Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 mei 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:51.
HR, 25-10-2024, nr. 24/02988
ECLI:NL:HR:2024:1536
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-10-2024
- Zaaknummer
24/02988
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1536, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1136
ECLI:NL:PHR:2024:1136, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1536
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑07‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0086
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0086
Uitspraak 25‑10‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02988
Datum 25 oktober 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende in Turkije en in Belarus,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak SXM201100032 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 5 december 2022;
b. de beschikkingen in de zaak SXM201100032-SXM2023H00058 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 mei 2023 en 15 mei 2024.
De man heeft tegen de beschikking van het hof van 15 mei 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2004 op Sint Maarten met elkaar gehuwd. Beide partijen hebben (in ieder geval) de Turkse nationaliteit.
(ii) In 2012 is in Turkije op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze uitspraak is in het bevolkingsregister van Sint Maarten ingeschreven.
2.2
De vrouw heeft in 2011 bij het gerecht een verzoek tot scheiding van tafel en bed ingediend en dit verzoek in 2013 gewijzigd in een verzoek tot echtscheiding. De man heeft aangevoerd dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek tot echtscheiding omdat partijen in Turkije zijn gescheiden.
2.3
Het gerecht heeft bij beschikking van 5 december 2022 de vrouw ontvankelijk verklaard in haar verzoek, een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft aan de man vergunning verleend om tussentijds hoger beroep in te stellen van de beschikking van het gerecht.
2.4
De man heeft van de beschikking van het gerecht hoger beroep ingesteld. Het hof1.heeft de beschikking bevestigd en de zaak teruggewezen naar het gerecht ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1
Ingevolge art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba neemt de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie. Dit betekent onder meer dat de art. 401a en 426 lid 4 Rv van toepassing zijn op een cassatieberoep in een burgerlijke zaak uit het Caribische deel van het Koninkrijk.2.
3.2
De beschikking van het gerecht is een tussenbeschikking nu daarin niet door een uitdrukkelijk dictum voor enig deel van het verzochte een einde is gemaakt aan het geding. Het hof heeft de beschikking van het gerecht bevestigd. De beschikking van het hof is daarom ook een tussenbeschikking.3.Ingevolge art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv kan beroep in cassatie van deze tussenbeschikking slechts worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de andere in art. 401a Rv vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn. Voor ontvankelijkheid in het cassatieberoep is niet voldoende dat het hof vergunning heeft verleend om hoger beroep in te stellen van de beschikking van het gerecht.4.De man is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 25 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑10‑2024
Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32186, nr. 7, p. 6.
HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:224, rov. 3.2.
Vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, rov. 3.2.
Conclusie 06‑09‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02988
Zitting 6 september 2024
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
[de man]
tegen
[de vrouw]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de man of verzoeker, en de vrouw.
1. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1.1
De man heeft (tijdig)1.cassatieberoep ingesteld van een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 15 mei 2024.2.
1.2
In die beschikking heeft het hof de tussenbeschikking van 5 december 2022 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht), waarin de vrouw ontvankelijk werd verklaard in haar echtscheidingsverzoek en iedere verdere beslissing werd aangehouden, bevestigd en de zaak terugverwezen ter verdere behandeling en beslissing. Het hof had op verzoek van de man bij beschikking van 9 mei 2023 vergunning verleend voor tussentijds hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 5 december 2022 van het Gerecht.
1.3
Art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a Rv bepaalt wanneer van beschikkingen van een hof cassatie kan worden ingesteld: tenzij de rechter anders heeft bepaald, kan van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van een eindbeschikking cassatieberoep worden ingesteld. Ingevolge art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (‘Rijkswet’), neemt de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke zaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in overeenkomstige gevallen als bij burgerlijke zaken in het Europese deel van het koninkrijk kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij “in het belang der wet” door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Volgens de toelichting bij de Rijkswet is daarmee ook uitdrukkelijk bedoeld om het verlofstelsel voor tussentijds cassatieberoep uit art. 401a en 426 lid 4 Rv op Caribische burgerlijke zaken toe te passen, nu dat (blijkens diezelfde toelichting) in het oude art. 3 Cassatieregeling niet het geval was en dat artikel juist daarom werd geschrapt.3.
