Rechtbank Den Haag 17 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2929.
HR, 19-01-2024, nr. 22/03243
ECLI:NL:HR:2024:57
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-01-2024
- Zaaknummer
22/03243
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:57, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑01‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2748
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1030
ECLI:NL:PHR:2023:1030, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:57
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑10‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑08‑2022
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0016
JIN 2024/31 met annotatie van mr. M.A.J.G. Janssen
JBPr 2024/23 met annotatie van mr. P.A. Fruytier
TvPP 2024/13, p. 51
JBPr 2024/23 met annotatie van mr. P.A. Fruytier
Uitspraak 19‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 401a Rv. Octrooizaak. Ontvankelijkheid van partijen in cassatieberoepen tegen tussenarresten.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03243
Datum 19 januari 2024
ARREST
In de zaak van
1. SONOS EUROPE B.V.,
gevestigd te Hilversum,
2. SONOS, INC.,
gevestigd te Santa Barbara, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Sonos,
advocaat: R.L.M.M. Tan,
tegen
GOOGLE LLC.,
gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Google,
advocaat: H.J. Pot.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/09/599482 KG/RK 20-1142 van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020, het vonnis in de zaak C/09/607567 / HA ZA 21-174 van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2021, en het vonnis en de rolbeslissingen in de zaak C/16/519479 / HL ZA 21-94 van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2021 (rolbeslissing), 14 april 2021 (rolbeslissing) en 26 januari 2022 (vonnis);
b. de arresten in de zaak 200.292.395/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 juli 2021 en 31 mei 2022.
Sonos heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Google heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen schriftelijk en mondeling toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en van het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van Google heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Google vordert in deze procedure Sonos te verbieden inbreuk te maken op een octrooi van Google.
De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 22 september 2020 Google toegestaan om te procederen volgens het zogeheten Versneld Regime in Octrooizaken (hierna: de VRO-beschikking).
(ii) Bij vonnis van 17 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, in de staat waarin de zaak zich bevindt. Zij heeft daarbij overwogen dat hieronder moeten worden begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking.1.
(iii) Sonos heeft de rechtbank Den Haag verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen van het vonnis van 17 maart 2021. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen.
(iv) Sonos heeft niettemin tussentijds hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 maart 2021. Sonos heeft in dit hoger beroep incidentele vorderingen ingesteld die ertoe strekken te bepalen dat de rechtbank Midden-Nederland niet is gebonden aan de VRO-beschikking en dat het hoger beroep schorsende werking heeft.
(v) Bij arrest van 27 juli 2021 heeft het gerechtshof Den Haag de incidentele vorderingen van Sonos afgewezen.2.
(vi) De rechtbank Midden-Nederland heeft bij eindvonnis van 26 januari 2022 de vordering van Google afgewezen.3.Google heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
(vii) Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 31 mei 2022 Sonos niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2021.4.Het hof heeft daartoe overwogen dat, in het licht van het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, niet valt in te zien welk belang Sonos nog heeft bij dit hoger beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1
Het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2021 is een tussenvonnis omdat daarbij niet in het dictum een einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde, dat wil zeggen de rechtsvordering die inzet van het geding is, zijnde het door Google gevorderde verbod.5.
De arresten van het gerechtshof Den Haag van 27 juli 2021 en 31 mei 2022 zijn tussenarresten, omdat daarbij evenmin in het dictum een einde is gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde.
Het tussenarrest van 27 juli 2021 is geen uitspraak als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv waarbij een voorlopige voorziening is geweigerd, omdat de afwijzing van de incidentele vorderingen van Sonos een beslissing is in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak.6.
Het hof heeft in zijn arrest van 31 mei 2022, met zijn beslissing over de proceskosten, de vordering van Google tot veroordeling van Sonos in de volledige proceskosten afgewezen. De enkele beslissing omtrent de proceskosten in het dictum van een uitspraak maakt deze niet tot een einduitspraak.
Tegen de arresten van 27 juli 2021 en 31 mei 2022 kan daarom slechts beroep in cassatie worden ingesteld tegelijk met dat van het – door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te wijzen – eindarrest, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 401a lid 2 Rv). De rechter heeft niet anders bepaald. De zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie is hier niet van toepassing.7.Sonos en Google zijn dus niet ontvankelijk in hun cassatieberoepen.
3.2.1
Sonos zal in het principale cassatieberoep worden veroordeeld in de kosten. Google vordert veroordeling van Sonos in de volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht en voert daartoe aan dat Sonos met haar cassatieberoep slechts beoogt de procedure te vertragen of te frustreren.
Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.8.Met inachtneming van deze terughoudendheid ziet de Hoge Raad onvoldoende grond voor een veroordeling in de volledige proceskosten.
Google heeft uitdrukkelijk geen aanspraak gemaakt op begroting van de proceskosten met toepassing van art. 1019h Rv.
De Hoge Raad zal de proceskosten in het principale beroep begroten met toepassing van het liquidatietarief.
3.2.2
Google zal in het incidentele cassatieberoep worden veroordeeld in de proceskosten. Sonos heeft aanspraak gemaakt op toepassing van art. 1019h Rv en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat als het principale en het incidentele beroep geheel falen, compensatie van de proceskosten is aangewezen. Mede gelet op dit standpunt ziet de Hoge Raad aanleiding om ook de kosten in het incidentele cassatieberoep te begroten met toepassing van het liquidatietarief.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- verklaart Sonos niet-ontvankelijk;
- veroordeelt Sonos in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Google begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
- verklaart Google niet-ontvankelijk;
- veroordeelt Google in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Sonos begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Google deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 19 januari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑01‑2024
Gerechtshof Den Haag, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2024:52.
Rechtbank Midden-Nederland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:245.
Gerechtshof Den Haag, 31 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2748.
Vgl. HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, rov. 3.3.2.
Vgl. HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, rov. 3.4.3.
Vgl. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, rov. 4.5.
HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1934, rov. 3.3.
Conclusie 17‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Procesrecht; octrooirecht. Doorbrekingsgronden rechtsmiddelenverbod tussenuitspraak, ontvankelijkheid in cassatie, HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614; toepassing VRO-regime door relatief bevoegde rechter na verwijzing, art. 80 ROW
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03243
Zitting 17 november 2023
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. Sonos Europe B.V.
2. Sonos Inc.
eiseressen tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
tevens verweersters in cassatie in het incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. R.L.M.M. Tan
tegen
Google LLC.
verweerster in cassatie in het principaal cassatieberoep,
tevens eiseres tot cassatie in het incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. H.J. Pot
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Sonos respectievelijk Google.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze octrooizaak gaat in de nu voorliggende cassatieberoepen alleen over processuele kwesties1.. Google heeft, na daartoe verlof te hebben verkregen bij beschikking van 22 september 2020 (de VRO-beschikking), een zaak over octrooi-inbreuk aangebracht bij de rechtbank Den Haag conform het Versneld Regime in Octrooizaken (VRO-regime)2.. Sonos heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen en de rechtbank Den Haag heeft zich relatief onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland (het Onbevoegdheidsvonnis). Daarbij heeft de rechtbank in rov. 2.6 aangegeven dat zij de zaak verwijst in de staat3.waarin deze zich bevindt, daaronder begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking. Tegen deze beslissing heeft Sonos met een beroep op de aanwezigheid van doorbrekingsgronden voor het rechtsmiddelenverbod appel ingesteld bij het hof Den Haag en zij heeft tevens twee incidentele vorderingen ingesteld. Bij arrest van 27 juli 2021 heeft het hof Den Haag eerst deze incidentele vorderingen afgewezen. Daarna heef het hof bij arrest van 31 mei 2022 Sonos niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens gebrek aan belang gelet op het voor haar positieve resultaat in de octrooi-inhoudelijke hoofdzaak vanwege het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland (waar Google ongelijk heeft gekregen). Het hof is in dit arrest desondanks ingegaan op de door Sonos aan de orde gestelde kwestie of de rechtbank Den Haag bevoegd was om de rechtbank Midden-Nederland te wijzen op de processuele beslissingen in de VRO-beschikking. Dat is volgens het hof onjuist en dit is meegewogen in het kader van het kostenoordeel met de negatief beoordeelde vraag of sprake was van misbruik van procesrecht door Sonos, aanleiding voor het hof om de proceskosten zelfs te compenseren. Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het Haagse hof en Google heeft in cassatie andermaal een integrale proceskostenveroordeling gevorderd wegens misbruik van procesrecht door Sonos. Ik meen dat gelet op Giskus/BMG4.niet wordt toegekomen aan inhoudelijke behandeling van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, omdat een rechtsmiddelenverbod geldt en de beiderzijds gestelde doorbrekingsgronden niet opgaan, zodat deze zaak in cassatie niet voorbij de voorvraag komt of sprake is van een slagend beroep op doorbrekingsgronden. Beide cassatieberoepen dienen dan, hoewel ontvankelijk, vervolgens om die reden te worden verworpen. Voor het halen van de hoge drempel van misbruik van procesrecht (in cassatie) is in mijn ogen onvoldoende aangevoerd door Google. Uit de inhoudelijke bespreking ten overvloede van de cassatiemiddelen komt naar voren dat alleen de klacht in het onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Google over de kostenveroordeling in het arrest van het Haagse hof van 31 mei 2022 zou slagen. Tot cassatie kan dit in mijn ogen om de aangegeven redenen niet leiden.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:5.
2.2
Bij dagvaarding van 1 oktober 2020 heeft Google Sonos gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en daarbij gevorderd een verbod aan Sonos om inbreuk te maken op buitenlandse delen van Europees octrooi 1 579 621 (hierna: het octrooi of EP 621) dan wel onrechtmatig te handelen door de inbreuken in het buitenland te faciliteren (hierna ook: octrooi-inbreukverbod c.a.).
2.3
Bij beschikking van de voorzieningenrechter van die rechtbank van 22 september 2020 is Google toegestaan om te procederen volgens het Versneld Regime in octrooizaken (VRO) (hierna: de VRO-beschikking).
2.4
Sonos heeft (tijdig) een onbevoegdheidsverweer gevoerd, stellende dat, nu Google zich niet (ook) beroept op een Nederlands deel van EP 621, de rechtbank Den Haag, ook gelet op art. 80 lid 2 sub a ROW, niet relatief bevoegd is.
2.5
In het vonnis in het bevoegdheidsincident van 17 maart 2021 (hierna: het Onbevoegdheidsvonnis) is de rechtbank Sonos hierin gevolgd, en heeft zij zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Van belang is:
- punt 2.6 van het vonnis, luidende:
“De rechtbank zal de zaak in de staat waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, daaronder begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking van 22 september 2020 (…)”;
- het volgende punt van het dictum:
“3.3. verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Midden-Nederland”.
De beslissing over de proceskosten is in het Onbevoegdheidsvonnis aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
2.6
Hoewel zij in het Onbevoegdheidsvonnis van 17 maart 2021 in het gelijk was gesteld, heeft Sonos de rechtbank Den Haag verzocht om hoger beroep daartegen open te stellen. De achtergrond daarvan is dat zij wenst dat de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland niet wordt voortgezet op grond van het VRO-regime maar op grond van het reguliere procesreglement van die rechtbank.
2.7
Op 23 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag het volgende aan partijen bericht:
“De rechtbank ziet geen aanleiding tussentijds appel toe te staan tegen het incidentele vonnis van 17 maart 2021, zo een appel tegen dat vonnis waarbij de zaak is verwezen naar de relatief bevoegde rechter, al mogelijk zou zijn”.
In art. 110 lid 3 Rv is bepaald dat tegen een vonnis waarbij, wegens relatieve onbevoegdheid, de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, geen hogere voorziening is toegelaten en dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, aan die verwijzing is gebonden.
2.8
Bij exploot van 23 maart 2021 heeft Google Sonos opgeroepen om na de in het Onbevoegdheidsvonnis uitgesproken verwijzing verder te procederen bij de rechtbank Midden-Nederland.
2.9
Bij appeldagvaarding van 29 maart 2021 heeft Sonos drie grieven tegen het Onbevoegdheidsvonnis aangevoerd. Daarbij heeft zij gevorderd (p. 21) dat het hof het Onbevoegdheidsvonnis wat de punten 2.6 en 3.3 betreft vernietigt, en opnieuw rechtdoende, de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 vernietigt althans voor recht verklaart dat deze beschikking de rechter naar wie de zaak is verwezen, niet kan binden, althans niet bindt. Dit laatstgenoemde standpunt is door Sonos ook in het kader van grief 3 (in punt 33 van de appeldagvaarding) naar voren gebracht. Tevens heeft Sonos twee incidenten opgeworpen waarin zij heeft gevorderd:
I dat het hof op de voet van artikel 223 Rv de voorlopige voorziening treft dat de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 de rechtbank Midden-Nederland niet kan binden althans niet bindt;
II voor het geval aan het onderhavige hoger beroep niet van rechtswege schorsende werking toekomt: dat het hof beveelt dat aan het hoger beroep schorsende werking toekomt.
2.10
Bij arrest van 27 juli 2021 heeft het hof Den Haag de incidentele vorderingen van Sonos afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“6. Incidentele vordering I heeft uitsluitend betrekking op een processuele kwestie - is de rechtbank Midden-Nederland gebonden aan de Haagse VRO-beslissing? - en hangt niet samen met de hoofdvordering als bedoeld in artikel 223 lid 2 Rv, die immers op octrooi-inbreuk is gebaseerd. Voor die incidentele vordering kan geen grondslag worden gevonden in artikel 223 Rv, en ook niet in enige andere wetsbepaling of rechtsregel. Incidentele vordering I is daarom niet toewijsbaar.
7. Uit de toepasselijke rechtsregels volgt of het onderhavige hoger beroep al dan niet schorsende werking heeft. Als het hoger beroep van rechtswege geen schorsende werking heeft - de voorwaarde waaronder incidentele vordering II is ingesteld - dan is voor een bevel dat daaraan schorsende werking toekomt, geen plaats. Ook incidentele vordering II is dus niet toewijsbaar.
8. De incidentele vorderingen van Sonos zullen worden afgewezen. De kosten van de incidenten zullen op de voet van artikel 237 lid 2 Rv worden aangehouden tot het eindarrest.”
2.11
In de tussentijd is de procedure voortgezet bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij rolbeslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2021 is bepaald dat, kort gezegd, wordt voortgeprocedeerd op basis van de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020. Bij eindvonnis van 26 januari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland (i) de vorderingen van Google zowel in de hoofdzaak als bij wijze van voorlopige voorziening afgewezen en (ii) Google veroordeeld in de kosten in de hoofdzaak en het bevoegdheidsincident, begroot op het door partijen voor alle kosten gemaakt tot aan een beslissing op de voorlopige voorziening (exclusief de kosten van het appel in het bevoegdheidsincident) overeengekomen bedrag van € 200.000,-6.. Tegen dit eindvonnis heeft Google bij exploot van 4 februari 2022 hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Dat hof heeft bij arrest van 28 februari 2023 de verzoeken van Sonos om het hoger beroep aan te houden, te schorsen of door te halen, afgewezen7..
2.12
Bij arrest van 31 mei 2022 heeft het hof Den Haag vervolgens het volgende geoordeeld:
“8. In het licht van het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland valt niet in te zien welk belang Sonos nu nog heeft bij haar hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis. Dat zij bij de rechtbank Midden-Nederland heeft moeten voortprocederen op basis van het VRO, hetgeen de kern van haar bezwaren tegen het Onbevoegdheidsvonnis vormt, heeft voor haar niet tot nadelige gevolgen geleid - de vorderingen van Google zijn immers afgewezen - en kan ook niet meer ongedaan gemaakt worden nu het hof dat over dat eindvonnis zal oordelen (het hof Arnhem-Leeuwarden) vanwege de devolutieve werking niet zal kunnen terugverwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland om de zaak alsnog buiten het VRO om te behandelen. In de punten 24, 39 en 46 AD heeft Sonos ook zelf te kennen gegeven dat door hoger beroep tegen het eindvonnis het procederen onder het VRO-regime niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Omdat de in het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken proceskostenveroordeling blijkens het onder 7 bij c) weergegeven citaat ook de proceskosten van de behandeling van het bevoegdheidsincident bij de rechtbank Den-Haag omvat, bestaat ook in verband met de proceskosten voor Sonos geen belang meer bij het hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis. Sonos zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
9. Dit neemt overigens niet weg dat het standpunt van Sonos (zie de rovv. 2 en 6), dat de verwijzende rechtbank Den Haag niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijk regime op te leggen (het VRO) dat die rechtbank niet kent, juist is. De bevoegde rechtbank dient de zaak op basis van het voor haar geldende procesreglement te beslissen, en het is aan die rechtbank om te bezien of binnen dat reglement ruimte bestaat voor toepassing van een specifieke regeling als het VRO. Vanuit dit oogpunt bestond er voor Sonos dus wel aanleiding om in hoger beroep te komen van het Onbevoegdheidsvonnis waarin de verwijzende rechtbank de bevoegde rechtbank voorschreef althans aanspoorde om het VRO toe te passen.
10. Gelet hierop kan - anders dan Google betoogt - niet worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis aan te tekenen. Voor de door Google op basis van (uitsluitend) die rechtsgrond gevorderde volledige proceskostenveroordeling is dan ook geen plaats. Sterker nog: in het onder 9 overwogene ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren.
11. Aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel appel van Google komt het hof niet toe aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder dat is ingesteld, te weten dat Sonos in haar hoger beroep kan worden ontvangen (punt 61 MvA/MvG-inc).”
2.13
Tegen de arresten van 27 juli 2021 en van 31 mei 2022 heeft Sonos tijdig cassatieberoep ingesteld. Google heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten mondeling en schriftelijk doen toelichten. In het principaal cassatieberoep heeft Sonos gerepliceerd en Google gedupliceerd. In het principaal cassatieberoep heeft Google gerepliceerd en heeft Sonos afgezien van dupliek.
3. Juridisch kader
Tussentijds hoger beroep of cassatie
3.1
Naar huidig recht is ingevolge art. 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep van tussenvonnissen in beginsel uitgesloten. Hoger beroep is wel mogelijk van vonnissen waarbij een voorlopige (provisionele) voorziening is getroffen (art. 337 lid 1 Rv). Daarnaast kan hoger beroep worden ingesteld tegen tussenvonnissen ingeval de rechter dit in zijn tussenvonnis heeft bepaald. Tot 1 januari 2002 gold de omgekeerde regel: als hoofdregel kon onmiddellijk hoger beroep van een tussenvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter dit in zijn vonnis had uitgesloten8.. Verder zijn in de rechtspraak twee andere mogelijkheden gecreëerd. Zo is tussentijds hoger beroep van het tussenvonnisgedeelte in een deelvonnis mogelijk en kan die mogelijkheid ook opengesteld worden in een later tussenvonnis9.. In andere gevallen is tussentijds hoger beroep niet mogelijk. Het doel hiervan is om fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties tegen te gaan en op die manier de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen10.. De continuïteit van de instantie wordt gewaarborgd en tegelijkertijd is een soepele afwijking mogelijk11..
3.2
Voor cassatieberoep tegen tussenuitspraken geeft art. 401a lid 2 Rv een regeling die vrijwel gelijk is aan art. 337 lid 2 Rv. Behalve wanneer tussentijds cassatieberoep is opengesteld, kan cassatieberoep van andere tussenuitspraken dan provisionele uitspraken pas tegelijk met cassatie tegen de einduitspraak worden ingesteld.
Doorbreking rechtsmiddelenverbod
3.3
Sommige rechtsmiddelenverboden kunnen worden doorbroken. In 2012 is uitgemaakt dat de ‘doorbrekingsjurisprudentie’ (waarmee wordt bedoeld dat de appellant ondanks een wettelijk appelverbod toch ontvankelijk is in hoger beroep, indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken) niet van toepassing is bij art. 337 lid 2 Rv dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend12.. Ik zie geen reden waarom dit niet ook zou gelden voor art. 401a lid 2 Rv13..
Schorsende werking
3.4
Indien hoger beroep is ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen op grond van art. 337 lid 2 Rv geen hoger beroep openstaat, heeft zo’n appel volgens art. 350 lid 2 Rv geen schorsende werking. Dit is een uitzondering op de regel in art. 350 lid 1 Rv dat het instellen van hoger beroep wel schorsende werking heeft. Door schorsende werking te onthouden aan een hoger beroep dat in strijd met art. 337 lid 2 Rv is ingesteld, heeft de wetgever willen voorkomen dat de procedure toch onnodig zou worden vertraagd14..
Tussenuitspraak of einduitspraak?
3.5
De vraag rijst wat moet worden verstaan onder een tussenvonnis of tussenarrest. Art. 232 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter, voordat hij definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis kan wijzen. Hieruit blijkt dat een tussenvonnis of tussenarrest een uitspraak is waarin de rechter nog niet definitief over het gevorderde beslist. Het gaat dan om de vordering die de inzet is van het geding. In 2010 is de rechtspraaklijn in deze aangescherpt door uitspraken op vorderingen die gericht zijn op de voortgang of instructie van een zaak, zoals een vordering tot het bevelen van een deskundigenonderzoek, niet als deeluitspraken, maar als tussenuitspraken aan te merken, omdat daarin geen einde wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde15..
3.6
Een eindvonnis of eindarrest geeft daarentegen een beslissing in het dictum over (een onderdeel van) hetgeen is gevorderd en maakt (in zoverre) een einde aan de instantie. Dit is het geval als een vordering in het dictum (gedeeltelijk) wordt toegewezen of afgewezen16.. Bepalend is dus of het dictum van een vonnis of arrest een beslissing inhoudt waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een eind wordt gemaakt.
3.7
Onder de term 'het gevorderde' worden hier de materiële vordering(en) van partij(en) verstaan zoals deze onder meer voorkomen in het petitum van de inleidende dagvaarding en de conclusie van eis in reconventie, aangevuld met eventuele wijzigingen van eis. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de vordering tot betaling van een geldsom of een verklaring voor recht. Indien in het dictum een beslissing wordt gegeven over (enig deel van) een dergelijke vordering, en dus in zoverre een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent een deel van 'het gevorderde', is sprake van een (gedeeltelijk) eindvonnis. Vorderingen van processuele aard, zoals incidentele vorderingen, maken geen deel uit van 'het gevorderde'17.. Het is vaste rechtspraak dat als in de hoofdzaak een incident wordt opgeworpen en de rechter een einduitspraak doet in het incident, dit vonnis is te beschouwen als een tussenuitspraak. De beslissing in het incident leidt dan immers niet tot een definitieve beslissing over het in de hoofdprocedure gevorderde18..
Rolbeslissing
3.8
Een rolbeslissing is in de regel louter een maatregel ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter stroomlijning van de procesgang. Een dergelijke maatregel grijpt doorgaans niet in op de rechten en belangen van partijen. Tegen een beslissing met een dergelijk karakter kan dan ook geen rechtsmiddel worden aangewend, tenzij sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel19.. Als een rolbeslissing daarentegen wel ingrijpt op de rechten en belangen van partijen, moet deze als een uitspraak worden aangemerkt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het verlenen van een akte niet-dienen, waarbij het recht vervalt om bepaalde proceshandelingen te verrichten20.. Ik kom hier nog op terug in 4.9-4.10.
Uitspraak in bevoegdheidsincident
3.9
Wat betreft een uitspraak in een bevoegdheidsincident moet een onderscheid worden gemaakt tussen een uitspraak waarin de rechter het beroep op zijn absolute onbevoegdheid verwerpt en die waarin dat juist wordt gehonoreerd. Een vonnis waarin de rechter zich bevoegd verklaart, kan worden aangemerkt als een tussenvonnis. Op grond van art. 337 lid 2 Rv is tussentijds hoger beroep daarvan uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Indien tussentijds hoger beroep wordt ingesteld van dat vonnis en de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, is het desbetreffende arrest aan te merken als een tussenarrest. Van dat arrest is ingevolge art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald21.. Daartegenover staat een vonnis waarin de rechter zich onbevoegd verklaart. De reden van onbevoegdheid kan zijn dat een rechter van een ander land internationaal bevoegd is of de overheidsrechter onbevoegd is vanwege een arbitraal beding en de rechtbank zich ingevolge art. 1022 lid 1 Rv onbevoegd verklaart. Met een onbevoegdverklaring wordt een einde gemaakt aan de instantie en aan de tussen partijen aanhangige procedure voor de Nederlandse overheidsrechter. Deze uitspraak wordt aangemerkt als een eindvonnis of eindarrest en daartegen staat (cassatie)beroep open.
3.10
De relatieve bevoegdheid van de rechter vergt een andere benadering. De relatief bevoegde rechter is de rechter die geografisch gezien bevoegd is om kennis te nemen van een zaak. Ingevolge art. 110 lid 3 Rv is zowel tegen een vonnis waarbij het beroep op relatieve onbevoegdheid is verworpen, als tegen een vonnis waarin het beroep is gehonoreerd met verwijzing van de zaak naar de wel relatief bevoegde rechter, geen hogere voorziening toegelaten22.. De reden hiervoor is dat geschillen rond relatieve bevoegdheid bij voorkeur op korte termijn beslecht moeten worden en niet ook nog door moeten werken in hogere instantie. Vertraging van de procedure moet worden voorkomen23.. Verder geldt dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, ook aan die verwijzing is gebonden. Het is niet de bedoeling dat na verwijzing een nieuwe discussie ontstaat over de vraag of de rechter naar wie is verwezen wel relatief bevoegd is. Er is sprake van een tussenvonnis24..
4. Ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling in cassatie
4.1
Hoe zit het met de ontvankelijkheid in cassatie in onze zaak? De Hoge Raad kan ambtshalve of naar aanleiding van een daarop gericht beroep van een procespartij beslissen dat de eiser niet-ontvankelijk is in cassatie25.. Google stelt de ontvankelijkheid van Sonos in paragraaf 4 (rdnrs. 27-30) van haar verweerschrift en punt 17 van haar plta cass aan de orde. Zij stelt dat het Onbevoegdheidsvonnis een tussenvonnis is, hetgeen meebrengt dat ook het bestreden arrest als een tussenarrest moet worden aangemerkt, ondanks het feit dat het een einde maakte aan het tussentijdse appel. Nu het hof geen tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld (Sonos heeft geen daartoe strekkend verzoek ingediend), dient het principaal cassatieberoep volgens Google ex art. 401a lid 2 Rv niet ontvankelijk te worden verklaard. Dat geldt volgens Google niet voor haar incidenteel cassatieberoep, omdat in cassatie moet kunnen worden geklaagd over het ten onrechte niet toepassen van art. 337 lid 2 Rv. Ook geldt een eventuele kwalificatie als tussenuitspraak niet voor de beslissing over de proceskosten in een geval als het onderhavige, waarin zij een volledige proceskostenvergoeding vordert wegens misbruik van recht, aldus Google.
4.2
Daarnaast stelt Google in paragraaf 5 van haar verweerschrift aan de orde of bevoegdheid van de Haagse rechtbank is beperkt tot Nederlandse octrooien of Nederlandse delen van Europese octrooien en dus niet ziet op buitenlandse delen van Europese octrooien. Google reageert daarmee op de stelling van Sonos bij PI in cassatie onder 2 dat Google de zaak bij een evident niet-bevoegde rechter heeft aangebracht, (omdat art. 80 ROW alleen exclusieve bevoegdheid creëert voor de Haagse rechtbank met betrekking tot (voor zover hier relevant) Nederlandse delen van Europese octrooien, niet voor buitenlandse delen van Europese octrooien zoals in deze zaak aan de orde). Google betoogt dat deze stelling niet juist is en vraagt de Hoge Raad om zich zo nodig ten overvloede uit te laten over de reikwijdte van art. 80 ROW.
4.3
Het lijkt voor deze zaak niet nodig om uit te weiden over de reikwijdte van art. 80 ROW in de hier bedoelde zin26., zodat ik daar geen beschouwingen aan zal wijden27..
Ontvankelijkheid van Sonos in hoger beroep
4.4
Startpunt in de beschouwing over de ontvankelijkheidsvraag in cassatie is een analyse over de ontvankelijkheid van Sonos in appel, hoewel dat op zichzelf los staat van de ontvankelijkheidsvraag in cassatie; het lijkt mij voor een beter begrip dienstig om met de ontvankelijkheid in hoger beroep te beginnen. Op 22 september 2020 is Google bij beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag toegelaten tot de VRO-procedure. In het Onbevoegdheidsvonnis heeft de Haagse rechtbank zich vervolgens relatief onbevoegd verklaard en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland, er daarbij (in de overwegingen, niet in het dictum) op wijzend dat daaronder ook begrepen zijn de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking (met uitzondering van de pleitdatum, omdat dat afhankelijk is van de beschikbaarheid van de rechtbank Midden-Nederland). Ondanks dat de rechtbank tegen dit vonnis (ook desverzocht) geen tussentijds appel heeft toegestaan, is Sonos daarvan in hoger beroep gekomen. Sonos griefde niet tegen het oordeel over de relatieve bevoegdheid zelf, het ging haar om het schenden van het recht op mondelinge behandeling (grief 1), misbruik van procesrecht (grief 2) en het wijzen op de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking (grief 3). Daarnaast heeft Sonos twee incidenten opgeworpen – die zien op de gebondenheid aan de VRO-beschikking en de schorsende werking van het hoger beroep, die het Haagse hof bij arrest van 27 juli 2021 eerst heeft verworpen. Daarna is Sonos bij arrest van 31 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens gebrek aan belang, omdat inmiddels in de rechtbank waar de zaak naar verwezen was ten gunste van haar was beslist, en is een proceskostenveroordeling uitgesproken (compensatie). Hoe moet dit samenstel procesrechtelijk worden geduid?
4.5
De hoofdlijn lijkt mij als volgt te moeten zijn. Of het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv hier in de weg stond aan het hoger beroep van Sonos, is ervan afhankelijk of wordt opgekomen tegen het gedeelte van de beroepen uitspraak dat ziet op de relatieve bevoegdheid van de rechter (zie hiervoor in 3.10). Volgens art. 209 Rv dient de rechter bij afzonderlijke beslissing eerst op een bevoegdheidsincident te beslissen, ‘indien de zaak dit meebrengt’. Er kunnen ook andere oordelen staan in de betreffende uitspraak waarin daarop wordt beslist; zo is er ook ruimte om de hoofdzaak gelijktijdig met de incidenten af te doen28.. Een appel tegen andere oordelen dan het bevoegdheidsoordeel die in dezelfde beroepen beslissing staan, wordt niet getroffen door de werking van art. 110 lid 3 Rv. Is het wijzen op de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking een losstaand oordeel, of hangt dat zodanig samen met het bevoegdheidsoordeel, dat het daarmee één geheel vormt?
4.6
Volgens mij is het wijzen op de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking in de verwijzingsbeslissing niet als een losstaande beslissing aan te merken. De beslissing om Google toe te laten tot de VRO-procedure is immers genomen in de VRO-beschikking zelf. Dat heeft de rechtbank waar de zaak naar is verwezen (Midden-Nederland) zich ook gerealiseerd bij haar opvolgende rolbeslissing van 7 april 2021, waarin zij onder 2.1 overweegt dat ‘de procedure wordt voorgezet in de stand waarin deze zich bij verwijzing bevond. In dat kader geldt dat tussen partijen bij beschikking van 22 september 2020 [de VRO-Beschikking, A-G] is bepaald hoe de procedure zal verlopen.’ De Haagse rechtbank heeft in het Onbevoegdheidsvonnis alleen ter verduidelijking of als geheugensteuntje gewezen op de omstandigheid dat ‘de stand waarin deze zich bevindt’ in de zin van art. 74 lid 3 Rv29.hier concreet betekent: met inbegrip van de al eerder bij VRO-beschikking genomen processuele beslissingen, behoudens de pleitdatum. Daar is in het Onbevoegdheidsvonnis ook inhoudelijk niets naders over beslist. Art. 74 lid 3 Rv geldt voor alle procedures waarin een rechter heeft moeten verwijzen naar een andere rechter30.en is grotendeels gebaseerd op art. 157a lid 1 Rv (oud). De ratio is het voorkomen dat partijen na verwijzing weer opnieuw zouden moeten beginnen met de procedure en opnieuw processtukken zouden moeten indienen. De rechter oordeelt (mede) op grond van de stukken die voor de onbevoegde rechter zijn gewisseld. Proceshandelingen die al zijn verricht bij de verwijzende rechter, zijn ook geldig bij de rechter naar wie wordt verwezen. Deze rechter mag niet terugkomen op hetgeen tevoren in de procedure is voorgevallen31., voor zover de verwijzende rechter daar ook niet op zou hebben mogen terugkomen32.. Zonder verwijzing zou de Haagse rechter hier zelf als hoofdregel ook gebonden zijn geweest aan de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking. Het VRO-procesreglement geeft (bij wijze van uitzondering) tussentijds wel de mogelijkheid om de zaak om verschillende redenen uit het VRO-regime te verwijderen. Op dezelfde voet was de rechter naar wie verwezen is hier in beginsel gebonden aan hetgeen al uit de VRO-beschikking volgde, maar zou het rechtbank Midden-Nederland net als de Haagse rechtbank vrij hebben gestaan om tussentijds bij wijze van uitzondering de zaak uit het VRO-regime te verwijderen. Dat heeft rechtbank Midden-Nederland evenwel niet gedaan; integendeel: bij rolbeslissing van 7 april 2021 heeft zij (zelfstandig) aangegeven dat de door de rechtbank Den Haag genomen processuele beslissingen na verwijzing werden gehandhaafd.
