Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.4.3.2
7.4.3.2 Verzekeringen kwalificeren als ‘kapitaal’
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406894:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Radaszewski v. Telecom Corp., 981 F.2d 305 (8th Cir. 1992).
Het slachtoffer trachtte ondanks de verzekering de aandeelhouder aan te spreken, omdat de verzekeraar twee jaar na de aanrijding was gefailleerd en derhalve niet (volledig) tot uitkering kon overgaan.
Ook het Supreme Court van Wyoming heeft overwogen dat verzekeringen relevant zijn bij het beoordelen van de financiële uitrusting van de vennootschap in het kader van een doorbraak procedure. Atlas Const. Co. v. Slater, 746 P.2d 352 (Wyo. 1987).
Gelb 2009, p. 561.
Uit de Amerikaanse rechtspraak blijkt dat naast het eigen vermogen van een vennootschap, ook de door haar afgesloten verzekeringen kwalificeren als ‘kapitaal’ bij de beoordeling of er sprake is van onderkapitalisatie. Een voorbeeld van deze bredere benadering betreft een uitspraak uit 1992 van het federale Court of Appeals (8th Cir.).1 Nadat een slachtoffer van een aanrijding geen verhaal had gevonden bij de daarvoor verantwoordelijke (transport)vennootschap, trachtte hij de aandeelhouder daarvan aan te spreken voor zijn onbetaald gebleven schadeclaim. De transportvennootschap was uitgerust met een minimaal eigen vermogen en was voor haar financiering volledig afhankelijk van door haar aandeelhouder verstrekte leningen. De rechter in eerste aanleg oordeelde daarom dat sprake was van onderkapitalisatie, zodat de aandeelhouder kon worden aangesproken voor de schade van het slachtoffer. Het Court of Appeals draaide deze beslissing echter terug en overwoog dat de schade van het slachtoffer weliswaar redelijkerwijs voorzienbaar was geweest, maar dat bedrijfseconomisch verantwoord was gehandeld doordat de transportvennootschap een aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten die de schade tot elf miljoen dollar dekte.2 Het Court of Appeals (8th Cir. 1992) oordeelde dat de kernvraag luidt of een aandeelhouder op een verantwoordelijke manier heeft geanticipeerd op een voorzienbaar risico:
“If the subsidiary is financially responsible, whether by means of insurance or otherwise, the policy behind [the state’s veil piercing rule] is met. Insurance meets this policy just as well, perhaps even better, than a healthy balance sheet.”
Deze uitspraak onderstreept dat bij de beoordeling of de vennootschap was ondergekapitaliseerd, men verder dient te kijken dan het kapitaal of het eigen vermogen van de vennootschap. Het gaat er om dat de vennootschap in staat is gesteld om verhaal te bieden voor de redelijkerwijs voorzienbare risisco’s. Ook de door de vennootschap afgesloten verzekeringen dienen in deze beoordeling te worden betrokken.3 In de literatuur is daarom betoogd dat ‘onderkapitalisatie’ een te eng begrip is en men beter kan spreken van een inadequaat vermogen (inadequate assets).
Zo merkt Gelb op: “Thus, while undercapitalization is recognized as a possible indicator of financial irresponsibility in terms of unfairness to creditors, the piercing issue really depends in a broader sense upon the level of assets available for potential claims. Clearly, when assets to pay claims turn out to be insufficient, reasons for their inadequacy are important in determining whether the corporation was operated in a financially responsible manner.”4