1.4
De thans in cassatie bestreden beschikking van het hof van 15 mei 2024 is een tussenuitspraak, omdat het dictum van die beschikking niet een beslissing inhoudt die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het door de vrouw verzochte een einde wordt gemaakt.4.Als in de hoofdzaak een incident wordt opgeworpen en de rechter doet daarop uitspraak, is dit ook te beschouwen als een tussenuitspraak.5.Van een tussenvonnis is bijvoorbeeld sprake in een geval waarin een rechter in incident een beroep op zijn onbevoegdheid verwerpt. Ten aanzien van het arrest dat dat vonnis in stand laat is dan sprake van een tussenarrest.6.
1.5
Uit de beschikking van het hof blijkt niet dat het hof cassatieberoep van zijn beschikking heeft opengesteld in de zin van art. 401a lid 2 Rv. (Voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep is niet voldoende is dat het hof, zoals hiervoor onder 1.2 is vermeld, destijds had vergund om hoger beroep in te stellen van de beschikking van het Gerecht.7.) In het dossier heb ik ook verder niets aangetroffen wat op een dergelijk verlof duidt.
1.6
De man is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep.8.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑09‑2024
De procesinleiding is op 31 juli 2024 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 mei 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:51.
Kamerstukken II, 2009/10, 32186, nr. 7, p. 6.
O.a. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, NJ 2024/42, r.o. 3.1.
Bijv. A-G Van Peursem, conclusie bij voornoemd arrest (ECLI:NL:PHR:2023:1030), onder 3.6-3.7 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/34 met verdere verwijzingen.
HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6188, NJ 2005/142.
Dat leid ik althans af uit HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, NJ 2011/408, r.o. 3.2: “Ingevolge art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a lid 2 Rv. kan beroep in cassatie van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij – voor zover in dit geding van belang – de rechter anders heeft bepaald. Omdat het hof niet anders heeft bepaald, en de door de rechtbank gegeven toestemming tot tussentijds appel niet tevens toestemming tot tussentijds cassatieberoep inhoudt (HR 21 oktober 2005, LJN AU3723, NJ 2006/133), moet de vrouw niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde beroep.” Ik zie geen reden om dit anders te zien wanneer het verlof tot het instellen van (enkel) het hoger beroep is verleend door het hof.
HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3723, NJ 2006/133 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder 2.4.
Beroepschrift 31‑07‑2024
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKPROCEDURE
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [de man], hierna te noemen: ‘de man’,
wonende in Turkije en deels in Belarus, te dezer zake woonplaats kiezende aan de Rijnsburgerweg nr. 141, 2334 BM Leiden (postadres: Postbus 788 2300 AT Leiden) ten kantore van Groenendijk & Kloppenburg Advocaten van wie de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn hem ten deze vertegenwoordigt en deze procesinleiding indient.
Verweerster in cassatie is:
mevrouw [de vrouw], hierna te noemen: ‘de vrouw’,
wonende te Sint Maarten aan de [adres], in feitelijke instantie domicilie gekozen hebbende te Philipsburg, St. Maarten aan de C.A. Cannegieter Street # 26, ten kantore van de advocaat mr. R.F. Gibson Jr. van Gibson & Associates
Inleiding
1.
De man stelt cassatie in tegen de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba van 15 mei 2024, hierna te noemen: het hof, met zaaknummers SXM201100032 en SXM2023H00058. Hierna te noemen de bestreden beschikking.
2.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling was ten tijde van de indiening van deze procesinleiding nog niet ontvangen. Het is opgevraagd en in dit verband wordt een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de procesinleiding.
Middel van cassatie
3.
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in de bestreden beschikking op de daarin vermelde gronden recht heeft gedaan als daarin aangegeven, zulks om de navolgende — mede in onderling verband te beschouwen — redenen.
Onderdeel 1A
4.
Het hof is in r.o. 2.4 e.v. uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door (al dan niet analoog) toepassing te geven aan art. 431 lid 2 Rv. 1.
5.