4.7
De hoofdlijn is in mijn visie dat de vingerwijzing in het Onbevoegdheidsvonnis dat werd verwezen met inbegrip van de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking niet als een aparte beslissing is te begrijpen, maar samenhangt met het bevoegdheidsoordeel, zodat het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv daarop in beginsel onverkort van toepassing was. Sonos heeft echter aangevoerd dat er redenen zijn om dit rechtsmiddelenverbod te doorbreken33.. Dat betekent dat Sonos’ appel ontvankelijk was34.en het hof heeft hier kennelijk (impliciet) Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden gehonoreerd door inhoudelijk op het in appel gevorderde (althans op de incidenten) in te gaan, hoewel daarbij niet (expliciet) het partijdebat over het al dan niet terechte beroep op doorbrekingsgronden is besproken. De incidenten zijn inhoudelijk beoordeeld en afgewezen en de hoofdzaak van het tussentijds appel is bij arrest van 31 mei 2022 op een andere grond niet-ontvankelijk verklaard (geen belang), dan aangevoerd door Google (appelverbod en geen geldig beroep op doorbrekingsgronden).
4.8
In een tweede visie moet het wijzen op de VRO-beschikking in het Onbevoegdheidsvonnis wel als een aparte beslissing worden gezien. Ik denk niet dat dat zo is, maar bespreek wat dat voor consequenties zou hebben.
4.9
Dan rijst de vraag of dit dan een rolbeslissing is (zie hiervoor in 3.8). Naar vaste rechtspraak moet dat niet naar de vorm, maar naar de inhoud van de beslissing worden beoordeeld35.; een rolbeslissing kan zijn gegoten in de vorm van een als zodanig benoemde rolbeslissing, maar materieel kan een rolbeslissing ook in een (tussen)vonnis of (tussen)arrest staan. Een rolbeslissing is een beslissing die niet ingrijpt in de rechten van partijen, maar alleen dient ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak of ordelijk verloop van de procedure36.. Een rolbeslissing is een administratieve maatregel van onderschikte betekenis37.. Een beslissing is geen rolbeslissing als zij verder strekt dan het ordelijk verloop van de procedure en wèl ingrijpt in de rechten van partijen38.. Een rolbeslissing hoeft niet te worden gemotiveerd en is niet vatbaar voor hoger beroep of cassatie39.. Dat is anders als materieel sprake is van een tussenvonnis of tussenarrest. Daartegen kan namelijk (uiteindelijk) ingevolge art. 337 lid 2 Rv resp. art. 401a lid 2 Rv wel een rechtsmiddel worden aangewend, zij het alleen tegelijkertijd met het eindvonnis of eindarrest, tenzij de rechter anders heeft bepaald (zoals hiervoor besproken in 3.1 en 3.2) .
4.10
Voorbeelden van rolbeslissingen zijn het bepalen van een termijn voor het nemen van een conclusie of akte of de dagbepaling van een comparitie van partijen of pleidooi40., de weigering van een nadere conclusie of akte ter rolle, de beslissing tot voeging en de dagbepaling waarop de stukken voor vonnis kunnen worden overgelegd41.. Het weigeren van een memorie van grieven, of het verlenen van een akte niet-dienen is daarentegen geen rolbeslissing42.. Dit geldt ook voor het verlenen van ontslag van instantie43., weigering tot de inschrijving van de zaak op de rol44.en de afwijzing van een verzoek tot het horen van bepaalde getuigen45., of de afwijzing van een verzoek om pleidooi46..
4.11
De verwijzing in het Onbevoegdheidsvonnis naar de VRO-beschikking lijkt mij niet in te grijpen in de rechten van partijen in vorenbedoelde zin. Rechtbank Midden-Nederland stond vrij om daarvan af te wijken, maar heeft dat expliciet niet gedaan; verdedigbaar is dat zij dat laatste zelfstandig heeft beslist47..
4.12
Sonos’ uitleg in de PI cass 19 van de opvolgende rolbeslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2021 lijkt mij niet juist. Rechtbank Midden-Nederland heeft het VRO-regime niet toegepast als tenuitvoerlegging van het Onbevoegdheidsvonnis48., zoals Sonos stelt49.. De rechtbank heeft het in rov. 2.1 van de rolbeslissing van 7 april 2021 weliswaar over ‘tenuitvoerlegging’, maar alleen om uiteen te zetten wat onder ‘tenuitvoerlegging’ in de zin van art. 350 lid 2 Rv moet worden verstaan, om vervolgens tot het oordeel te komen dat ingevolge deze bepaling de procedure ondanks het hoger beroep van Sonos kan worden voortgezet50..
4.13
Nu het aan de rechtbank Midden-Nederland was om te oordelen over het handhaven van de processuele beslissingen uit de VRO-beschikking, is het wijzen op die beschikking in het Onbevoegdheidsvonnis in de nu besproken tweede lijn (hooguit) te zien als een rolbeslissing waartegen geen hoger beroep kon worden ingesteld51.. Rechtbank Midden-Nederland beschouwde de beslissing om vast te houden aan de processuele beslissingen in de VRO-beschikking overigens zelf ook als een rolbeslissing en heeft bij beslissing van 14 april 2021 geweigerd om tussentijds appel daartegen open te stellen. In de hier besproken tweede lijn stond zodoende geen appel open tegen het Onbevoegdheidsvonnis – maar ook dan heeft te gelden dat sprake is van ontvankelijkheid van het hoger beroep, omdat Sonos beroep heeft gedaan op doorbrekingsgronden als hiervoor besproken.
4.14
Overigens kan dat vonnis al helemaal niet – dat is de derde lijn – als een einduitspraak worden gezien waartegen direct hoger beroep open stond52.. In onze zaak vordert Google in de hoofdzaak immers een octrooi-inbreukverbod c.a. Anders dan Sonos meent in onderdeel II (c), moet het Onbevoegdheidsvonnis als een tussenvonnis worden aangemerkt53.. In het Onbevoegdheidsvonnis wordt namelijk op geen enkele wijze een definitieve beslissing gegeven over het octrooi-inbreukverbod c.a. Dat, zoals Sonos betoogt54., een einde wordt gemaakt aan de ‘instantie’ in die zin dat de procedure bij de Haagse rechtbank hiermee eindigt, is niet het punt hier; die procedure wordt immers voortgezet bij de wél relatief bevoegde rechter van Midden-Nederland, zodat van het einde maken aan de instantie (de eerste aanleg) geen sprake is55..
4.15
Het Haagse hof heeft Sonos als gezegd in de bestreden tussenarresten aanvankelijk kennelijk ontvankelijk geacht. Het hof is immers in het tussenarrest van 27 juli 2021 inhoudelijk ingegaan op de door Sonos opgeworpen incidenten. Bij arrest van 31 mei 2022 heeft het hof Sonos uiteindelijk vervolgens toch niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, maar met als reden dat hier geen belang meer bij zou bestaan, nu het voortprocederen conform het VRO-regime bij de Rechtbank Midden-Nederland voor Sonos geen nadelige gevolgen heeft gehad gelet op de uitkomst van die procedure, te weten: afwijzing van de vorderingen van Google gebaseerd op octrooi-inbreuk c.a. Impliciet volgt daar uit dat het hof Sonos kennelijk niet niet-ontvankelijk heeft geacht op grond van art. 337 lid 2 Rv. Dat is alleen te verklaren doordat het hof kennelijk van oordeel was dat het rechtsmiddelenverbod van art. 110 lid 3 Rv dat in beginsel aan het hoger beroep in de weg stond, vanwege Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden toch tot ontvankelijkheid van het appel leidde – onder het passeren van de tegen die doorbrekingsgronden opgeworpen bezwaren van de kant van Google.
Ontvankelijkheid van Google in haar voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.16
In beginsel moet ook een verweerder die incidenteel appel instelt in weerwil van een rechtsmiddelenverbod, een doorbrekingsgrond aanvoeren56., maar blijkens rov. 3.9 van het arrest Giskus/BMG is een dergelijk incidenteel appel ook ontvankelijk, indien de appelrechter een of meer in het principaal appel gestelde doorbrekingsgronden aanwezig acht en overgaat tot behandeling van de zaak zelf, zoals is gebeurd in onze zaak. Dan bestaat geen aansprekende reden meer om ook voor het incidentele beroep doorbrekingsgronden te verlangen, omdat het rechtsmiddelenverbond dan al in het principaal appel is doorbroken. Dit laatste is weer anders wanneer de appelrechter de in het principaal appel opgeworpen doorbrekingsgronden niet aanwezig acht, het beroep verwerpt en dus niet toekomt aan de behandeling van de zaak zelf. In die situatie dient de appelrechter, hoewel het principaal appel ontvankelijk is, een incidenteel beroep dat zonder aanvoering van doorbrekingsgronden is ingesteld, niet-ontvankelijk te verklaren – omdat anders de incidenteel appellant in een gunstiger positie zou komen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder het principale appel. De Hoge Raad voegt hier aan toe dat het voorgaande van overeenkomstige toepassing is op het cassatieberoep57..
4.17
Voor onze situatie betekent dit dat ook het voorwaardelijk incidenteel appel van Google ontvankelijk was. Inhoudelijk is daar niet aan toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder dit beroep was ingesteld niet werd vervuld, maar dat staat los van de ontvankelijkheidsvraag.
Ontvankelijkheid Sonos in cassatie
4.18
Vervolgens is de ook ambtshalve te onderzoeken vraag of Sonos ontvankelijk is haar principaal cassatieberoep. Ik denk het wel58..
4.19
Op zichzelf heeft te gelden dat zowel het arrest waarin de incidenten zijn verworpen als het arrest in de hoofdzaak niet als eindarresten kunnen worden beschouwd. Beslissingen over incidenten aangaande relatieve bevoegdheid, gebondenheid aan de VRO-beschikking of schorsende werking van het appel, maken geen einde aan enig deel van het in de hoofdprocedure gevorderde octrooi-inbreukverbod c.a. In cassatie dient Sonos zodoende in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard volgens art. 401a lid 2 Rv. Op het verbod van tussentijds cassatieberoep bestaan twee uitzonderingen: rechterlijke toestemming tot het instellen van tussentijds cassatieberoep en toepasselijkheid van art. 75 lid 1 Rv59.. Beide gevallen doen zich hier niet voor. Maar als ik het goed zie, is door Sonos in wezen in cassatie aangevoerd ‘dat en waarom het oordeel van de appelrechter dat de rechter in eerste aanleg geen zodanig beginsel heeft geschonden, niet juist is’, zoals Asser Procesrecht60.het formuleert, waarbij ‘zodanig beginsel’ refereert aan het schenden van zodanige fundamentele rechtsbeginselen, dat niet langer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Ook is beroep gedaan op de doorbrekingsgrond van het buiten het toepassingsgebied treden van art. 74 lid 3 Rv in de vorm van het ‘opleggen’ van het VRO-regime aan de rechtbank Midden-Nederland. In de inleiding en samenvatting van de klachten uit de PI in cassatie wordt in randnummer 4 een beroep gedaan op deze doorbrekingsgronden en dat is nader toegelicht bij s.t. 19-25 als toelichting op onderdeel II en subonderdeel II(c) doet een beroep op doorbrekingsgronden. Dit alles maakt dat Sonos in mijn ogen ontvankelijk is in haar cassatieberoep.
4.20
Een eerste analyse moet dan zijn of dit aldus gedane beroep op doorbrekingsgronden in cassatie opgaat. Dat denk ik niet. De doorbrekingsgronden worden voor zover kenbaar alleen opgevoerd bij onderdeel II. Die klacht wordt voorgesteld voor zover het ervoor gehouden moet worden dat het hof in de hoofdzaak Sonos ook nog niet-ontvankelijk zou hebben verklaard op grond van appelverboden (naast de grond dat er geen belang meer bij haar appel zou resteren na uitspraak in de bodemzaak door de rechter van Midden-Nederland, over welk oordeel onderdeel I klaagt). Dat mist feitelijke grondslag, omdat het hof juist zoals eerder besproken (impliciet) de door Sonos in appel gestelde doorbrekingsgronden voor art. 110 lid 3 Rv heeft gehonoreerd en de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld – in appel na een mondelinge behandeling. Zodoende is geen sprake van schending van voornoemde ‘fundamentele beginselen’, terwijl ook van de gestelde overschrijding van art. 74 lid 3 Rv geen sprake is, omdat, zoals hiervoor ook al besproken, er geen sprake van is dat de Haagse rechter die van Midden-Nederland een procesregime heeft ‘opgelegd’ dat daar niet bekend was. Nu geen van de door Sonos gestelde doorbrekingsgronden kan slagen, kan de beoordeling tot deze voorfase beperkt blijven zonder dat inhoudelijk aan de beoordeling van de cassatieklachten in het principaal beroep wordt toegekomen, zo is het hiervoor uiteengezette stelsel. Het principaal cassatieberoep komt, hoewel ontvankelijk, met de voorfase van beoordeling van de gestelde doorbrekingsgronden ten einde en moet vervolgens vanwege het niet opgaan daarvan worden verworpen. De hierna volgende inhoudelijke bespreking is in mijn ogen dan ook ten overvloede, voor het geval dit anders gezien zou moeten worden.
4.21
Mocht ik dit alles niet juist zien, dan is het cassatieberoep van Sonos als gericht tegen een tussenarrest zonder dat daartegen cassatie is toegelaten niet ontvankelijk en ook dan is de hierna volgende inhoudelijke bespreking van het cassatieberoep van Sonos ten overvloede.
Ontvankelijkheid van Google in cassatie
4.22
Ook Google komt in haar incidenteel cassatieberoep op tegen tussenarresten. In beginsel zou dan ook gelden dat zij niet-ontvankelijk is in haar incidenteel cassatieberoep op grond van art. 401a lid 2 Rv, maar het in 4.16 besproken arrest Giskus/BMG leert anders: indien Sonos ontvankelijk is, lift Google mee en is haar incidenteel beroep ook ontvankelijk, omdat het rechtsmiddelenverbod al is doorbroken, tenzij Sonos’ beroep op doorbrekingsgronden inhoudelijk faalt – i en in 4.20 hebben we gezien dat daarvan sprake is – en Google niet zelf ook doorbrekingsgronden heeft gesteld. Dat laatste heeft Google wel gedaan, omdat Google in punt 28 van haar verweerschrift stelt (i) dat in cassatie moet kunnen worden geklaagd over het in hoger beroep ten onrechte niet toepassen van art. 337 lid 2 Rv (appelverbod, zie hiervoor in 3.1) en dat is als een beroep op een doorbrekingsgrond aan te merken (uitwerking in het volgende randnummer). Ook stelt zij (ii) dat de beslissing van het hof over de proceskosten een einduitspraak is waartegen onmiddellijk beroep kan worden ingesteld. Over beide punten het navolgende.
4.23
Google doet met haar beroep sub (i) dat in cassatie moet kunnen worden geklaagd over het ten onrechte niet toepassen van art. 337 lid 2 Rv in wezen een beroep op een doorbrekingsgrond, ook al lijkt mij dat inhoudelijk niet te kunnen slagen, nu is uitgemaakt (zie hiervoor in 3.3) dat de ‘doorbrekingsjurisprudentie’ niet van toepassing is bij art. 337 lid 2 Rv: dat sluit de bevoegdheid tot appel niet uit, maar regelt slechts het moment waarop in appel kan worden gegaan61.. Dit lijkt mij ook op te moeten gaan voor art. 401a lid 2 Rv62.. Indien wordt geoordeeld dat het beroep op doorbrekingsgronden in het primaire cassatieberoep faalt en dat ook geldt voor Googles beroep sub (i), dan kan het incidentele cassatieberoep van Google worden verworpen. In dat geval kan de beoordeling van dat beroep ook beperkt blijven tot de beoordeling van de (voor)vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond en is de hiernavolgende inhoudelijke bespreking van het incidentele cassatieberoep ten overvloede.
4.24
Ik bespreek nu waarom punt (ii) – dat geen beroep op een doorbrekingsgrond is – er ook niet toe kan leiden dat inhoudelijk aan het incidenteel cassatieberoep wordt toegekomen. Punt (ii) heeft te maken met de bijzonderheid dat Google in hoger beroep een volledige proceskostenveroordeling heeft gevorderd wegens misbruik van recht63.. In eerste aanleg voerde zij nog aan dat de vordering van Sonos in het bevoegdheidsincident moest worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en/of misbruik van recht en maakte zij vervolgens alleen aanspraak op een kostenveroordeling ex art. 1019h Rv. De rechtbank heeft dit in rov. 2.5 van het vonnis in het incident van 17 maart 2021 verworpen en de beslissing over de kosten van het incident aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. In hoger beroep heeft het hof in rov. 10 van zijn arrest in de hoofdzaak geoordeeld dat – gegeven zijn oordeel dat de verwijzende rechtbank Den Haag niet de bevoegdheid had om de relatief bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijk regime op te leggen dat die rechtbank niet kende, en het standpunt van Sonos dus juist is – niet kan worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door in appel te gaan. Er is dan volgens het hof geen plaats voor een volledige proceskostenveroordeling; sterker nog: het hof compenseert de proceskosten op die grond.
4.25
Google verdedigt bij vws 29-30 de opvatting dat deze proceskostenveroordeling een einde zou hebben gemaakt aan een deel van het geschil, zodat in zoverre sprake is van een einduitspraak. Het gaat volgens Google immers om een inhoudelijke beoordeling van wat in feite een vordering tot schadevergoeding is64.. Tegen een zodanig einddeel in een tussenuitspraak kan onmiddellijk hoger beroep worden ingesteld65..
4.26
Dit gaat naar ik meen niet op. Volgens vaste rechtspraak derogeert de limitatieve en exclusieve proceskostenregeling van art. 237-240 Rv ingevolge art. 6:96 lid 3 BW jo. art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW en aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden66.. De ratio hiervan is dat de begrenzing van het liquidatietarief strekt tot bescherming van procespartijen, zodat zij zich niet door vrees voor een volledige proceskostenveroordeling ervan behoeven te laten weerhouden hun standpunt (als eiser of gedaagde) in een procedure aan de rechter voor te leggen. Het complement hiervan is dat slechts ruimte bestaat voor een volledige proceskostenveroordeling, wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten)67.. Uit Duka/Achmea68.volgt dat daarvan pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. De vordering tot volledige proceskostenveroordeling is een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad die aan de exclusieve en limitatieve regeling van art. 237-240 Rv is onttrokken69.. Dat is een hoge drempel.
4.27
Zo bezien is volledige proceskostenvergoedingsveroordeling weliswaar een vordering uit onrechtmatige daad, zoals Google stelt, maar het lijkt mij niet dat dat ook meebrengt dat het proceskostenoordeel als een einddeel van een tussenuitspraak kan worden aangemerkt (waarvan direct tussentijds in cassatie kan worden gekomen). In het algemeen geldt namelijk dat een ‘gewone’ proceskostenveroordeling in het dictum op zichzelf geen grond vormt om van een gedeeltelijk eindvonnis te spreken. Een einduitspraak is immers, zoals hiervoor in 3.6-3.7 besproken, een uitspraak waarbij in het dictum een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde. Met het gevorderde wordt de rechtsvordering bedoeld die de inzet is van het geding, waarbij het moet gaan om het materiële recht waarvan in de procedure nakoming wordt gevorderd70.en daaronder valt niet een accessoire proceskostenvordering. Volgens vaste rechtspraak vormt het enkele gegeven dat een proceskostenveroordeling in het dictum voorkomt, immers geen grond om van een gedeeltelijk eindvonnis te spreken71.. Het betreft een sequeel en niet een zelfstandig onderdeel van het gevorderde. Volgens de hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv, welke regel volgens art. 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep geldt, wordt immers de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld in de kosten van de procedure. Het tweede lid van art. 237 Rv bepaalt dat bij een tussenvonnis de beslissing over de kosten tot het eindvonnis kan worden aangehouden. Hieruit volgt tegelijkertijd dat het óók mogelijk is om bij tussenvonnis wél een proceskostenveroordeling uit te spreken. Van deze mogelijkheid wordt doorgaans gebruik gemaakt als een incidentele vordering wordt afgewezen, waarbij de eiser in het incident wordt veroordeeld in de kosten72.. Het karakter van een tussenuitspraak wordt daarmee niet gewijzigd.
4.28
Dat hier niet een ‘gewone’ proceskostenveroordeling, maar een ‘volledige’ proceskostenveroordeling is gevorderd, maakt dit volgens mij niet principieel anders. Daarmee wordt immers ook geen einde gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het materieel gevorderde, namelijk het in de hoofdprocedure gevorderde octrooi-inbreukverbod c.a. De vordering tot volledige proceskostenveroordeling is in onze zaak ingesteld wegens misbruik van procesrecht. Dat misbruik zag volgens Google op gedragingen van Sonos in het bevoegdheidsincident73., dus in het kader van de procedure en betreft niet een heel nieuwe kwestie die bij wijze van eisvermeerdering is ingebracht. Een oordeel daarover leidt niet tot een definitieve beslissing over het in de hoofdprocedure gevorderde octrooi-inbreukverbod c.a.
4.29
Zo daar al anders over gedacht zou moeten worden, komt daar nog bij dat een oordeel over de volledige proceskosten, net als een ‘gewone’ proceskostenbeoordeling, samenhangt met het inhoudelijke oordeel over het opgeworpen incident. Dat blijkt ook uit deze zaak waar in rov. 10 van het arrest van 31 mei 2022 de beslissing om niet de gevorderde volledige proceskosten toe te wijzen, maar de proceskosten te compenseren, voortkomt uit hetgeen inhoudelijk in het incident is geoordeeld. Deze verwevenheid maakt het niet wenselijk om voor het kostenaspect dan van een gedeeltelijke einduitspraak te spreken, waartegen direct een rechtsmiddel kan worden aangewend. Dat zou leiden tot ‘fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties’, hetgeen men juist wilde voorkomen door uitspraken in een incident als tussenuitspraken aan te merken, zo hebben we hiervoor hebben gezien in 3.1.
4.30
Daar komt tot slot ook nog bij dat de grondslag voor een ‘gewone’ proceskostenveroordeling ook wel in de onrechtmatige daad wordt gevonden74.. In dat opzicht wijkt de vordering tot een in afwijking daarvan ‘volledige’ proceskostenveroordeling daar zodoende qua karakter niet van af en is dat in weerwil van Googles betoog ook geen reden om aan te nemen dat een beslissing daarop een einddeel in een tussenuitspraak zou zijn. Ook zegt de grondslag van een vordering nog niets van dwingend beslissende aard over de typologie van de uitspraak waarin die vordering vervolgens wordt beoordeeld.
4.31
Ik kom op grond van deze analyse tot de conclusie dat argument (ii) hier niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van einddeel in een tussenuitspraak waartegen direct hoger beroep kan worden ingesteld, zodat ook op grond daarvan niet inhoudelijk aan de beoordeling van het incidenteel cassatieberoep kan worden toegekomen; de beroepen arresten zijn tussenarresten, geen (gedeeltelijke) eindarresten.
Tussenconclusie cassatiebeoordeling
4.32
De slotsom is dat zowel de door Sonos als de door Google gestelde doorbrekingsgronden niet opgaan, zodat beide cassatieberoepen – hoewel ontvankelijk – moeten worden verworpen gelet op het rechtsmiddelenverbod. Uitsluitend voor het geval dit anders zou moeten worden gezien en de Hoge Raad aan een inhoudelijke beoordeling van de cassatieberoepen toe zou komen, bespreek ik deze nu ook inhoudelijk, in mijn optiek zodoende ten overvloede.
5. Bespreking van het principale cassatiemiddel
5.1
Het principale cassatiemiddel bestaat na een inleiding (punt 1-24) uit vier onderdelen (I-IV) die zijn onderverdeeld in subonderdelen en een voortbouwklacht (V). Onderdelen I en II gaan uit van verschillende lezingen van het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van Sonos’ hoger beroep, onderdeel III gaat over schorsende werking en onderdeel IV over belang bij het appel.
5.2
Onderdeel I bestaat uit twee subonderdelen en is gericht tegen rov. 8 van het arrest van 31 mei 2022 in de hoofdzaak en gaat uit van de lezing dat het hof Sonos alleen niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens gebrek aan belang ten tijde van arrest wijzen in de hoofdzaak. Subonderdeel I(a) klaagt dat het hof dan heeft miskend dat het verweer van gebrek aan belang een verweer ten principale is. Honorering daarvan leidt volgens Sonos niet tot niet-ontvankelijkheid75.. Nu het hof verder geen gronden heeft genoemd en die er ook niet zijn om Sonos niet-ontvankelijk te verklaren, was haar appel dus ontvankelijk, met de in onderdeel III beschreven gevolgen.
5.3
Sonos voert terecht aan dat een verweer dat bij het beroep geen belang bestaat, een verweer ten principale is76.. De Hoge Raad is immers in Eurofactor/[…], net aangehaald, teruggekomen van zijn eerdere rechtspraak waarin in bepaalde gevallen een geslaagd beroep op ontbreken van belang tot niet-ontvankelijkheid leidde. Sindsdien leidt zo’n verweer tot verwerping. Voor niet-ontvankelijkheid is alleen nog plaats in gevallen waarin op processuele gronden aan de behandeling van de zaak ten principale niet wordt toegekomen. De klacht is dus in beginsel terecht voorgesteld. Er bestaat alleen geen belang bij deze klacht, omdat cassatie hier alleen tot een voor Sonos even nadelige beslissing zou leiden, te weten verwerping. Niet valt in te zien dat verwerping in plaats van niet-ontvankelijkheid hier een voor Sonos gunstigere uitkomst zou zijn77..
5.4
Subonderdeel I(b) klaagt dat voor zover de bestreden arresten zo zou moeten worden begrepen dat het hof van oordeel was dat Sonos ook om andere redenen niet-ontvankelijk is in hoger beroep, in het bijzonder omdat het Onbevoegdheidsvonnis een niet-appellabele rolbeslissing zou zijn of dat sprake zou zijn van een appelverbod, dat niet kan worden doorbroken, dit oordeel onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd wegens de in onderdeel II aangegeven redenen.
5.5
De klacht onder b, en daarmee ook heel onderdeel II, gaat uit van de l lezing dat het hof Sonos ook om andere redenen dan wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk heeft geacht in appel. Dat volgt echter op geen enkele wijze uit de bestreden arresten. Het hof heeft Sonos immers alleen niet ontvankelijk geacht, omdat zij gelet op de uitkomst bij de rechter naar wie is verwezen, waar zij gelijk heeft gekregen doordat de vorderingen van Google zijn afgewezen, geen belang meer heeft bij het appel tegen het Onbevoegdheidsvonnis. Bij die stand van zaken kunnen de klachten van subonderdeel I(b) en onderdeel II inhoudelijk onbesproken worden gelaten. Deze kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
5.6
Onderdeel III bestaat uit twee subonderdelen III(a) en III(b).
5.7
Subonderdeel III(a) stelt dat het hof Sonos afgezien van het gebrek aan belang ontvankelijk heeft geacht, althans had moeten achten, met als gevolg dat het ingestelde appel ex art. 350 lid 1 Rv de tenuitvoerlegging van het Onbevoegdheidsvonnis van rechtswege schorste, waaronder te begrijpen zou zijn de voortzetting van de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland. Art. 350 lid 2 Rv en art. 337 lid 2 Rv doen daar volgens de klacht niet aan af, omdat het Onbevoegdheidsvonnis een eindvonnis is, geen tussenvonnis. Ook als het hier wel een tussenvonnis zou betreffen, dan zou een redelijke uitleg van art. 337 lid 2 meebrengen dat de tenuitvoerlegging wordt geschorst als de appellant zich terecht op doorbrekingsgronden kan beroepen.
5.8
Deze klacht faalt in de eerste plaats al, voorzover tot uitgangspunt wordt genomen dat het Onbevoegdheidsvonnis een eindvonnis zou zijn in plaats van een tussenvonnis, want het is juist een tussenvonnis, zoals eerder besproken. Die primaire lezing mist dan ook feitelijke grondslag. Dat een redelijke uitleg van art. 337 lid 2 Rv zou meebrengen dat tenuitvoerlegging ook is geschorst als het wel een tussenvonnis zou zijn, vanwege het gedane beroep op doorbrekingsgronden, zoals de klacht nog in subsidiaire sleutel ingang probeert te doen vinden, is dan een hypothetische kwestie, die ik overigens inhoudelijk zie stranden, omdat dat miskent dat de doorbrekingsjurisprudentie toepassing mist bij art. 337 lid 2 Rv. Subonderdeel III(a) faalt daarom.
5.9
Sonos richt onder b een rechts-, althans motiveringsklacht tegen het arrest in de incidenten. Het hof miskent in rov. 6 volgens subonderdeel III(b) dat de incidentele vorderingen van Sonos beide onmiskenbaar erop waren gericht de tenuitvoerlegging van de in hoger beroep bestreden beslissingen te staken, in het bijzonder dat het VRO-regime niet van toepassing zou zijn in de procedure voor de rechtbank Midden-Nederland. Miskend is dat art. 223 Rv grondslag kan vormen voor een dergelijke vordering. Zou dat anders zijn, dan zou een procespartij – ook al is de werking van de bestreden uitspraak van rechtswege als gevolg van het appel geschorst – onverminderd kunnen doorgaan met de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak, zoals in dit geval ook daadwerkelijk is gebeurd. De wederpartij moet een rechtsgang hebben om daartegen op te komen, althans in de omstandigheden als in deze zaak aan de orde. Een incident in een appelprocedure is daartoe het meest geëigend, nu het hof het best in staat is om te bepalen of de tenuitvoerlegging als gevolg van het bij dat hof ingestelde appel is geschorst.
5.10
Dit zie ik niet slagen, omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat art. 223 Rv alleen ziet op materiële voorzieningen en voorzieningen ter bewaring van recht en niet om zuiver processuele beslissingen die gelden voor de duur van het geding78.. Aangezien de incidentele vordering een processuele kwestie betreft, namelijk de gebondenheid aan de VRO-beschikking, en niet samenhangt met de hoofdvordering zoals bedoeld in art. 223 lid 2 Rv, die immers betrekking heeft op octrooi-inbreuk c.a., heeft het hof terecht geoordeeld dat er geen plaats is voor een voorlopige voorziening. Dat ‘er een rechtsgang moet zijn’ miskent dat de wet die tegen dit soort beslissingen heeft uitgesloten ter bevordering van een efficiënte procesvoortgang. De rechtsklacht stuit daarop af. Een motiveringsklacht heb ik verder niet kunnen ontdekken in subonderdeel III(b), zodat dit subonderdeel ook tevergeefs is voorgesteld.
5.11
Onderdeel IV bestaat uit vier subonderdelen en is gericht tegen het oordeel in rov. 8 uit het arrest in de hoofdzaak dat Sonos niet-ontvankelijk is in appel wegens gebrek aan belang. Onder a formuleert Sonos de inleidende klacht dat dit oordeel onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Onder b werkt zij dit verder uit met de rechtsklacht dat het hof ten eerste met zijn oordeel de schorsende werking van het appel miskent, zoals bij onderdeel III beschreven, hetgeen tot gevolg heeft dat de na het instellen van het appel verrichte rechtshandelingen nietig zijn en het Onbevoegdheidsvonnis vernietigbaar is. Anders gezegd: het is dus wel mogelijk dat de procedure in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland dat daarvan het resultaat was ‘over’ moeten. Gelet op die omstandigheid heeft Sonos er belang bij dat in rechte komt vast te staan dat in dat geval niet opnieuw conform het VRO-regime behoeft te worden geprocedeerd. Dit zou mogelijk anders zijn geweest als Google zich bij het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland had neergelegd, maar dat heeft zij niet gedaan. Daar komt bij dat het oordeel dat procederen op basis van het VRO-regime niet tot nadelige gevolgen heeft geleid, ontoereikend is gemotiveerd. Zoals Sonos heeft aangevoerd, lijdt zij immers schade doordat zij zich in twee afzonderlijke instanties moet verweren tegen de wat zij noemt ‘frivole’ vorderingen van Google. Zij kan die schade niet volledig op Google verhalen, aldus Sonos. Daar komt ook nog bij dat de Hoge Raad in een aantal situaties uitzonderingen heeft gemaakt op het terugverwijzingsverbod indien op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen79., waar de klacht een parallel op trekt.
