Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/11.8
11.8 Maakt de foutenleer een ongerechtvaardigde inbreuk op de rechtszekerheid?
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS413226:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Langereis (blz. 278).
Vgl. Scheltens (AWR, blz. 463), die betoogt dat de foutenleer in conflict kan komen met de leer van de navordering: formeel wordt niet nagevorderd, maar materieel wordt daardoor een sterk met navordering overeenkomend resultaat bereikt, echter zonder dat aan de vereisten voor navordering is voldaan.
Dit arrest is besproken in hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.2.1.
In de hierbij geplaatste voetnoot merkt Rijkers op: ‘Waaraan niet afdoet dat de foutenleer, gegeven het bestaan van een navorderingsmogelijkheid, daaraan thans voorrang verleent.’
Tegenstanders van de foutenleer hebben aangevoerd dat deze leer een ongerechtvaardigde inbreuk op de rechtszekerheid maakt. Zij betogen dat de foutenleer de onherroepelijkheid van vaststaande belastingaanslagen doorbreekt en verder gaat dan het met wettelijke waarborgen omklede navorderingsinstituut1. Door de foutenleer wordt – aldus de tegenstanders van deze leer – het instituut van navordering in werkingssfeer uitgebreid ten nadele van de belastingplichtige.
Kritiek op de foutenleer in verband met de inbreuk die deze leer zou maken op de rechtszekerheid stamt met name uit de jaren 50 en 60. Zie de kritiek van Scheltens (blz. 165 e.v. en AWR, blz. 468 e.v.), Van der Linden (WFR 1955/4259), Hellema (BNB 1955/162) en Smeets (BNB 1960/108). Hedendaagse fiscalisten als Rijkers (WFR 1989/5855), Slot (BNB 1989/1 en 1995/129), Van Es (blz. 160 e.v.) en Essers (BNB 1999/283) verwerpen die kritiek. Hierop is Langereis (blz. 278) – met zijn in 1986 geuite kritiek – een uitzondering.
De door de Hoge Raad in 1952 in het leven geroepen foutenleer werd door de fiscalisten van toen afgezet tegen de destijds geldende leer, waarin elke aanslag op zichzelf bezien moet worden zonder rekening te houden met aanslagen voor andere jaren. In het hierna opgenomen citaat van Van der Linden (WFR 1955/4259, blz. 781) wordt deze leer toegelicht:
Het verschuldigd zijn van Inkomstenbelasting vloeit voort (...) uit de wettelijke bepalingen (...). Het ontstaat dus niet uit de door den Inspecteur opgelegde aanslag. Niettemin heeft deze aanslag, behalve een constaterende, ook een (...) .consoliderende’ werking. Regel is immers, dat met die aanslag – eventueel gecorrigeerd op last van de administratieve rechter – de schuld voorgoed is vastgelegd.
De door een aanslag aldus geconsolideerde schuld is niet geheel onaantastbaar. De Inspecteur kan haar ambtshalve verminderen, indien blijkt dat hij haar bij de aanslag op een te hoog bedrag fixeerde. Het instituut der navordering staat ten dienste van de fiscus om een te lage vaststelling te herstellen, mits binnen een bepaalde termijn een nieuw feit daartoe aanleiding geeft. (...) De mogelijkheden om, nadat een aanslag is opgelegd, de schuld alsnog op een ander bedrag vastgesteld te krijgen, blijven echter tot uitzonderingsgevallen beperkt.
Tegen deze achtergrond wordt door Scheltens (AWR, blz. 469) ten aanzien van de foutenleer opgemerkt:
(...) [M]en [vraagt] zich af, hoe de Hoge Raad zijn opvatting in overeenstemming wil brengen met zijn in vele arresten uitgesproken standpunt, dat elke aanslag op zichzelf staat, onafhankelijk van wat in andere jaren is geschied. Hier echter wordt zelfs in overheersende mate gezien naar wat in andere jaren gebeurde. Op deze wijze verwijdert de Hoge Raad zich naar mijn mening wel al te ver van het beginsel, dat de belastingschuld uit de wet voortvloeit (...). Om al deze redenen meen ik, dat het aanbeveling zou verdienen, dat de Hoge Raad terugkeerde tot het standpunt, dat de belastingschuld van elk jaar zelfstandig wordt bepaald en dat de mogelijkheid van herstel van balansfouten wordt beoordeeld naar de voor navordering geldende regelen.