Art. 431 lid 1 Rv. ziet namelijk toe op tenuitvoerlegging van beslissingen van vreemde rechters. In deze zaak gaat het niet om de tenuitvoerlegging maar erkenning van de Turkse echtscheidingsbeschikking. Art. 431 Rv. en de Gazprombank-jurisprudentie zijn daar niet op van toepassing.2. In dat verband is van belang dat er voor erkenning een speciale procedure bestaat, zoals hierna zal worden aangevoerd.
Onderdeel 1B
6.
Het hof heeft in r.o. 2.4 e.v. eveneens miskend dat de erkenning van de Turkse echtscheidingsbeschikking reeds heeft plaatsgevonden ex art. 1:20b/ 1:21 BW3. bij inschrijving in het register van de burgerlijke stand na zelfstandige toetsing door de bevoegde ambtenaar in Sint Maarten. Hierdoor is de echtscheiding tot stand gekomen.4.
7.
Art. 1:24 BW kent een eigen met waarborgen omklede procedure voor doorhaling. Het hof had er derhalve van moeten uitgaan dat partijen gescheiden waren zolang de inschrijving niet is doorgehaald. Het hof had de vrouw daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
8.
Het hof heeft dit eveneens miskend in r.o. 2.8 waarin het hof overweegt dat de Turkse echtscheidingsbeschikking niet voor inschrijving in aanmerking komt en dat de vrouw met de beschikking van het hof bij het register kan verzoeken om de inschrijving van de Turkse echtscheidingsbeschikking door te halen en indien daaraan geen gevolg wordt gegeven zij een procedure ex 1:24 BW kan beginnen. Zoals hiervoor gesteld en door de man in feitelijke instantie is betoogd5. is het precies andersom: door de inschrijving van de Turkse echtscheidingsbeschikking zijn partijen gescheiden zolang deze inschrijving niet is doorgehaald.
9.
Tevens is onjuist of onbegrijpelijk waarom het hof in r.o. 2.8 oordeelt dat de Turkse echtscheidingsbeschikking niet voor inschrijving in aanmerking komt nu deze reeds is ingeschreven en het hof niet in een art. 1:24 BW procedure oordeelt en dus niet bevoegd is daarover te oordelen (met het risico op tegenstrijdige beslissingen). Bovendien maakt de ambtenaar geen deel uit van de onderhavige procedure.6.
10.
Voor dit standpunt van de man pleit ook dat de rechtspositie van derden of de rechtszekerheid in het geding is nu derden mogen afgegaan op de juistheid van de registers.7. Daarbij komt dat ex art. 1:22 lid 3 de akten van de burgerlijke stand dezelfde bewijskracht hebben als andere authentieke akten. Op grond van art. 136 Rv.8. leveren authentieke akten tegen eenieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verplichtingen heeft verklaard. Dat betekent dus dat zolang de inschrijving niet ex art. 1:24 BW is doorgehaald partijen zijn gescheiden. Hieraan doen de door het hof in r.o. 2.5 t/m 2.7 geconstateerde gebreken — wat daar ook van zij — niet af omdat mag worden uitgegaan van de ingeschreven echtscheiding en de juistheid van de door de ambtenaar verrichte toetsing zolang deze niet is doorgehaald.
Onderdeel 2
11.
Het hof is in r.o. 2.4 -2.7 uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of is geheel ongemotiveerd voorbij gegaan aan de hiernavolgende essentiële stellingen van de man die tot een ander oordeel hadden kunnen leiden over de bekendheid en/ of berusting van de vrouw met de Turkse procedure en /of de Turkse echtscheidingsbeschikking.
12.
Het betreft de volgende stellingen c.q. feiten:
- i.
In het verweerschrift van de man van 7 november 2011 is de vrouw gewezen op de lopende procedure in Turkije.9. De man heeft daarin aanhouding verzocht in afwachting van de Turkse procedure. In de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van 5 december 2011 is in r.o. 3.5 overwogen dat de vrouw zich bij de mondelinge behandeling heeft verzet tegen het verzoek van de man om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de door de man in Turkije geëntameerde procedures. De vrouw was dus op de hoogte van de lopende echtscheidingsprocedure in Turkije.
- ii.
