Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.1:I.1. Belang van kwalificatie van de rechtshandeling met werking na overlijden
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.1
I.1. Belang van kwalificatie van de rechtshandeling met werking na overlijden
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577920:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vormvereisten vallen buiten het bestek van dit onderzoek. Voor een uitvoerige behandeling wordt verwezen naar Handboek Nieuw Erfrecht (2002), Waaijer, p. 108 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer op een rechtshandeling het etiket ‘uiterste wilsbeschikking’ geplakt wordt, heeft dit als dwingendrechtelijk rechtsgevolg dat de betrokken beschikking eenzijdig kan worden herroepen. Art. 4:42 lid 2 BW bepaalt immers:
‘De erflater kan een uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.’
Een onherroepelijke uiterste wilsbeschikking is derhalve een contradictio in terminis.
De herroeping is altijd eenzijdig mogelijk. Reeds hier moet geconstateerd worden dat het met ‘binding’ toezeggen van erfrechtelijke verkrijgingen een illusie is gelet op de aangehaalde wettekst. Wenst men als erflater een in beginsel onherroepelijke regeling met werking na overlijden te treffen, is het noodzakelijk niet onder de definitie van de uiterste wilsbeschikking te vallen. Hierover in par. 2.6 van dit hoofdstuk meer.
Bovendien is de kwalificatie van de rechtshandeling van belang voor de rangorde van de diverse soorten schuldeisers van de nalatenschap. Betreft het verbintenisrechtelijke aanspraken uit hoofde van een uiterste wilsbeschikking dan komt men in rang na schuldeisers van de erflater (art. 4:7 lid 1 letter a en i BW). Zo wordt de legataris, die door wetsduiding (art. 4:7 lid 1 letter h BW) schuldeiser van de nalatenschap is, achtergesteld bij alle andere schuldeisers (art. 4:120 lid 1 BW). Bestaan de verbintenisrechtelijke aanspraken op grond van een regeling met werking na overlijden, niet zijnde een uiterste wilsbeschikking, dan is van een ‘achterstelling’ geen sprake, tenzij een fictie geldt, waarbij de getroffen regeling wordt aangemerkt als legaat, een zogenaamd ‘quasi-legaat’. Deze ficties komen aan bod in hoofdstuk IV.
De kwalificatie van de rechtshandeling is voorts van belang in het kader van de aan de uiterste wilsbeschikking gestelde vormvoorschriften.1