Van der Linden (WFR 1955/4259, blz. 782) constateert dat de foutenleer:
strijdt met het beginsel dat de belastingplichtige gevrijwaard is tegen verdere heffing van inkomstenbelasting over het in een bepaald jaar genoten zuiver inkomen, indien over dat jaar een primitieve aanslag werd opgelegd, dan wel van het opleggen van een aanslag werd afgezien – behoudens het uitzonderingsgeval dat binnen een zekere termijn een nieuw feit tot navordering aanleiding geeft. Kortom met het beginsel van de consoliderende werking der primitieve aanslag.
Haaks op de leer dat elke aanslag op zichzelf staat en bezien moet worden zonder rekening te houden met aanslagen over andere jaren, staat de voorschottheorie. Zoals ik in paragraaf 11.2 heb verdedigd, ligt aan het Besluit IB en aan de Wet IB 1964 de gedachte ten grondslag dat in de belastingheffing moet worden betrokken de totale winst, die de ondernemer heeft genoten gedurende het tijdvak waarin hij als belastingplichtige de onderneming heeft gedreven. Met het oog op de belastingheffing wordt deze totaalwinst verdeeld in jaarmoten. In paragraaf 12 van de Toelichting Besluit IB wordt, zoals hiervóór in paragraaf 11.2 is geciteerd, gesproken over ‘voorlopige moten’. De jaarwinsten zijn in die gedachte niet meer dan voorschotten op de totaalwinst. Over de vraag of deze voorschottheorie daadwerkelijk aan ons wettelijk systeem ten grondslag ligt, is gediscussieerd in het kader van de verliescompensatie. Grapperhaus (WFR 1978/5379, blz. 1073) betoogt:
De structuur van inkomsten- en vennootschapsbelasting brengt met zich mede dat de belastingheffing over de jaarwinst als een soort voorschot kan worden aangemerkt op de belastingheffing over de totale winst. De eindafrekening van de belastingheffing over de totale winst komt in beginsel – d.w.z. behoudens aan stringente voorwaarden gebonden doorschuiffaciliteiten – bij het einde van de onderneming tot stand. (...) De verdeling van de totale winst in zogenaamde jaarmoten is weliswaar praktisch maar toch ook erg willekeurig. (...) Dat praktische doch willekeurige verdelen van de totale winst in jaarmoten stelt de fiscale wetgever voor een tweedelige opgave: er zorg voor te dragen dat op elk moment gedurende de bestaansduur van de onderneming niet meer aan voorschotten op de eindafrekening is betaald dan correspondeert met de aangroei van de totale winst welke tot dat moment heeft plaatsgevonden en voorzover hij daartoe niet bij machte is, dan toch in ieder geval te bewerkstelligen dat over de gehele bestaansduur van de onderneming niet meer aan belasting wordt betaald dan overeenkomt met de belastingheffing over de totale winst, zoals die achteraf blijkt te zijn behaald.
