Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.5.3:6.5.3 Kunnen informatierechten worden prijsgegeven?
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.5.3
6.5.3 Kunnen informatierechten worden prijsgegeven?
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972015:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stokkermans 2008, p. 110; en instemmend Van Veen 2011, voetnoot 61 (p. 22). Voor de volledigheid merk ik op dat Meinema zich hier niet uitdrukkelijk over uitlaat, maar het recht op inlichtingen in ieder geval niet noemt als onderdeel van het Kernbereich.
Zie par. 4.2.1.1 hiervoor.
Zie instemmend Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022, nr. 67.
Zie par. 3.4 en par. 5.4 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat aandeelhouders slechts beperkte ruimte hebben om hun informatierechten prijs te geven. Met de hiervoor genoemde auteurs meen ik dat artikel 2:8 BW niet kan worden weggecontracteerd. Een aandeelhouder kan dus geen afstand doen van zijn recht op informatie in de voorfase van de besluitvorming noch van het informatierecht buiten vergadering. Dat zou ook onwenselijk zijn, omdat daarmee het functioneren van de algemene vergadering en de bescherming van individuele aandeelhouders zou worden uitgehold. Aandeelhouders dienen in staat te zijn om een weloverwogen standpunt te bepalen over de agendapunten alsmede om een geïnformeerde stem uit te brengen en op geïnformeerde wijze deel te nemen aan beraadslaging of discussie ter vergadering, dan wel ervoor te kiezen niet ter vergadering te verschijnen bij gebrek aan belang.
Met Stokkermans en Van Veen meen ik voorts dat aandeelhouders niet op voorhand en in algemene zin het recht kunnen prijsgeven om zich ter vergadering te beroepen op het recht op inlichtingen ex artikel 2:107/217 lid 2 BW.1 Het recht op inlichtingen is immers cruciaal voor het behoorlijk functioneren van de algemene vergadering en een belangrijk onderdeel van de verantwoordingsplicht van de vennootschapsleiding. Daarbij moet worden bedacht dat het recht op inlichtingen een codificatie is van een ongeschreven informatierecht dat alom werd aangenomen op grond van de goede trouw.2 Ook om die reden, ligt het voor de hand dat het recht op inlichtingen op gelijke wijze wordt behandeld als de informatierechten ontleend aan artikel 2:8 BW, en dus niet kan worden weggecontracteerd.
Samenvattend kunnen individuele aandeelhouders hun informatierechten in beginsel niet op voorhand en in algemene zin prijsgeven. De vraag kan evenwel opkomen of informatierechten deels kunnen worden prijsgegeven, namelijk indien en voor zover afstand wordt gedaan van het ‘onderliggende’ aandeelhoudersrecht voor de uitoefening waarvan de betreffende informatie is bedoeld. De rechtvaardiging daarvoor zou zijn gelegen in het accessoire karakter van informatierechten. Een aandeelhouder die afstand doet van bepaalde (‘primaire’) aandeelhoudersrechten, zou dan ook afstand doen van de daarmee samenhangende (‘accessoire’) informatierechten; het meerdere omvat het mindere. Tegelijkertijd kan worden betoogd dat een aandeelhouder niet de mogelijkheid kan worden ontnomen om tot een zelfstandige belangenafweging te komen bij de uitoefening van zijn stemrecht.3 Het zuiver obligatoire karakter van de contractuele beperking van het informatierecht staat dan in de weg aan het beperken van het wettelijke informatierecht. Ik neig naar deze tweede benadering. Doordat de aandeelhouder op grond van het vennootschapsrecht in staat blijft om zijn stemrecht uit te oefenen, zal hij dat ook op geïnformeerde wijze moeten kunnen doen. Dat de aandeelhouder zich contractueel heeft verbonden om op een bepaalde wijze zijn stem uit te brengen, maakt dat niet anders. Het uitsluiten van dit informatierecht zou neerkomen op het uitsluiten van artikel 2:8 BW.
Wat als partijen contractueel uitputtend hebben vastgelegd welke informatie dient te worden verstrekt? Betoogd kan worden dat een dergelijke afspraak strekt tot het doen van afstand van het recht op toegang tot de overige informatie, ook indien die achteraf toch relevant zou blijken. Ook dan zullen partijen zo nodig bescherming kunnen ontlenen aan artikel 2:8 BW tegen evident onredelijke situaties of onwenselijke uitkomsten in situaties die niet zijn voorzien. Ik meen dat dergelijke afspraken ertoe zullen leiden dat de drempel om aanspraak te kunnen maken op aanvullende informatie aanzienlijk wordt verhoogd. Kennelijk waren partijen het immers erover eens dat de overeengekomen informatieverstrekking zou voldoen. De hoogte van die drempel zal mijns inziens met name afhangen van de deskundigheid en professionaliteit van partijen en de vraag of de relevante situatie was voorzien bij het maken van de afspraken. Hoe professioneler en deskundiger de betrokken partij, des te hoger de drempel, te meer indien het een situatie betreft die was voorzien of redelijkerwijs had kunnen zijn voorzien. Op deze manier blijft de rechtszekerheid gewaarborgd en wordt de partijautonomie gerespecteerd, maar blijft de deur op een kier om evident onwenselijke situaties te voorkomen.
Overigens kunnen wettelijke informatierechten indirect worden beperkt door contractuele regelingen. Ik heb hiervoor betoogd dat de organisatie van de vennootschap, waaronder de strekking van contractuele afspraken uit – bijvoorbeeld – een aandeelhoudersovereenkomst, relevant kan zijn bij de inkleuring van artikel 2:8 BW en daarmee de aard, omvang en strekking van dat informatierecht.4 Hoe meer transparantie binnen die organisatie is beoogd en wordt betracht, des te ruimhartiger de informatieverstrekking dient te zijn, zowel binnen als buiten vergadering, Het omgekeerde geldt echter ook: in een meer ‘gesloten’ – niet te verwarren met: besloten – samenwerkingsverband zal de aandeelhouder ook minder aanspraak hebben op informatie van de vennootschap. Op die manier kunnen informatierechten van aandeelhouders alsnog contractueel worden beperkt.
Over de vraag in hoeverre informatierechten kunnen worden beperkt via de contractuele inkleuring van artikel 2:8 BW is nog geen richtinggevende rechtspraak gewezen. Persoonlijk hecht ik veel gewicht aan de partijautonomie, zeker waar het ziet op afspraken tussen professionele partijen die worden bijgestaan door ter zake deskundige adviseurs. Partijen dienen de mogelijkheid te hebben om desgewenst verstrekkende afspraken te kunnen maken over de reikwijdte van de informatieverstrekking binnen de vennootschap. Anders gezegd: partijen kunnen artikel 2:8 BW niet geheel wegcontracteren, maar ik meen dat zij wel een ruime mogelijkheid moeten hebben om contractueel vast te leggen hetgeen zij redelijk en billijk achten waar het ziet op de toegang tot informatie van aandeelhouders.