5.12
Deze klacht kan om verschillende redenen niet tot cassatie leiden. Voor zover de klacht van subonderdeel IV(b) voortbouwt op onderdeel III, kan dit om de bij de bespreking van dat onderdeel aangegeven redenen niet slagen. De klacht gaat er verder van uit dat het appel hier schorsende werking zou hebben en mist daarmee wat dat betreft feitelijke grondslag, omdat daarvan geen sprake is, zoals eerder besproken. Daarnaast heeft Sonos geen belang bij deze klacht. In weerwil van Sonos’ betoog is, zo volgt uit de inleidende analyse van deze conclusie, in het Onbevoegdheidsvonnis aan de rechtbank Midden-Nederland geen procesrechtelijk regime ‘opgelegd’, nu de betreffende processuele beslissingen al waren genomen in de VRO-beschikking en art. 74 lid 3 Rv meebrengt dat de rechtbank Midden-Nederland hier na verwijzing in beginsel behoudens uitzonderingen aan gebonden was. De rechtbank Midden-Nederland heeft vervolgens bij rolbeslissing van 7 april 2021 (zelfstandig) aangegeven dat de door de Haagse rechtbank genomen processuele beslissingen na verwijzing werden gehandhaafd. Zodoende ontbreekt belang bij het in rechte komen vaststaan dat na eventuele vernietiging van het Onbevoegdheidsvonnis niet opnieuw conform het VRO-regime zou dienen te worden geprocedeerd. Dat kan immers met cassatie niet worden bereikt.
5.13
De klacht dat het oordeel dat procederen op basis van het VRO-regime niet tot nadelige gevolgen heeft geleid ontoereikend is gemotiveerd, omdat Sonos schade lijdt doordat zij zich in twee afzonderlijke instanties moet verweren tegen de frivole vorderingen van Google, mist het punt dat het hof hier klaarblijkelijk heeft bedoeld met ‘nadelige gevolgen’ dat zij in eerste instantie in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in het gelijk is gesteld, zodat de uitkomst van dat geschil in eerste aanleg in die zin niet voor haar nadelig was. Het is aan Sonos zelf te wijten dat zij over een in beginsel niet-appellabele beslissing met een beroep op doorbrekingsgronden in drie instanties blijft doorprocederen, parallel aan de procedure in de verwezen zaak, welke laatste procedure zij in eerste aanleg uiteindelijk heeft gewonnen. Het is haar eigen keuze om op twee borden te blijven schaken hier; zij had zich ook bij het Onbevoegdheidsvonnis neer kunnen leggen en allen in Midden-Nederland door kunnen gaan. Voor de bepleite parallellen zie ik geen aansprekende reden. Subonderdeel IV(b) treft in mijn ogen geen doel.
5.14
Subonderdeel IV(c) klaagt dat de passage uit rov. 8 dat Sonos zelf ook te kennen heeft gegeven dat door het hoger beroep tegen het eindvonnis het procederen onder het VRO-regime niet ongedaan kan worden gemaakt niet afdoet aan het voorgaande, omdat de betreffende stellingen slechts zien op de omstandigheid dat het feitelijk niet mogelijk is om procederen onder het VRO-regime ongedaan te maken. De procedure kan volgens Sonos wel opnieuw worden gevoerd, hetgeen iets anders is.
5.15
Mij lijkt belang te ontbreken bij deze klacht tegen een niet dragende passage uit rov. 8 van het arrest in de hoofdzaak.
5.16
Subonderdeel IV(d) klaagt dat het hof met de passage in rov. 8 dat de in het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken proceskostenveroordeling ook de proceskosten van de behandeling van het bevoegdheidsincident bij de rechtbank Den Haag omvat, zodat ook geen proceskostenbelang resteert voor Sonos bij hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis, is miskend dat vanwege de mogelijkheid dat die kostenveroordeling wordt vernietigd, wel belang resteert bij de beoordeling van de juistheid van de verwijzingsbeslissing.
5.17
Ook hier zie ik niet wat het belang in cassatie is bij deze klacht. De aangevallen passage zou miskennen dat het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigbaar is, maar dat volg ik niet. Wat het hof bedoelt, is dat er ook geen ‘proceskostenbelang’ resteert, omdat in de proceskostenveroordeling in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in de inbreukzaak c.a. ook een kostencomponent is begrepen gemoeid met het relatieve bevoegdheidsincident bij de Haagse rechtbank. Als dat vonnis vernietigd zou worden in appel, wordt er door dat betreffende hof (Arnhem-Leeuwarden) immers opnieuw geoordeeld over de proceskosten met inbegrip van die gemoeid met het onbevoegdheidsincident. Dat heeft het hof volgens mij dan ook niet miskend, zodat subonderdeel IV(d) niet opgaat.
5.18
Onderdeel V is een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
5.19
Het principale cassatieberoep is daarmee tevergeefs voorgesteld.
6. Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
6.1
Het incidentele cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen, waarvan onderdelen I-V zijn gericht tegen het arrest van 31 mei 2022 in de hoofdzaak en onderdeel VI tegen het arrest van 27 juli 2021 in de incidenten.
6.2
Onderdeel I is gericht tegen rov. 9 en 10 van het arrest uit de hoofdzaak en klaagt dat het hof ofwel de appelverboden van art. 110 lid 3 Rv en art. 337 lid 2 Rv heeft miskend, ofwel voorbij is gegaan aan essentiële stellingen dienaangaande van Google80.. In het licht van die appelverboden was voor de beslechting in appel niet relevant, zo luidt de klacht, of het standpunt van Sonos over de bevoegdheid van de Haagse rechtbank om in het Onbevoegdheidsvonnis te bepalen dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen gehandhaafd werden al dan niet juist was, en bestond er geen aanleiding voor Sonos om in (tussentijds) hoger beroep te gaan van het Onbevoegdheidsvonnis. Een appelverbod behelst immers dat tegen de betreffende beslissing geen hoger beroep kan worden ingesteld, hoe onjuist die beslissing ook moge zijn, waarmee er ook geen aanleiding kan zijn om toch hoger beroep in te stellen. Dat geldt in ieder geval ook voor het appelverbod van art. 337 lid 2 Rv, dat naar vaste jurisprudentie niet kan worden doorbroken, en zou wat Google betreft ook moeten gelden voor het appelverbod van art. 110 lid 3 Rv. De passage in rov. 10 dat geen sprake is van misbruik van recht en de beslissing dat er aanleiding zou zijn de proceskosten te compenseren kunnen bij die stand van zaken niet in stand blijven.
6.3
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, nu het hof er kennelijk van is uitgegaan, zoals hiervoor is uiteengezet, dat Sonos zich op doorbrekingsgronden heeft beroepen met betrekking tot het appelverbod van art. 110 lid 3 Rv (zie hiervoor in 4.7). Dat daarbij voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van Google dat dat beroep op doorbrekingsgronden niet terecht is, lees ik niet in de klacht; de klacht behelst alleen dat die essentiële stellingen een beroep op appelverboden betreffen. De klacht mist daarom al doel. Ook ontbreekt belang bij deze klacht, omdat het hof Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het om andere redenen dan aangevoerd door Google81..
6.4
Onderdeel II bevat de klacht dat het hof in rov. 9-10 voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van Google inhoudende dat, wat er ook zij van de bevoegdheid van de Haagse rechtbank om te bepalen dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen van kracht bleven in de procedure na verwijzing, de rechtbank Midden-Nederland al kort daarna, bij rolbeschikking van 7 april 2021, zelfstandig had beslist om de in de VRO-beschikking bepaalde data te handhaven. In het licht van die rolbeslissing was de discussie over de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag om een en ander te bepalen achterhaald82.. Voor zover er al aanleiding was in hoger beroep te gaan van het Onbevoegdheidsvonnis, had Sonos na deze beslissing geen belang meer bij het hoger beroep en had zij moeten afzien van het doorzetten daarvan.
6.5
Zoals uit het voorafgaande bespreking volgt, lijkt mij deze visie van Google juist voor zover het de bij rolbeslissing zelfstandige bepaling van het procesregime betreft en heeft zij een punt dat het hof op deze essentiële stelling had moeten responderen. Maar qua uitkomst kan Google er bij cassatie op dit punt volgens mij niet beter op worden – Sonos is niet-ontvankelijk verklaard, zodat haar appel geen doel heeft getroffen. Google heeft dan ook geen belang in cassatie bij deze klacht (mede gelet op het hierna te bespreken doel treffen van Onderdeel IV).
6.6
Ik merk in dit verband nog wel op dat in weerwil van Sonos’ stellingen bij s.t. onder 23 en 88 en plta cass 27, het oordeel in rov. 9 dat de Haagse rechtbank het VRO-regime niet op mocht leggen, wel degelijk is bestreden in cassatie door Google.
6.7
In onderdeel III klaagt Google dat het hof in rov. 9-10 voorbij is gegaan aan haar essentiële stellingen over misbruik van procesrecht door Sonos, inhoudend dat Sonos haar procedurele bezwaren slechts aanvoerde om de zaak ten gronde te frustreren83., althans heeft het hof die stellingen onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Het onderdeel besluit ermee dat de klacht nader wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5 t/m 784., maar licht niet toe hoe dat dan zou gebeuren.
6.8
In hoger beroep heeft Google aangevoerd dat er sprake is van misbruik van procesrecht zijdens Sonos, omdat Sonos eerst ruim vier maanden heeft gewacht met het kenbaar maken van haar relatieve bevoegdheidsbezwaren, vervolgens heeft geprobeerd het gesloten stelsel van rechtsmiddelen te doorkruisen door in een bevoegdheidsincident vernietiging van de VRO-beschikking te vragen en überhaupt de bevoegdheid te betwisten voor een ander doel dan waarvoor deze gegeven is85.. Het hof heeft in rov. 10 van zijn arrest van 31 mei 2022 geoordeeld dat – gelet op zijn overweging dat de verwijzende rechtbank Den Haag niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijk regime op te leggen dat de rechtbank niet kent, en het standpunt van Sonos dus juist is – niet kan worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis aan te tekenen.
6.9
Het hof zit op de lijn dat de Haagse rechtbank in het Onbevoegdheidsvonnis ten onrechte de rechtbank Midden-Nederland het VRO-regime heeft opgelegd, zodat het bezwaar daartegen van Sonos op zich terecht was en er daarom geen sprake is van misbruik van procesrecht door Sonos. Dat is een oordeel dat gepaard gaat met waarderingen van feitelijke aard en de tegenovergestelde argumentatie van Google dat Sonos zich wel aan misbruik van procesrecht heeft schuldig gemaakt is met dat oordeel impliciet verworpen. Het hofoordeel dat de Haagse rechter ten onrechte het VRO-regime aan de rechtbank in Midden-Nederland zou hebben opgelegd deel ik niet, zoals in de voorafgaande bespreking uiteen is gezet, maar van het passeren van essentiële stellingen lijkt mij hier geen sprake en het hofoordeel (of men het daar nu mee eens is of niet), is op zichzelf goed te volgen. Het standpunt van Sonos is overigens dat het juist Google is die misbruik zou hebben gemaakt van procesrecht door bij een evident relatief onbevoegde rechter een procedure te beginnen onder het VRO-regime en dat regime vervolgens ‘geëxporteerd’ te krijgen naar de wel relatief bevoegde rechter. Het hof heeft geen van beide posities van partijen over misbruik van recht gevolgd en dat lijkt mij geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk. In dit verband is art. 3:13 lid 2 BW over van misbruik van recht van belang en Duka/Achmea86., waaruit volgt dat pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is een nogal hoge drempel. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.
6.10
In weerwil van het ‘procedurele kabaal’ van partijen bij het over en weer slaan op de misbruiktrom (ik wees er in de inleiding al op dat deze zaak slechts een klein radertje is in een wereldwijd octrooigevecht over smart speakers technologie, in welk type zaken dergelijke verwijten over en weer wel vaker worden gezien), is het oordeel van het hof bezien door een juist afgesteld misbruikvizier in het licht van dit aldus geschetste juridische kader niet onjuist of onbegrijpelijk te achten. Sonos heeft de relatieve bevoegdheid van de Haagse rechtbank met succes en op een moment dat dat nog procedureel kon betwist, terwijl het vervolgens doorkruisen van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen op zichzelf nog niet op misbruik van procesrecht wijst, nu zij zich daarbij (al dan niet terecht) op doorbrekingsgronden heeft beroepen. Googles positie dat Sonos alleen een bevoegdheidsincident zou hebben opgeworpen om ten onrechte onder het VRO-regime uit te komen en dus met een ander doel dan waarvoor zo’n incident dient87., behoefde, zo al juist, niet tot een ander oordeel te leiden. Dit is geen zodanig laakbaar oogmerk dat sprake is van misbruik van bevoegdheid in de hiervoor uiteengezette zin, maar eerder het gebruik maken van procedurele mogelijkheden die het Nederlandse (octrooi)procesrecht biedt. Ongeoorloofde doelen zijn met name het louter toebrengen van schade en het louter vertragen van de procedure88.. Dat het voorstelbaar zou kunnen zijn dat Sonos ook belang kan hebben bij vertraging van de procedure ten gronde89., maakt het oordeel van het hof dat hier geen sprake is van misbruik van procesrecht niet onjuist of onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat voornoemde hoge drempel hier niet is gehaald en dat lijkt mij goed te volgen. De klacht ketst hierop af.
6.11
In onderdeel IV klaagt Google dat in rov. 10 is miskend dat er ex art. 237 lid 1 Rv geen ruimte is om de proceskosten te compenseren in een geval waarin de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, aangezien er dan geen sprake van is dat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld. Het hof had Sonos daarom hoe dan ook in de proceskosten moeten veroordelen.
6.12
Deze klacht is terecht. Volgens de hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv, welke regel op grond van art. 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep geldt, wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechter die de vordering van de eiser toewijst, moet de gedaagde in beginsel in de kosten van de procedure veroordelen. Als de vordering van de eiser wordt afgewezen, dan moet de eiser in de kosten van de procedure worden veroordeeld. In de tweede en derde volzin van art. 237 lid 1 Rv worden gronden genoemd die afwijking van die hoofdregel kunnen rechtvaardigen. De rechter die van de hoofdregel afwijkt, moet deze beslissing motiveren. Een van die gronden is dat beide partijen deels in het gelijk en in het ongelijk worden gesteld. Het staat de rechter niet vrij om de proceskosten te compenseren wanneer een vordering volledig wordt toe-of afgewezen90.. De vraag welke partij in het ongelijk is gesteld, wordt beantwoord door middel van een vergelijking van het dictum van het vonnis of arrest met het petitum van de procesinleiding. De overwegingen die aan het dictum ten grondslag liggen, zijn voor de proceskostenveroordeling niet relevant91.. Wanneer de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, is er geen sprake van een situatie dat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld, zodat geen vrijheid bestaat de proceskosten te compenseren. Dat het hof de proceskosten heeft gecompenseerd terwijl Google een volledige proceskostenveroordeling had gevorderd, maakt het voorgaande niet anders. Het betreft geen zelfstandige vordering, zo is hiervoor besproken, zodat de vergelijking tussen dictum en petitum niet tot de conclusie kan leiden dat partijen deels in het gelijk en in het ongelijk worden gesteld.
6.13
Onderdeel V bevat de klacht dat het hof met rov. 9-10 heeft miskend dat de Haagse rechtbank wel bevoegd was om van het onderhavige geschil kennis te nemen, zoals uitgewerkt in hoofdstuk 5.
6.14
Google gaat uit van de onjuiste lezing van het arrest voor zover zij tot uitgangspunt neemt dat het hof in rov. 9 heeft overwogen dat de Haagse rechtbank niet bevoegd zou zijn geweest. Het hof heeft namelijk geen oordeel gegeven over de relatieve bevoegdheid, omdat dit aspect in hoger beroep niet voorlag. Het was een gepasseerd station, afgedaan bij tussenvonnis, aan welk oordeel de rechter naar wie verwezen was, was gebonden, zo hebben we hiervoor gezien in 3.10. Het hof heeft alleen geoordeeld dat de Haagse rechtbank niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechter een procesrechtelijk regime op te leggen dat zij niet kent. Het hof heeft met andere woorden zijn oordeel over de proceskosten niet op enig oordeel over de relatieve bevoegdheid gebaseerd.
6.15
Het punt van de relatieve bevoegdheid lag in hoger beroep niet voor, omdat Google de reikwijdte van art. 80 ROW in voorwaardelijk incidenteel appel aan het hof had voorgelegd. De voorwaarde was dat het hof Sonos ontvankelijk zou achten92.. Nu het hof Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard, was de voorwaarde waaronder Google incidenteel appel had ingesteld niet vervuld. Google geeft zelf in onderdeel V aan dat haar incidenteel appel voorwaardelijk was ingesteld vanuit de gedachte dat indien het hof Sonos niet-ontvankelijk zou achten er ook geen belang was bij een hofoordeel over de relatieve bevoegdheid. De klacht stelt dat hoewel de voorwaarde strikt genomen niet was vervuld, nu Sonos wél niet-ontvankelijk is verklaard, het hof toch de stellingen over de bevoegdheid van de Haagse rechtbank hier van Google niet zou hebben mogen passeren, omdat het hof wel tot een beoordeling van de merites van Sonos’ appel is overgegaan. Ik zie niet in waarom dat zou opgaan, nu het hof immers uiteindelijk Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dan is goed te volgen dat het hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde waaronder Google haar incidenteel appel had ingesteld niet was vervuld. Hier ketst Onderdeel V op af93..
6.16
Onderdeel VI komt op tegen de afwijzing van de incidenten in rov. 1-8 van het arrest van 27 juli 2021. Het hof heeft volgens de klacht miskend dat het Sonos ex art. 337 lid 2 Rv en/althans art. 110 lid 3 Rv niet-ontvankelijk had moeten verklaren, om dezelfde redenen als in Onderdeel I aangevoerd94.. Dat raakt ook eventuele incidentele vorderingen die in het niet-ontvankelijke appel zijn ingesteld95..
6.17
Ik zie niet welk belang Google heeft bij deze klacht, omdat het hof Sonos uiteindelijk al niet-ontvankelijk heeft verklaard – daargelaten op welke grond dat is gebeurd, het resultaat was niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak96.. Het hof heeft de door Sonos opgeworpen incidenten ook afgewezen. Daar stuit onderdeel VI op af.
6.18
Inhoudelijk zou Onderdeel IV van het incidenteel cassatieberoep zodoende terecht zijn voorgesteld.
7. Proceskosten in cassatie
7.1
Nu volgens de hoofdlijn van deze conclusie het principaal cassatieberoep van Sonos wordt verworpen, dient Sonos te worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal beroep en wel volgens het liquidatietarief. Ik kom daartoe als volgt.
7.2
Google vordert in het principale en incidentele cassatieberoep veroordeling van Sonos in de volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht97.. Zoals uit de inhoudelijke bespreking ten overvloede van onderdeel III van het incidentele cassatieberoep volgt, lijkt mij de afwijzing door hof van de vergelijkbare vordering in appel niet onjuist of onbegrijpelijk. Hetgeen Google in cassatie aanvoert over beweerdelijk misbruik van procesrecht98., moet volgens mij niet tot een ander oordeel leiden. Google stelt bloot of zo men wil speculatief dat Sonos dit cassatieberoep heeft aangewend om de zaak ten gronde, waaronder begrepen het appel van de procedure in de octrooi-inhoudelijke hoofdzaak, te vertragen of te frustreren en illustreert dit met een beschrijving van de procesgang in appel in de hoofdzaak99.. Hiermee is niet voldaan aan de strenge eisen die worden gesteld aan de stelplicht voor van misbruik van procesrecht100.. De primaire proceskostenvordering in cassatie van Google in de volledige proceskosten in cassatie lijkt mij te moeten worden afgewezen.
7.3
Subsidiair vordert Google blijkens p. 2101.van haar verweerschrift in zowel het principaal als het incidenteel cassatieberoep een proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest. Curieus genoeg betwist Google vervolgens bij dupliek principaal/repliek incidenteel onder 30 dat zij aanspraak heeft gemaakt op een proceskostenveroordeling volgens art. 1019h Rv en betoogt zij zelfs dat dat artikel niet van toepassing is102.. Sonos gaat wel uit van de toepasselijkheid van deze bepaling103.. Gelet op Becton/Braun104.vindt art. 1019h Rv in beginsel toepassing in deze octrooi-inbreukzaak, ook voor zover het de in deze zaak centraal staande puur procedurele schermutselingen betreft105.. Uit Endstra papers106.volgt dat een kostenveroordeling volgens art. 1019h Rv slechts desgevorderd wordt uitgesproken en uit Googles nadere uiteindelijke opstelling maak ik op dat zij niet langer aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling volgens art. 1019h Rv, zodat niet van desgevorderd (meer) kan worden gesproken. De proceskostenveroordeling in het principaal cassatieberoep ten laste van Sonos zal mitsdien kunnen worden begroot conform het liquidatietarief op de gebruikelijke wijze.
7.4
Volgens de hoofdlijn van deze conclusie is in het incidenteel cassatieberoep Google de in het ongelijk gestelde partij en aangezien Sonos wel aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling conform art. 1019h Rv, zal deze kunnen worden begroot conform dat artikel op de gebruikelijke wijze.
8. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het principaal cassatieberoep en van het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑11‑2023
Het is een klein schakeltje in een wereldwijde juridische strijd over smart-speakers technologie, zie bijv. plta cass Sonos 4 e.v. en https://news.bloomberglaw.com/ip-law/google-sonos-slammed-for-typifying-worst-of-patent-litigation
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614, NJ 2008/547, m.nt. H.J. Snijders (Giskus/BMG), rov. 3.9; zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/26 en 26a en de daar genoemde rechtspraak, waaruit volgt dat als de appel- of cassatierechter oordeelt dat een gestelde doorbrekingsgrond niet opgaat, geen niet-ontvankelijkheid volgt, maar verwerping van het (cassatie)beroep.
Ontleend aan de bestreden arresten: Hof Den Haag 31 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2748, rov. 1-7 en Hof Den Haag 27 juli 2021 (niet gepubliceerd), rov. 1-5.
Deze regel is in 1896 in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen als gevolg van de Lex Hartogh (Wet van 7 juli 1896, Stb. 1896, 103). Zie hierover: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/28.
Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p. 460-461; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/28-31. Zie ook: HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, NJ 2011/269, m.nt. H.J. Snijders, JBPR 2010/26, m.nt. E.F. Groot, rov. 3.4.2.
H.E. Ras, Tussenvonnis in burgerlijk procesrecht 1966/155 (b) en (c).
HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556 (TROS/Pretium Telecom).
Vgl. een recente uitspraak van de Belastingkamer: HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639.
HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, NJ 2011/269, m.nt. H.J. Snijders, JBPR 2010/26, m.nt. E.F. Groot, rov. 3.3.2.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/34 en aldaar genoemde rechtspraak.
HR 21 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1491, NJ 1995/412, m.nt. H.J. Snijders. Zie hierover: Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/65.
HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6188, NJ 2005/142; HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8325, NJ 2007/594, m.nt. H.J. Snijders, TVA 2007/19, m.nt. H.L.J. Roelvink.
HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630, NJ 2009/490.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/22; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/22. HR 9 oktober 2009, ECLI;NL:HR:2009:BI9630, NJ 2009/490 ([…] /Van den End q.q.); HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1770, NJ 2023/53, m.nt. H.J. Snijders.
HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578, JOR 2017/60, m.nt. C.D.J. Bulten (JKS c.s./ […])
De materie is aangevoerd in het voorwaardelijk incidenteel appel van Google, waaraan niet is toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder incidenteel appel is ingesteld (t.w. dat Sonos ontvankelijk is in haar hoger beroep) niet is vervuld, zie rov. 11 van het beroepen arrest van 31 mei 2022. Onderdeel V van het incidenteel cassatieberoep gaat hierover, zie hierna in 6.15.
In dit stadium volstaat meen ik wat daarover in het Onbevoegdheidsvonnis in rov. 2.4 is overwogen, onder verwijzing naar vaste lagere rechtspraak.
Zie punt 6 van de noot van H.W. Wiersma onder Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 november 2005, JBPR 2007/11.
Vgl. HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5662, NJ 1976/570, m.nt. W.H. Heemskerk waarin is geoordeeld met toepassing van art. 157b, lid 2 Rv (oud) – waarin werd bepaald dat de lagere rechter naar wie de zaak was verwezen, gebonden is aan de verwijzing – dat de bevoegde rechter naar wie de zaak is verwezen niet gebonden is aan beslissingen die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de vordering. Het is de taak van de rechter die krachtens de verwijzing als de bevoegde rechter moet worden aangemerkt om de ontvankelijkheid van de vordering te beoordelen. Zie hierover: Van Mierlo, T&C Rv, commentaar op art. 74 Rv, 3b; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 74 Rv, aant. 6.
MvG Sonos 4.2 (waarnaar wordt verwezen bij PI in cassatie 15) met als kopje ‘Subsidiair: doorbreking appelverbod’ in rdnr. 40 als volgt: ‘In casu is in ieder geval sprake van omstandigheden die doorbreking van een appelverbod rechtvaardigen. Het Vonnis levert ernstige schending op van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen althans van fundamentele beginselen van procesrecht. Hiernaast treedt het Vonnis buiten het toepassingsbereik van art. 74 lid 3 Rv.’ Dezelfde tekst was ook al bij MvG 2 gebezigd. Nader toegelicht is dit verder niet anders dan bij MvG 10: de schending zou bestaan uit (i) het niet open stellen van tussentijds appel tegen het vonnis in het incident en (ii) het ongemotiveerd weigeren van een mondelinge behandeling in het incident. Daarnaast (iii) zou de rechtbank misbruik van procesrecht door Google sauveren (MvG 11). Eén en ander wordt vervolgens herhaald in de vorm van grieven 1-3. Bij MvA 3.1 heeft Google de aanwezigheid van doorbrekingsgronden bestreden (i.h.b. nu geen sprake is van de door Sonos gestelde schending van fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht, aldus MvA 45-52), na bij MvA 8 te hebben aangegeven dat en waarom het tussentijds appel van Sonos niet ontvankelijk is en bij MvA 14 dat van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijk proces geen sprake is en evenmin van gronden voor doorbreking van appelverboden, hetgeen nader is uitgewerkt in MvA 16-29.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/26: ‘Om te kunnen worden ontvangen in zijn hoger beroep dient appellant een doorbrekingsgrond te stellen. Indien de appelrechter oordeelt dat de gestelde grond niet aanwezig is, verwerpt hij het beroep [voetnoot: Zie HR 5 december 2014, NJ 2015/275, m.nt. W.D.H. Asser. Zie in dat verband onder meer HR 13 maart 1987, NJ 1987/1017; HR 15 november 1991, NJ 1992/119; HR 18 februari 1994, NJ 1994/742; HR 25 april 1997, NH 1997/512; Dam, TCR 1994.] Voor een ontvankelijk cassatieberoep moet worden aangevoerd dat en waarom het oordeel van de appelrechter dat de rechter in eerste aanleg geen zodanig beginsel heeft geschonden, niet juist is.’ Zie in gelijke zin s.t. Sonos 21 onder verwijzing naar deze passage uit Asser Procesrecht en voor de cassatie-instantie naar HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085, NJ 2019/423 m. nt. Th. M de Boer, rov 3.4 en HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387, JBPr 2023/8, m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.2. Met ‘zodanig beginsel’ wordt gedoeld op de doorbrekingsgrond ‘schending fundamenteel rechtsbeginsel’ uit het hierna volgende gedeeltelijke citaat uit rov. 3.4.3 van HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, NJ 2015/275: ‘Volgens vaste rechtspraak kan een rechtsmiddelenverbod […] worden doorbroken indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende bepaling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdig behandeling van de zaak […]. Voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep volstaat dat een beroep wordt gedaan op een van deze doorbrekingsgronden. Indien een beroep op een doorbrekingsgrond naar het oordeel van de appelrechter slaagt, beoordeelt hij vervolgens het geschil, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Indien het beroep op de doorbrekingsgrond faalt, wordt het hoger beroep verworpen. In dat geval is de beoordeling in hoger beroep beperkt gebleven tot de beoordeling van de (voor)vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond.’
HR 21 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8948, NJ 1986/691, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1635, NJ 1996/298, m.nt., H.J. Snijders (AFN/Staal Bankiers); HR 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4124, NJ 2000/186.
HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH6537, NJ 2011/211, m.nt. W.J.M. van Veen.
Snijders/Wendels, Civiel Appel, 2009/41.
Zie punt 2.4 van de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2017:1170) vóór HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, JBPR 2018/19, m.nt. C.J.M. Klaassen, JIN 2018/17, m.nt. C.S.G. Janssens.
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/65. E. van Geuns en M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv, aant. 19.
HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1829, NJ 1997/340, m.nt. H.J. Snijders ([…] /’t Plenske I).
Zie punt 2.9 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2006:AU6519) vóór HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, m.nt. G.R. Rutgers ([...]/Kas-Bank), met verwijzing naar literatuur.
HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, m.nt. G.R. Rutgers ([...]/Kas-Bank).
HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4929, NJ 2003/311, m.nt. H.J. Snijders (Bouwbedrijf Kuperus/De Vries Trappen); HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2828, NJ 2003/417 ([...]/gem. Leidschendam).
HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3978, NJ 2002/401, m.nt. H.J. Snijders (Ajax Fire Protection/ […] ).
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012/316, m.nt. C.J.M. Klaasen, JBPR 2012/25, m.nt. G. van Rijssen (Boekhoorn/Cyrte Investments); HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315, m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPR 2011/48, m.nt. S.M.A.M. Venhuizen ([…] /Joodse Gemeente).
HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9024, NJ 2013/28 ([...]/R.E.M. Holding).
Vws cass Google 21.
Zie ook dupliek Google 22.
S.t. Sonos 39.
Rov. 2.1. van die rolbeslissing luidt als volgt: ‘Het verwijzingsvonnis is een tussenvonnis. Daarvan kan tussentijds geen hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald (art. 337 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv). Het verzoek van Sonos om tussentijds hoger beroep van het verwijzingsvonnis toe te staan is op 23 maart 2021 afgewezen. Op grond van artikel 350 lid 2 Rv schorst het desondanks ingestelde hoger beroep van Sonos de tenuitvoerlegging van het verwijzingsvonnis niet. Onder ‘tenuitvoerlegging’ valt ook de voortzetting van de procedure. De rechtbank zal daarom beslissen dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bij verwijzing bevond. In dat kader geldt dat tussen partijen bij beschikking van 22 september 2020 (hierna: de VRO-beschikking) is bepaald hoe de procedure zal verlopen. Dat betekent dat Sonos zal moeten concluderen voor antwoord op de roldatum van 28 april 2021 en dat daarbij de voorwaarden gelden die in de VRO-beschikking zijn bepaald.’
Vws cass Google 5.
Sonos ziet dat anders in o.m. PI cass 22.
Dit heeft ook Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld in een incident in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in de hoofdzaak van 26 januari 2022. Zie rov. 4.2 van zijn arrest van 28 februari 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:1770): ‘(…) Met dit standpunt miskennen Sonos c.s. namelijk dat het Onbevoegdheidsvonnis en de daarop volgende twee arresten van het hof Den Haag tussenarresten zijn, omdat de rechtbank en het hof Den Haag daarin geen definitieve beslissingen hebben gegeven over hetgeen Google in de Hoofdzaak heeft gevorderd. De tussenarresten van het hof Den Haag moeten naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als uitspraken in de zin van artikel 401a lid 2 Rv.’ Zie over het onderscheid einduitspraak-tussenuitspraak hiervoor in 3.5-3.6.
Procesinleiding Sonos onderdeel II(c); S.t. Sonos 27.
Dit volgt uit art. 74 lid 3 Rv waarin is bepaald dat de procedure door de rechter naar wie de zaak is verwezen, wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt bij verwijzing. De procedure wordt voortgezet, waardoor niet kan worden gesproken van een ‘einde aan de instantie’, zoals Sonos ten onrechte aanvoert.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614, NJ 2008/547, m.nt. H.J. Snijders (Giskus/BMG).
