Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.4.1
6.5.4.1 De beslotenheid van de vereniging in de zin van art. 11 EVRM
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367287:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dijk/Van der Ploeg, par. 1.3 met verdere verwijzingen.
EHRM 20 december 2001, appl. no. 44158/98, r.o. 55 (Gorzelik). Deze rechtsoverweging kwam niet ter discussie toen de Grote Kamer van het EHRM zich bij arrest van 11 februari 2004 over deze zaak boog (appl.nr. 44158/98).
Zie par. 6.4.3 ten aanzien van vakbonden en EHRM 29 april 1999, appl.nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95 (Chassagnou) ten aanzien van andere verenigingen.
Zie par. 6.5.2.1.
Vgl. par. 4.4.4 en 4.4.5.
Zie Dijk/Van der Ploeg, par. 1.3 en 6.2.1.
Art. 2:87 BW, art. 2:87a BW, art. 2:87b BW, art. 2:195 lid 4 BW en art. 2:132/242 lid 2 BW. Vgl. ook art. 2:88/197 BW en art. 2:89/198 BW.
Vgl. par. 4.4.4.
In de Nederlandse literatuur en rechtspraak1 wordt aangenomen dat de vrijheid van vereniging mede inhoudt de vrijheid om personen als lid te weigeren en zo te bepalen met wie men zich verenigt. Mij is geen rechtspraak van die strekking van het EHRM bekend. Evenwel lijkt zulks een logisch gevolg van twee aspecten van de vrijheid van vereniging die wel blijken uit de rechtspraak van het EHRM. Ten eerste houdt de vrijheid van vereniging in dat men, behoudens de door art. 11 EVRM toegestane beperkingen, het recht heeft zich zonder overheidsbemoeienis te verenigen.2 Dat impliceert dat men vrij is te bepalen met wie men zich verenigt. Ten tweede houdt de negatieve zijde van de vrijheid van vereniging in dat men, behoudens de door art. 11 EVRM toegestane beperkingen, niet verplicht kan worden om lid te worden van een vereniging.3 Dat impliceert dat men niet verplicht is zich te verenigen met personen met wie men zich niet wil verenigen. De vrijheid van vereniging vertoont op dit punt wederom4 overeenkomsten met de contractsvrijheid en wilsautonomie.5
De vrijheid om de kring van orgaanleden besloten te houden, speelt met name bij de vereniging en de daarop voortbouwende rechtspersonen, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij.6 NV en BV hebben in beginsel een meer open karakter, zeker sinds de blokkeringsregeling niet langer verplicht is bij de BV. Niettemin biedt ook de wettelijke regeling voor de NV en de BV mogelijkheden om de gelederen in zekere mate gesloten te houden, bijvoorbeeld door het voorkeursrecht bij de uitgifte van aandelen en statutaire regelingen, zoals een blokkeringsregeling of kwaliteitseisen voor bestuurders en commissarissen,7 maar ook door andere regelingen omtrent de benoeming van bestuurders en commissarissen die grip geven op wie in die posities benoemd wordt. Een wezenlijke beperking daarbij is evenwel dat door middel van een statutaire blokkeringsregeling niet kan worden bewerkstelligd dat overdracht van aandelen in een NV onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is.8 Bij de BV kan zelfs in de statuten de overdraagbaarheid van aandelen voor een bepaalde termijn worden uitgesloten en kunnen kwaliteitseisen aan aandeelhouders worden gesteld.9
Het al dan niet besloten karakter van een NV of BV is derhalve met name een gevolg van hoe van de inrichtingsvrijheid gebruik wordt gemaakt (zie hiervoor onder 6.5.2.2). Ook in die zin is het besloten karakter van vennootschappen nauw verwant met de contractsvrijheid.10
De ondernemingskamer kan verschillende voorzieningen treffen die afbreuk doen aan het eventuele besloten karakter van vennootschappen (zo komt elders in dit onderzoek nog ter sprake). Zo kan de ondernemingskamer alle regelingen die hun basis hebben in de statuten tijdelijk opzij zetten, dus ook kwaliteitseisen voor leden, aandeelhouders, bestuurders of commissarissen en zelfs de blokkeringsregeling. Bovendien kan de ondernemingskamer het voorkeursrecht uitsluiten. Tevens kan de ondernemingskamer aandelen tijdelijk ten titel van beheer overdragen, tijdelijke bestuurders en commissarissen aanstellen en bindende voordrachtsregelingen buiten werking stellen.
Ook ten aanzien van dergelijke (onmiddellijke) voorzieningen speelt weer de in par. 6.4.3, 6.4.2 en 6.5.2.2 opgeworpen vraag of zou moeten worden getoetst aan art. 11 EVRM of aan art. 1 EP.