Er is meerdere malen door de man in de processtukken aangevoerd dat de vrouw de echtscheiding die in Turkije is uitgesproken heeft erkend en daarin heeft berust. Daarbij is gewezen op een verzoek uit 2015 van de vrouw aan de Turkse rechtbank om de achternaam van de man te mogen behouden waarin door de vrouw (uitdrukkelijk) wordt verwezen naar de tussen partijen in 2012 uitgesproken echtscheiding.10.
- iii.
De vrouw wil eveneens een echtscheiding van de man dus op dat punt is overeenstemming.11.
- iv.
In het tussenvonnis van 11 april 2016 heeft het Gerecht in eerste aanleg partijen verzocht om informatie over de stand van zaken en stukken van de Turkse procedure.12. Ook wordt verwezen naar de stelling dat het vonnis op 30 mei 2012 is uitgesproken. Uit de stukken blijkt dat op de comparitie in december 2016 het Gerecht hierover is geïnformeerd. Vonnis en vertaling zijn nagestuurd. Daarna heeft de zaak tot 2022 stil gelegen.13.
13.
Het hof had in het kader van de Gazprombank-jurisprudentie — indien toch van toepassing — gemotiveerd moeten ingaan op bovengenoemde stelling i. omdat deze stelling relevant is i.v.m. de bekendheid van de vrouw met het aanhangig zijn van de Turkse procedure zodat een eventueel gebrek in de oproep daardoor wordt hersteld. Zie in dit verband ook het gestelde in onderdeel 3 hierna.
14.
Daarnaast kan — overeenkomstig art. 10:57 lid 2 BW NL — een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk toch worden erkend, indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die ontbinding heeft ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust. In het kader van deze rechtsregel had het hof gemotiveerd moeten ingaan op bovengenoemde stellingen i. t/m iv omdat deze allen relevant zijn i.v.m. de vraag of de vrouw uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd of na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust. Uit die stellingen volgt namelijk dat de vrouw bekend was met de lopende procedure in Turkije, maar desondanks niet is verschenen en kennelijk ook naderhand in de uitspraak heeft berust door geen actie te ondernemen, in het latere verzoek tot naamswijziging naar de echtscheidingsbeschikking te verwijzen en ook overigens zelf een echtscheiding (met bijbehorende voorzieningen) te willen.
15.
Voorzover deze rechtsregel niet rechtstreeks zou volgen uit het recht van Sint Maarten, had het hof deze moeten toepassen nu het gaat om een algemeen rechtsbeginsel van IPR (favor divorti) gaat.14. Voor zover het hof van oordeel was geweest dat het niet had hoeven te responderen op de stellingen van de man moeten responderen omdat een dergelijke rechtsregel niet bestaat is het hof dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of heeft het hof miskend dat het ook deze stellingen — zo nodig met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden — in het kader van wilsovereenstemming, rechtsverwerking of gerechtvaardigd vertrouwen had moeten beoordelen.
Onderdeel 3
16.
Daarnaast heeft het hof in r.o. 2.4 t/m 2.7 ten onrechte of onbegrijpelijk geoordeeld dat het Turkse echtscheidingsuitspraak niet voldoet aan criterium ii van het Gazprombank-arrest, te weten dat de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging.
Onderdeel 3A
17.
In r.o. 2.5 overweegt het hof dat uit de overgelegde stukken met betrekking tot de oproeping van de vrouw voor de Turkse echtscheidingsprocedure en die met betrekking tot de bekendmaking van de Turkse echtscheidingsbeschikking (prod. 8 en 9 beroepschrift) niet valt af te leiden dat die, althans in ieder geval de oproeping, de vrouw dan wel haar woonadres hebben bereikt. Volgens het hof valt met welwillende lezing daar hooguit uit af te leiden dat de stukken de Turkse ambassade in Caraces, Venezuela hebben bereikt. Deze overwegingen zijn onbegrijpelijk omdat de man met verwijzing naar producties heeft gesteld en uit die producties wel degelijk blijkt dat de stukken (en in elk geval de oproeping) naar het woonadres van de vrouw in Sint Maarten zijn gezonden.15.
18.