Vgl. S.t. Sonos 108 en vws in cassatie Google 27.
Dit artikellid luidt als volgt: ‘Tegen een arrest of beschikking waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een lagere rechter, kan beroep in cassatie slechts worden ingesteld binnen acht weken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het arrest of de beschikking.’
HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556 (TROS/Pretium Telecom).
Vgl. de Belastingkamer in: HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639.
MvA Google 66 en par. 7.
Onder verwijzing naar HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, JBPR 2018/3, m.nt. P.M. Vos.
Onder verwijzing naar HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, NJ 2005/510 (Ponteceen/Stratex).
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600, NJ 2016/380, m.nt. H.B. Krans, JBPR 2016/17, m.nt. S.M.A.M. Venhuizen, JOR 2016/17, m.nt. G.J.P. Molkenboer.
HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, NJ 2018/164, m.nt. S.D. Lindenbergh; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, JBPR 2018/3, m.nt. P.M. Vos.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea).
HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, JBPR 2018/3, m.nt. P.M. Vos.
E. Gras, G. van Rijssen en D. Rijpma, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht 2010/14.3.3.
Zie bijv.: HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1605, NJ 1995/482 (Sobi/ […] I) en HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2531, NJ 1998/271 ([…] /Imbema).
A.C. van Schaick, Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/127.
MvA Google 66.
A.S. Rueb, E.Gras, R.G. Hendrikse, A.W. Jongbloed, Compendium Burgerlijk procesrecht 2021/9.4.3.
Onder verwijzing naar HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. H.J. Snijders, (Eurofactor/[…]).
Dat ziet Google eveneens zo, zie vws cass 152.
P. de Bruin, GS Burgerlijke Rechtsvordering, afd. Twaalfde afdeling Rv, aant. 5. In het verleden werd een theoretisch scherp afgebakend onderscheid gemaakt tussen afwijzing van de ingestelde vordering en niet-ontvankelijkheid van de eiser. Daar was belang bij, omdat kracht van gewijsde niet werd toegekend aan een vonnis dat met niet-ontvankelijkheid eindigde. Tegenwoordig hangt het niet van de bewoordingen af, maar van wat er materieelrechtelijk is beslist.
HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, NJ 2011/269, m.nt. H.J. Snijders, JBPR 2010/26, m.nt. E.F. Groot (er is geen sprake van een voorlopige voorziening bij een vordering betreffende een voorschot in het kader van een door de rechter bevolen deskundigenbericht). HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, NJ 2013/288, m.nt. H.B. Krans (evenmin bij een vordering ex art. 843a Rv die werd ingesteld met het oog op de instructie van de zaak). Zie hierover: G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 223 Rv, aant. 13.
De klacht verwijst naar HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926, NJ 1993/654 ([…] /De Open Ankh), rov. 3.2, HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949, NJ 1993/655 m.nt. E.H. Ras (…] / [….), rov. 3.6, HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581, m.nt. H.J. Snijders (AB&P c.s./AXA), rov. 3.4.1, HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, NJ 2019/108, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.5.2-3.5.3.
Onder verwijzing naar MvA Google 30-41 resp. 42-44; Plta Google 2-3.
In gelijke zin plta cass Sonos 29.
Google verwijst naar MvA Google 7, 10-11.
Google verwijst naar MvA Google 5, 9, 66; Google akte van 24 maart 2022 1-6; Google plta 1-3.
Die hoofdstukken bevatten uiteenzettingen betreffende het juridische kader van octrooirecht en octrooiprocesrecht en de uitleg van art. 80 ROW (hoofdstuk 5), het procesrecht met inbegrip van misbruik van recht (hoofdstuk 6) en de procesgang in feitelijke instanties (hoofdstuk 7), uitmondend in de conclusie in 7.9/rdnr. 149 dat Sonos het bevoegdheidsincident, het in weerwil van art. 337 lid 2 Rv ingestelde tussentijdse appel en dit cassatieberoep zou hebben aangewend om de zaak te vertragen c.q. te frustreren, waarvan het hof zich in het arrest in de hoofdzaak op geen enkele wijze rekenschap zou hebben gegeven.
MvA Google 66 en par. 7.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea).
Dupliek Google 3.
Zie de punten 3.31-3.35 van conclusie van A-G Wesseling-van Gent waar ook Google op wijst in vws in cassatie 103 (ECLI:NL:PHR:2022:539) vóór HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1726.
Direct inzichtelijk is dat niet, als juist is, zoals Sonos stelt bij bijv. plta cass onder 2, dat zij t.n.t. telkens in de procedures die het wereldwijde octrooigevecht behelzen aan het langste eind heeft getrokken.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1082, NJ 2021/15, m.nt. S.D. Lindenbergh.
MvA Google 61-65.
In gelijke zin plta cass Sonos 29.
Google verwijst naar MvA Google 30-41, resp. 42-44.
Google verwijst naar MvA Google 53.
In gelijke zin plta cass Sonos 29.
Vws in cassatie Google p. 2, punt 7, 149; dupliek/repliek Google 14.
Bij dupliek/repliek 14 vat Google dit samen met de stelling dat Sonos alleen cassatie zou hebben ingesteld met het oogmerk het appel in de bodemzaak bij hof Arnhem-Leeuwarden te frustreren, maar dat is al even speculatief als haar stellingen in feitelijke instanties over misbruik van procesrecht, die ook uitgaan van speculaties over de ware bedoelingen van Sonos in dit geschil (vertragingstactiek om een verbod onder een bijna aflopend octrooi te voorkomen, kort gezegd).
Vws in cassatie Google 7.
J. Hijma & M.M. Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/26; W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling (BPP nr. 3) 2004/102.
Google maakt daar in het principaal cassatieberoep aanspraak op ‘(…)veroordeling van eiseressen tot cassatie in de volledige kosten wegens misbruik van procesrecht althans op de voet van art. 1019h Rv (…)’ en in het incidenteel cassatieberoep op ‘veroordeling van eiseressen tot cassatie [bedoeld zal hier zijn; verweersters in het incidenteel cassatieberoep, A-G] in de volledige kosten wegens misbruik van procesrecht althans de redelijke en evenredige kosten ex art. 1019h Rv (…)’ [Onderstrepingen A-G]
Ik citeer een deel van dupliek/repliek 30: ‘(…) Google heeft in cassatie geen proceskostenvergoeding ex art. 1019h Rv gevorderd, net zo min als zij dat bij het hof deed. Volgens Google is duidelijk dat art. 1019h Rv niet van toepassing is. Waar zij meent dat dit artikel geen toepassing vindt, stelt zij uiteraard niet toch een vordering op basis van die bepaling in.’ [sic].
Repliek Sonos 1-6.
HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:721, NJ 2018/721 m.nt. D.W.F. Verkade (Becton/Braun).
Google betoogt bij dupliek principaal/repliek incidenteel 31 dat deze zaak zou afwijken van Becton/Braun, maar dat zie ik niet in de door haar bedoelde zin opgaan.
HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556 m.nt. E.J. Dommering (Endsta papers).
Beroepschrift 15‑10‑2022
Hoge Raad der Nederlanden
Verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep
inzake
de vennootschap naar vreemd recht
GOOGLE LLC.,
gevestigd te Mountain View, California, Verenigde Staten van Amerika,
verweerster in principaal cassatieberoep,
eiseres in incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J. Pot
tegen:
de besloten vennootschap
SONOS B.V.,
gevestigd te Hilversum,
de vennootschap naar vreemd recht
SONOS, INC.,
gevestigd te Santa Barbara, California, Verenigde Staten van Amerika,
eiseressen in principaal cassatieberoep,
verweersters in incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. R.L.M.M. Tan
In het principaal cassatieberoep:
Nu het hof in het bestreden arrest op de in het middel in principaal beroep aangevoerde gronden het recht niet heeft geschonden noch vormen heeft verzuimd die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen, concludeert Google tot verwerping van het principaal cassatieberoep, met veroordeling van eiseressen tot cassatie in de volledige kosten wegens misbruik van procesrecht althans op de voet van art. 1019h Rv, met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest.
In het incidenteel cassatieberoep:
Google concludeert tot vernietiging van het arrest d.d. 27 juli 2021 en het arrest d.d. 31 mei 2022, gewezen tussen partijen met zaaknummer 200.292.395, wegens schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden, met veroordeling van eiseressen tot cassatie in de volledige kosten wegens misbruik van procesrecht althans de redelijke en evenredige kosten ex art. 1019h Rv, met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest.
1. Kernoverzicht
1
De onderhavige procedure maakt deel uit van een internationaal geschil tussen partijen over (beweerdelijke) schending van hun respectievelijke octrooirechten. Het geschil kent een relatief omvangrijk procesverloop voordat de onderhavige zaak Uw Raad bereikte. Google zet die hieronder beknopt (en in hoofdstuk 7 uitvoeriger) uiteen. Voorts is een schematische tijdslijn gehecht aan dit stuk.
2
In de basis is de zaak overzichtelijk. Google vorderde in eerste aanleg in de hoofdzaak een verbod op inbreuk op het Britse, Italiaanse en Finse deel van haar Europese octrooi EP 1 579 621 (‘EP 621’). Google heeft deze inbreukzaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag, nu die rechtbank ex art. 80 lid 1 ROW exclusief bevoegd is ten aanzien van zaken betreffende de handhaving van octrooien. Sonos stelt echter dat de zaak niet onder de reikwijdte van art. 80 lid 1 ROW zou vallen omdat er geen Nederlands deel van een Europees octrooi aan de orde is. Zij heeft daarom in eerste aanleg ex art. 110 Rv een beroep gedaan op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Den Haag. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis d.d. 17 maart 2021 (het ‘Verwijzingsvonnis’) dat verweer gehonoreerd en de zaak verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland (in welk arrondissement Sonos Europe gevestigd is), en daarbij bepaald dat enkele reeds vastgestelde termijnen ook na deze verwijzing gehandhaafd zouden blijven (zie nader hieronder).
3
Sonos is van dit Verwijzingsvonnis in tussentijds appèl gekomen. Het hof heeft Sonos in dat appèl bij arrest d.d. 31 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang (het ‘Eindarrest in tussentijds appel’). Het hof kwam tot dat oordeel op basis van het feit dat Google's vorderingen in de tussentijd door de rechtbank Midden-Nederland (op formele gronden) bij eindvonnis d.d. 26 januari 2022 waren afgewezen (het ‘Eindvonnis’).
4
Met haar onderhavige cassatieberoep komt Sonos op tegen het Eindarrest in tussentijds appel. De bezwaren van Sonos houden zakelijk gezegd, en voor zover Google begrijpt, in dat zij door de handhaving van de door de rechtbank Den Haag vastgestelde termijnen benadeeld zou zijn, en dat het hof dat in het bestreden arrest zou hebben miskend.
5
Sonos heeft deze kwestie in haar procesinleiding bijzonder complex gemaakt, maar Uw Raad kan de zaak volgens Google eenvoudig afdoen: het hof had Sonos simpelweg ex art. 337 lid 2 Rv niet-ontvankelijk dienen te verklaren, nu het gaat om tussentijds appèl van een tussenvonnis en de rechter niet had beslist dat tussentijds appèl open stond — sterker, de rechter had het daartoe strekkende verzoek van Sonos uitdrukkelijk afgewezen.1. Het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv kan naar vaste jurisprudentie van Uw Raad2. en consensus in de literatuur3.niet worden doorbroken. Voorts stuitte het appèl hoe dan ook af op het appèlverbod van art. 110 lid 3 Rv, dat bepaalt dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen een vonnis waarbij de zaak naar een andere rechter wordt verwezen. Tegen de bepaling van termijnen betreft, geldt dat er ex art. 332 Rv überhaupt geen appèl tegen de betreffende beslissingen open stond.4.
6
Het hof is in de bestreden arresten niet ingegaan op het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv of art. 110 lid 3 Rv, ondanks een uitgebreid gemotiveerd beroep van Google op beide bepalingen.5. In plaats daarvan heeft het hof overwogen dat er voor Sonos ‘aanleiding’ zou zijn geweest om in appèl te gaan, nu Sonos' standpunt over de handhaving van bepaalde termijnen na verwijzing door de verwijzende rechtbank ‘juist’ zou zijn, om vervolgens op die grond de proceskosten te compenseren. Tegen die beslissingen komt Google in incidenteel cassatieberoep op, o.a. met een beroep op art. 337 lid 2 Rv en art. 110 lid 3 Rv, maar ook op andere gronden.
7
Bij het incidenteel cassatieberoep bestaat in het bijzonder belang omdat Google een volledige proceskostenvergoeding wegens misbruik van recht had gevorderd (en in cassatie ook vordert), omdat zij meent dat Sonos haar procedurele bezwaren zowel in eerste aanleg als in appèl slechts aanvoerde, en ook in dit cassatieberoep slechts aanvoert, om de zaak ten gronde te frustreren: Sonos' doel is een inhoudelijk oordeel over de door haar gepleegde octrooi-inbreuk te kunnen uitstellen tot na expiratie van EP 621 in november 2023.6.
Ter illustratie: Google is op 4 februari 2022 in hoger beroep is gekomen van het Eindvonnis (hierna ook het ‘Appèl in de hoofdzaak’) en heeft in dat appèl op 21 maart 2022 haar grieven genomen. Sonos heeft vervolgens op 10 mei 2022 een incident tot ‘aanhouding / schorsing / ambtshalve doorhaling van de procedure’ ingesteld, onder verwijzing naar haar (evident niet-ontvankelijke) tussentijdse appèl. Later heeft Sonos ook de procesinleiding voor het onderhavige cassatieberoep aan het hof gestuurd, terwijl de zaak al voor arrest in het incident stond. Daarop heeft het hof een tussenarrest gewezen en partijen nog een akteronde toegestaan. Vervolgens is de zaak opnieuw naar de rol verwezen voor arrest in het incident, maar dat arrest is nog altijd niet gewezen: de zaak staat thans op de rol van 14 maart 2023 voor arrest in het incident. Het lijkt daarmee uitgesloten dat arrest in de hoofdzaak zal worden gewezen vóór afloop van EP 621 op 11 november 2023.
8
Google hecht eraan op te merken dat het incidenteel beroep daarmee wat haar betreft van zaaksoverstijgend belang is. Over het gebrek aan ontvankelijkheid van Sonos' tussentijds appèl kan in redelijkheid geen twijfel bestaan. De reden voor het instellen en doorzetten daarvan zelfs nadat zij in de zaak ten gronde in het gelijk was gesteld, en het vervolgens aanzoeken van Uw Raad in deze kwestie, is louter gelegen in het willen frustreren van de zaak, zoals ook volgt uit de overige omstandigheden van de zaak die hierna zullen worden toegelicht. Het bestreden arrest is niet alleen duidelijk onjuist, het beloont een dergelijke tactiek en vormt daarmee een zeer ongelukkig precedent dat niet in stand zou moeten blijven. Daarnaast zou Uw Raad ten overvloede duidelijkheid kunnen verschaffen over de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag, om te voorkomen dat een partij in een volgende zaak weer dergelijke procedurele chicanes kan uithalen.
9
Omdat voor de beoordeling van het principaal beroep en van het incidenteel beroep grotendeels dezelfde feiten van belang zijn, zal Google in deze conclusie reeds inhoudelijk reageren op het principaal beroep.
10
De klachten in incidenteel beroep zijn in hoofdstuk 3 opgenomen, en worden nader uitgewerkt en toegelicht in hoofdstuk 5 t/m 7. Google komt daarin op tegen het oordeel van het hof omtrent misbruik van recht en het daarop gebaseerde compenseren van de proceskosten. Ook in cassatie vordert Google overigens een proceskostenvergoeding wegens misbruik van recht. In hoofdstuk 8 en 9 gaat Google in meer detail in op de stellingen van Sonos in cassatie. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling wordt in hoofdstuk 4 kort aandacht besteed aan de ontvankelijkheid.
2. Principaal cassatieberoep faalt: appèlverboden stonden aan hoger beroep in de weg
11
De inzet van Sonos' principaal cassatieberoep is, tot de kern teruggebracht, welke rechtbank relatief bevoegd is van het geschil ten gronde kennis te nemen, en, in het verlengde daarvan, de relevantie van een aantal door de volgens Sonos niet-bevoegde rechtbank Den Haag bepaalde termijnen voor proceshandelingen. Dat zijn doorgaans geen kwesties die Uw Raad bereiken.
12
Relatieve bevoegdheid is een kwestie die de wetgever van zodanig ondergeschikt belang heeft geacht dat hoger beroep tegen een beslissing daarover categorisch is uitgesloten (art. 110 lid 3 Rv). Tegen de bepaling van termijnen of de datum van pleidooi staat, nu dat rolbeschikkingen zijn, evenmin hoger beroep open.7.
13
Sommige appèlverboden kunnen worden doorbroken indien sprake is van schending van een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel dat van eerlijke behandeling niet kan worden gesproken,8. maar daar is in het onderhavige geval geen sprake van — en Sonos voert in haar procesinleiding op dit punt niets aan dat tot een andere conclusie kan leiden. Ook in feitelijke instanties heeft Sonos niets aangevoerd dat haar stelling kan dragen dat in casu sprake zou zijn van veronachtzaming van een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel dat van eerlijke behandeling niet kan worden gesproken. De realiteit is dat Sonos van de volgens haar niet-bevoegde rechtbank Den Haag een termijn van meer dan zeven maanden had gekregen om haar conclusie van antwoord te nemen, en dus alle tijd had om in deze — niet bijzonder complexe — octrooizaak verweer te voeren.
14
Daar komt nog eens bij dat het hier gaat om tussenbeslissingen, waartegen — wat er van de hiervóór genoemde appèlverboden ook zij — alleen tegelijk met het eindvonnis (en dus niet tussentijds) hoger beroep kon worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaal (art. 337 lid 2 Rv). In deze zaak heeft de rechter niet anders bepaald. In tegendeel: de rechtbank heeft het verzoek van Sonos om tussentijds hoger beroep open te stellen uitdrukkelijk afgewezen.9. Niettemin heeft Sonos enkele dagen daarna alsnog tussentijds hoger beroep ingesteld, dus in de volle wetenschap dat haar appèl niet-ontvankelijk zou zijn.
15
Reeds op grond hiervan moet het principaal cassatieberoep stranden. Er is maar één conclusie mogelijk, en dat is dat Sonos reeds op grond van art. 337 lid 2 Rv niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar appèl.
NB: Iedere andere conclusie zou leiden tot de situatie dat een partij altijd de relatieve bevoegdheid kan betwisten en, ongeacht de uitkomst, van de beslissing daarop hoger beroep en daarna beroep in cassatie kan instellen, om zo de procedure ten gronde jaren lang stil te leggen. Dat is ook precies wat Sonos hier beoogde en nog steeds beoogt. Die consequentie kan niet aanvaard worden. Precies om dat te voorkomen heeft de wetgever art. 350 lid 2 Rv ingevoerd, dat bepaalt dat een in weerwil van art. 337 lid 2 Rv ingesteld appèl geen schorsende werking heeft.
16
Dit wordt niet anders doordat het hof in het arrest d.d. 27 juli 2021 de incidentele vorderingen van Sonos heeft afgewezen. Voor zover daarin al besloten zou liggen dat het appèl niet afstuit op art. 337 lid 2 Rv of art. 110 lid 3 Rv en ontvankelijk is, geldt dat Google in incidenteel beroep opkomt tegen de beslissing de incidentele vorderingen af te wijzen (in plaats van Sonos niet-ontvankelijk te verklaren).
17
Uw Raad kan de zaak op dit punt zelf afdoen.
18
Ook overigens kan het principaal beroep ook om andere redenen niet slagen, zoals nog nader uiteen wordt gezet.
3. Incidenteel beroep
3.1. Klachten tegen arrest d.d. 31 mei 2022
19
In incidenteel beroep komt Google op tegen de beslissing van het hof in het arrest d.d. 31 mei 2022 in het dictum en rov. 10 om de proceskosten te compenseren, welke beslissing gegrond is op de overweging in rov. 9. Deze overwegingen luiden als volgt:
- ‘9.
Dit neemt overigens niet weg dat het standpunt van Sonos (zie de rovv. 2 en 6), dat de verwijzende rechtbank Den Haag niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijk regime op te leggen (het VRO) dat die rechtbank niet kent, juist is. De bevoegde rechtbank dient de zaak op basis van het voor haar geldende procesreglement te beslissen, en het is aan die rechtbank om te bezien of binnen dat reglement ruimte bestaat voor toepassing van een specifieke regeling als het VRO. Vanuit dit oogpunt bestond er voor Sonos dus wel aanleiding om in hoger beroep te komen van het Onbevoegdheidsvonnis waarin de verwijzende rechtbank de bevoegde rechtbank voorschreef althans aanspoorde om het VRO toe te passen.
- 10.
Gelet hierop kan — anders dan Google betoogt — niet worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis aan te tekenen. Voor de door Google op basis van (uitsluitend) die rechtsgrond gevorderde volledige proceskostenveroordeling is dan ook geen plaats. Sterker nog: in het onder 9 overwogene ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren.’
Onderdeel I
20
Het hof heeft met deze rovv. 9 en 10 ofwel de hierboven in par. 5–6 en 12–15 besproken appèlverboden van art. 110 lid 3 Rv en art. 337 lid 2 Rv miskend, ofwel is te dien aanzien voorbij gegaan aan essentiële stellingen van Google, die een beroep daarop inhielden.10. In het licht van die appèlverboden was voor de beslechting in appèl immers niet relevant of het standpunt van Sonos omtrent de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in het Verwijzingsvonnis te bepalen dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen gehandhaafd werden al dan niet ‘juist’ was, en bestond er bepaald geen ‘aanleiding’ voor Sonos om in (tussentijds) hoger beroep te gaan van het Verwijzingsvonnis. Een appèlverbod behelst immers dat van de betreffende beslissing geen hoger beroep kan worden ingesteld, hoe onjuist die beslissing ook moge zijn, waarmee er ook geen aanleiding kan zijn om toch hoger beroep in te stellen. Dat geldt in ieder geval voor het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv, dat naar vaste jurisprudentie niet kan worden doorbroken, en zou wat Google betreft ook moeten gelden voor het appèlverbod van art. 110 lid 3 Rv (zoals nader wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5.4.2 en 6.2.3). De overweging in rov. 10 dat geen sprake is van misbruik van recht en de beslissing dat er aanleiding zou zijn de proceskosten te compenseren kunnen bij die stand van zaken niet in stand blijven.
Onderdeel II
21
Het hof is in rov. 9–10 voorbij gegaan aan essentiële stellingen van Google inhoudende dat, wat er ook zij van de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag om te bepalen dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen van kracht bleven in de procedure na verwijzing, de rechtbank Midden-Nederland reeds kort daarna, bij rolbeschikking d.d. 7 april 2021, zelfstandig had beslist de in de VRO-beschikking bepaalde data te handhaven. In het licht van die rolbeslissing was de discussie over de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag e.e.a. te bepalen, achterhaald.11. Voor zover er al ‘aanleiding’ was in hoger beroep te gaan van het Verwijzingsvonnis, had Sonos na deze beslissing geen belang meer bij het hoger beroep en had zij moeten afzien van het doorzetten daarvan.
Onderdeel III
22
Het hof is in rov. 9–10 voorbij gegaan aan essentiële stellingen van Google omtrent het misbruik van procesrecht door Sonos, welke stellingen kort samengevat inhouden dat Sonos haar procedurele bezwaren slechts aanvoerde om de zaak ten gronde te frustreren,12. althans heeft die stellingen onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Deze klacht wordt hierna in hoofdstuk 5 t/m 7 nader uitgewerkt.
Onderdeel IV
23
Het hof heeft met rov. 10 miskend dat er ex art. 237 lid 1 Rv geen ruimte is de proceskosten te compenseren in een geval waarin de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, aangezien er in zo'n geval geen sprake van is dat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld. Het hof had Sonos daarom hoe dan ook in de proceskosten moeten veroordelen.
Onderdeel V
24
Tot slot heeft het hof met rov. 9–10 miskend dat de rechtbank Den Haag wél bevoegd was om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Dat wordt hierna in hoofdstuk 5 nader uitgewerkt. Google had dat punt ook in voorwaardelijk incidenteel appèl aan het hof voorgelegd.13. De voorwaarde waaronder dat was ingesteld, was dat het hof Sonos ontvankelijk zou achten,14. zulks vanuit de gedachte dat indien het hof Sonos niet-ontvankelijk zou achten er ook geen belang was bij een oordeel van het hof omtrent relatieve bevoegdheid. Die voorwaarde was strikt genomen niet vervuld nu het hof Sonos wél niet-ontvankelijk verklaarde. Het hof kon echter niet aan de betreffende stellingen voorbij gaan louter door Sonos niet-ontvankelijk te verklaren nu het, ondanks die niet-ontvankelijkverklaring, wel tot een beoordeling van de merites van Sonos' appèl is overgegaan; daarbij in rovv. 9–10 overweegt dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn geweest; en daarop de beslissing omtrent de proceskosten baseert. Het hof had dan in zijn oordeel moeten betrekken of de rechtbank Den Haag inderdaad niet relatief bevoegd was.
3.2. Klachten tegen arrest d.d. 27 juli 2021
Onderdeel VI
25
Met onderdeel VI komt Google op tegen de beslissing van het hof in het arrest d.d. 27 juli 2021 voor zover daarin de incidentele vorderingen van Sonos zijn afgewezen op grond van hetgeen in rov. 1–8 van dat arrest is overwogen. Het hof miskent daar dat het Sonos ex art. 337 lid 2 Rv en/althans art. 110 lid 3 Rv niet-ontvankelijk had moeten verklaren, om dezelfde redenen als in onderdeel I zijn aangevoerd.15. Dat raakt ook eventuele incidentele vorderingen die in het niet-ontvankelijke appèl zijn ingesteld.16.
3.3. Wijze van afdoening
26
Google meent dat Uw Raad het incidenteel beroep zelf kan afdoen wat het beroep op misbruik van recht betreft en (slechts) behoeft terug te verwijzen voor een begroting van de proceskosten.
4. Ontvankelijkheid
27
In het kader van het principaal beroep is opgemerkt dat het Verwijzingsvonnis een tussenvonnis is. Het is denkbaar dat e.e.a. meebrengt dat ook het bestreden arrest daarmee als tussenarrest heeft te gelden, ondanks het feit dat het een einde maakte aan het tussentijds appèl.17. Nu het hof geen tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld (Sonos heeft geen daartoe strekkend verzoek ingediend), zou dat betekenen dat het principaal cassatieberoep ex art. 401a lid 2 Rv niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Google meent echter dat zulks hier niet geldt, althans niet waar het Google's incidenteel beroep betreft.
28
Het hof heeft, ondanks een uitgebreid gemotiveerd beroep van Google daarop,18. zich niet uitgelaten over de vraag of Sonos' appèl wel of niet afstuitte op art. 337 lid 2 Rv. In plaats daarvan is het overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het appèl. Over het ten onrechte niet toepassen van art. 337 lid 2 Rv moet in cassatie kunnen worden geklaagd — zoals Google in incidenteel beroep ook doet. In die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat in ieder geval het incidenteel cassatieberoep ontvankelijk is.
29
Hoe dan ook geldt een eventuele kwalificatie als tussenuitspraak niet wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten in een geval als het onderhavige, waarin een volledige proceskostenvergoeding wordt gevorderd wegens misbruik van recht. De beslissing daarover is niet, zoals bij de proceskostenveroordeling normaal gesproken het geval is, een processueel ‘sequeel’ van de hoofdvordering over een punt van ondergeschikt belang. Het gaat hier om inhoudelijke beoordeling van wat in feite een vordering tot schadevergoeding is.19. De in beginsel limitatieve en exclusieve regeling omtrent de vergoeding van proceskosten van artt. 237–240 Rv derogeert immers ex art. 241 Rv jo. art. 6:96 lid 3 BW aan art. 6:96 lid 2 BW; en een vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in afwijking van artt. 237–240 Rv houdt dus weer een beroep op de hoofdregel omtrent schadevergoeding in.20. Omtrent dát punt heeft het hof met het arrest in het dictum een einde aan het geding gemaakt. Het arrest is dus in zoverre een einduitspraak.
30
Er zou dan sprake zijn van een deelbeslissing waarin aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt, maar dat voor een ander gedeelte als een interlocutoir tussenvonnis heeft te gelden. Tegen dat einddeel kan zonder meer onmiddellijk beroep worden ingesteld.21.
5. Juridische kader: octrooirecht
5.1. Nederlandse en Europese octrooien; harmonisatie materieel octrooirecht
31
Een octrooi geeft de houder het recht anderen te verbieden de in het octrooi geclaimde uitvinding te produceren, toe te passen of te verhandelen. Octrooirechten zijn territoriaal begrensde rechten, die na indiening van een aanvrage verleend worden door daartoe aangewezen instanties.
32
Voor het Nederlands territoir kunnen langs twee verschillende routes octrooien worden verkregen. Ten eerste is er het Nederlandse octrooi dat krachtens de Rijksoctrooiwet 1995 (‘ROW’) wordt verleend door Octrooicentrum Nederland (art. 15 e.v. ROW). Daarnaast kunnen in Nederland ook Nederlandse delen van Europese octrooien van kracht zijn. Een Europees octrooi wordt krachtens art. 97 lid 1 van het Europees Octrooiverdrag22. (‘EOV’) aangevraagd bij het Europees Octrooibureau (‘EOB’), dat de octrooieerbaarheid onderzoekt en het octrooi in voorkomend geval centraal verleent voor alle door de aanvrager aangewezen lidstaten (art. 3 EOV; art. 4 lid 3 EOV). Na verlening valt het Europese octrooi uiteen in een bundel afzonderlijke nationale delen. In elke lidstaat geeft het relevante nationale deel na validering dezelfde rechten als een nationaal octrooi (art. 2 lid 2 EOV; art. 64 lid 1 EOV). Het EOV bevat autonome bepalingen omtrent de vereisten voor octrooieerbaarheid (art. 52–57 EOV), waaronder nieuwheid en inventiviteit, en beschermingsomvang (art. 69 EOV). Ook de gronden voor vernietiging/herroeping van een nationaal deel van een Europees octrooi zijn verdragsautonoom geregeld (art. 138 EOV).
33
Met dank aan het EOV en het Gemeenschapsoctrooiverdrag (‘GOV’),23. dat enkele jaren later werd gesloten, is het materiële octrooirecht binnen de Europese Unie grotendeels geharmoniseerd.
34
Het Gemeenschapsoctrooiverdrag (‘GOV’) was een poging tot het creëren van een gemeenschapsoctrooi; i.e. een octrooi dat geldig is voor alle bij het verdrag aangesloten staten. Dit verdrag is nooit in werking getreden omdat niet genoeg lidstaten het tijdig hebben geratificeerd. Desondanks is dit verdrag van grote invloed op het materiële octrooirecht geweest. Het GOV bevat namelijk een ‘Tweede Deel’, met het opschrift ‘Materieel Octrooirecht’, waarin o.a. wordt bepaald welke handelingen aan de octrooihouder zijn voorbehouden c.q. inbreuk opleveren indien deze door een ander dan de octrooihouder worden verricht (art. 29–32 GOV). Wat de vereisten voor octrooieerbaarheid betreft verwees het GOV terug naar het EOV (art. 57 GOV). In de meeste landen van de Europese Unie zijn deze principes in de nationale wetgeving ingevoerd.24. Dat omvat in ieder geval de landen die het GOV hebben geratificeerd (België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk).
35
Kortom, er bestaat wat geldigheid betreft geen verschil tussen een Nederlands deel van een Europees octrooi of een buitenlands deel van hetzelfde Europese octrooi. Hoewel verschillende rechters tot een verschillend oordeel kunnen komen, passen zij dezelfde verdragsautonome bepalingen toe. Hetzelfde geldt voor beschermingsomvang: ook dat is een verdragsautonoom begrip. Wat de voorbehouden handelingen betreft zijn de relevante bepalingen van nationaal recht goeddeels geharmoniseerd. Eventuele verschillen zijn overzichtelijk en van ondergeschikte betekenis. Het is sinds Solvay/Honeywell25. ook staande praktijk dat de Nederlandse rechter zelfs in kort geding een oordeel geeft over inbreuk op buitenlandse delen van Europese octrooien.26.