Hofstra (WFR 1979/5400, blz. 290) meent dat met de voorschottheorie het bestaande wettelijke systeem wordt miskend:
Toegegeven kan worden dat in de winstsfeer de jaarwinst een secundair begrip is, waarvan de betekenis slechts tegen de achtergrond van het begrip (totale) winst van artikel 7 Wet IB ’64 kan worden bepaald. Een belangrijke consequentie daarvan is dat vermeerderingen van het ondernemingsvermogen die, dankzij de soepele wijze waarop de jaarwinst veelal kan worden berekend, in voorafgaande jaren buiten aanmerking konden blijven, in beginsel de jaarwinst van enig later jaar verhogen. De gedachte dat in de loop van de jaren de totale winst moet worden belast, vormt derhalve wel de achtergrond van het winstbegrip, hetgeen wordt erkend in de continuïteitseis met betrekking tot de jaarwinstberekening, maar het wettelijke systeem doorbreekt deze opzet door de zelfstandige betekenis die aan afzonderlijke jaaraanslagen toekomt. Naar geldend recht nl. is de jaaraanslag niet een voorschot dat later kan worden verrekend. Hij is geen voorheffing, doch strekt tot vastlegging van een definitieve schuld, die een eigen, onherroepelijk karakter heeft. (...) Theoretisch moge winst een niet in jaarmoten verdeeld totaalbegrip zijn, de wettelijke structuur verschuift de juridische betekenis van het gebeuren in overwegende mate naar de jaarlijkse vaststellingen, waarmee de gelijkstelling van de som van de jaarwinsten met de over de gehele levensduur van de onderneming behaalde totaalwinst principieel wordt doorbroken. (...) [D]e rechtszekerheid maakt het openhouden van de aanslagregeling gedurende de totale levensduur van de onderneming, die bij rechtspersonen zeer lang kan zijn, te enen male onmogelijk. Grapperhaus’ ‘voorschottheorie’ is derhalve in strijd met de wettelijke structuur zoals wij die nu eenmaal hebben en zoals die ook niet kan worden veranderd (...).
De inbreuk die de foutenleer zou maken op de rechtszekerheid bestaat mijns inziens erin, dat een winstbestanddeel dat in aanmerking had moeten worden genomen bij het opleggen van de aanslag voor een bepaald jaar – hetgeen ten onrechte achterwege is gebleven – alsnog in de belastingheffing wordt betrokken. Dit vindt niet plaats door oplegging van een navorderingsaanslag over dat jaar, maar door dit winstbestanddeel op te nemen in de aanslag voor een later jaar (het oudste nog openstaande jaar). De belastingplichtige, die dacht dat met de opgelegde (onjuiste) aanslag de belastingheffing met betrekking tot de feiten en omstandigheden die zich in dat jaar hebben voorgedaan, was voltooid, wordt zodoende in een later jaar alsnog geconfronteerd met een heffing van belasting over het ten onrechte niet in aanmerking genomen bestanddeel van de winst. Daarbij geniet de belastingplichtige niet de bescherming van de in de wet (artikel 16 AWR) neergelegde navorderingstermijn en van de eis van een nieuw feit2. Overigens maakt Sleddering (WFR 1956/4295, blz. 305) terecht een aantal relativerende opmerkingen bij het instituut van navordering:
(...) [D]e bepalingen omtrent navordering [zijn] ook maar een compromis tussen de eis van rechtvaardigheid en van rechtszekerheid, waarvan de eerste eis naar mijn mening veel zwaarder weegt dan de tweede. In een aantal gevallen betekent rechtszekerheid zekerheid van onrecht. In verband hiermede zou ik het stelsel van navordering in onze wet niet als heilig en onschendbaar willen beschouwen. Komt er in de bestaande toestand een botsing tussen deze bepalingen en andere, dan kies ik met plezier voor die andere bepalingen, indien de rechtvaardigheid daardoor beter wordt gediend.
De vergelijking tussen de foutenleer en navordering is wellicht een voor de hand liggende, maar voor ogen moet worden gehouden dat hier sprake is van twee verschillende leerstukken (herstelmethoden). Vgl. HR 28 april 1999, BNB 1999/283, inzake het herstel van een FOR-fout3. De Hoge Raad oordeelt:
Anders dan het tweede middel betoogt, is het toepassen van de foutenleer nadat het herstel van de fout niet mogelijk is gebleken door het opleggen van een navorderingsaanslag, niet in strijd met het door belanghebbende genoemde beginsel van de rechtszekerheid. Herstel van de fout in het onderhavige jaar is immers geen vorm van navordering, maar vloeit voort uit het hier van overeenkomstige toepassing zijnde beginsel van de balanscontinuïteit.