Daarbij komt dat de vrouw de inhoud van de desbetreffende producties ook niet heeft betwist. De vrouw heeft in haar verweerschrift gesteld dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt dat het stuk ook daadwerkelijk aan de vrouw is betekend of bezorgd. Volgens de vrouw staat er ‘shipment delivered’ [de man] met locatie Sint Maarten, maar wordt er geen adres genoemd en is er niet getekend voor ontvangst.16. Niet alleen maakt dit het oordeel van het hof des te onbegrijpelijker maar ook treedt het hof hier buiten de rechtsstrijd omdat de vrouw niet heeft gesteld dat uit de producties hooguit valt af te leiden dat de stukken de Turkse ambassade in Caraces, Venezuela hebben bereik. Uit haar stellingen volgt dat uit de stukken wel degelijk valt af te leiden dat deze Sint Maarten hebben bereikt, alleen betwist de vrouw — ten onrechte — dat deze haar woonadres hebben bereikt.17.
Onderdeel 3B
19.
Verder is het onbegrijpelijk dat het hof in r.o. 2.5 overweegt dat uit de in het beroepschrift geciteerde Turkse bepaling 25/a kan worden afgeleid dat de oproeping rechtsgeldig is gedaan wanneer deze vanuit de Turkse ambassade is geschiedt overeenkomstig de Sint Maartense regelgeving. Dit volgt echter niet uit dit artikel en dit is ook niet door de man gesteld. Uit dit artikel volgt en door de man is gesteld dat voor Turkse staatsburgers de oproeping geschiedt (per brief) via de Turkse ambassade of het consulaat in het land of regio waar de wederpartij feitelijk woonachtig is.18. Het Turkse procesrecht laat de oproeping in dat geval over aan de Turkse ambassade en consulaat en schrijft in dat geval niet voor dat de lokale wetgeving moet worden gevolgd. De Turkse rechter dient het bewijs te zien en te beoordelen of de wederpartij door de ambassade of consulaat behoorlijk is opgeroepen.19. De Turkse rechter heeft dat in de echtscheidingsbeschikking vastgesteld:
‘Although the petition and date of trail were duly notified to the defendant [de vrouw], who is a citizen of the Republic of Turkey, through Venezuela Karakas Embassy as per article 25 of the notification act N. 7201, the defendant was not present in the trial nor did she give reply to the lawsuit and the defendant was notified to participate in the investigatory trial of our court and the list of evidence and witnesses submitted by the plaintiff and records and documents were also duly served to the defendant through Karakas Embassy but the defendant did not give any reply to the list of evidence and witnesses and records and documents duly submitted to her, she did not submit any counter evidence and did not participate in our court's trial.’20.
20.
Gelet op de door het Turkse recht in het onderhavige geval voorgeschreven wijze van oproeping en de constateringen van de Turkse rechter is het onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in r.o. 2.5 oordeelt dat de door het recht van Sint Maarten voorgeschreven regelgeving gevolgd had moeten worden. Datzelfde geldt voor oordeel van het hof in r.o. 2.6 dat de Turkse procedure niet voldoet aan de in dit geval te stellen eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omkleedde rechtspleging gelet op de ingrijpende aard van een echtscheiding en het ontbreken van een toelichting hoe de vrouw kennis kon krijgen van de oproep en het aanhangig zijn van de procedure. De man heeft immers wel degelijk toegelicht dat de oproeping per brief via de Turkse ambassade is geschied en dat dit is gecontroleerd door de Turkse rechter (zie ook onderdeel 3A hiervoor). Zoals in het vorige onderdeel 2 aangevoerd heeft de man ook in de procedure bij het Gerecht in eerste aanleg in Sint Maarten aan de vrouw laten weten dat er een procedure liep.21. De vrouw heeft er echter voor gekozen om niet te verschijnen en geen rechtsmiddel in te stellen tegen de Turkse echtscheidingsbeschikking. Daarnaast heeft de man er op gewezen dat het Turkse procesrecht zelfs verdere bescherming biedt dan het Sint Maartense procesrecht wanneer de partij in het buitenland woont. Waar Sint Maarten de oproeping alleen lokaal publiceert, vereist het Turkse procesrecht dat de oproeping daadwerkelijk in het buitenland gebeurt door verzending aan de wederpartij via het via de ambassade of consulaat.22. Hierdoor kan niet althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt worden geoordeeld dat de Turkse procedure niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging.