5.2. Concentratie octrooi-rechtspraak bij de rechtbank Den Haag
36
In Nederland worden zaken over geldigheid van en inbreuk op octrooien vrijwel steeds beslist door de rechtbank Den Haag, nu die op grond van artikel 80 ROW exclusief bevoegd is in verschillende soorten zaken die octrooirechten betreffen.
37
De bepaling die thans in art. 80 lid 2 ROW is opgenomen, is oorspronkelijk ingevoerd bij wijziging van de Rijksoctrooiwet 1910 in 1987. Tot dan toe was de rechtbank 's‑Gravenhage slechts exclusief bevoegd ten aanzien van geschillen die de geldigheid van octrooien betreffen (welke bevoegdheid thans in art. 80 lid 1 ROW is opgenomen). Met de wijziging werd de exclusieve bevoegdheid uitgebreid om ook zaken over inbreuk op c.q. handhaving van octrooien te omvatten.
38
De achtergrond van die exclusieve bevoegdheid is, aldus de wetgever, dat voor de behandeling van octrooigeschillen specialistische kennis vereist is en dat het onwenselijk is dat elke rechtbank, die slechts sporadisch met dergelijke zaken te maken krijgt, bevoegd zou zijn daarover te oordelen; in de kringen van belanghebbenden leefde destijds al langer de wens één rechtbank bij uitsluiting bevoegd te maken. De wetgever heeft de behandeling van deze geschillen derhalve bij één rechtbank willen concentreren. Zie in die zin de MvT bij het toen nieuwe art. 54 lid 2 ROW 1910, waarin wordt toegelicht dat de rechtbank 's‑Gravenhage daarmee exclusief bevoegd zou worden voor vorderingen ‘ter zake van de handhaving van octrooien’:27.
‘De onder 2 voorgestelde invoeging van een nieuw tweede lid strekt ertoe de rechtbank te 's‑Gravenhage tevens uitsluitend bevoegd te verklaren ten aanzien van vorderingen ter zake van de handhaving van octrooien. Deze concentratie van rechtspraak strekt zich ook uit tot voorzieningen van de president in het kort geding. Voor deze aangelegenheden geldt thans de gewone competentie.
In kringen van belanghebbenden leeft reeds lang de wens om de Haagse rechter ook bij uitsluiting bevoegd te verklaren tot kennisneming van de vordering ter zake van handhaving van octrooien. Het wordt in die kringen als onbevredigend ervaren dat de bij deze vorderingen steeds aan de orde komende vraag of een handeling inbreuk maakt op een octrooi, met andere woorden de vaststelling van de bescherming van een octrooi, aan het oordeel van elke arrondissementsrechtbank kan worden onderworpen. Vele rechters komen met deze materie zo sporadisch in aanraking dat zij zich bezwaarlijk de ervaring en het gevoel voor technische problemen eigen kunnen maken die voor een goede berechting vereist zijn.
Wij verenigen ons met deze zienswijze en achten het op deze gronden gewenst de uitsluitende bevoegdheid van de Haagse rechtbank tot genoemde vorderingen uit te breiden. Wij zijn voorts van mening dat dit ook geldt voor voorzieningen van de president van de rechtbank in kort geding.’
39
Verder werd beoogd ook aanverwante vorderingen zoals indirecte inbreuk (i.e. het aanbieden of leveren van een wezenlijk bestanddeel van de geoctrooieerde uitvinding; thans geregeld in art. 73 ROW), de vaststelling van een redelijke vergoeding, en vorderingen betreffende een verklaring voor recht van niet-inbreuk exclusief bij de Haagse rechters onder te brengen:28.
‘Naast de vorderingen tot handhaving van octrooien worden in het nieuwe tweede lid ook genoemd daarmee verwante vorderingen, zoals de vorderingen uit hoofde van het voorgestelde nieuwe artikel 44A, de zogenaamde indirecte octrooi-inbreuk, de vorderingen tot het vaststellen van een redelijke vergoeding als bedoeld in de artikelen 43A en 43B, alsmede vorderingen welke worden ingesteld door een ander dan de octrooihouder ten einde te doen vaststellen dat bepaalde door hem verrichte handelingen niet strijdig zijn met een octrooi. De concentratie van deze vorderingen bij één rechter is ook in overeenstemming met de bij het Gemeenschapsoctrooiverdrag vastgestelde Resolutie betreffende centralisatie van de rechtspraak inzake inbreuk op Gemeenschapsoctrooien in de verdragsluitende staten.’
40
De wetgever stond dus een relatief brede exclusieve competentie voor ogen.
41
De bevoegdheidsregeling zoals neergelegd in de wettekst is echter complex opgezet, daardoor niet altijd direct duidelijk en op punten lacuneus. Art. 54 lid 2 ROW verwees, en art. 80 ROW lid 2 verwijst, voor de exclusieve bevoegdheid namelijk terug naar verschillende andere bepalingen uit de ROW. Daaronder vielen tot voorkort bijvoorbeeld niet verzoekschriften strekkende tot inzage ex art. 843a Rv of tot voorlopige maatregelen ex art. 1019b Rv.29. Wat de door de wetgever gewenste concentratie ter zake van ‘handhaving van octrooien’ betreft: die exclusieve bevoegdheid werd ingevoerd door te verwijzen naar de artikelen 43, 43A, 43B en 44A ROW 1910; thans artikelen 70, 71, 72 en 73 ROW.
42
Sonos nu, meent dat die artikelen slechts zien op Nederlandse octrooien en Nederlandse delen van Europese octrooien (dat valt in die artikelen zelf overigens niet met zoveel woorden te lezen), en dat daarom ook de nieuw gecreëerde exclusieve bevoegdheid zou zijn beperkt tot Nederlandse octrooien of Nederlandse delen van Europese octrooien; er zou zelfs sprake zijn van een ‘bewuste keuze’ van de wetgever. Voor een dergelijke bewuste keuze biedt de wetsgeschiedenis echter geen aanknopingspunten, terwijl een dergelijke beperkte uitleg niet strookt met het doel van die bepalingen.
5.3. Het VRO-regime
43
De rechtbank Den Haag heeft al langere tijd (sinds 199630.) een van het Landelijk Procesreglement afwijkend procesregime voor de behandeling van octrooizaken, dat ook wel bekend staat als het ‘Versneld Regime Octrooizaken’ of ‘VRO-regime’.31. De huidige versie van dit regime is vastgesteld door het bestuur van de rechtbank, na overleg met de voorzitter van de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten.32. Het bijzondere aan dit regime is dat de rechtbank op voorhand in een beschikking een procesregime vaststelt, inclusief pleidooidatum. In deze VRO-beschikking worden altijd bepaald:33.
- —
de uiterste datum voor het betekenen van de dagvaarding;
- —
de eerste roldatum waartegen gedagvaard dient te worden;
- —
de datum voor de conclusie van antwoord;
- —
de datum voor een eventuele conclusie van antwoord in reconventie of akte ter reactie op nietigheidsargumenten van de gedaagde;
- —
de uiterlijke datum voor aanvullende producties van partijen;
- —
de uiterlijke datum voor producties in reactie op de aanvullende producties voor de wederpartij; en
- —
de pleidooidatum.
44
Door het vooraf opstellen van een conclusiekalender en pleidooidatum wordt o.a. voorkomen dat na het afconcluderen van de zaak vertraging ontstaat door beperkte beschikbaarheid van partijen en de rechtbank. Onder het VRO-regime werd de pleidooidatum van oudsher op circa 10 maanden na datum dagvaarding bepaald, zodat binnen een jaar na dagvaarding een vonnis beschikbaar kwam.
45
Officiële statistieken ontbreken, maar vrijwel alle bodemprocedures in octrooizaken worden onder dit regime behandeld.34. Dat leidt zelden tot problemen. De meeste partijen waarderen juist de snelheid en voorspelbaarheid van het VRO-regime.35. Door de concentratie bij de rechtbank Den Haag en de snelheid waarmee dankzij het VRO-regime beslist wordt, staat de Nederlandse octrooirechtspraak internationaal in hoog aanzien, aldus de in opdracht van het Ministerie van EZK uitgevoerde Evaluatie van het Intellectuele Eigendomsbeleid36. (vet adv.):
Ten aanzien van handhaving valt op dat stakeholders waardering hebben voor de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland op het gebied van IE-rechten. Nederlandse rechters staan hoog in aanzien, zowel in Nederland als in het buitenland. De concentratie van octrooizaken bij de rechtbank van Den Haag komt de kwaliteit van de rechtspraak ten goede. Dit blijkt ook uit het grote aantal internationale zaken dat door de rechtbank wordt afgehandeld. Jaarlijks worden ongeveer 40 tot 50 octrooizaken inhoudelijk behandeld met ongeveer 150 zaken die worden afgedaan via de rol of via verstekveroordeling. Octrooizaken betreffen in verreweg de meeste gevallen zaken in een versneld regime. De overige zaken betreffen reguliere kortgedingen en reguliere bodemprocedures.’
46
Dat het VRO-regime doorgaans als nadelig voor de gedaagde wordt beschouwd, zoals Sonos stelt,37. is niet juist. Sonos legt ook niet uit wat er nadelig zou zijn aan het regime — anders dan dat een voor de gedaagde mogelijk ongunstig vonnis eerder beschikbaar komt — en de door Sonos in de procesinleiding geciteerde uitspraak biedt voor dat standpunt ook geen steun. De termijn voor de conclusie van antwoord is langer dan die welke krachtens het huidige Landelijk Procesreglement geldt.38. Het VRO-regime brengt juist beperkingen mee voor de eiser.39. Sonos heeft in feitelijke instanties gewezen op het uitsluiten van re- en dupliek, maar er bestaat geen recht op re- en dupliek. De gedaagde die meent dat het om wat voor reden dan ook toch niet mogelijk is een bepaalde zaak onder het VRO-regime te behandelen, kan om verwijdering uit het regime verzoeken.40. De rechtbank is daar in aangewezen situaties ook daadwerkelijk toe bereid.41. Ook weigert de rechtbank ambtshalve toelating tot het VRO-regime in zaken die zij te complex acht.42.
47
Een voor dit cassatieberoep relevante omstandigheid is dat de rechtbank Den Haag met ondercapaciteit te maken heeft, waardoor de pleidooidatum nu vaak circa 15 maanden na de datum dagvaarding gelegen is. De eerste roldatum wordt echter bepaald door terugrekening vanaf de datum voor pleidooi, waardoor de gedaagde tegenwoordig zo'n zes à acht maanden krijgt voor het opstellen van de conclusie van antwoord. Dat is ook hier het geval geweest.43. In die omstandigheden is er al helemaal geen sprake van dat de gedaagde onder grote druk wordt gezet.
5.4. Bevoegdheid Haagse rechter niet beperkt tot Nederlandse octrooien of Nederlandse delen van Europese octrooien
48
Sonos stelt in haar procesinleiding dat Google de zaak bij een ‘evident’ niet-bevoegde rechter heeft aangebracht,44. onder de exclusieve bevoegdheidsregeling van art. 80 ROW valt,45. en dat Google dat ook wist althans had moeten weten, nu dit vaste jurisprudentie is.46. Geen van die stellingen is juist.
49
Hetgeen Sonos in feitelijke instanties heeft aangevoerd (en welke redenering door de rechtbank gevolgd is), is dat art. 80 lid 2 sub a ROW verwijst naar o.a. art. 70 ROW. Deze laatste bepaling ziet, aldus Sonos, enkel op handhavingsacties op basis van een ‘Nederlands octrooi of een Nederlands deel van een Europees octrooi’. Derhalve zou ook de regeling van art. 80 lid 2 ROW alleen van toepassing zijn op Nederlandse octrooien en Nederlandse delen van Europese octrooien, en niet op buitenlandse delen van Europese octrooien. Sonos' stelling berust daarmee in feite louter op een tekstuele interpretatie de ROW. Een dergelijke uitleg kan niet als juist worden aanvaard, nu de betekenis van wettelijke bepalingen niet uitsluitend op basis van de letterlijke tekst kan worden vastgesteld (zie hierna) en een dergelijke interpretatie ingaat tegen het doel van art. 80 ROW en daarmee tot onwenselijke consequenties leidt (namelijk een zaak die inhoudelijk onmiskenbaar een octrooizaak is, weghouden bij de daarvoor gespecialiseerde rechter).
50
Voor de door Sonos voorgestane uitleg van art. 80 lid 2 sub a ROW was ook geen precedent. Er was welgeteld één beslissing — uit 2004 — waarin de rechtbank 's‑Gravenhage oordeelde dat art. 80 lid 2 sub a ROW niet van toepassing was op vorderingen betreffende de handhaving van Amerikaanse octrooien.47. Wat er van de juistheid van die beslissing ook zij, dat zegt nog niets over bevoegdheid ten aanzien van handhaving van Europese octrooien, in welk kader relevant is dat het materiële octrooirecht ten aanzien van Europese octrooien geharmoniseerd is (zie hiervóór). De andere twee in het Verwijzingsvonnis genoemde uitspraken staan verder af van het onderhavige feitencomplex.48.
51
Daar tegenover staan recente uitspraken waarin juist een pragmatische, doelmatige uitleg van art. 80 ROW wordt toegepast. Zo verwees de rechtbank Gelderland in 2021 een zaak over opeising van een internationale octrooiaanvrage naar de rechtbank Den Haag, ook al viel die niet onder de letter van art. 80 ROW, met als reden dat voor de beoordeling van die zaak ‘bij uitstek octrooirechtelijke deskundigheid nodig [is], die deze rechtbank niet en de rechtbank Den Haag wel heeft’.49.
52
Ook uit recente uitspraken van de rechtbank Den Haag zelf volgt impliciet dat art. 80 ROW niet beperkt is tot Nederlandse octrooien of Nederlandse delen van Europese octrooien.50. Voorts oordeelde de rechtbank Den Haag in 2018 dat zij weldegelijk bevoegd was in een executiegeschil in een octrooizaak, ook al viel dat niet binnen de letter van art. 80 ROW, mede onder verwijzing naar de hiervoor besproken wetsgeschiedenis.51.
53
Google zal hieronder uiteen zetten dat een pragmatische uitleg, inhoudende dat ook buitenlandse delen van Europese octrooien onder art. 80 ROW vallen, juist is.
5.4.1. Uitleg van wettelijke bepalingen
54
Wettelijke bepalingen moeten altijd worden uitgelegd. Algemeen wordt aangenomen dat daarbij — naast de letterlijke betekenis — onder andere ook de systematiek van de wet, de rechtshistorie, de wetshistorie en een teleologische beoordeling van belang zijn.52. In het bijzonder het Hof van Justitie maakt veelvuldig gebruik van de teleologische methode van rechtsvinding, en naar Engels recht is ‘purposive interpretation’ de ‘basic judicial approach’, aldus prof. Giesen.53. Op basis van een ‘purposive interpretation’ wordt een bepaling in context uitgelegd met het doel in gedachten.
55
Naar Nederlands recht geldt er in beginsel geen rangorde tussen de verschillende interpretatiemethoden; de rechter mag vrijelijk uit de verschillende opties putten.54. In veel gevallen zullen de verschillende benaderingen ook overlappen. Uit verschillende uitspraken van Uw Raad is evenwel duidelijk dat de letter van de wet regelmatig het onderspit delft.55.
5.4.2. Doel en systematiek regels omtrent relatieve bevoegdheid
56
Art. 80 ROW behelst een regel omtrent de relatieve bevoegdheid van de rechter, die een lex specialis vormt ten opzichte van de regeling omtrent relatieve bevoegdheid die is opgenomen in artt. 99 t/m 110 Rv.
57
Anders dan de rechtbank in het Verwijzingsvonnis heeft overwogen, volgt daaruit niet dat art. 80 ROW als ‘uitzonderingsbepaling’ eng zou moeten worden uitgelegd. Deze overweging is mogelijk ontleend aan de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie inhoudende dat bepalingen omtrent internationale bevoegdheid die afwijken van de hoofdregel van art. 4 lid 1 Brussel I-bis Vo (woonplaats gedaagde), eng moeten worden uitgelegd.56.
58
Nog afgezien van het feit dat het Hof van Justitie daaraan toevoegt dat de uitzonderingsbepalingen niet ruimer mogen worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt57. (en daarmee dus in feite een teleologische uitleg voorstaat), geldt dat bepalingen omtrent relatieve competentie, zoals hier aan de orde, een fundamenteel ander doel hebben dan regels omtrent internationale rechtsmacht of absolute interne competentie. Het doel van bepalingen omtrent relatieve bevoegdheid is niet gelegen in het beperken van forumshopping of het voorkomen van een exorbitante bevoegdheid of het respecteren van de soevereiniteit van de lidstaten, maar eerst en vooral in het voorzien in regels voor interne zaaksverdeling en daarmee in het laten functioneren van de rechterlijke organisatie. Zie in die zin reeds de Memorie van Toelichting (‘MvT’) uit 1952 bij een aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (in het bijzonder: het introduceren van de doorverwijzingsplicht bij relatieve onbevoegdheid, en het uitsluiten van hoger beroep tegen een beslissing over de relatieve bevoegdheid):58.
‘Wanneer een gebied te groot is om daarin door één rechter of rechterlijk college te doen rechtspreken, moet de rechtsmacht in dat gebied over verschillende rechters of colleges worden verdeeld. Die verdeling kan geschieden naar gelang van het onderwerp van het geschil of b.v. naar het gebied, waarin de gedaagde woont of waarin het onroerend goed in geschil gelegen is. Zo ontstaan de regels omtrent de absolute en de relatieve rechterlijke competentie. Deze regels zijn slechts van belang terwille van het goed functioneren van de rechterlijke organisatie. Zij kunnen niet bijdragen om het geschil, dat partijen verdeeld houdt, tot een oplossing te brengen. Daarom mogen de regels omtrent de bevoegdheid — hoezeer die ook in een geordend rechterlijk apparaat nodig zijn — nimmer nadeel toebrengen aan de materiële rechten van partijen.’
59
Het belang van het rechterlijke apparaat staat dus voorop. In dezelfde MvT werd door de wetgever opgemerkt dat het voor partijen niet van veel belang is welke rechter relatief bevoegd is, gelet op de ontwikkeling in de verkeerstechniek (lees: het is tegenwoordig eenvoudig om de rechtbank in een ander arrondissement te bereiken).59. Uw Raad haalde dat in 1976 instemmend aan (en die overweging werd relatief recent weer instemmend aangehaald door A-G Wesseling-Van Gent60.) (vet adv.):61.
- ‘O.
[…] dat blijkens de memorie van toelichting op genoemde wet de strekking van de verkeersregeling (157a) is om te voorkomen dat materiële rechten verloren zouden gaan doordat voor een verkeerde rechter is gedagvaard, terwijl de uitsluiting van hogere voorziening tegen beslissingen omtrent relatieve competentie — welke uitsluiting in artikel 157b, eerste lid, besloten ligt — is gemotiveerd met de opmerking dat de vraag welke rechter relatief bevoegd is, voor partijen bij de ontwikkeling van de verkeerstechniek niet meer van veel belang is.’
60
Het is tegenwoordig nog een stuk eenvoudiger dan in 1952 of 1976 om naar elke rechtbank in Nederland te reizen, terwijl dat toen dus al eenvoudig genoeg geacht werd om de relatieve bevoegdheid voor partijen ‘niet van veel belang’ te achten.
61
Het belang van de hoofdregels omtrent relatieve bevoegdheid is dus met name dat van het rechterlijk apparaat, en niet dat van partijen. Het belangrijkste is dat er een bevoegde rechter is. Daarover moet snel en definitief duidelijkheid bestaan. Welke rechter uiteindelijk de zaak behandelt, vond de wetgever van zo weinig belang dat hoger beroep tegen een beslissing omtrent relatieve bevoegdheid in art. 110 lid 3 Rv integraal is uitgesloten.
62
Tegenover dit relatief geringe belang van de algemene regels omtrent relatieve bevoegdheid, staat dat art. 80 ROW een bepaling omtrent relatieve bevoegdheid is waarbij juist wél van belang wordt geacht welke rechter over het geschil oordeelt. Deze bepaling strekt er immers toe bepaalde typen geschillen — octrooizaken — bij één gespecialiseerde rechter te concentreren, om zo de goede berechting van dergelijke geschillen te waarborgen.
63
Art. 80 ROW is in dat opzicht overigens niet uniek. Internationale geschillen vragen steeds meer om gespecialiseerde kennis van de rechterlijke macht, zo wordt ook binnen de Raad voor de Rechtspraak erkend62., alsmede in het ons omringende buitenland (waarover hieronder meer). Om kennis te centraliseren en zodoende deze geschillen op een voortvarende wijze en op hoog niveau te kunnen (blijven) beslechten en zo de reputatie van Nederland als een land met een hoogstaande juridische infrastructuur te kunnen (blijven) waarborgen, is binnen de rechterlijke macht een aantal specialismen in het leven geroepen. Voorbeelden van gespecialiseerde kamers zijn de IE-kamer (Rechtbank en Hof Den Haag), de Ondernemingskamer (Hof Amsterdam), de Pachtkamer (Rechtbank en Hof Arnhem-Leeuwarden) en de zogenaamde ‘natte kamer’ (thans, sinds 2017, de Martime Chamber van de Rechtbank Rotterdam). Binnen de rechtbank Amsterdam is de Netherlands Commercial Court (NCC) op 1 januari 2019 van start gegaan.
5.4.3. Uitleg art. 80 ROW
64
Het voorgaande pleit voor een pragmatische benadering en een doelmatige uitleg van bepalingen waarbij rechtspraak geconcentreerd wordt bij één gespecialiseerde rechter, zoals art. 80 ROW beoogt. Immers, er is om de in de vorige paragraaf uiteen gezette redenen geen goede reden groot gewicht toe te kennen aan de hoofdregel van woonplaats gedaagde als neergelegd in art. 99 Rv, terwijl voorkómen moet worden dat de met art. 80 ROW beoogde concentratie van rechtspraak op een bepaald terrein teniet wordt gedaan door een al te letterlijke uitleg van de relevante bevoegdheidsbepaling, waardoor een inhoudelijk octrooigeschil toch bij een niet-gespecialiseerde rechter terecht zou komen.
65
Tegelijkertijd is er niets in de wetsgeschiedenis dat erop wijst dat de wetgever bij de invoering van (thans) art. 80 lid 2 ROW onderscheid heeft willen maken tussen Nederlandse octrooien en Nederlandse delen van Europese octrooien enerzijds, en anderzijds buitenlandse delen van Europese octrooien. De wetgever stond juist een brede, algemeen geformuleerde exclusieve bevoegdheid voor ogen die ziet op ‘vorderingen ter zake van de handhaving van octrooien’. De wetgever wilde de bijzondere bevoegdheid invoeren voor een bepaald type rechtsvorderingen — namelijk de handhaving van octrooien — en niet voor bepaalde typen octrooien. Voor het maken van een onderscheid tussen een Nederlands deel van een Europees octrooi en een buitenlands deel van een Europees octrooi bestaat te minder grond gelet op de harmonisatie van het materiële octrooirecht.
66
Het lijkt erop dat de hier aan de orde zijnde mogelijkheid, van inbreuk door een Nederlandse procespartij op een buitenlands deel van een Europees octrooi, de wetgever simpelweg niet voor ogen heeft gestaan bij het invoeren van (thans) art. 80 lid 2 ROW. Daaruit volgt niet dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn ten aanzien van dergelijke vorderingen. Er moet immers niet alleen gekeken worden naar de tekst van de wettelijke bepaling, maar ook naar haar doel. Waar het bij art. 80 ROW om gaat is dat zaken die octrooi-expertise vergen zoveel mogelijk door dezelfde, gespecialiseerde rechter behandeld worden (namelijk de Haagse). De redenen die door de wetgever worden aangevoerd om deze rechtspraak bij de Haagse rechters te concentreren, gelden in gelijke mate, zo niet a fortiori, voor buitenlandse delen van een Europees octrooi. Daarvoor geldt immers in nog sterkere mate dat andere rechters daar slechts zelden mee in aanraking zullen komen. Bovendien zijn op buitenlandse delen van Europese octrooien exact dezelfde regels van uitleg en geldigheid van toepassing als op Nederlandse delen van Europese octrooien — namelijk de bepalingen van het EOV (in het bijzonder de artikelen 69 en 138 EOV).
5.5. Tussenconclusie
67
Uit het voorgaande volgt dat het niet juist is dat de rechtbank Den Haag ‘evident’ niet bevoegd was, zoals Sonos in haar procesinleiding aanvoert. In tegendeel: het gaat hier ontegenzeggelijk om een procedure waarvoor specialistische (octrooi-) kennis vereist is, en zeker in het licht van de grote mate van harmonisatie in het Europese octrooirecht is er geen reden om bij de exclusieve bevoegdheid van art. 80 ROW onderscheid te maken tussen Nederlandse delen van Europese octrooien en buitenlandse delen van Europese octrooien. Van misbruik van recht aan de zijde van Google doordat zij de Haagse rechter heeft aangezocht, kan dan ook geen sprake zijn, ook niet nu zij dat onder het VRO-reglement heeft gedaan, gelet op het feit dat zulks de norm is.
68
Uw Raad zou zich (zo nodig ten overvloede) over de reikwijdte van art. 80 ROW kunnen uitlaten, gelet op het feit dat verschillende rechtbanken deze bepaling anders toepassen. Dat gebrek aan rechtseenheid leidt er namelijk toe dat er bij een zaak die niet onder de letter van art. 80 ROW valt voor de gedaagde altijd ruimte is een probleem te maken van de relatieve bevoegdheid — wordt de zaak bij Den Haag aanhangig gemaakt, dan is er kans dat de rechtbank Den Haag de zaak naar een andere rechtbank verwijst; wordt de zaak om te beginnen bij een andere rechtbank aangebracht, dan is er kans dat die rechtbank de zaak naar de rechtbank Den Haag verwijst.
6. Juridische kader: procesrecht
6.1. Kwalificatie tussenvonnis
69
Sonos stelt dat het Verwijzingsvonnis als eindvonnis moet worden gekwalificeerd.63. Dat is niet juist.
70
Een einduitspraak is een uitspraak waarvan het dictum ten opzichte van (één van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt.64. Onder een ‘tussenvonnis’ in de zin van art. 337 lid 2 Rv wordt dus verstaan een uitspraak waarin de rechter niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding heeft gemaakt.65.
71
Onder de term ‘het gevorderde’ worden hier de materiële vordering(en) van partij(en) verstaan zoals deze onder meer voorkomen in het petitum van de inleidende dagvaarding en (waar van toepassing) de conclusie van eis in reconventie, aangevuld met eventuele wijzigingen van eis.66.
72
Vorderingen van processuele aard, waaronder incidenten, vallen niet onder deze definitie van ‘het gevorderde’.67. Het is vaste rechtspraak dat een einduitspraak in het incident heeft te gelden als tussenvonnis in de hoofdprocedure, omdat de beslissing in het incident niet leidt tot een definitieve beslissing over het in de hoofdprocedure gevorderde.68.
73
Sonos stelt dat het Verwijzingsvonnis wél als eindvonnis zou kwalificeren, nu de rechtbank Den Haag zich daarbij onbevoegd heeft verklaard; er zou daarmee een einde worden gemaakt aan de instantie in de zin van een einde aan de procedure bij de rechtbank Den Haag.69.
74
Dat gaat niet op, omdat de instantie door verwijzing ex art. 110 lid 2 Rv niet eindigt maar wordt voortgezet bij een andere rechtbank. Dat was precies het doel van het invoeren van de doorverwijzingsplicht in 1954.70. Dat is dus iets fundamenteel anders dan wanneer de rechter zich internationaal of absoluut onbevoegd zou verklaren, waarmee de instantie ten einde komt. Ook de literatuur is eensluidend dat bij onbevoegdverklaring wegens ontbreken van relatieve competentie sprake is van een tussenvonnis. Zie in die zin Hovens in Civiel appèl:71.
‘Bij een onbevoegdverklaring moet worden onderscheiden naar de soort onbevoegdheid. Alleen bij een onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van relatieve competentie moet het vonnis worden aangemerkt als een tussenvonnis.’
75
Ook de processuele beslissingen in het Verwijzingsvonnis, inhoudende dat na verwijzing de termijnen van de VRO-beschikking van krachten bleven, zijn niet als eindbeslissing aan te merken, voor zover al sprake zou zijn van een appellabele beslissing. Ook daarmee wordt immers niet omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt aan het geding. Het Verwijzingsvonnis is daarmee een zuiver tussenvonnis.
6.2. Appèlverboden; relevantie kwalificatie als tussenvonnis
6.2.1. Appèlverbod art. 337 lid 2 Rv
76
Aangezien er geen sprake van is dat in het Verwijzingsvonnis een voorlopige voorziening werd getroffen of geweigerd, kon van het Verwijzingsvonnis alleen tegelijk met het eindvonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de rechter anders had bepaald (art. 337 lid 2 jo. lid 1 Rv). Zoals hiervoor reeds opgemerkt, heeft de rechter in dit geval niet anders bepaald maar het verzoek om tussentijds appèl open te stellen juist uitdrukkelijk afgewezen.
77
Sonos heeft daarop een beroep gedaan op de zgn. doorbrekingsjurisprudentie van Uw Raad, die inhoudt dat een wettelijk appèlverbod kan worden doorbroken indien (voor zover hier relevant) de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
78
Het is echter vaste jurisprudentie dat de doorbrekingsgronden niet van toepassing zijn in het geval van art. 337 lid 2 Rv, nu dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend. Zie de uitspraak van Uw Raad in TROS/Pretium,72. rov. 4.5:
‘[…] De hier bedoelde rechtspraak — waarmee wordt bedoeld dat de eiser ondanks een wettelijk appelverbod toch in zijn vordering kan worden ontvangen indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken — is niet van toepassing in het geval van art. 337 lid 2 Rv dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend.’
79
Dat is in lijn met eerdere jurisprudentie;73. en Uw Raad heeft TROS/Pretium recent impliciet bevestigd.74.
80
Sonos voert aan dat deze jurisprudentie hier niet van toepassing zou zijn, omdat er óók een algeheel appèlverbod geldt, namelijk dat van art. 110 lid 3 Rv (zie daarover hierna onder 6.2.3). De ratio achter de beslissing van Uw Raad in TROS/Pretium geldt echter evenzeer indien naast het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv ook een ander appèlverbod geldt. Er is geen enkele reden om een partij in zo'n geval toe te staan wel in tussentijds hoger beroep te laten komen. Indien een partij meent dat er doorbrekingsgronden zijn, kan hij dat na de eindbeslissing aanvoeren, indien blijkt dat het nodig is appèl in te stellen. Het volgen van het standpunt van Sonos zou ook zeer onwenselijke procedurele complicaties tot gevolg hebben (zoals deze zaak aantoont).
81
Ook overigens kan er geen uitzondering op het appelverbod van art. 337 lid 2 Rv worden aanvaard, zo volgt ondubbelzinnig uit het arrest van Uw Raad in Kintetsu/Quantum.75. Het is niet aan de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld, doch uitsluitend aan de rechter die de tussenuitspraak heeft gewezen om te beoordelen of redenen van doelmatigheid of proceseconomie meebrengen dat tussentijds beroep tegen de tussenuitspraak moet worden toegestaan.76. Daarmee was er dus geen enkele wijze waarop Sonos' tussentijdse appèl ontvankelijk zou kunnen zijn.
6.2.2. Gebrek aan schorsende werking tussentijds appèl
82
De schorsende werking van het hoger beroep ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een vonnis wordt geregeld in art. 350 Rv. Algemeen wordt aangenomen dat onder ‘tenuitvoerlegging’ in de zin van dit artikel ook voortzetting van de procedure valt. Indien de rechter een deelvonnis wijst en daarvan in hoger beroep wordt gekomen, komt de procedure bij de rechter in eerste aanleg dus van rechtswege stil te liggen.
83
84
Aangezien het Verwijzingsvonnis een tussenvonnis is, had Sonos' hoger beroep op grond van art. 350 lid 2 Rv geen schorsende werking.
85
Iedere andere uitleg zou betekenen dat een partij een procedure kan stil leggen door een tussenvonnis uit te lokken — bijvoorbeeld over relatieve bevoegdheid — en daarvan hoger beroep in te stellen, terwijl de rechter daar geen toestemming voor heeft verleend — precies zoals Sonos in het onderhavige geval. De bepaling van art. 350 lid 2 Rv is juist ingevoerd om dat te voorkomen. In de Nota van Toelichting heeft de wetgever daarover het volgende opgemerkt:77.