Eerder werd een vergelijkbaar standpunt ingenomen door A-G Van Soest, in zijn conclusie voor HR 22 januari 1975, BNB 1975/65:
In de litteratuur omtrent de ‘foutenleer’ wordt veelal aangevoerd, dat deze leer, zoals zij in de jurisprudentie is ontwikkeld, in strijd zou komen met de beperkingen die inherent zijn aan het instituut van de navordering (...). Mij komt dit verwijt niet juist voor: het beginsel der balanscontinuïteit vormt een essentieel onderdeel van het winstbegrip, zoals dat in het positieve belastingrecht is geregeld, en het is dan ook geen inbreuk op de beperkingen van de navordering, indien in een later jaar wordt belast wat – bij een zuivere toepassing van het beginsel van de juiste jaartoerekening – in een eerder jaar belast had moeten worden.
Rijkers (WFR 1989/5855, blz. 146) keert zich in wezen met soortgelijke argumentatie tegen de kritiek op de foutenleer, maar wijst daarbij nog op de mogelijkheid dat met de foutenleer ook in het nadeel van de belastingplichtige gemaakte fouten kunnen worden hersteld:
Men beluistert wel de opvatting dat de foutenleer de regels, die aan navordering zijn gesteld, ten onrechte doorkruist. Ik meen dat die opvatting om twee redenen geen stand kan houden. In de eerste plaats ligt niet voor de hand dat een inkomens- of winstbegrip van een belastingwet de beperkingen moet ondervinden die aan een buiten die wet bestaand bijzonder middel zijn gesteld. Navordering is bedoeld om te werken als de mogelijkheden van de heffingswet zelf zijn uitgeput. De foutenleer bewerkt dat in vele gevallen aan navordering geen behoefte bestaat4. In de tweede plaats dient te worden bedacht dat de foutenleer neutraal werkt. Fouten die tot nadeel van de belastingplichtige zouden strekken kunnen vaak uitsluitend met behulp van de foutenleer worden hersteld. Van groot belang is dat de belastingplichtige dan een recht heeft en niet afhankelijk is van de bereidheid tot ambtshalve vermindering.
Het hiervóór weergegeven betoog van Rijkers wordt door Van Es (blz. 161) onderschreven.
Scheltens (AWR, blz. 469) brengt nog naar voren dat de foutenleer alleen werkt ten opzichte van hen, die een bedrijf of vrij beroep uitoefenen:
Men vergete (...) niet, dat door [de foutenleer] de rechtsgelijkheid geweld wordt aangedaan. Hierdoor kan immers bij hen, die een bedrijf of vrij beroep uitoefenen, in ruime mate vroeger tengevolge van een balansfout te weinig geheven belasting worden achterhaald door een voor anderen niet mogelijke surrogaat-navordering.
Vgl. Van der Linden (WFR 1955/4259, blz. 784), die deze ongelijke behandeling ongewenst acht en opmerkt dat er geen reden is om de winst van een onderneming of zelfstandig uitgeoefend beroep in dit opzicht anders te behandelen dan de overige bronnen van inkomen. Mijns inziens wijst Sleddering (WFR 1956/4295, blz. 305) echter terecht op het verschil tussen de berekening van winst uit onderneming en de bepaling van het inkomen uit andere bronnen:
De opbrengstbepaling van dienstbetrekking, van vermogen e.d. is dwingend voorgeschreven; in de winstsfeer bestaat een zekere vrijheid. Deze vrijheid kan ten gevolge hebben, dat een reeds aanwezige winst pas vele jaren later tot uitdrukking wordt gebracht. Indien in 1960 een stille reserve wordt gerealiseerd, welke in 1945 reeds aanwezig was, spreekt niemand over inbreuk op het beginsel der beperkte navordering in ons recht, niettegenstaande deze bate bij overlijden of liquidatie van het bedrijf voor 1960, reeds eerder zou zijn belast. Voorts heeft iedere winstbepalende balans in materiele zin een voorlopig karakter. Het verleden wordt overgebracht naar volgende jaren en heeft invloed op die jaren. Uiteraard streeft de inspecteur er naar ieder jaar een zo goed mogelijk bepaald gedeelte te belasten, maar dat neemt niet weg dat het nooit het volmaakte bedrag is dat hij treft. In dit verband acht ik het geen bezwaar tegenover de grote door goed koopmansgebruik bepaalde vrijheid van belanghebbende, waarvan de grenzen niet altijd scherp zijn af te bakenen, een grotere mogelijkheid tot correctie in de toekomst aanwezig te achten dan buiten bedrijf.
