geen aankondiging gedaan dat er een nieuwe vordering zou worden ingesteld en cliënt mocht daar ook niet zonder meer van uitgaan. Met de nietigheid van de dagvaarding lag de bal weer bij het Openbaar Ministerie. Zonder het uitdrukkelijk wederom aanhangig maken van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie zou er namelijk niets gebeuren. Er kan dan ook niet gesteld worden dat cliënt er zonder aankondiging van mocht uitgaan dat deze vordering zou volgen.
5. Nu deze aankondiging niet is gedaan heeft de officier van justitie niet aan het voornoemde voorschrift voldaan is de officier van justitie in verzuim. De vordering is cliënt pas geruime tijd later, bijna 6 maanden, uitgereikt. Door op een dermate laat moment alsnog een ontnemingsprocedure aanhangig te maken is het gerechtvaardigd vertrouwen van de veroordeelde, dat de zaak met de uitspraak in de ontnemingszaak (nietigheid van de dagvaarding) en de uitspraak in de strafzaak definitief was afgedaan. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat het een relatief eenvoudige ontnemingsvordering betreft, maakt dat het verzuim niet anders kan worden gesanctioneerd dan met de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie."
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022 houdt verder in:
“De advocaat-generaal deelt daarop mede dat het verweer van de raadsman dat ertoe strekt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering dient te worden verklaard, dient te worden verworpen, nu uit het dossier blijkt dat zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak een oproep voor de terechtzitting van 16 november 2020 bij de politierechter in de rechtbank Den Haag is verzonden en dat beide oproepingen op 16 oktober 2020 in persoon aan de betrokkene zijn uitgereikt.
De advocaat-generaal merkt daarbij op dat het uit het dossier echter niet blijkt waarom in de ontnemingszaak, anders dan in de strafzaak, de oproeping voor de zitting van 16 november 2020 nietig is verklaard. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, nu de oproeping in de ontnemingszaak op 16 oktober 2020 in persoon aan de betrokkene is uitgereikt, dat de betrokkene dus op de hoogte is geweest van het feit dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig was gemaakt. Naar het standpunt van de advocaat-generaal vervalt daarmee de verplichting om opnieuw aan te kondigen dat een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt.
De raadsman deelt daarop mede:
Ik heb geen stukken waaruit blijkt dat de oproeping wel aan mijn cliënt in persoon is uitgereikt. Ik heb alleen de stukken waaruit blijkt dat het niet aan hem is betekend. Met de beslissing van de politierechter van 16 november 2020 was de zaak geëindigd en afgedaan. Vervolgens is het dan aan het Openhaar Ministerie om kenbaar te maken of de zaak opnieuw in gang wordt gezet. Het had derhalve op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om kenbaar te maken dat ze de vordering aanhangig zouden maken en dat is verzuimd.
De advocaat-generaal deelt vervolgens mede:
De raadsman heeft kennelijk niet de juiste stukken. Nietigheid van de oproeping kan meerdere oorzaken hebben en uit de stukken die ik heb, blijkt dat de betrokkene de oproeping van de zitting van 16 november 2020 heeft ontvangen. Als je eenmaal op de hoogte, bent van de ontnemingsvordering, dan blijf je daarvan op de hoogte. Vervolgens is er opnieuw een oproeping verzonden voor de terechtzitting van 16 april 2021 aan de betrokkene en heeft de politierechter op deze datum vonnis gewezen.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminaire verweer van de raadsman wordt verworpen. In artikel 311 Sv is geen sanctie gesteld op niet naleving van de aankondiging. De verplichting tot de aankondiging van een ontnemingsvordering dient de rechtszekerheid. De voorzitter wijst op het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, waarin door de Hoge Raad is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311, lid 1 Sv bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.”
De toelichting op het middel
12. In de toelichting op het middel betogen de stellers ervan, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad (HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, NJ 2004/199 m.nt. Buruma), dat het hof had dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door het niet-kenbaar maken van de ontnemingsvordering in zijn belangen is geschaad en dat het mede aan de hand dáárvan had dienen te bepalen of het niet-kenbaar maken van de vordering had moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of tot vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Het oordeel van het hof dat het verzuim niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering is zonder nadere motivering met voormelde belangenafweging, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Het juridisch kader
13. Artikel 311 lid 1 Sv bepaalt:
"Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt."
14. In zijn arrest van 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak, onder meer het volgende overwogen (onderstreping mijnerzijds):
“2.5. Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).
2.6.
Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).”
De bespreking van het middel
15. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering nu hij heeft verzuimd om de ontnemingsvordering vóór het sluiten van de behandeling in eerste aanleg d.d. 16 november 2020 aan te kondigen, zodat de betrokkene van de ontnemingsvordering niet tijdig op de hoogte is gebracht. De verdediging heeft bovendien betwist dat uit de stukken van het geding volgt dat de ontnemingsvordering reeds op 16 oktober 2020 aan de betrokkene in persoon is betekend.
16. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe overwogen dat in artikel 311 Sv geen sanctie is gesteld op de niet-naleving van de verplichting tot aankondiging van de ontnemingsvordering en dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311 lid 1 Sv bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.
17. Uit ’s hofs overwegingen volgt echter niet dat het is nagegaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuimd in zijn belangen is geschaad. Evenmin volgt daaruit dat het hof heeft vastgesteld dat op 16 oktober 2020 inderdaad een vordering ex artikel 36e Sv aan de betrokkene (in persoon) is betekend,1.op grond waarvan het heeft aangenomen dat de betrokkene van de ontnemingsvordering tijdig op de hoogte is gebracht. Nu hiervan in cassatie niet kan worden uitgegaan, klagen de stellers van het middel daarover terecht.
Slotsom
18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen kan deze termijnoverschrijding in zijn afdoening van de zaak betrekken.
20. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak opdat die op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
Beroepschrift 06‑01‑2023
Cassatieschriftuur ex artikel 437 Sv
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
22/02887 P
GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN DAT
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1967 en wonende aan de [adres] te [postcode] [woonplaats], verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag met rolnummer 22-001238-21 PO en uitgesproken op 28 juli 2022, het volgende middel voordraagt.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen die met nietigheid zijn bedreigd. In het bijzonder zijn artikelen 311, 348 en 359 juncto 415 Sv, juncto artikelen 511e en 511g Sv geschonden, aangezien het gerechtshof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet (volledig) kunnen dragen. Het oordeel van het hof is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Aangevoerd is dat een ontnemingsvordering is ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van artikel 311 Sv is aangekondigd, terwijl het hof heeft nagelaten bij de beslissing op die vordering na te gaan in welke mate verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan te bepalen of dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.
Toelichting
In het arrest van 28 juli 2022 heeft het gerechtshof het bedrag waarop het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 5.222,74. Het hof heeft aan verzoeker de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen.
Ter terechtzitting op 14 juli 2022 heeft de raadsman van verzoeker een preliminair verweer gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd (pleitnotitie, randnummers 1 t/m 5):
‘Ik verzoek u het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering nu de ontnemingsvordering pas op 16 maart 2021 aan cliënt is betekend, dit terwijl reeds op 16 november 2020 in de hoofzaak vonnis is gewezen en de officier van justitie heeft verzuimd om bij requisitoir (dan wel voor het sluiten van de behandeling in eerste aanleg) de vordering aan te kondigen.
Blijkens de betekeningsstukken in de ontnemingsprocedure heeft de ontnemingsvordering cliënt nimmer bereikt (bijlage I). Deze stelling wordt onderstreept door de beslissing van de rechtbank van 16 oktober 2020, inhoudende dat de betekening van de ontnemingsvordering nietig is (bijlage II). De beslissing inhoudende de nietigheid van de betekening is een van de eindbeslissingen ex artikel 349 Sv, en daarmee is een einde gekomen aan de ontnemingsprocedure.
Gelet op het voorgaande had het op grond van artikel 311, eerste lid derde volzin, Sv op de weg van de officier van justitie gelegen ter terechtzitting in eerste aanleg kenbaar te maken of hij voornemens was de ontnemingsvordering opnieuw aanhangig te maken. Van deze mededeling is in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aantekening gemaakt (ex artikel 311, eerste lid vierde volzin, Sv), waardoor ik er van uit zal gaan dat deze niet is gedaan (bijlage III).
Cliënt is dus niet tijdig op de hoogte gebracht van het voornemen van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering jegens hem te doen aanvangen. De vordering heeft hem immers niet bereikt, en voor zover dat wel kan worden gesteld is die procedure met een eindbeslissing, nietigheid van de dagvaarding, geëindigd. Er is geen aankondiging gedaan dat er een nieuwe vordering zou worden ingesteld en cliënt mocht daar ook niet zonder meer van uitgaan. Met de nietigheid van de dagvaarding lag de bal weer bij het Openbaar Ministerie. Zonder het uitdrukkelijk wederom aanhangig maken van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie zou er namelijk niets gebeuren. Er kan dan ook niet gesteld worden dat cliënt er zonder aankondiging van mocht uitgaan dat deze vordering zou volgen.
Nu deze aankondiging niet is gedaan heeft de officier Van justitie niet aan het voornoemde voorschrift voldaan is de officier van justitie in verzuim. De vordering is cliënt pas geruime tijd later, bijna 6 maanden, uitgereikt. Door op een dermate laat moment alsnog een ontnemingsprocedure aanhangig te maken is het gerechtvaardigd vertrouwen van de veroordeelde, dat de zaak met de uitspraak in de ontnemingszaak (nietigheid van de dagvaarding) en de uitspraak in de strafzaak definitief was afgedaan. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat het een relatief eenvoudige ontnemingsvordering betreft, maakt dat het verzuim niet anders kan worden gesanctioneerd dan met de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.’