‘Bij de herziening van het procesrecht is een artikel 337, tweede lid, Rv aangepast in die zin dat hoger beroep tegen een tussenvonnis, anders dan tegelijk met het eindvonnis, alleen nog mogelijk is als de rechter dit heeft bepaald. In de praktijk blijkt toch met enige regelmaat hoger beroep tegen een tussenvonnis te worden ingesteld zonder dat de rechter dit heeft bepaald. Om te voorkomen dat in een dergelijk geval de procedure onnodig wordt vertraagd, bepaalt de voorgestelde wijziging dat in die gevallen het hoger beroep geen schorsende werking heeft. De partij die geen hoger beroep heeft ingesteld en er belang bij heeft om terstond in eerste aanleg door te procederen, wordt dan niet benadeeld. Weigert de partij die hoger beroep heeft ingesteld, mee te werken aan de voortzetting van de procedure in eerste aanleg, dan beslist de rechter in eerste aanleg of de procedure desondanks doorgang moet vinden.’
86
E.e.a. geldt a fortiori voor rolbeschikkingen. Ook hier geldt dat indien die als (appellabele) eindbeslissing zouden worden aangemerkt, iedere partij daarvan altijd hoger beroep zou kunnen instellen om daarmee de procedure in eerste aanleg stil te leggen. Die consequentie kan evident niet worden aanvaard.
6.2.3. Appèlverbod art. 110 lid 3 Rv
87
In het onderhavige geval stuit het appèl van Sonos ook nog af op het appèlverbod van art. 110 lid 3 Rv. Uw Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de mogelijkheid van doorbreking van het appèlverbod van art. 110 lid 3 Rv. Wel heeft Uw Raad eerder al geoordeeld dat van doorbreking geen sprake kan zijn ten aanzien van de beslissing een eiswijziging al dan niet toe te staan78. of ten aanzien van een verzuim te voldoen aan het bepaalde in art. 155 Rv.79. Die beide kwesties vertonen meer gelijkenis met art. 110 Rv dan het appèlverbod inzake deelgeschillen van art. 1019bb Rv dat Sonos aanhaalt,80. in die zin dat het niet gaat om een beslissing ten gronde ten aanzien van het gevorderde, maar om processuele kwesties, terwijl bij de deelgeschillenregeling juist wel inhoudelijke beslissingen aan de orde zijn.
88
Wat Google betreft zou ook van doorbreking van het appèlverbod van art. 110 lid 3 Rv geen sprake moeten kunnen zijn. Zie in gelijke zin Hovens in zijn noot bij een uitspraak van het Hof Amsterdam:81.
‘7. Wenselijkheid van hoger beroep
Is het wenselijk dat de doorbrekingsjurisprudentie van toepassing is op deze verwijzingsbeslissingen of dat hiertegen anderszins reguliere voorzieningen openstaan? Naar mijn mening niet. Beide beslissingen, zowel die ter zake van de relatieve competentie als ter zake van de ‘subsectorcompetentie’ (is de sector kanton of de sector civiel bevoegd) zijn van ondergeschikt belang. Of de zaak wordt behandeld in Amsterdam dan wel in 's‑Gravenhage kan uit praktisch oogpunt wel interessant zijn voor partijen, maar het is niet wezenlijk voor de organisatie en het functioneren van de rechtspleging. Onder het oude recht was in art. 157b lid 4 (oud) Rv ook iedere voorziening uitgesloten tegen de verwijzing naar een rechter van gelijke rang (HR 10 augustus 2001, NJ 2001, 527). Het lijkt niet wenselijk dat dit soort voorhoedegevechten zich in drie instanties voortslepen. […] Terecht merkte de regering op dat de vertraging en kosten die gemoeid zijn met verwijzingsperikelen zeer bezwaarlijk zijn en daarom zoveel mogelijk moeten worden beperkt, reden om geen hogere voorziening open te stellen (Van Mierlo/Bart, PG NRv, p. 228). Deze argumenten zien met name op de vraag of een tussentijdse hogere voorziening moet open staan. Dat is dus, mijns inziens, niet het geval. Datzelfde geldt voor de vraag of dan appel moet open staan tegelijk met het appel tegen het eindvonnis. Ook dat is niet wenselijk, niet nodig en bovendien niet zinvol. […]’
89
Die kwalificaties — niet wenselijk, niet nodig en bovendien niet zinvol — zijn inderdaad van toepassing, gelet op het hiervoor uiteen gezette geringe belang voor partijen bij de vraag welke rechter relatief bevoegd is en de processuele complicaties die kunnen optreden als toch oogluikend appèl wordt toegestaan.
6.2.4. Art. 332 Rv: geen hoger beroep mogelijk van rolbeschikkingen
90
Sonos heeft nog gesteld dat haar tussentijdse appèl niet zou afstuiten op het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv nu in het Verwijzingsvonnis de zaak niet alleen is verwezen naar een andere rechtbank, maar de rechtbank Den Haag daarin ook bepaalde termijnen heeft opgelegd/gehandhaafd. Art. 332 Rv stelt hoger beroep open van ‘vonnissen’. De bepaling van bepaalde termijnen is echter geen ‘vonnis’ in de zin van art. 332 Rv, maar een rolbeschikking — ook als die in (de vorm van) een vonnis wordt gegeven. Zie in die zin GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv aant. 19, eerste alinea:
‘Art. 332 Rv stelt hoger beroep open tegen ‘vonnissen’. Vonnissen moeten worden onderscheiden van rolbeslissingen (veelal rolbeschikkingen genoemd). Rolbeslissingen worden wel omschreven als maatregelen die op de rol worden genomen ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de geregelde loop van de zaak. Het gaat daarbij om administratieve beslissingen zoals beslissingen omtrent het verlenen van uitstel voor het nemen van een conclusie of de dagbepaling voor pleidooi, comparitie of vonnis. Tegen rolbeslissingen staat geen rechtsmiddel open.’
6.3. Geen recht op pleidooi in het incident
91
Eén van de punten die Sonos in de procesinleiding noemt is dat de rechtbank Den Haag voorbij zou zijn gegaan om haar verzoek om pleidooi in het incident.82. De procesinleiding vermeldt echter niet waar Sonos dat verzoek zou hebben gedaan. Sonos verwijst in de procesinleiding niet naar enig bij de rechtbank ingediend stuk, maar slechts naar de appèldagvaarding; en in de daarvan aangehaalde passages83. staat evenmin vermeld hoe of wanneer Sonos een verzoek om pleidooi zou hebben gedaan. De klacht voldoet derhalve niet aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen.
92
Wat hier ook van zij, de klacht kan niet opgaan omdat er, anders dan waar de klacht vanuit gaat, thans in beginsel juist geen recht bestaat op afzonderlijk pleidooi in een incident — laat staan een incident over relatieve bevoegdheid.
93
Het is juist dat Uw Raad in 2012, in TROS/Pretium, waarop het middel een beroep doet, heeft geoordeeld dat nu in art. 208 lid 1 Rv art. 134 Rv van toepassing is verklaard op het incident, partijen in beginsel recht hebben op pleidooi in het incident. Art. 134 Rv is echter per 1 oktober 2019 vervallen. De wet kent sindsdien geen pleidooi of comparitie meer, maar in plaats daarvan een ‘mondelinge behandeling’.
94
Deze ‘mondelinge behandeling’, die thans in art. 87 Rv is geregeld, is een gedeeltelijke implementatie van het KEI-Rv. De wetgever heeft de mondelinge behandeling onder KEI willen invoeren om het civiele proces te vereenvoudigen, te stroomlijnen en efficiënter te maken:84.
‘Voor het burgerlijk procesrecht wordt een overzichtelijke basisprocedure voorgesteld. In die vereenvoudigde procedure wordt uitspraak gedaan na één schriftelijke ronde en een mondelinge behandeling. De rechter krijgt meer middelen om een vlot verloop van de basisprocedure te bevorderen. Daartoe wordt relatief snel na de start van de procedure een mondelinge behandeling gehouden. De rechter kan de mondelinge behandeling gebruiken voor verschillende doeleinden, zoals het verkrijgen van een mondelinge toelichting van partijen, het horen van getuigen en deskundigen of het beproeven van een schikking.’
95
Onder KEI-Rv bestaat er geen recht op een afzonderlijke mondelinge behandeling in een incident. De mondelinge behandeling is geregeld in art. 30j–30k KEI-Rv, en deze artikelen zijn in art. 208 KEI-Rv niet van toepassing verklaard op incidenten. De hoofdzaak en incidenten, voor zover aan de orde, worden onder KEI in één mondelinge behandeling behandeld, zo volgt ook uit de wetsgeschiedenis.85.
96
Nu het doel van de wijziging van 1 oktober 2019 was een aantal ‘belangrijke inhoudelijke procesvernieuwingen’ van KEI zoveel mogelijk in te voeren, door o.a. de mondelinge behandeling van art. 30k KEI-Rv in art. 87 Rv te implementeren,86. moet het er voor worden gehouden dat er thans (althans in beginsel) geen recht op afzonderlijke mondelinge behandeling in incidenten bestaat. Dat art. 208 Rv ook na de wijziging van 1 oktober 2019 nog verwijst naar art. 134 Rv is dus geen kwestie van het ten onrechte niet-bijwerken van deze verwijzing naar art. 87 Rv, maar een kwestie van het ten onrechte niet-schrappen van deze verwijzing.
97
Overigens geldt volgens Google dat in een incident over relatieve bevoegdheid hoe dan ook geen recht op pleidooi/mondelinge behandeling zou moeten bestaan, om dezelfde redenen als de wetgever hoger beroep over die kwestie heeft uitgesloten. Anders dan Sonos betoogt houdt het recht op een mondelinge behandeling zoals door art. 6 EVRM gegarandeerd ook niet in dat de rechter zou moeten toestaan dat over iedere processuele verwikkeling afzonderlijk wordt gepleit.
6.4. Maatstaf misbruik van recht
98
Art. 3:13 lid 2 BW bevat een algemene, niet-limitatieve (‘onder meer’) opsomming van wat als misbruik van een bevoegdheid heeft te gelden, namelijk 1) deze uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden; of 2) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend; of 3) in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
99
Specifiek voor misbruik van procesrecht door het instellen van een bepaalde vordering (in de zin van het aanhangig maken van een procedure) heeft Uw Raad in Duka/Achmea overwogen dat van misbruik van procesrecht sprake is indien de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven; daarvan is sprake als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden:87.
‘Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.’
100
Recenter heeft Uw Raad in Vehmeijer/Janssens geoordeeld dat deze maatstaf ook geldt voor het voeren van verweer in een lopende procedure.88.
101
Uw Raad koppelt de striktheid van deze maatstaf aan het recht op toegang tot de rechter als gegarandeerd in art. 6 EVRM.
102
In de onderhavige zaak ligt het misbruik van Sonos niet alleen in het instellen van een evident niet-ontvankelijk tussentijds appèl (wat volgens Google overigens reeds voldoende is om aan de maatstaf van Duka/Achema te voldoen), maar ook en vooral in wat Sonos daarmee wilde bereiken: namelijk het frustreren van de procedure ten gronde. Dat wordt hierna in hoofdstuk 7 nader uiteen gezet. Daarbij is wat Google betreft ook relevant dat Sonos in het bevoegdheidsincident door de rechtbank in het gelijk was gesteld: de rechtbank verklaarde zich immers onbevoegd, precies zoals Sonos had bepleit. Bij een beroep tegen een uitspraak waarbij een bepaalde partij in het gelijk is gesteld heeft de betreffende partij naar vaste rechtspraak geen voldoende belang, en het toch instellen daarvan moet — althans onder omstandigheden als in het onderhavige geval aan de orde zijn — dan ook als misbruik van recht worden beschouwd.
103
Overigens moet volgens Google reeds het opwerpen van het bevoegdheidsincident als misbruik van procesrecht worden aangemerkt, zelfs al is Sonos' vordering tot verwijzing toegewezen. De reden daarvoor is dat Sonos de relatieve bevoegdheid heeft betwist met een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid in het leven is geroepen (de tweede in art. 3:13 BW gegeven vorm van misbruik): namelijk niet om de zaak door een andere rechtbank te laten behandelen, maar als gezegd om de procedure te frustreren.89. Ook dat wordt hieronder nader toegelicht. Dat het opwerpen van een bevoegdheidsincident misbruik van bevoegdheid kan opleveren, wordt in de literatuur breed onderschreven. Zie daarover de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent in KPN/High Point III:90.
‘3.
33 In de literatuur is erop gewezen dat processuele bevoegdheden in het algemeen doelgebonden zijn. Zo stelt Van der Wiel onder verwijzing naar o.a. Meijers, dat partijen processuele bevoegdheden hebben, zoals het instellen van een rechtsvordering of het in hoger beroep gaan, onder meer teneinde hun rechten te doen vaststellen. Deze bevoegdheden mogen niet voor andere doelen worden gebruikt. Ongeoorloofde doelen zijn met name het louter toebrengen van schade en het louter vertragen van het proces. Hij wijst er vervolgens op dat het beoordelen van een beroep op een processuele bevoegdheid aan de hand van het doelcriterium problematisch kan zijn omdat bevoegdheidsuitoefening meerdere doelen tegelijk kan dienen en er zich gemakkelijk een conflict kan voordoen tussen een geoorloofd en een ongeoorloofd doel. Als voorbeeld geeft hij het opwerpen van een bevoegdheidsincident: dit kan zowel het doel hebben waartoe de bevoegdheid dit te doen is gegeven, (terecht komen bij de rechter die de wet toekent) als schade en vertraging opleveren. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een laakbare bijbedoeling dient z.i. op grond van objectieve maatstaven te worden beoordeeld of het kennelijk gediende doel of de (verhouding tussen de) kennelijk gediende doelen van dien aard is of zijn dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid.’
104
De daar beschreven situatie voldoet wellicht niet letterlijk aan de maatstaf van Duka/Achmea. Die maatstaf, over misbruik aan de zijde van eiser middels het aanspannen van een procedure (of, in het verlengde daarvan, het voeren van inhoudelijk verweer), laat wat Google betreft onverlet dat bepaalde gedragingen aan de zijde van (met name) gedaagde binnen een reeds lopende procedure eveneens misbruik van procesrecht kunnen opleveren — in het bijzonder waar die, zoals het geval is bij het betwisten van de relatieve bevoegdheid, geen verband houden met (het voeren van) enig verweer tegen het gevorderde, en/althans gericht zijn op het frustreren van de procedure. Voor de sterke terughoudendheid in Duka/Achmea is dan ook geen (althans minder) aanleiding: het gaat dan immers niet om het recht op toegang tot de rechter; integendeel, het frustreren van de procedure door de ene partij raakt aan het recht op toegang tot de rechter en op een behandeling binnen redelijke termijn van de andere partij.
105
In ieder geval geldt dat de gedragingen van Sonos in samenhang beschouwd niet anders dan als misbruik van (proces-) recht kunnen worden beschouwd;91. Sonos had in redelijkheid niet tot de hierna te schetsen procestactiek kunnen overgaan.
7. Procesgang in feitelijke instanties
106
Zowel voor Sonos' beroep op schending van een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, als voor Google's beroep op misbruik van procesrecht is van belang dat Uw Raad een gestructureerd overzicht heeft van de procesgang in feitelijke instanties. Die geeft Google hierna.
107
Voorts is een schematische tijdslijn van de verschillende proceshandelingen en correspondentie aan deze conclusie gehecht. Daarin zijn de proceshandelingen die normaal gesproken onder het VRO-regime worden verricht groen gearceerd, evenals de reguliere proceshandelingen in appèl.92.
7.1. Parallelle buitenlandse procedures
108
Ten tijde van het aanhangig maken van de onderhavige procedure werd over EP 621 ook reeds in Duitsland en Frankrijk geprocedeerd. In die landen zijn inbreukprocedures aanhangig gemaakt in juni 2020 resp. augustus 2020.93.
7.2. Aanvraag VRO beschikking en betekening dagvaarding
109
In Nederland heeft Google op 17 september 2020 verlof gevraagd om onder het VRO-regime te mogen procederen.94. Dat EP 621 niet in Nederland van kracht is, en dat Google een verbod vorderde op inbreuk op het Britse, Italiaans en Finse deel van EP 621, stond uitdrukkelijk in het (beknopte) verzoekschrift vermeld.95.
110
Hiervóór is al uiteen gezet dat de meerderheid van alle bodemprocedures in octrooizaken onder het VRO-regime worden beslecht. Anders dan Sonos het wil doen voorkomen was aan het verzoek om onder het VRO-regime te mogen procederen dus niets ongebruikelijks. De zaak ten gronde was voor een octrooizaak ook niet bijzonder complex. Sonos' stelling dat het hier gaat om buitenlandse delen van Europese octrooien waardoor onderzoek zou moeten worden verricht naar buitenlands recht96. kan niet tot een andere conclusie leiden, omdat het materiële octrooirecht in Europa grotendeels geharmoniseerd is en de Nederlandse rechter regelmatig oordeelt over inbreuk op en geldigheid van buitenlandse delen van Europese octrooien (zie hoofdstuk 5.1).
111
De Voorzieningenrechter heeft het verzoek om volgens het VRO-regime te procederen toegewezen bij beschikking d.d. 22 september 2020 (de ‘VRO-beschikking’).97. Krachtens de VRO-beschikking diende Google te dagvaarden tegen 17 februari 2021, en kreeg Sonos daarna nog 10 weken, tot 28 april 2021, om haar conclusie van antwoord te nemen. Google heeft de dagvaarding met VRO-beschikking vervolgens op 30 september 2020 betekend. Daarmee had Sonos dus bijna zeven maanden voor het indienen van haar conclusie van antwoord.
112
Sonos heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de VRO-beschikking.
7.3. Betwisting bevoegdheid en opwerpen incident door Sonos
113
Op 10 februari 2021 — ruim vier maanden na betekening en slechts een week voor de eerst dienende dag — stuurde de raadsman van Sonos een e-mail aan de advocaten van Google waarin (voor het eerst) het standpunt werd ingenomen dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn, nu art. 80 lid 2 sub a ROW uitsluitend zou zien op Nederlandse delen van Europese octrooien. Volgens haar zou de rechtbank Midden-Nederland bevoegd zijn, nu Sonos Europe B.V. in Hilversum gevestigd is.98. Sonos merkte in de betreffende mail op dat de rechtbank Midden-Nederland gespecialiseerde rechters van de rechtbank Den Haag zou hebben kunnen inschakelen om de zaak inhoudelijk te behandelen.99. Die mogelijkheid bestaat omdat rechters van rechtswege rechter-plaatsvervanger zijn in alle overige rechtbanken,100. en wordt in octrooizaken die niet onder art. 80 ROW vallen en die bij een andere rechtbank aanhangig zijn gemaakt, vaker gebruikt.101.
114
Sonos schreef dat zij voornemens was een bevoegdheidsincident op te werpen, maar dat zo'n incident ‘may result in considerable delay of the proceedings, financial expenditures and would also put additional pressure on the judicial system.’ Zij deed Google in deze e-mail het voorstel om zich gezamenlijk tot de rechtbank Den Haag te wenden met het verzoek de zaak uit het VRO-regime te halen en daarin als gewone bodemprocedure voort te procederen, met handhaving van de datum voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Indien Google daarmee zou instemmen, zou Sonos zich onthouden van het opwerpen van een bevoegdheidsincident. Sonos noemt dit in de procesinleiding een ‘pragmatisch aanbod’.
115
Google heeft dit geweigerd.102. Ten eerste omdat zij meende (en meent) dat Sonos' standpunt omtrent art. 80 lid 2 ROW niet juist is, en ten tweede omdat de zaak uit het VRO regime verwijderen ernstige vertraging tot gevolg zou hebben gehad, met name doordat de voor de mondelinge behandeling vastgestelde datum zou verloren gaan. Er zou dan immers pas een nieuwe zittingsdatum worden vastgesteld na afloop van de schriftelijke fase. Die vertraging zou komen bovenop de ongebruikelijk lange tijdsverloop tussen dagvaarding en conclusie van antwoord, die gold op grond van de VRO-beschikking.
116
Op de eerst dienende dag (17 februari 2021) heeft Sonos daadwerkelijk een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarin zij vorderde dat de rechtbank zich relatief onbevoegd zou verklaren én de VRO-beschikking zou vernietigen.103.
117
Sonos' e-mail van 10 februari 2021 is om een aantal redenen relevant.
118
Allereerst volgt uit de e-mail dat Sonos niet werkelijk bezwaar had tegen behandeling van de zaak door of bij de rechtbank Den Haag. Zij stelde immers:
- ‘1.
dat indien de zaak onmiddellijk bij de rechtbank Midden-Nederland zou zijn aangebracht, deze gespecialiseerde rechters uit Den Haag zou hebben kunnen vragen de zaak inhoudelijk te behandelen; en
- 2.
dat zij zou afzien van het opwerpen van een bevoegdheidsincident (oftewel geen bezwaar had tegen behandeling door de rechtbank Den Haag) indien Google zou instemmen met het verwijderen van de zaak uit het VRO-regime.’
119
Het was Sonos dus nooit echt om relatieve bevoegdheid te doen; het ging haar uitsluitend om het van tafel krijgen van de in de VRO-beschikking bepaalde data — maar wel pas nadat zij gebruik had gemaakt van de op grond van de VRO-beschikking geldende lange periode tussen dagvaarden en conclusie van antwoord. De bevoegdheid ex art. 110 lid 2 Rv verwijzing te vorderen is echter niet in het leven geroepen om een bijna vijf maanden eerder gegeven rolbeschikking onderuit te halen. Dat — het aanwenden van een bevoegdheid met een ander doel dan waarvoor deze in het leven is geroepen — is een eerste reden waarom Sonos' procestactiek als misbruik van recht moet worden beschouwd.104.
120
In dat kader is nog van belang dat Sonos verschillende mogelijkheden had om (eerder) bezwaar te maken tegen het VRO-regime. Sonos had direct na ontvangst van de dagvaarding met VRO-beschikking ofwel bij Google ofwel bij de rechtbank bezwaar kunnen maken tegen het afgeven van de VRO-beschikking en/of om verwijdering van de zaak uit het VRO-regime kunnen verzoeken. Zij had mogelijk ook als belanghebbende in beroep kunnen gaan tegen de VRO-beschikking zelf. Dat had zij dan wel moeten doen binnen het verstrijken van de appèltermijn (van drie maanden; art. 358 lid 2 Rv).
121
Sonos heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat zij ruim vier maanden heeft gewacht met het kenbaar maken van dit bezwaar. De reden dat Sonos dit niet heeft gedaan, lijkt eveneens duidelijk: dan had Google simpelweg opnieuw gedagvaard bij de rechtbank Midden-Nederland, en had Sonos haar conclusie van antwoord veel eerder moeten nemen.
122
Voorts erkent Sonos met deze e-mail dat zij door de eerder vastgestelde datum voor de conclusie van antwoord niet in haar verdediging geschaad is: ook onder haar voorstel zou die datum immers gehandhaafd worden. Op basis waarvan dan wél sprake zou zijn van schending van haar recht op verweer valt niet in te zien. In eerste aanleg heeft zij verwezen naar het uitsluiten van re- en dupliek. Er bestaat echter geen recht op re- en dupliek, zodat het op voorhand uitsluiten daarvan Sonos ook niet in haar belangen kan schaden. Mocht om concrete redenen re- en dupliek toch aangewezen zijn, had Sonos altijd op die grond om verwijdering van de zaak uit het VRO-regime kunnen verzoeken. Zoals hierboven uiteen is gezet, is de rechtbank daar in aangewezen gevallen ook daadwerkelijk toe bereid. Het enige wat dan nog overblijft is de datum voor pleidooi. Sonos heeft echter nooit aangevoerd dat zij door deze datum op enigerlei wijze in haar gerechtvaardigde belangen geschaad zou zijn. Het enige wat bereikt wordt met het VRO-regime is versnelling van de procedure. Dat is voor Sonos in die zin nadelig dat daarmee sneller een voor haar mogelijkerwijs nadelig vonnis kon worden verkregen. De wens van een inbreukmaker de inbreuk voor te zetten, is vanzelfsprekend geen rechtens te respecteren belang.
7.4. Verloop bevoegdheidsincident
123
In de twee weken tussen het opwerpen van het incident, 17 februari 2021, en de roldatum voor antwoord in het incident aan de zijde van Google, 3 maart 2021, heeft Sonos de rechtbank Den Haag vier keer benaderd met aanvullende verzoeken en stellingen.105. Bij brief d.d. 22 februari 2021 verzocht Sonos om i) een mondelinge behandeling in het bevoegdheidsincident; en ii) te bepalen dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zou worden aangehouden totdat ‘finaal’ zou zijn beslist over de bevoegdheid.106. Nadat Google hier op 23 februari op had gereageerd, volgende op 25 februari 2022 een nadere brief, evenals op 2 maart 2022 en op 3 maart 2022.107.
124
Google heeft vervolgens op de rol van 3 maart 2022 geantwoord in het incident. Google heeft in de betreffende conclusie uiteengezet waarom de bevoegdheidsregeling van art. 80 ROW ruim moet worden uitgelegd,108. en voorts o.a. zich erop beroepen dat het incident als misbruik van bevoegdheid diende te worden aangemerkt.109.
125
De rechtbank Den Haag heeft vervolgens op 17 maart 2022 in het Verwijzingsvonnis beslist dat art. 80 ROW als uitzonderingsbepaling eng moet worden uitgelegd, en de zaak verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland. Daarbij heeft de rechtbank echter bepaald dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen gehandhaafd werden, zoals Google subsidiair had betoogd.110.
126
Google heeft Sonos op 23 maart 2021 opgeroepen om tegen 31 maart 2021 te verschijnen voor de rechtbank Midden-Nederland,111. en de rechtbank Midden-Nederland bij het aanbrengen van de zaak verzocht gespecialiseerde rechters van de rechtbank Den Haag te vragen de zaak inhoudelijk te behandelen.112. Sonos heeft de rechtbank Midden-Nederland de volgende dag een brief gestuurd met de mededeling dat zij nog inhoudelijk zou reageren, en verzocht vóór die tijd geen beslissingen te nemen.113.
7.5. Tussentijds appèl Sonos en poging procedure stil te leggen
127
Ondanks het feit dat haar bevoegdheidsverweer in het Verwijzingsvonnis werd gehonoreerd, heeft Sonos de rechtbank Den Haag twee dagen na vonnisdatum gevraagd tussentijds appèl open te stellen.114. Nadat Google om een reactie was gevraagd115. en deze had gegeven,116. heeft Sonos de rechtbank op 23 maart 2021 verzocht ‘per ommegaande te beslissen’ op haar verzoek. Dde rechtbank Den Haag heeft het verzoek bij e-mail d.d. 23 maart 2021 uitdrukkelijk geweigerd.117.
128
Die weigering heeft Sonos er niet van weerhouden enkele dagen later, op 29 maart 2021, toch hoger beroep in te stellen van het Verwijzingsvonnis.118.
129
Vervolgens heeft Sonos op 30 maart 2021, i.e. de dag nadat zij tussentijds appèl had ingesteld, de rechtbank Midden-Nederland een afschrift gestuurd van de appèldagvaarding, met daarbij de mededeling dat het hoger beroep de procedure van rechtswege schorst, zodat de rechtbank de behandeling van de zaak niet kon voortzetten:119.
‘De inhoud van de brief van Google is onjuist en achterhaald. Sonos stelde appel in van het Vonnis en dit appel heeft schorsende werking zodat de zaak door uw rechtbank moet worden aangehouden.’
130
In dit kader is een aantal zaken van belang. Allereerst is het Verwijzingsvonnis, zoals hiervóór uiteen is gezet, een tussenvonnis, zodat daarvan ex art. 337 lid 2 Rv geen hoger beroep open stond tenzij de rechter anders zou hebben bepaald. Dat begreep Sonos ook heel goed, getuige haar verzoek aan de rechtbank Den Haag om tussentijds hoger beroep open te stellen. Dat Sonos niettemin, na te zijn geweigerd, hoger beroep instelde, kan volgens Google niet anders dan als misbruik van procesrecht worden aangemerkt: het was Sonos immers nog vóór de appèldagvaarding werd uitgebracht duidelijk dat het tussentijdse appèl evident niet-ontvankelijk zou zijn nu het verlof werd geweigerd (en er anderszins geen mogelijkheid was om dit appèlverbod te doorbreken; zie hierboven onder 6.2.1). Bovendien had zij bij appèl van een vonnis waarbij haar verweer werd gehonoreerd geen belang in de zin van 3:303 BW. Degene die bij rechterlijke beslissing heeft verkregen waarom hij verzocht, heeft immers geen te respecteren processueel belang om in hogere instantie die beslissing aan te tasten.120.
131
Voor zover dit niet reeds voldoende zou zijn om als misbruik van procesrecht te kwalificeren, geldt dat dat in ieder geval zo is in het licht van wat Sonos met het niettemin instellen van tussentijds appèl wilde bereiken: namelijk de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland stilleggen, zoals ondubbelzinnig volgt uit de brief die zij de dag na het uitbrengen van de dagvaarding aan de rechtbank Midden-Nederland stuurde.121.
132
Hetgeen Sonos heeft aangevoerd kan hier niet aan afdoen. Sonos stelde in haar brief dat Google misbruik van procesrecht zou maken, evenwel zonder te preciseren waar dat misbruik uit zou bestaan.122. Uit hetgeen hiervóór is opgemerkt volgt dat het aanvragen van een VRO-beschikking bij de rechtbank Den Haag in ieder geval niet als zodanig kan worden aangemerkt. Voorts betoogde Sonos dat het Verwijzingsvonnis ‘een ernstige schending oplevert van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen’, zodat Sonos ‘niets anders restte’ dan appèl in te stellen van het Verwijzingsvonnis.123. Waar die schending in gelegen zou zijn, wordt niet duidelijk gemaakt. Voor zover Sonos erop doelt dat geen mondelinge behandeling is bepaald, geldt dat daar geen recht op bestaat (zie hiervóór hoofdstuk 6.3).
7.6. Verdere procesgang gerechtshof Den Haag
133
In dit tussentijds appèl stelde Sonos ook twee incidentele vorderingen in: ten eerste een die ertoe strekte te ‘bepalen’ dat de VRO-beschikking de rechter naar wie de zaak is verwezen niet kan binden althans niet bindt; en ten tweede te ‘bevelen’ dat aan het tussentijds appèl schorsende werking toekomt. Google heeft in één memorie zowel in de incidenten als ten gronde geantwoord, waarbij zij primair aanvoerde dat Sonos' appèl op grond van zowel art. 337 lid 2 Rv als art. 110 lid 3 Rv niet-ontvankelijk was,124. en voorts dat de incidentele vorderingen ook op andere gronden moesten worden afgewezen. In voorwaardelijk incidenteel appèl voerde Google aan dat de rechtbank art. 80 ROW onjuist had uitgelegd, en zich niet onbevoegd had moeten verklaren.
134
De incidentele vorderingen van Sonos zijn in het tussenarrest d.d. 27 juli 2021 afgewezen. Daarna heeft Sonos in incidenteel appèl geantwoord. Vervolgens is er op 4 april 2022 gepleit, waarna het hof op 31 mei 2022 eindarrest heeft gewezen. Het hof heeft niet beslist op het incidenteel appèl van Google, omdat de voorwaarde waaronder dat was ingesteld (namelijk dat Sonos' appèl niet-ontvankelijk zou worden geacht) niet zou zijn vervuld. Het vreemde is dat het hof Sonos formeel weliswaar niet-ontvankelijk heeft geacht wegens gebrek aan belang, maar feitelijk het appèl wel inhoudelijk heeft behandeld. Zoals Sonos terecht opmerkte, dient gebrek aan belang echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring maar tot afwijzing van de vorderingen te leiden. Het lijkt erop dat het hof Sonos niet-ontvankelijk heeft verklaard ofwel om niet het incidenteel appèl hoeven te behandelen ofwel omdat het meende dat het dan het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv onbesproken kon laten. Sonos heeft bij enige klacht daarover echter geen belang nu het hof haar ex art. 337 lid 2 Rv niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en zij ook overigens niet in haar belangen is geschaad.
7.7. Verdere procesgang rechtbank Midden-Nederland
135
Google heeft er in haar reactie op Sonos' brief d.d. 30 maart 2021 op gewezen dat een in weerwil van art. 337 lid 2 Rv ingesteld tussentijds appèl ex art. 350 lid 2 Rv geen schorsende werking heeft.125. Sonos is vervolgens gedraaid: in verdere correspondentie met de rechtbank Midden-Nederland stelde Sonos opeens dat het Verwijzingsvonnis helemaal geen tussenvonnis, maar een eindvonnis zou zijn.126. Google heeft in een reactie uiteen gezet waarom dat standpunt niet juist was.127.
