Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.3.3.1
6.5.3.3.3.1 Bewerkingen aan de grond met het oog op de bebouwing van de grond
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291396:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De wetgever heeft met dit bouwterreincriterium willen aansluiten bij de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het bouwrijp maken van grond ex art. 7 lid 3 Wet OB jo (het inmiddels ingetrokken) art. 3, letter b Uitv.besch. OB (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 8). Op grond van die jurisprudentie handelde een publiekrechtelijk lichaam, zoals een gemeente, per definitie als belastingplichtige bij het bewerken van de grond teneinde deze (beter) geschikt te maken voor bebouwing (zie bijv. HR 21 november 1990, nr. 26.362, BNB 1991/19, r.o. 4.7 (Gemeente Sint-Oedenrode)). In het Gemeente Sint-Oedenrode-arrest heeft de Hoge Raad, bij gebrek aan een definitie van het begrip ‘bouwterrein’ in de Wet OB tot 11 juli 1997, de uitleg van het ‘bouwrijp maken van grond’ in de ‘pijler’ van de belastingplicht doorgetrokken naar de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’ met betrekking tot onbebouwde, maar tot bebouwing bestemde grond in de ‘pijler’ van de vrijstelling.
MvA, Kamerstukken II 1996/97, 24 703, nr. 3, p. 1-2, HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3 en NV, Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 14, p. 64.
In gelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 9.
In gelijke zin: D.B. Bijl, Onroerend goed omzetbelasting en overdrachtsbelasting, Deventer: Kluwer 1998, p. 54.
HR 21 maart 1997, nr. 16.208, BNB 1997/158, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.6. Hoewel de Hoge Raad in dit arrest in het midden laat of het hof het ontdoen van de aanwezige groeisels terecht heeft aangemerkt als een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan het perceel, leid ik uit HR 22 april 1998, nr. 33.328, BNB 1998/273, m.nt. Van Zadelhoff af dat geen sprake is van een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan de grond, maar een bewerking aan de grond. Een bewerking van de grond veronderstelt namelijk een (fysieke) ingreep aan de grond waardoor de fysieke toestand van het perceel is gewijzigd. In gelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 21 maart 1997, nr. 16.208, BNB 1997/158.
HR 7 juni 2013, nr. 10/02888bis, BNB 2013/174, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 2.4. In dit arrest komt de Hoge Raad terug op zijn aanvankelijke opvatting in het ‘Jeugdhonk-arrest’ dat een bewerking aan de grond met het oog op de bebouwing een ‘nasloopse’ handeling vereist en de sloop zelf dus geen bewerking is aan de grond met het oog op de bebouwing van de grond (HR 10 augustus 2001, nr. 36.686, BNB 2001/401, m.nt. Van Zadelhoff en HR 9 september 2011, nr. 10/02888, BNB 2012/143, m.nt. De Wit, r.o. 3.4.3).
Rb. 's-Gravenhage 16 mei 2007, nrs. AWB 05/6181, AWB 05/6182 en AWB 05/6183, NTFR 2007/1288.
HR 14 november 2008, nr. 42.860, BNB 2009/30, m.nt. Bijl, r.o. 3.4 en MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 9. Op basis van de wetgeving tot 11 juli 1997 was dit anders en heeft de Hoge Raad het oordeel in stand gelaten dat het storten van 11 m3 zand op een terrein van vier hectare niet leidt tot een bouwrijp gemaakt terrein. Hiervoor was meer (zand) nodig (HR 23 april 1997, nr. 32.095, BNB 1997/262, m.nt. Van Zadelhoff). Anders: R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 64 die laatstgenoemd arrest niet achterhaald acht.
Hierbij kan gedacht worden aan een bestemmingsplan, bouwtekeningen, de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, een koopovereenkomst of een akte van levering.
Rb Breda 26 september 2011, nr. AWB 10/2224, V-N 2012/8.25, r.o. 4.3.
HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.3.
HR 24 december 2004, nr. 39.489, BNB 2005/124, m.nt. Bijl, r.o. 3.3.4.
Van de levering van een bouwterrein is volgens de wetgever in ieder geval sprake indien een onbebouwd terrein wordt geleverd waaraan op het moment van levering bewerkingen plaatsvinden (lees: de bewerkingen zijn op het moment van levering aangevangen, maar nog niet voltooid) of hebben plaatsgevonden (lees: de bewerkingen zijn op het moment van levering voltooid) met het oog op de bebouwing. Het betreft derhalve grond die bouwrijp gemaakt wordt of bouwrijp gemaakt is.1 Een onbebouwd terrein waaraan wel bewerkingen hebben plaatsgevonden met het oog op de bebouwing, maar waarbij deze bewerkingen ten tijde van de levering weer ongedaan gemaakt zijn valt daar niet onder.2
Het bewerken van een onbebouwd terrein vereist een fysieke ingreep aan de grond waardoor de fysieke toestand van het perceel wijzigt of is gewijzigd.3 Hierbij kan gedacht worden aan het rooien van bomen en struiken, het dempen van sloten, het egaliseren, afgraven en/of ophogen van gronden of het gedurende een bepaalde tijd voorbelasten van de bodem door middel van een zandlaag die later weer wordt verwijderd.4 Ook de sanering van vervuilde grond is naar mijn mening aan te merken als een bewerking aan de grond.5 Het verwijderen van een toplaag van het perceel, waarbij het perceel is ontdaan van de aanwezige groeisels, leidt volgens de Hoge Raad ook tot bouwrijp gemaakte grond.6 Ook de volledige sloop van bebouwing is aangemerkt als een bewerking aan de grond.7 De eis dat een bewerking een fysieke ingreep aan het onbebouwde terrein vereist, betekent dat een niet-fysieke ingreep, zoals het maken van een rapportage over het bouwrijp maken van grond, geen bewerking aan de grond is.8 Aan de omvang van de bewerkingen worden geen eisen gesteld. Eén geringe bewerking van de onbebouwde grond met het oog op de bebouwing, zoals het met een cultivator om- en lostrekken van grond na de sloop van opstallen (grofegalisatie) is voldoende voor de kwalificatie als bouwterrein.9
Voor een ‘zekere’ kwalificatie als bouwterrein is het niet voldoende dat op het moment van levering fysieke ingrepen aan de grond plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, maar moet ook uit objectieve gegevens10 blijken dat er een relatie bestaat tussen deze fysieke ingrepen en de bebouwing van deze grond. Het is echter niet noodzakelijk dat de bewerkingen uitsluitend met het oogmerk van bebouwing zijn verricht; het volstaat dat de bebouwing de doorslaggevende reden is (geweest) voor de fysieke ingrepen aan het onbebouwde terrein.11 De relatie tussen de bewerkingen en de toekomstige bebouwing van de grond ontbreekt indien op het moment van levering objectief bepaalbaar is dat het onbebouwde terrein in de voorzienbare toekomst niet kan worden bebouwd.12 De verrichte bewerkingen leiden ook niet tot een bouwterrein indien het onbebouwde terrein wel mag worden bebouwd, maar niet met de voorgenomen bebouwing en op het tijdstip van levering objectief bepaalbaar is dat de verrichte bewerkingen niet geschikt zijn voor de nieuwe bebouwing. Zijn de verrichte bewerkingen wel geschikt voor de nieuwe bebouwing, dan brengen deze bewerkingen met zich dat in ieder geval sprake is van een bouwterrein.13