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moest worden verworpen, aangezien de oproeping voor de ontnemingszaak op 16 oktober 2020 aan verzoeker in persoon zou zijn uitgereikt en hij dus wel degelijk op de hoogte zou zijn van de ontnemingsvordering (proces-verbaal van de terechtzitting op 14 juli 2022, p. 1–2).
Het hof heeft het preliminaire verweer van de raadsman verworpen. Daartoe gaat het hof niet in op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht ten aanzien van het uitreiken van de oproeping, maar overweegt het als volgt (proces-verbaal van de terechtzitting op 14 juli 2022, p. 2–3):
‘Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminaire verweer van de raadsman wordt verworpen. In artikel 311 Sv is geen sanctie gesteld op niet naleving van de aankondiging.
De verplichting tot de aankondiging van een ontnemingsvordering dient de rechtszekerheid. De voorzitter wijst op het arrest van de Hoge Raad van, 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, waarin door de Hoge Raad is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311 lid 1 Sv bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.’
Met deze overweging heeft het hof de verwerping van het verweer van de raadsman onvoldoende gemotiveerd. Zo heeft het hof niet vastgesteld dat verzoeker in eerste aanleg de oproeping voor de ontnemingsprocedure van 16 november 2020 inderdaad in persoon heeft ontvangen. In de overweging lijkt eerder het tegenovergestelde besloten te liggen, conform het betoog van de raadsman. Evenmin heeft het hof zich afgevraagd of verzoeker door dit verzuim in zijn belangen is geschaad en of — alles overziende — het dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie c.q. het openbaar ministerie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Gewezen kan in dat verband namelijk worden op het volgende.
Zoals het hof ook erkent in bovenstaande overwegingen, is het belang dat met name in het geding is bij de verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingsvordering de rechtszekerheid (vgl. onder meer HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199, HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251). Vervolgens wijst het hof echter op een arrest van uw Raad, waaruit volgens het hof kan blijken dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid.
In het arrest waarnaar het hof verwijst (ECLI:NL:HR:2003:AK3574) heeft uw Raad echter het volgende overwogen (r.o. 3.8):
‘Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.6 en 3.7 is overwogen kan niet worden aangenomen dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig met het voornemen van de officier van justitie is bekend geworden, moet leiden tot een zo vergaande sanctie als de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering.
Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te bepalen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.’
Deze maatstaf heeft u nog eens bevestigd in onder meer HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251.
Het hof had in casu dus dienen na te gaan in welke mate verzoeker door het niet aankondigen van de ontnemingsvordering in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te bepalen of het niet kenbaar maken van de ontnemingsvordering diende te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering of tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan hem op te leggen betalingsverplichting. Het hof heeft deze belangenafweging niet gemaakt. Sterker nog: het heeft in het geheel niets vastgesteld over de vraag of verzoeker al dan niet in zijn belangen is geschaad.
Een motivering van het hof was temeer op zijn plaats geweest nu de raadsman van verzoeker heeft aangevoerd dat de rechtszekerheid in het geding was. De raadsman heeft immers aangevoerd dat het gerechtvaardigd vertrouwen van verzoeker dat de zaak was afgedaan is geschaad (pleitnotitie, randnummer 5). Daarmee is sprake van een andersoortige situatie dan in HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251. In deze zaak had de verdachte tegen het strafvonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend, waardoor het verzuim van de aankondiging niet de verwachting kon wekken dat de strafprocedure met het vonnis in eerste aanleg was beëindigd. Dit achtte het hof relevant voor de beantwoording van de vraag in hoeverre kon worden volstaan met de constatering van het verzuim. In casu is geen hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis. Zoals de raadsman heeft toegelicht, is daarom de ontnemingsvordering pas enkele maanden na het onherroepelijk worden van de strafzaak aan verzoeker betekend.
Door alleen te overwegen dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid — en daarbij niet na te gaan in hoeverre verzoeker in zijn belangen is geschaad — heeft het hof het verweer van de verdediging verworpen op gronden die deze beslissing niet (volledig) kunnen dragen. Het oordeel van het hof dat het verzuim niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering is zonder nadere motivering (met voormelde belangenafweging), die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
Verzoeker heeft bij zijn klacht een rechtens te respecteren belang omdat, zelfs als de niet-ontvankelijkheid niet op zijn plaats zou zijn, dan moet worden bezien of het verzuim bijvoorbeeld tot een vermindering van de aan hem op te leggen betalingsverplichting moet leiden. Een dergelijke afweging ontbreekt eveneens. Zelfs als de oproeping voor de ontnemingszaak op 16 oktober 2020 aan verzoeker in persoon zou zijn uitgereikt, heeft het hof niet gerespondeerd op het deel van het verweer dat verzoeker in de omstandigheden van het geval erop mocht vertrouwen dat de kous inzake de ontneming af was zonder het uitdrukkelijk wederom aanhangig maken van de ontnemingsvordering.
Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. S.A.H. Vromen en J.S. Nan, advocaten te Den Haag, die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Den Haag, 6 januari 2023
S.A.H. Vromen en J.S. Nan