136
De rechtbank Midden-Nederland heeft vervolgens in een formele rolbeschikking bepaald dat de behandeling zou worden voorgezet, gelet op art. 337 lid 2 Rv en art. 350 lid 1 Rv.128. De rechtbank Midden-Nederland heeft in diezelfde rolbeschikking bepaald dat de in de VRO-beschikking bepaalde termijnen zouden worden gehandhaafd. Sonos heeft de rechtbank Midden-Nederland tot tweemaal toe verzocht om van die rolbeschikking tussentijds hoger beroep open te stellen althans de beschikking te herzien,129. hetgeen de rechtbank Midden-Nederland heeft geweigerd, de eerste keer per e-mail130. en daarna in een tweede formele rolbeschikking.131. Steeds heeft Google — desgevraagd — moeten reageren.132.
137
Vervolgens heeft de rechtbank Midden-Nederland de rechtbank Den Haag gevraagd de zaak inhoudelijk te behandelen en te beslissen, waarbij ook de processtukken via de Haagse griffie dienden te worden ingediend. De zaak is vervolgens door de rechtbank Den Haag behandeld als had de verwijzing niet plaatsgevonden — precies zoals Sonos in haar eerste brief al als mogelijkheid noemde.
138
De rechtbank Midden-Nederland (in de vorm van een meervoudige kamer bestaande uit drie in het octrooirecht gespecialiseerde rechters van de rechtbank Den Haag) heeft op 26 januari 2022 eindvonnis gewezen. Daarbij zijn de vorderingen van Google afgewezen, op de grond dat Google in de dagvaarding op een bepaald conclusiekenmerk niet aan haar stelplicht zou hebben voldaan en de na dagvaarding gegeven nadere toelichting ten aanzien van dat kenmerk op grond van het VRO-reglement buiten beschouwing werd gelaten.133. De juistheid van dat oordeel ligt in dit beroep niet ter beoordeling voor; volledigheidshalve zij opgemerkt dat Google het onjuist acht (er is ook geen precedent voor een dergelijke hantering van het VRO-regime).134.
7.8. Appèl ten gronde bij hof Arnhem-Leeuwarden
139
Google heeft vervolgens onverwijld — bij dagvaarding d.d. 4 februari 2022 — appèl ingesteld van het vonnis, daarbij Sonos dagvaardend tegen 15 februari 2022.
140
Op de eerste roldatum is de zaak door het hof Arnhem Leeuwarden niet op de rol gezet voor memorie van grieven zijdens Google, maar verwezen naar de rol van 1 maart 2022 voor ‘beslissing hof verdere voortgang’. Telefonische navraag van Google bij de griffie wees uit dat deze rolverwijzing had plaatsgevonden omdat het hof had geconstateerd dat het een octrooizaak betrof.
141
Google heeft daarop op 24 februari 2022 een brief gestuurd aan het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin zij het hof kort gezegd verzocht gespecialiseerde raadsheren uit Den Haag te verzoeken de zaak inhoudelijk te behandelen, en voorts om het hof te verzoeken de zaak conform art. 2.16 LPh naar de rol te verwijzen voor memorie van grieven zodat zonder onnodige vertraging kon worden voortgeprocedeerd.
142
Op 10 maart 2022 heeft Sonos het hof een bericht gestuurd waarin zij zakelijk weergegeven schreef dat er reeds een appèl aanhangig was tegen het Verwijzingsvonnis, dat dat appèl schorsende werking zou hebben, en dat Sonos het hof daarom verzocht de zaak te schorsen dan wel aan te houden in afwachting van het appèl bij het hof Den Haag.135. Google heeft op 18 maart 2022 nog op deze brief gereageerd.136.
143
Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van Google, die op 22 maart 2022 (bij vervroeging) is genomen. De zaak werd toen verwezen naar de rol van 10 mei 2022 voor antwoord aan de zijde van Sonos. Krachtens art. 2.17 LPh kon op die datum eenmalig een ambtshalve uitstel van 4 weken worden verkregen.
144
Op 10 mei 2022 heeft Sonos een incident opgeworpen, strekkende tot aanhouding / schorsing / ambtshalve doorhaling van de procedure, totdat het hof Den Haag eindarrest zou hebben gewezen in Sonos' tussentijdse appèl en dat arrest in kracht van gewijsde zou zijn gegaan (i.e. in essentie hetzelfde als zij eerder reeds bij brief al had verzocht). Google heeft het hof bij brief d.d. 16 mei 2022 verzocht dit incident niet eerst en vooraf te beslissen maar in ieder geval tevens in de hoofdzaak voort te procederen en de zaak daartoe op de rol te plaatsen, aangezien het incident slechts als vertragingstactiek moest worden beschouwd.137. Sonos heeft daarop op 17 mei 2022 gereageerd.138. Het hof heeft niet op deze brieven gereageerd. Telefonisch heeft de griffie van het hof te kennen gegeven dat het incident eerst en vooraf zou worden beslist. Op 24 mei 2022 heeft Google haar memorie van antwoord in het incident genomen.139.
145
Intussen wees het hof Den Haag op 31 mei 2022 arrest in het tussentijdse appèl. Google heeft het hof Arnhem-Leeuwarden bij brief d.d. 2 juni 2022 kopie van dit arrest doen toekomen, en verzocht in het licht daarvan onverkort door te procederen in de hoofdzaak.140. Sonos heeft de dag daarop bij brief verzocht nog een akte te mogen nemen over de gevolgen van het arrest.141. Het hof heeft de zaak daarop op de rol gezet van 21 juni 2022 voor akte aan de zijde van Sonos, welke akte ook daadwerkelijk is genomen.142. Daarna is de zaak niet verwezen naar de rol voor antwoordakte aan de zijde van Google, maar direct opnieuw voor arrest gezet.
146
De zaak stond nog voor arrest op het moment dat Sonos op 31 augustus 2022 het onderhavige cassatieberoep had opgeworpen. Sonos heeft op dat moment Google benaderd met de vraag of Google ermee instemde dat Sonos een kopie van de procesinleiding in cassatie aan het hof Arnhem-Leeuwarden zou doen toekomen. Google heeft laten weten dat zij daarmee kon instemmen indien het begeleidend schrijven beperkt zou blijven tot een enkele mededeling dat beroep in cassatie zou worden ingesteld (en dus niet weer inhoudelijk op de zaak zou worden ingegaan).
147
Hierop heeft het hof Arnhem-Leeuwarden een tussenarrest gewezen, waarin werd overwogen dat deze ‘door partijen procedureel bijzonder complex gemaakte procedure’ diende te worden terugverwezen naar de rol zodat Sonos de procesinleiding in cassatie bij akte in het geding kon brengen, waarna Google daar nog op zou mogen reageren. In haar akte d.d. 4 oktober 2022 is Sonos vervolgens uitgebreid ingegaan op de zaak. Daarbij voerde zij o.a. aan dat uit het feit dat Uw Raad haar cassatieberoep niet ex art. 80a RO niet-ontvankelijk had verklaard, volgde dat het niet zo eenvoudig lag als Google beweerde. Google heeft een week later een korte antwoordakte genomen.
148
Daarna is de zaak opnieuw naar de rol verwezen voor arrest in het incident, om vervolgens twee keer te worden aanhouden, de laatste keer tot 14 maart 2023. Dat is bijna een jaar na het nemen van de memorie van grieven door Google. Sonos heeft tot op heden nog geen memorie van antwoord in de hoofdzaak genomen, en er is zelfs nog geen zicht op een datum daarvoor. Daarmee lijkt het uitgesloten dat een inhoudelijk oordeel over vorderingen van Google beschikbaar komt voor afloop van EP 621 op 11 november 2023.
7.9. Conclusie
149
Uit het voorgaande volgt dat Sonos het bevoegdheidsincident, haar in weerwil van art. 337 lid 2 Rv ingestelde tussentijdse appèl van het Verwijzingsvonnis, en zelfs dit cassatieberoep heeft aangewend om de zaak ten gronde, waaronder begrepen het appèl van de procedure in de hoofdzaak, te vertragen c.q. te frustreren. Het hof heeft in het Eindarrest in tussentijds appèl op geen enkele wijze rekenschap gegeven van het voorgaande.
8. Principaal beroep
150
De klachten in principaal beroep kunnen reeds wegens art. 337 lid 2 Rv niet tot cassatie leiden. Google zal hieronder niettemin de onderdelen apart behandelen. Hier zij reeds opgemerkt dat de vermeende grieven van Sonos slechts pour besoin de la cause worden opgevoerd. Sonos klaagt in de procesinleiding dat Google zou hebben moeten dagvaarden bij de rechtbank Midden-Nederland, ‘het natuurlijk forum van Sonos Europe’, en dat ‘de enige geloofwaardige reden’ om de onderhavige zaak bij de rechtbank Den Haag uit te brengen, zou zijn ‘te proberen het VRO-regime van toepassing te krijgen’. Dit betoog is misplaatst.
151
In een zaak tussen twee Amerikaanse multinationals is een dergelijk betoog, over of een zaak door de rechtbank Amsterdam of Midden-Nederland moet worden beslist, a priori al weinig overtuigend; en Sonos heeft ook nooit enige behoefte gehad aan een procedure bij haar ‘natuurlijk forum’, zoals reeds volgt uit haar eerste brief over relatieve bevoegdheid aan de advocaten van Google (daarin stelde zij immers zelf voor dat de zaak ook na verwijzing inhoudelijk behandeld zou blijven worden door de rechtbank Den Haag), en voorts uit het feit dat zij ook na verwijzing nooit bezwaar heeft gemaakt tegen feitelijke behandeling door de rechtbank Den Haag. Het is partijen van meet af aan duidelijk geweest dat de onderhavige procedure in materieel opzicht een octrooizaak was, die door de rechtbank Den Haag beslist zou moeten worden. Sonos doet het daarbij voorkomen alsof procederen onder het VRO-regime bij de rechtbank Den Haag iets bijzonders zou zijn, maar dat is het niet. Als uiteen gezet worden vrijwel alle bodemprocedures in octrooizaken onder het VRO-regime beslecht — terecht bereiken klachten daarover nooit Uw Raad. Dat dat hier anders is, komt niet doordat hier wél de rechten van de gedaagde zouden zijn geschonden, maar omdat Sonos niet schroomt met haar vertragingstactieken zelfs Uw Raad te belasten. Sonos heeft weliswaar wel gesteld dat het VRO-regime voor haar ‘nadelig’ zou zijn, maar kan niet uitleggen waar dat nadeel uit zou hebben kunnen bestaan — anders dan uit het sneller verkrijgen van een voor haar mogelijk ongunstige beslissing.
8.1. Onderdeel I
152
Onderdeel I voert op zich terecht aan dat het door het hof geconstateerde gebrek aan belang niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar tot afwijzing van de vorderingen. Het kan echter niet tot cassatie leiden, nu het hof Sonos op de reeds hiervoor behandelde gronden niet-ontvankelijk had moeten achten. Overigens heeft Sonos geen belang bij de klacht dat in plaats van niet-ontvankelijkverklaring afwijzing van haar vorderingen had moeten volgen.
8.2. Onderdeel II
153
Onderdeel II voert onder a) aan dat het Verwijzingsvonnis geen niet-appellabele rolbeslissing is, maar een vonnis; onder b) dat het Verwijzingsvonnis weliswaar geraakt wordt door een appèlverbod maar dat er in casu doorbrekingsgronden van toepassing zijn; en onder c) dat het Verwijzingsvonnis geen tussenvonnis is.
154
Het onderdeel kan reeds niet tot cassatie leiden nu het Verwijzingsvonnis weldegelijk een tussenvonnis is, zoals onder 6.1 uiteen is gezet, en voor het overige niet-appellabele rolbeslissingen behelst. Het middel voert aan dat de doorbrekingsjurisprudentie ook van toepassing zou moeten zijn bij het appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv, maar Uw Raad heeft recent juist bevestigd dat dit niet het geval is; zie hiervoor onder 6.2.1).143.
155
Google meent overigens dat de doorbrekingsgronden evenmin van toepassing zouden moeten zijn in geval van een beslissing de zaak te verwijzen naar een andere relatief bevoegde rechter ex art. 110 lid 3 Rv (zie hoofdstuk 6.2.3).
156
Ook overigens kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Hoewel een louter beroep op de doorbrekingsgronden maakt dat het appèl ontvankelijk is, is voor een succesvol beroep uiteraard vereist dat er daadwerkelijk sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel dat maakt dat van een eerlijke behandeling niet kan worden gesproken, en wel ten aanzien van degene die de doorbrekingsgrond inroept. Iedere andere conclusie zou het appèlverbod zinledig maken, omdat een partij dan altijd wel een beroep op een doorbrekingsgrond kan doen om een appèlverbod te omzeilen. De gedingstukken laten echter geen andere conclusie toe dan dat van een dergelijke schending in casu geen sprake is.
8.3. Onderdeel III
157
Onderdeel III klaagt kort samengevat dat het hof Sonos ontvankelijk had dienen te verklaren en derhalve had moeten oordelen dat het tussentijdse appèl de voorzetting van de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland schorste.
158
Het onderdeel faalt reeds nu het Verwijzingsvonnis wel een tussenvonnis is en de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is, zodat het hof Sonos ex art. 337 lid 2 Rv niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, ook wat de incidentele / provisionele vorderingen betreft.
159
Iedere andere conclusie zou leiden tot de situatie dat een partij altijd de relatieve bevoegdheid kan betwisten en, ongeacht de uitkomst, hoger beroep en daarna beroep in cassatie kan instellen van de beslissing waarbij de zaak al dan niet is verwezen naar een andere rechtbank, om zo de procedure ten gronde jaren lang stil te leggen.
8.4. Onderdeel IV
160
Onderdeel IV bouwt voort op de eerdere onderdelen, en kan derhalve evenmin tot cassatie leiden. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat Sonos de extra kosten die zij op Google wil verhalen zelf nodeloos veroorzaakt heeft en dat deze derhalve reeds om die reden voor haar kosten zouden moeten blijven.
8.5. Onderdeel V
161
Onderdeel V mist zelfstandige betekenis, en kan dus evenmin tot cassatie leiden.
9. Conclusie
Google concludeert in het principaal cassatieberoep tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Sonos in de werkelijke proceskosten; en in het incidenteel beroep tot vernietiging van de arresten voor zover Sonos daarbij niet niet-ontvankelijk is verklaard en de proceskosten zijn gecompenseerd, voor het overige tot bekrachtiging, zo nodig met verbetering van gronden, met zodanige verdere afhandeling als Uw Raad aangewezen zal achten.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑10‑2022
E-mail rechtbank Den Haag d.d. 23 maart 2021; overgelegd als Sonos productie 8 (in tussentijds appel). Zie daarover Google MvA-tt par. 31.
HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556(TROS/Pretium); bevestigd in HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, JBPr 2022/22 m.nt. Fruytier, r.o. 3.2.5 en (impliciet) in HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639. Zie eerder (in het kader van een verzoekschriftprocedure) HR 8 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3664, NJ 2009/223.
K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.3; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 337 Rv, aant. 15.
Google MvA-tt par. 30–41 resp. par. 42–44.
Google Plta-tt par. 2.–3.
Vgl. onder veel meer conclusie A-G De Bock bij HR 6 december 2019, NJ 2021/241 m.nt. Van Solinge, par. 7.11 en 7.13. Zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv, aant. 19.
HR 29 maart 1985, NJ 1986/242 (Enka/Dupont); zie daarover Asser Procesrecht 4 2022/24.
E-mailbericht rechtbank Den Haag 23 maart 2022; tevens overgelegd als Sonos productie 8 in tussentijds appel.
Google MvA-tt par. 30–41 resp. par. 42–44. Plta-tt Google par. 2.–3.
Google MvA-tt par. 7; par. 10–11. De rolbeschikking is overgelegd als Google productie 43 en (bij het gerechtshof) als Sonos productie 22; en maakt voorts zelfstandig deel uit van het bij Uw Raad gefourneerde procesdossier.
Google MvA-tt par. 5, par. 9, par. 66; Google akte d.d. 24 maart 2022 par. 1–6; Google plta-tt par. 1–3.
Google MvA-tt par. 61–65.
Google MvA-tt par. 61.
Google MvA-tt par. 30–41 resp. 42–44.
Google MvA-tt par. 53.
Vgl. Asser Procesrecht 4 2018/34, laatste alinea.
Google MvA-tt par. 30–41.
HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165 m.nt. Lindbergh.
Vgl. HR 23 januari 2004, NJ 2005/510(Ponteecen/Stratex)
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag).
Verdrag betreffende het Europees Octrooi voor de gemeenschappelijke markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag) (76/76/EEG).
A. Benyamini, Patent Infringement in the European Community, Wiley 1993: ‘The CPC [Community Patent Convention, adv.] has established a new and autonomous system of law which has been followed by most national patent laws in the EEC, particularly as regards the provisions relating to infringement.’
HvJEU 12 juli 2012, C-616/10, ECLI:EU:C:2012:445, NJ 2013/62 m.nt. Schaafsma.
Zie voor recente toepassing Hof Den Haag 1 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:636(Longi/Hanwha); hier werd een verbod opgelegd op ten aanzien van het Belgische, Bulgaarse, Duitse, Franse, Hongaarse, Liechtensteinse, Oostenrijkse, Portugese, Spaanse, Britse en Zwitserse deel van het octrooi (rov. 6.76; rov. 7.1)
Kamerstukken II 1984/85, 19131, (R 1295), nr. 3, p. 2–3.
In de Beslagsyllabus stond opgenomen dat dergelijke verzoekschriften ter inhoudelijke behandeling zouden worden doorgestuurd aan de rechtbank Den Haag. Per 1 augustus 2021 heeft de wetgever dergelijke verzoekschriften alsnog uitdrukkelijk onder de exclusieve bevoegdheidsregeling gebracht, met de invoering van art. 80 lid 2 sub c ROW. Ook na die wijziging vallen bijv. conservatoire verhaals- en afgiftebeslagen niet binnen de letter van art. 80 Row. Voor dergelijke verzoekschriften geldt binnen de rechtspraak nog steeds de afspraak deze ter inhoudelijke behandeling door te sturen naar de rechtbank Den Haag. Zie Beslagsyllabus augustus 2022, G.13.19.
BIE 1996 nr. 8, p. 292, ‘Mededelingen van de Arrondissementsrechtbank 's‑Gravenhage. Experiment versnelde bodemprocedure in octrooizaken.’
De huidige, in 2010 ingevoerde regeling is te vinden op <https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Reglement-versneld-regime-in-octrooizaken-VRO-reglement.pdf>.
Aldus de inleidende paragraaf van het reglement.
Zie het VRO-reglement, punt 5 t/m 9.
Zie o.a. de bijlage bij Kamerstukken II 2012-13 30 635 nr. 2, zijnde het eindrapport van het in opdracht van het Ministerie van EZk uitgevoerde evaluatie van het IE-beleid; Ecorys, Eindrapport Evaluatie van het Intellectuele Eigendomsbeleid, Rotterdam: april 2012, p. 55.
Böcker et al; ‘Specialisatie loont?! Ervaringen van grote ondernemingen met specialistische rechtspraakvoorzieningen’, SDU / Raad voor de Rechtspraak 2010, nr. 1, p. 340: ‘Met uitzondering van de IE-kamer, worden de doorlooptijden als te lang beoordeeld. Het streven van de IE-kamer zaken via een versneld regime af te handelen, is kennelijk succesvol.’
Ecorys, Eindrapport Evaluatie van het Intellectuele Eigendomsbeleid, Rotterdam: april 2012, p. 55.
Procesinleiding par. 2.
Het vonnis in de onderhavige zaak is daar een treffend voorbeeld van. Zie voorts bijv. Rb. Den Haag 25 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13401, IER 2016/21 m.nt. Kupecz (HP / Digital Revolution).
VRO-regime, punt 22.
Zie recent bijv. Rechtbank Den Haag 12 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5044 (High Point/KPN).
Dat is in ieder geval zo bij zaken waarin een standaardessentieel octrooi wordt ingezet en een zgn. FRAND-verweer wordt gevoerd, dat mededingingsrechtelijk van aard is.
Er is op 1 oktober 2020 gedagvaard tegen 17 maart 2021; Sonos diende op 28 april 2021 haar conclusie van antwoord te nemen.
Procesinleiding par. 2.
Procesinleiding par. 10 / voetnoot 5.
Procesinleiding par. 10.
Namelijk Rechtbank 's‑Gravenhage 26 mei 2004, BIE 2005, 39 (Stork Titan/ CFS Bakel).
Rb. Gelderland 13 januari 2021, HA ZA 20-491 (Stichting Katholieke Universiteit / Glycostem Therapeutics B.V.); niet gepubliceerd; overgelegd als Google productie 27.
Rb. Den Haag 6 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:110, IER 2018/7, rov. 3.1 jo. 4.14 en Rb. Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6136 (Carl Zeiss/VSY), rov. 3.1 jo. 6.5, waarover in meer detail Google CvA in incident par. 42–50.
Rb. Den Haag 3 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7861, rov. 4.9–4.10.
Giesen, Rechtsvorming in het privaatrecht (Mon. BW nr. A3) 2020, nr. 23 t/m 39, onder verwijzing naar zeer veel meer literatuur.
Giesen, Rechtsvorming in het privaatrecht (Mon. BW nr. A3) 2020, nr. 23.
Giesen, Rechtsvorming in het privaatrecht (Mon. BW nr. A3) 2020, nr. 23. Zie voor een praktijkvoorbeeld HR 7 maart 1979, NJ 1979, 319.
Zie bijv. HR 14 december 2007, NJ 2008/9 en HR 5 oktober 2012, NJ 2012/569.
Zie onder veel meer HvJEU 9 december 2021, ECLI:EU:C:2021:985, NJ 2022/244 m.nt. Van der Plas (Hrvatske Šume); HvJEU 4 oktober 2018, C-337/17, EU:C:2018:805, NJ 2019/444, m.nt. Van der Plas (Fenix), punt 37; HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 m.nt. Strikwerda (Kolassa/Barclays), punt 28.
In het bijzonder Hrvatske Šume, punt 29.
HR 9 oktober 2009, NJ 2009, 490.
HR 27 februari 1976, NJ 1977, 181, m.nt. WHH.
Böcker e.a., Specialisatie loont?!, Raad voor de Rechtspraak 2010, p. 96.
Procesinleiding, onderdeel I sub (c).
Zie onder veel meer HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709 (Hellas / ECR); GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 337 Rv, aant. 4.
Al decennia vaste rechtspraak, aldus S.M. Kingma, ‘Tussentijds beroep tegen tussenuitspraken en deeluitspraken’, TCR 2010-1, onder verwijzing naar HR 10 juni 1966, NJ 1966, 431(Dacier / Franssen); HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709(Hellas / ECR); HR 9 juli 2004, NJ 2005, 256 (Woudsend / Roozer); HR 17 maart 2006, NJ 2007, 594 (Sprangers / Nationale Nederlanden); HR 15 december 2006, RvdW 2007, 6 (X / Kunststoffen Komfort KK); HR 22 december 2006, RvdW 2007, 36 (X / Bank Bercoop).
Asser Procesrecht 4 2018/34, onder verwijzing naar HR 4 februari 2005, NJ 2005/142; HR 9 juli 2004, NJ 2005/256 m.nt.H.J. Snijders en HR 14 juli 2006, JBPr 2006/84 m.nt. J.G.A. Linssen.
Procesinleiding, onderdeel II sub (c).
In die zin Conclusie AG Strikwerda 2 april 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO6919, punt 12.
Hovens, Civiel appèl. Mon. Burgerlijk Procesrecht, red. Klaassen/Linssen (2007), p. 18.
HR 28 september 2012, NJ 2012/556 (TROS/Pretium).
HR 8 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3664, NJ 2009/223. Die zaak betrof een verzoekschriftprocedure.
HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639.
HR 7 april 2006, NJ 2007/595 m.nt. H.J. Snijders (Kintetsu/Quantum).
Aldus A-G Strikwerda in zijn conclusie bij Kintetsu/Quantum, punt 8.
Kamerstukken II 2003/04, 28 863, nr. 7, toelichting, onder E.
HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220.
HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1712.
Procesinleiding, onderdeel II onder (c); HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, NJ 2015/215.
Hof Amsterdam 5 januari 2006, JBPr 2006/66 m.nt. F.J.H. Hovens (Weissglas/McDonalds).
Procesinleiding, onderdeel I onder (b), onder verwijzing naar procesinleiding randnr. 15.
Zie procesinleiding voetnoot 9 bij randnr. 15: appèldagvaarding par. 28–31.
Idem.
Kamerstukken II 2018/19, 35 175, nr. 3: ‘Dankzij het opnemen in dit wetsvoorstel komen belangrijke inhoudelijke procesvernieuwingen van de wetgeving uit 2016 die bijdragen aan de modernisering en vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht, op korte termijn beschikbaar voor de rechtspraktijk. Deze procesvernieuwingen bestaan uit de sterkere regiefunctie van de rechter en de verruiming van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling. Het gaat om de artikelen 30k–30n uit de Wet van 13 juli 2016, Stb. 288. Zij worden in dit wetsvoorstel, op enkele terminologische aanpassingen na, zo letterlijk mogelijk overgenomen in de artikelen 87–90 Rv.’
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Duka/Achmea), rov. 5.1.
HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165 m.nt. Lindbergh.
Google CvA in het incident par. 66–68; Google MvA-tt par. 65–66; Google Plta-tt par. 1–3.
HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1726, NJ 2022/379 (KPN/High Point III).
Google Plta-tt, par. 1–3.
Dat zijn tot op heden uitsluitend de appèldagvaarding d.d. 4 februari 2022 en de memorie van grieven zijdens Google d.d. 22 maart 2022; doordat Sonos in appèl een incident heeft opgeworpen tot schorsing, aanhouding of doorhaling van de procedure in afwachting van het oordeel van Uw Raad in het onderhavige cassatieberoep, waarop nog niet is beslist, heeft zij haar memorie van antwoord nog niet hoeven nemen.
Inleidende dagvaarding, par. 7.
Google CvA in incident par. 1; Google productie 24.
Google CvA in incident par. 1; Google productie 24.
Procesinleiding, par. 1.
De VRO-beschikking maakt deel uit van het procesdossier.
Google CvA in incident par. 5; Google productie 26.
Google CvA incident par. 5–6; Google productie 26.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 11 oktober 2016, zaaknummer C/15/247409, IEPT20161011 (ArcelorMittal S.A. / Tata Steel IJmuiden B.V.).
Google productie 26.
Sonos Incidentele conclusie tot onbevoegdheid, petitum onder a) resp. b).
Google CvA in het incident par. 66–68; Google MvA-tt par. 65–66.
Google MvA-tt par. 5.
Google MvA-tt par. 5; Sonos productie S02.
Sonos brief d.d. 25 februari 2022; Sonos brief d.d. 2 maart 2022; Sonos brief d.d. 3 maart 2022.
Google CvA in incident par. 10–54.
Google CvA in incident par. 66–69.
Google CvA in incident par. 55–65.
Oproepingsexploot 23 maart 2021.
Google brief d.d. 23 maart 2021 aan rechtbank Midden-Nederland.
Sonos brief d.d. 24 maart 2021 aan rechtbank Midden-Nederland.
Sonos brief d.d. 19 maart 2021 aan rechtbank Den Haag.
E-mail rechtbank Den Haag d.d. 22 maart 2021.
Google e-Mail d.d. 22 maart 2021 aan rechtbank Den Haag.
E-mailbericht rechtbank Den Haag d.d. 23 maart 2021; overgelegd als productie S8 in tussentijds appèl; zie daarover Google MvA-tt par. 8.
Sonos Appèldagvaarding d.d. 29 maart 2021.
Sonos Brief d.d. 30 maart 2021.
Conclusie A-G Strikwerda bij HR 7 april 2006, NJ 2007/595 (Kintetsu / Quantum), nr. 9, onder verwijzing naar. HR 6 mei 1983, NJ 1984, 160 m.nt. WHH en HR 4 juni 1999, NJ 1999, 535.
Sonos Brief d.d. 30 maart 2021.
Idem.
Idem.
Google MvA-tt par. 30–44.
Google brief d.d. 1 april 2021.
Sonos brief d.d. 12 april 2021.
Google brief d.d. 13 april 2021.
Rolbeschikking Rechtbank Midden-Nederland d.d. 7 april 2021.
Google MvA-tt par. 11; Sonos brief d.d. 9 april 2021 en 12 april 2021.
E-mail Rechtbank Midden-Nederland d.d. 9 april 2021.
Rolbeschikking Rechtbank Midden-Nederland d.d. 14 april 2021.
Google brief d.d. 9 april 2021, Google brief d.d. 13 april 2021; verzoeken Rechtbank Midden-Nederland d.d. 9 april 2021, 13 april 2021.
Eindvonnis rov. 4.15.
Google MvG par. 3–4.
Sonos brief d.d. 10 maart 2022.
Google brief d.d. 18 maart 2022.
Google brief d.d. 16 mei 2022.
Sonos brief d.d. 17 mei 2022.
Google brief d.d. 24 mei 2022.
Google brief d.d. 2 juni 2022.
Sonos brief d.d. 3 juni 2022.
Sonos Akte houdende reactie op nieuwe feiten 21 juni 2022.
Zie vindplaatsen in voetnoot 2 en uitgebreider hoofdstuk 6.2.1.
Beroepschrift 31‑08‑2022
PROCESINLEIDING IN CASSATIE IN VORDERINGSZAAK
EISENDE PARTIJ
Eiseressen tot cassatie zijn:
- 1.
de besloten vennootschap Sonos Europe B.V., gevestigd te Hilversum, en
- 2.
de rechtspersoon naar buitenlands recht Sonos, Inc., gevestigd te Santa Barbara, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud ‘Sonos’.
Sonos kiest woonplaats bij mr. R.L.M.M. Tan (Tan Advocatuur B.V., Weesperstraat 61, 1018 VN, Amsterdam) en wijst hem aan tot haar advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.
VERWERENDE PARTIJ
Verweerster in cassatie is:
de rechtspersoon naar buitenlands recht Google LLC., gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika (‘Google’).
Google heeft in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen op het kantoor van de advocaat mr. R.E. Ebbink (Brinkhof N.V., Grote Bickersstraat 74–78, 1013 KS, Amsterdam).
BESTREDEN UITSPRAAK
Sonos komt in cassatieberoep van de arresten die het gerechtshof Den Haag heeft gewezen onder zaaknummer 200.292.395/01 tussen Sonos als appellanten in het principaal appel, tevens eiseressen in de incidenten en geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel en Google als geïntimeerde in het principaal appel, tevens verweerster in de incidenten en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, uitgesproken op 27 juli 2021 (arrest in de incidenten) respectievelijk 31 mei 2022 (arrest in de hoofdzaak).
BEVOEGDE RECHTER
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden (Korte Voorhout 8, 2511 EK, Den Haag).
UITERSTE VERSCHIJNINGSDATUM
Google kan uiterlijk op 2 december 20221., vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, in deze procedure verschijnen. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10.00 uur.
Middel van cassatie
Inleiding en samenvatting klachten
1.
Google verwijt Sonos inbreuk te hebben gemaakt op nationale delen van een Europees octrooi. Hoewel deze zaak in Nederland is aangebracht, heeft zij alleen betrekking op buitenlandse delen van het octrooi (het Engelse, Finse en Italiaanse deel). Een dergelijke zaak is naar zijn aard zowel feitelijk als juridisch complex (niet in de laatste plaats omdat onderzoek dient te worden verricht naar buitenlands — in casu Engels, Italiaans en Fins — recht). Daarmee verdient de zaak om zorgvuldig te worden behandeld, dat wil zeggen in een inhoudelijke dagvaardingsprocedure in eerste aanleg, eventueel gevolgd door een eveneens inhoudelijk appel en mogelijk cassatieberoep, een en ander bij de bevoegde rechter en in overeenstemming met de betreffende procesreglementen.
2.
Google heeft echter door de zaak aan te brengen bij een in dit geval evident onbevoegde rechter, te weten de rechtbank Den Haag, bewerkstelligd dat de procedure in eerste aanleg is verlopen conform het alleen bij die rechtbank geldende zogeheten Versnelde Regime in Octrooizaken (het ‘VRO-regime’)2.. Dat regime kent snellere en beperktere proceshandelingen dan in een normale procedure gelden, en wordt daarmee doorgaans als nadelig voor de gedaagde beschouwd.3. Hoe was dat mogelijk? De rechtbank Den Haag zag met juistheid in dat zij onbevoegd was, maar zij heeft vervolgens niet alleen de zaak verwezen naar de wel bevoegde rechtbank Midden-Nederland, maar deze rechtbank ook opgelegd om de procedure conform het VRO-regime te voeren. Zij kwam tot dit oordeel onder voorbijgaan aan Sonos' recht op pleidooi en buiten de grenzen van haar verwijzingsbevoegdheid.