Essers (BNB 1999/283) stelt zich de vraag of een ondernemer nu geen enkele baat heeft bij de rechtsbescherming die gekoppeld is aan de wettelijke regeling van navordering:
Voor zover de rechtsbescherming de wettelijke navorderingstermijn en het vereiste van een nieuw feit betreft, is dit bij toepassing van de foutenleer inderdaad het geval. Aan de andere kant moet men zich realiseren dat de foutenleer niet voor alle fouten geldt. (...) Verder moet worden bedacht dat, anders dan bij navordering, een belastingplichtige bij correctie in het oudste nog openstaande jaar uitstel van betaling geniet zonder dat dit tot compensatie in de vorm van heffingsrente hoeft te leiden. Bovendien zal in het geval van navordering bij opzet of grove schuld een boete kunnen worden opgelegd (...). (...) Een andere ‘verzachtende omstandigheid’ is dat de Hoge Raad erop toeziet dat bij herstel van de fout in het oudste nog openstaande jaar aan de belastingplichtige een redelijke tegemoetkoming wordt geboden opdat hij niet slechter af is dan in het geval correctie zou hebben plaats gevonden in het jaar waarin de fout is gemaakt (...). Ten slotte is van belang dat de foutenleer neutraal werkt. In het geval een fout in het nadeel van de belastingplichtige is gemaakt, heeft hij immers recht op herstel van die fout, onafhankelijk van de bereidheid van de belastinginspecteur tot ambtshalve vermindering.
Naar mijn mening kan van de foutenleer niet worden gezegd dat zij een ongerechtvaardigde inbreuk op de rechtszekerheid maakt. De door de toepassing van de foutenleer veroorzaakte inbreuk op de rechtszekerheid – deze is door mij hiervóór beschreven – moet worden afgewogen tegen het met de foutenleer nagestreefde doel van het voorkomen dat, als gevolg van een fout, een deel van de winst dubbel wordt belast of in het geheel niet wordt belast. Mijns inziens is terecht voorrang gegeven aan het zo goed mogelijk belasten van de totaalwinst. Dit is immers het uitgangspunt van het Besluit IB en de Wet IB 1964.
Zou de Hoge Raad in het conflict tussen het beginsel der balanscontinuïteit en het jaarwinstbeginsel voorrang hebben gegeven aan het jaarwinstbeginsel, dan zou dit mijns inziens gevolgen hebben gehad voor de controle van de jaarlijkse eindbalans. Belastingadministratie en belastingplichtige zouden in dat geval aan deze eindbalans meer aandacht moeten besteden dan thans het geval is. Immers, indien na het onherroepelijk worden van de aanslag zou blijken dat een waardering in de eindbalans buiten het toelaatbare van de soms vage, onzekere en veranderende normen van goed koopmansgebruik valt, dan staan er nog maar beperkte mogelijkheden ter beschikking om te voorkomen dat er winst definitief tussen wal en schip valt of dubbel wordt belast. De door de Hoge Raad gemaakte keuze voor het totaalwinstbeginsel leidt ertoe, dat onder omstandigheden weliswaar een inbreuk op de rechtszekerheid wordt gemaakt – winst die in het verleden ten onrechte niet in aanmerking is genomen, wordt alsnog in het oudste nog openstaande jaar belast – maar zorgt er aan de andere kant voor dat de jaarlijkse winstbepaling op een aantal punten met enige soepelheid kan plaatsvinden. In zoverre kan de inbreuk op de rechtszekerheid worden beschouwd als de prijs die voor die relatief soepele jaarwinstbepaling dient te worden betaald.