Onderdeel 3C
21.
Daarnaast heeft het hof miskend dat de stelplicht en bewijslast bij een beroep op criterium ii van het Gazprombank- arrest bij de vrouw liggen. Het is daarom onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in r.o. 2.6 een nadere toelichting van de man vereist over de (wijze van) betekening. Gelet op de voorgaande subonderdelen 3A en 3B was het aan de vrouw om te stellen en bewijzen waarom zij ervoor heeft gekozen om niet in de procedure te verschijnen en geen rechtsmiddel aan te wenden terwijl zij ervan op de hoogte was dat er een procedure in Turkije liep.
Onderdeel 4
22.
Bij het slagen van één of meer klachten van de voorgaande onderdelen kunnen ook de daarmee samenhangende of voortbouwende overwegingen niet in stand blijven, waaronder r.o. 2.3, 2.4. 2.9 2.10 en de beslissing.
Weshalve
De man zich wendt tot de Hoge Raad met het eerbiedige verzoek de bestreden beschikking te vernietigen met zodanige uitspraak als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Leiden, 31 juli 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑07‑2024
dit artikel uit het Rv. van St. Maarten is gelijkluidend aan de Nederlandse tegenhanger
verzoekschrift hoger beroep nrs. 41–43
verwezen wordt steeds naar het BW van Sint Maarten maar de desbetreffende bepalingen komen overeen met de Nederlandse
Verzoekschrift hoger beroep nrs. 5, 27 t/m 34, ,42, zie ook de stellingen van de man in r.o. 2.1 van het vonnis van 5 dec. 2022 van het Gerecht in eerste aanleg en verder de pleitnota in hoger beroep van de man, nrs. 3, 5, 16, 17, 23 en 24
pleitnota in hoger beroep van de man, nr. 15
Asser- De Boer, 1-I 2020/122
verweerschrift van de man van 7 november 2021 o.a. nrs. 3, 10, en conclusie pleitnotities bij comparitie namens de man van 7 november 2022, p. 2 en hoger beroepschrift van de man nr. 12 en pleitnota in hoger beroep van de man, nr. 12
hoger beroepschrift van de man nrs. 12–17, 25; pleitnotities bij comparitie namens de man van 7 november 2022, p. 3 en 4 en laatste pagina sub F en bijbehorende productie F ‘In summary, in the petition of the plaintiff's attorney dated 25/08/2015 it has been stated that the parties were divorced as per the decision of the Kadikoy 2nd Family Court rendered under file number […] on the merits with the decision number […], the decision became final, the plaintiff's divorced spouse is a world-famous businessman.’ en de overwegingen van de Turkse rechter op de daarna volgende pagina
hoger beroepschrift van de man, nrs. 30, 60 en 61, pleitnota in hoger beroep van de man, nrs. 2 en 4
zie ook de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg r.o. 2.3 van 5 december 2023
pleitnotities bij comparitie namens de man van 7 november 2022, p. 3 en 4
Asser 10-II, 2021/ nr. 201
zie hoger beroepschrift van de man nrs. 11 en 12 en Productie 9, p. 1 gecertifieerde vertaling van oproepingsbrief van 9 december 2011 van de Ambassade aan de vrouw geadresseerd aan haar woonadres aan de [a-straat 1], Sint Maarten, p. 2 onder ‘Wednesday, December 14, 2011’ en ‘Tuesday, December 13, 2011’ en Productie 10 p. 1, onder ‘Wednesyday, July 25, 2012’, ‘Tuesday, July 24, 2012’ en ‘Monday, July 23, 2012’
verweerschrift hoger beroep nr. 32
ten onrechte gelet op de in productie 9 opgenomen oproepingsbrief van 9 december 2011 van de Ambassade aan de vrouw geadresseerd aan haar woonadres aan de [a-straat 1] Sint Maarten
hoger beroepschrift van de man nr. 46, prod. 9
hoger beroepschrift van de man nr. 45 t/m 47
Prod. 2 bij hoger beroepschrift, p. 2 2e alinea, onderstreping cassatieadvocaat
nr. 12 sub i
hoger beroepschrift van de man nr. 46