3.
De rechtbank Midden-Nederland heeft deze instructie van de rechtbank Den Haag helaas opgevolgd, onverdroten door het appel dat Sonos tegen die onjuiste beslissing had ingesteld bij het hof Den Haag. Het gevolg is dat de procesgang in eerste aanleg onjuist, volgens het VRO-regime, is verlopen. De rechtbank Midden-Nederland heeft de vorderingen van Google vervolgens weliswaar afgewezen (in het bijzonder omdat haar dagvaarding niet voldeed aan de eisen van artikel 111 lid 2 sub d Rv), maar daarop heeft Google appel ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Per saldo zijn partijen dus op dit moment — maar zie hierna — in wezen overgeleverd aan één feitelijke instantie. Dat heeft Google van haar kant overigens zelf ook gesteld, zoals hierna nog aan bod komt. Dit staat in schril contrast met de gebruikelijke, uitgebreide, procedure over buitenlandse (delen van) octrooien in twee instanties.
4.
Sonos komt tegen deze gang van zaken in cassatie op. Erg kort samengevat, bepleit zij dat het door haar ingestelde appel tegen het verwijzingsvonnis van de rechtbank Den Haag (het ‘Verwijzingsvonnis’) het verdere verloop van de procedure van rechtswege schorste en het hof Den Haag hierin grond had moeten vinden om een daartoe strekkende uitspraak te doen, zodat de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland niet voort zou gaan. Het verbod op appel van een verwijzingsvonnis kan namelijk worden doorbroken, met als gevolg dat het appel schorsende werking had. Het arrest van het hof Den Haag van 27 juli 2021 (het ‘Arrest in de incidenten’) miskent het voorgaande en kan daarmee niet in stand blijven.
5.
De rechtbank Midden-Nederland had op haar beurt niet verder mogen gaan met de procedure gedurende de looptijd van het appel bij het hof Den Haag. Deze exécution par suite d'instance is gelet op de schorsende werking van het appel uitgesloten, met als gevolg dat alle na het instellen van dat appel uitgevoerde proceshandelingen nietig zijn. Voor de goede orde: het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland heeft gewezen is dat, zoals hierna wordt beschreven, op zich niet, gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, maar het is wel vernietigbaar.
6.
Als Google zich bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland had neergelegd, zou Sonos na het wijzen van die uitspraak mogelijk geen belang meer hebben gehad bij het appel dat zij bij het hof Den Haag had ingesteld. Google heeft zich echter niet bij die uitspraak neergelegd, maar appel ingesteld. Uit haar proceshouding blijkt ook wel dat Google zich nog ‘vol’ blijft beroepen op de beweerde inbreuk van haar octrooi. In die omstandigheden behoudt Sonos zich het recht voor om zich in het appel bij het hof Arnhem-Leeuwarden op de vernietigbaarheid van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland te beroepen. Zij twijfelt of een volledig feitelijk debat in één feitelijke instantie wel recht kan doen aan de complexiteit van deze zaak. In dat geval zal het hof Arnhem-Leeuwarden de zaak kunnen, en in Sonos' optiek ook moeten, terugverwijzen, zodat de procedure in eerste aanleg opnieuw wordt gevoerd, op grond van ditmaal niet nietige proceshandelingen.
7.
In deze omstandigheden kan het eindarrest van het hof Den Haag van 31 mei 2022 (het ‘Arrest in de hoofdaak’) evenmin stand houden. Het hof Den Haag heeft in dat arrest terecht overwogen dat — kort gezegd — de rechtbank Den Haag de rechtbank Midden-Nederland niet op mocht leggen om conform het VRO-regime te procederen, maar heeft Sonos vervolgens toch bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. De mogelijkheid dat de procedure in eerste aanleg opnieuw wordt gevoerd, maakt echter dat Sonos er nog steeds belang bij heeft dat deze procedure niet (opnieuw) conform het VRO-regime plaatsvindt, maar conform de gebruikelijke procesregels. Zij heeft er daarmee ook belang bij dat de beslissing in het Verwijzingsvonnis met betrekking tot de beweerde toepasselijkheid van het VRO-regime daadwerkelijk wordt vernietigd. Ook overigens getuigt het Arrest in de hoofdzaak van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het ontoereikend gemotiveerd.
8.
Sonos zet haar cassatieklachten hierna nader uiteen in onderdelen I tot en met V. Deze klachten zijn hoofdzakelijk van procedurele aard. Ten behoeve van de begrijpelijkheid hiervan, geeft Sonos eerst een kort overzicht van het procesverloop.
Procesverloop
Verlof VRO-regime, procedure en uitspraak rechtbank Den Haag
9.
Google heeft de rechtbank Den Haag verzocht om verlof om Sonos te mogen dagvaarden conform het VRO-regime. Als gezegd kent alleen de rechtbank Den Haag dit regime. De voorzieningenrechter heeft het verlof, zoals bij die rechtbank gebruikelijk, bij beschikking van 22 september 2020 (de ‘VRO-beschikking’) ex parte verleend, waarna Google Sonos heeft gedagvaard.4.
10.
De rechtbank Den Haag was relatief onbevoegd, nu Google zich, als gezegd, slechts op buitenlandse delen van het door haar ingeroepen octrooi heeft beroepen.5. Google wist dat deze rechtbank onbevoegd was, althans zij had dat moeten weten, want het is vaste jurisprudentie.6. Zij had Sonos in plaats hiervan moeten dagvaarden ten overstaan van de rechtbank Midden-Nederland, het natuurlijke forum van Sonos Europe, een rechtbank die geen VRO-regime kent. De enige geloofwaardige reden om te dagvaarden voor de rechtbank Den Haag, was dan ook om te proberen het VRO-regime van toepassing te krijgen. Dit wordt bevestigd door het feit dat Google het (pragmatische) aanbod van Sonos om de zaak aan te houden bij de rechtbank Den Haag, maar dan zonder toepassing van het VRO-regime, heeft geweigerd. Sonos zag zich hierop genoodzaakt een incident op te werpen tot onbevoegdheid.7.
11.
Google heeft niet alleen uitgebreid schriftelijk verweer tegen het onbevoegdheidsincident, maar zij heeft Sonos ook misbruik van procesrecht verweten en een zevental nieuwe producties met betrekking tot onder meer buitenlands recht overgelegd. Hierop heeft Sonos de rechtbank verzocht om pleidooi in het incident, zoals haar recht is, mede teneinde op de (nieuwe) verwijten en producties te reageren.8.
12.
De rechtbank Den Haag heeft geheel niet op het verzoek om pleidooi gereageerd. In plaats daarvan heeft zij zich in haar Verwijzingsvonnis van 17 maart 2021 onbevoegd verklaard en geoordeeld dat de rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd is (rov. 2.4 en dictum onder 3.1). Zij heeft de zaak vervolgens verwezen in de stand waarin zij zich bevond, en daarbij ook geoordeeld dat hieronder wordt begrepen ‘de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking […]’ (rov. 2.6 en dictum onder 3.3). De rechtbank heeft haar vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Appel hof Den Haag en Arrest in de incidenten
13.
Sonos heeft dadelijk appel ingesteld van het Verwijzingsvonnis, te weten bij appeldagvaarding met grieven van 29 maart 2021, en gevorderd dat het hof Den Haag het vonnis gedeeltelijk vernietigt, voor zover de rechtbank Den Haag heeft beslist dat onder de staat waarin de zaak zich bevindt (mede) wordt begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking. Sonos heeft ook gevorderd dat het Hof, opnieuw rechtdoende, de VRO-beschikking vernietigt, althans voor recht verklaart dat deze beschikking de rechter naar wie de zaak is verwezen niet kan binden althans niet bindt (Appeldgv, petitum onder (c)).
14.
Om te voorkomen dat de rechtbank Midden-Nederland de zaak gedurende de looptijd van het appel op de ‘verkeerde leest’ zou behandelen, heeft Sonos in deze appeldagvaarding ook twee incidenten opgeworpen, met de strekking dat het hof Den Haag (i) zou bepalen dat de VRO-beschikking de rechtbank Midden-Nederland niet kan binden, althans niet bindt en (ii) dat het hof beveelt dat aan het door haar ingestelde hoger beroep schorsende werking toekomt, voor zover dat al niet van rechtswege het geval is op grond van artikel 350 lid 1 Rv (Appeldgv, petitum onder (a) en (b)).
15.
Sonos heeft bij dit alles onder meer uiteengezet dat het appelverbod van artikel 110 lid 3 Rv (voor zover dit al zou gelden voor wat betreft het in appel bestreden deel van het Verwijzingsvonnis) doorbroken moet worden. De daartoe aangevoerde doorbrekingsgronden waren — kort samengevat — (i) schending van fundamentele rechtsbeginselen, waarmee Sonos onder meer doelde op het feit dat de rechtbank Den Haag voorbij was gegaan aan haar verzoek om en recht op pleidooi in het incident9., en (ii) treden buiten het toepassingsbereik van artikel 74 lid 3 Rv (Appeldgv, par. 4.2).
16.
Om twijfel te voorkomen over de mogelijkheden van appel, heeft Sonos de rechtbank Den Haag bovendien ook nog verzocht om verlof te verlenen voor het instellen van hoger beroep tegen het Vonnis. De rechtbank Den Haag heeft dit verzoek echter afgewezen bij beslissing van 23 maart 2021.
17.
Google heeft op 21 april 2021 verweer gevoerd tegen het appel, Sonos nogmaals misbruik van procesrecht verweten en op die grond een volledige proceskostenveroordeling gevorderd, en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, met de strekking dat het hof Den Haag alsnog zou oordelen dat de rechtbank Den Haag de bevoegde rechter zou zijn.
18.
Het hof Den Haag heeft de incidenten bij Arrest in de incidenten van 27 juli 2021 afgewezen (rov. 8 en dictum, eerste gedachtestreepje). N.B. het hof heeft de incidenten dus inhoudelijk behandeld. Hierin ligt besloten dat het hof van oordeel was dat het appel van Sonos op zich, in ieder geval op dat moment, ontvankelijk was. Het hof Den Haag stond immers voor ogen dat geen verlof voor tussentijds appel was toegestaan en ook dat artikel 110 lid 3 Rv een appelverbod bevatte (rov. 310.). Desondanks heeft het hof de incidenten inhoudelijk behandeld, in plaats van af te doen op grond van enig appelverbod. Sonos heeft vervolgens bij memorie van 24 augustus 2021 geantwoord op het incidenteel appel van Google en de voorwaarde waaronder dit was ingesteld. Partijen hebben daarna, in oktober en november 2021, nog aktes gewisseld.
Procedure en uitspraak rechtbank Midden-Nederland
19.
In de tussentijd heeft Google een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland door middel van een exploot van oproeping van 23 maart 2021. Sonos heeft gepoogd om ook aan de rechtbank Midden-Nederland duidelijk te maken dat de procedure bij haar geen doorgang kon vinden, hangende het appel tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Zij verzocht daarom de rechtbank Midden-Nederland om de procedure aan te houden, gelet op de schorsende werking van het hoger beroep bij het hof Den Haag. De rechtbank Midden-Nederland wees dit verzoek op 7 april 2021 af, met het — in de visie van Sonos onjuiste en later ook niet door het hof Den Haag aanvaarde (zie hierna, onderdelen I en II en hiervoor, nr. 18) — argument dat het Vonnis een tussenvonnis zou zijn, waartegen geen tussentijds appel zou openstaan, behoudens verlof van de rechtbank Den Haag, dat niet was gegeven. De procedure zou daarom moeten doorgaan, en wel conform hetgeen in de VRO-beschikking was bepaald.11. De rechtbank Midden-Nederland overwoog in haar beslissing van 7 april 2021 uitdrukkelijk dat zij het VRO-regime toepaste bij wijze van ‘‘tenuitvoerlegging’ ’ van het Verwijzingsvonnis (zie rov. 2 en dictum onder 3.2). Met andere woorden: de toepassing van het VRO-regime was geen eigen beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, maar puur een sequeel van het Verwijzingsvonnis waartegen Sonos op dat moment reeds appel had ingesteld.12.
20.
De procedure is vervolgens bij de rechtbank Midden-Nederland verlopen conform het VRO-regime. De rechtbank Midden-Nederland deed op 26 januari 2022 uitspraak. Zij wees de vordering van Google af, in het bijzonder omdat haar dagvaarding niet beantwoordde aan de eisen van artikel 111 lid 2 sub d Rv en haar latere stellingen tardief waren (rov. 4.10 tot en met 4.15).
Vervolg procedure hof Den Haag en Arrest in de hoofdzaak
21.
Parallel aan deze ontwikkelingen vond op 4 april 2022 de mondelinge behandeling plaats bij het hof Den Haag. Sonos onderstreepte tijdens deze zitting nogmaals dat haar appel tegen het Verwijzingsvonnis ontvankelijk was, ongeacht of het een tussenvonnis of eindvonnis was, en dat hiervan schorsende werking uitging.13. Daarnaast zette zij uiteen dat zij belang had en hield bij het appel, ondanks de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. Dit is uitgebreid besproken tijdens de zitting. Een proces-verbaal is ten tijde van de indiening van deze procesinleiding opgevraagd, maar nog niet ontvangen.14.
22.
Het hof Den Haag deed bij Arrest in de hoofdzaak van 31 mei 2022 einduitspraak. Het hof oordeelde — terecht — dat het standpunt van Sonos dat de verwijzende rechtbank niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijke regime op te leggen (de VRO) dat die rechtbank niet kent, juist is. Vanuit dat oogpunt bestond er voor Sonos dus wel aanleiding om in hoger beroep te komen van het Verwijzingsvonnis waarin de verwijzende rechtbank de bevoegde rechtbank voorschreef althans aanspoorde om het VRO toe te passen, aldus nog steeds het hof (rov. 9). Gelet daarop kon ook niet worden gezegd dat Sonos misbruik van recht had gemaakt door hoger beroep tegen het Verwijzingsvonnis aan te tekenen, zodat voor de door Google gevorderde volledige proceskostenveroordeling geen plaats was (rov. 10).
23.
Daarnaast oordeelde het hof Den Haag echter ook dat niet valt in te zien welk belang Sonos ‘nu’ nog heeft bij haar hoger beroep. Daarop oordeelde het hof dat Sonos ‘daarom’ niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep. Het hof compenseerde ook de proceskosten (rov. 8 en dictum). Sonos komt tegen deze onderdelen van het Arrest in de hoofdzaak, alsmede tegen het Arrest in de incidenten, op in cassatie met de hierna volgende klachten.
24.
Sonos merkt tot slot op dat zij in het appel bij het hof Arnhem-Leeuwarden onder meer heeft verzocht om aanhouding en schorsing van die procedure, gelet op de gemankeerde procesgang die zij met dit cassatieberoep aan de orde stelt.
Onderdeel I
- (a)
Sonos' primaire lezing van de bestreden arresten is dat het hof Den Haag (hierna: het ‘Hof’) Sonos uitsluitend niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep wegens een beweerd gebrek aan belang op het moment dat het Hof het Arrest in de hoofdzaak wees. Dit is immers de enige reden die het Hof geeft om Sonos niet-ontvankelijk te verklaren (rov. 8: ‘daarom’), terwijl het Hof later in dat arrest uitdrukkelijk overweegt dat er wel aanleiding voor Sonos was om in hoger beroep te komen (rov. 9). Het Hof heeft, als gezegd, bovendien de door Sonos in appel opgeworpen incidenten inhoudelijk behandeld en vervolgens afgewezen, waaruit blijkt dat het Hof Sonos in ieder geval ten tijde van het Arrest in de incidenten nog ontvankelijk achtte in haar appel. Met andere woorden: Sonos begrijpt de bestreden arresten zo dat het Hof meende dat Sonos op zich beroep kon instellen tegen het Verwijzingsvonnis en daarin kon worden ontvangen, maar dat Sonos hierin niet meer kon worden ontvangen ten tijde van het Arrest in de hoofdzaak, wegens gebrek aan belang.
Het Hof miskent dan dat het verweer van gebrek aan belang een verweer ten principale betreft. Honorering van dit verweer leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het appel, zoals het Hof oordeelt.15. Nu het Hof, zoals hiervoor beschreven, ook overigens geen grond noemt of had om Sonos niet-ontvankelijk te achten in appel, was haar appel dus ontvankelijk, met de hierna bij onderdeel III beschreven gevolgen.
- (b)
Voor zover de bestreden arresten desondanks zo moeten worden begrepen dat het Hof van oordeel was dat Sonos ook om andere redenen niet-ontvankelijk is in hoger beroep, in het bijzonder omdat het Verwijzingsvonnis een niet-appellabele rolbeslissing zou zijn of dat sprake zou zijn van een appelverbod, dat niet kan worden doorbroken, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd om bij onderdeel II beschreven redenen.
Onderdeel II
- (a)
Het Verwijzingsvonnis is naar zijn aard geen niet-appellabele rolbeslissing, getuige het feit dat de wet een dergelijke uitspraak kwalificeert als vonnis (artikel 110 lid 3 Rv). Ook overigens valt het Verwijzingsvonnis naar zijn aard niet gelijk te stellen met een rolbeslissing.16.
- (b)
Het Verwijzingsvonnis is dus een vonnis. Voor deze uitspraak geldt ex artikel 110 lid 3 Rv in beginsel een appelverbod, maar een dergelijk verbod kan worden doorbroken, op grond van de daarvoor in vaste jurisprudentie ontwikkelde gronden, waaronder in geval de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, alsmede wanneer de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden.17. Sonos heeft dergelijke doorbrekingsgronden ook gesteld, te weten — kort samengevat — veronachtzaming van haar fundamentele recht op pleidooi in het incident18., en treden buiten het toepassingsgebied van de verwijzingsbevoegdheid van de rechtbank door de rechter naar wie is verwezen het VRO-regime op te leggen (zie hiervoor, nr. 15). Conform vaste jurisprudentie, was Sonos reeds met het stellen van deze doorbrekingsgronden ontvankelijk in haar hoger beroep.19. Het Hof heeft het beroep op deze doorbrekingsgronden ook niet verworpen zodat dat niet in de weg kan staan aan appel, althans zo het deze gronden heeft verworpen heeft het dit met ontoereikende — want geheel geen — motivering gedaan.
- (c)
Tot slot is het voor de vraag of Sonos ontvankelijk was in haar hoger beroep niet bepalend of het Verwijzingsvonnis als eindvonnis of als tussenvonnis moet worden gekwalificeerd.
Sonos' primaire standpunt is dat het Verwijzingsvonnis een eindvonnis is. Met dit vonnis is immers een einde gemaakt aan de instantie, in de zin van een einde aan de procedure bij de rechtbank Den Haag, althans wordt omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt. Het Verwijzingsvonnis dient dan als eindvonnis te worden aangemerkt. In dat geval geldt wat hiervoor bij subonderdeel II(b) is uiteengezet over de doorbreking van het appelverbod van artikel 110 lid 3 Rv.
De conclusie is niet anders als het Verwijzingsvonnis een tussenvonnis zou zijn. Tussentijds appel dient in Sonos' opvatting ook in dat geval mogelijk te zijn, op de gronden ontwikkeld in de bij subonderdeel II(b) bedoelde vaste jurisprudentie. De Tros/Pretium-uitspraak, waarin de Hoge Raad — kort gezegd — geoordeeld heeft dat de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is in het geval van artikel 337 lid 2 Rv, dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend,20. doet hier niet aan af. In die uitspraak was immers geen sprake van een algeheel rechtsmiddelenverbod, terwijl dat in casu wel zo is (artikel 110 lid 3 Rv). In het geval van het onderhavige algehele rechtsmiddelenverbod doet de noodzaak voor doorbreking van dat verbod zich gelden, en wel op het moment dat het oordeel in kwestie wordt gegeven. De proceseconomie is er niet mee gediend als hiermee zou moeten worden gewacht. Uit de latere uitspraak [naam 1] c.s./[naam 2] volgt bovendien dat de doorbrekingsjurisprudentie een ruimer toepassingsgebied heeft dan uit de Tros/Pretium-uitspraak zou kunnen worden afgeleid, getuige het feit dat in die uitspraak doorbreking is toegestaan van een rechtsmidddelenverbod dat verwantschap vertoont met dat van artikel 337 lid 2 Rv.21.
Onderdeel III
- (a)
Zoals hiervoor bij onderdelen I en II beschreven, heeft het Hof Sonos — afgezien van het beweerde gebrek aan belang — ontvankelijk geacht in haar appel, althans had het Hof haar daarin ontvankelijk moeten achten.
Het gevolg is dat het door Sonos ingestelde appel ex artikel 350 lid 1 Rv de tenuitvoerlegging van het Verwijzingsvonnis van rechtswege schorste, waaronder de voortzetting van de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland (exécution par suite d'instance).22.
Hier doet niet aan af dat artikel 350 lid 2 Rv bepaalt dat hoger beroep, ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen ingevolge artikel 337 lid 2 Rv geen hoger beroep openstaat voordat het eindvonnis is gewezen de tenuitvoerlegging niet schorst. Het Verwijzingsvonnis is, als gezegd, immers niet aan te merken als tussenvonnis, maar als eindvonnis. En als het Verwijzingsvonnis wel een tussenvonnis is, dan brengt een redelijke uitleg van artikel 337 lid 2 Rv mee dat de tenuitvoerlegging nog steeds wordt geschorst als de appellant, op doorbrekingsgronden, desondanks ontvankelijk is in appel, zoals in dit geval aan de orde is (zie onderdeel II(c)).23. Dan doet de situatie dat hoger beroep niet ‘open’ staat zich immers niet voor.
- (b)
Bij deze stand van zaken (maar ook overigens) getuigt het Arrest in de incidenten van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit ontoereikend gemotiveerd. Het Hof overweegt dat Sonos' incidentele vordering I (te weten haar vordering om — kort samengevat — te bepalen dat de VRO-beschikking de rechter naar wie de zaak is verwezen niet bindt, althans niet kan binden) uitsluitend betrekking heeft op een processuele kwestie en dat daarvoor geen grondslag kan worden gevonden in artikel 223 Rv, en ook niet in enige andere wetsbepaling of rechtsregel. Daarom zou de incidentele vordering niet toewijsbaar zijn (rov. 6). Het Hof overweegt voorts dat uit de toepasselijke rechtsregels volgt of het onderhavige beroep al dan niet schorsende werking heeft. Als het hoger beroep van rechtswege geen schorsende werking heeft — de voorwaarde waaronder incidentele vordering II is ingesteld — is ook voor een bevel dat daaraan schorsende werking toekomt, geen plaats, aldus nog steeds het Hof. Ook incidentele vordering II zou dus niet toewijsbaar zijn.
De incidentele vorderingen van Sonos hadden beide onmiskenbaar tot doel dat de tenuitvoerlegging van de in appel bestreden beslissingen in het Verwijzingsvonnis hangende het appel gestaakt zou worden, specifiek dat het VRO-regime niet van toepassing zou zijn in de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland.24. Het Hof miskent dan dat artikel 223 Rv grondslag kan vormen voor een dergelijke vordering. Zou dit anders zijn, dan zou een procespartij — ook al is de werking van de bestreden uitspraak van rechtswege als gevolg van het appel geschorst — onverminderd kunnen doorgaan met de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak, zoals in dit geval ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De wederpartij moet een rechtsgang hebben om daartegen op te komen, althans in in ieder geval in omstandigheden zoals aan de orde in deze zaak. Een incident in de appelprocedure is daartoe het meest geëigend, nu het hof het best in staat is te bepalen of de tenuitvoerlegging als gevolg van het bij dat hof ingestelde appel is geschorst.
Onderdeel IV
- (a)
Gezien het voorgaande (maar ook overigens) kan het Arrest in de hoofdzaak evenmin in stand blijven. Als gezegd oordeelt het Hof in rov. 8 dat Sonos niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Dit laatste oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd, om de navolgende redenen.
- (b)
Het Hof overweegt ten eerste — kort samengevat — dat het voortprocederen op basis van het VRO, hetgeen de kern van Sonos' bezwaren tegen het Verwijzingsvonnis vormt, voor haar niet tot nadelige gevolgen heeft geleid — de vorderingen van Google zijn immers afgewezen — en ook niet meer ongedaan kan worden gemaakt nu het hof dat over dat eindvonnis zal oordelen (het hof Arnhem-Leeuwarden) vanwege de devolutieve werking niet zal kunnen terugverwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland om de zaak alsnog buiten het VRO om te behandelen.
Deze redenering miskent de schorsende werking van het appel, zoals hiervoor bij onderdeel III beschreven, hetgeen tot gevolg heeft dat de na het instellen van het appel verrichte proceshandelingen nietig zijn en het Verwijzingsvonnis vernietigbaar is.25. Met andere woorden: het is dus wel mogelijk dat de procedure in eerste aanleg en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland dat daarvan het resultaat was ‘over’ moeten. Gelet op die omstandigheid heeft Sonos er belang bij dat in rechte komt vast te staan dat in dat geval niet opnieuw conform het VRO-regime behoeft te worden geprocedeerd. Dit zou mogelijk anders zijn geweest als Google zich bij het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland had neergelegd, maar dat heeft zij niet gedaan (zie hiervoor, nr. 6). Daar komt bij dat het oordeel dat procederen op basis van het VRO niet tot nadelige gevolgen heeft geleid, ontoereikend is gemotiveerd. Zoals Sonos heeft aangevoerd, lijdt zij immers schade doordat zij zich in twee afzonderlijke instanties (kort gezegd de procedure bij de rechtbank Den Haag en het appel daarvan, naast de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland en dát appel) moet verweren tegen de frivole vorderingen van Google. Zij kan die schade niet volledig op Google verhalen.26.
Hier komt ook bij dat de Hoge Raad in een aantal situaties een uitzondering heeft gemaakt op het verbod op terugverwijzing in geval op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen.27. Met dergelijke situaties valt gelijk te stellen de situatie dat (i) de proceshandelingen in de procedure in eerste aanleg bij de rechtbank Midden-Nederland nietig zijn, als gevolg van de schorsende werking van het appel bij het hof Den Haag. Althans valt met dergelijke situaties gelijk te stellen de situatie dat (ii) de rechtbank, zoals hier, de vorderingen afwijst op grond van artikel 111 lid 2 Rv en de behandeling in eerste aanleg ook overigens erg beperkt is geweest, zoals Google ten tijde van het pleidooi bij het hof Den Haag zelf heeft erkend. In haar woorden:
‘Men neme dan nog in ogenschouw dat Sonos de hoofdzaak in eerste aanleg heeft gewonnen louter vanwege de wijze waarop de rechtbank het VRO-regime heeft gehanteerd […]’.28.
Althans valt met dergelijke situaties gelijk te stellen het geval dat de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde omstandigheden zich in combinatie voordoen. Het Hof heeft ook deze mogelijkheden van uitzondering op het verbod op terugverwijzing miskend, althans zijn oordeel ter zake ontoereikend gemotiveerd, nu het niets over deze uitzonderingsmogelijkheden overweegt.
- (c)
's Hofs overweging dat Sonos ook zelf te kennen heeft gegven dat door hoger beroep tegen het eindvonnis het procederen onder het VRO-regime niet ongedaan kan worden gemaakt doet niet aan het voorgaande af, want de betreffende stellingen zien slechts op de omstandigheid dat het feitelijk niet mogelijk is om procederen onder het VRO-regime ongedaan te maken. Nu de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland is gevoerd, kunnen de proceshandelingen in deze procedure inderdaad niet meer feitelijk ongedaan worden. Dat is echter iets anders, dan of de procedure opnieuw kan worden gevoerd, en dan volgens welk regime.
- (d)
Het Hof overweegt voorts dat de in het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken proceskostenveroordeling ook de proceskosten van de behandeling van het bevoegdheidsincident bij de rechtbank Den Haag omvat, zodat ook in verband met de proceskosten voor Sonos geen belang meer bij het hoger beroep tegen het Verwijzingsvonnis bestaat. Dit miskent andermaal dat het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigbaar is. In geval van vernietiging van dat vonnis wordt ook de in die uitspraak genoemde proceskostenveroordeling29. vernietigd, waaronder in zoverre die proceskostenveroordeling ziet op de kosten van de procedure bij de rechtbank Den Haag. Gelet op de mogelijkheid dat die proceskostenveroordeling wordt vernietigd behoudt Sonos er belang bij dat de juistheid van het Verwijzingsvonnis wordt beoordeeld, gelet op de kosten van de procedure die tot dat vonnis heeft geleid.
Onderdeel V
- (a)
Bij slagen van een of meer van de voorgaande klachten kan het Arrest in de incidenten niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor's Hofs oordeel in het Arrest in de hoofdzaak dat Sonos niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep (rov. 8 en dictum, eerste gedachtestreepje van het Arrest in de hoofdzaak).
- (b)
Het oordeel in het Arrest in de hoofdzaak tot compensatie van de proceskosten (rov. 10 en dictum) kan in dat geval evenmin in stand blijven. Voor zover in deze zaak relevant, is compensatie alleen mogelijk als partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld (artikel 237 lid 1 Rv). Het Hof heeft Sonos in het gelijk gesteld voor wat betreft de inhoud van haar klachten in appel, want heeft geoordeeld dat de rechtbank Den Haag de rechtbank Midden-Nederland — kort gezegd — het VRO-regime niet had mogen opleggen (rov. 9). Bij slagen van een of meer van de voornoemde klachten vervalt de grond voor het (impliciete) oordeel dat Google daartegenover ten dele in het gelijk is gesteld en Sonos in het ongelijk.
Aanvullende procesinleiding in cassatie
Zoals hiervoor beschreven (nr. 21), is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 4 april 2022 niet beschikbaar ten tijde van de indiening van deze procesinleiding, terwijl tijdens deze mondelinge behandeling de kwestie van belang wel uitgebreid is besproken. Nu het beweerde ontbreken van belang de dragende grond was voor het bestreden Arrest in de hoofdzaak, behoudt Sonos zich het recht voor een aanvullende procesinleiding in te dienen, indien de inhoud van het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft. Sonos doet dit naar analogie met de regeling voor verzoekzaken van artikel 3.2.5.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden en onder verwijzing naar HR 23 december 2005, NJ 2006, 31. Er is geen reden om een dergelijke mogelijkheid tot aanvulling wel te aanvaarden in verzoekzaken in cassatie en niet in vorderingszaken.
Conclusie
Op grond van dit middel vordert Sonos dat de Hoge Raad de bestreden arresten vernietigt, en verder beslist zoals hij passend acht, met veroordeling van Google in de kosten van het geding onder toepassing van artikel 1019h Rv, zoals nader te specificeren, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen arrest.
31 augustus 2022
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑08‑2022
Nu Google niet is gevestigd in Nederland of een van de landen waarop Verordening (EG) nr. 1393/2007 van toepassing is, wordt ex artikel 115 lid 2 Rv een termijn van minimaal 3 maanden in acht genomen.
Regeling bij octrooizaken (zie https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Reglement-versneld-regime-in-octrooizaken-VRO-reglement.pdf, geraadpleegd op 30 augustus 2022).
Vgl. Rb Den Haag 25 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13401, rov. 4.12.
In deze werkwijze ligt dus besloten dat het VRO-regime van toepassing wordt verklaard, voordat de gedaagde de onbevoegdheid van de rechtbank — en daarmee de onverbindendheid van het VRO-regime — kan inroepen.
De relatieve bevoegdheidsgrond van artikel 80 lid 2 sub a ROW geldt — kort gezegd — enkel voor procedures in verband met Nederlandse octrooien en Nederlandse delen van Europese octrooien. Google beriep zich uitdrukkelijk niet op Nederlandse delen van haar octrooi. Zie Dgv, nr. 3.
Zie rov. 2.4 van het Verwijzingsvonnis en de daarbij genoemde uitspraken.
Zie over de gronden van onbevoegdheid en het aanbod van Sonos de Incidentele conclusie tot onbevoegdheid, par. 1.1 en 1.2. Google heeft geen verklaring gegeven waarom zij dit aanbod heeft geweigerd. Vgl. CvA in het incident tot onbevoegdheid, nrs. 5 en 6.
Zie hierover de briefwisseling beschreven in nrs. 17 tot en met 18 van de Appeldgv.
Zie Appeldgv, nrs. 28–31.
Zie in vergelijkbare zin rov. 3 en 4 van het Arrest in de hoofdzaak.
De rechtbank Midden-Nederland wees op 14 april 2021 een verzoek van Sonos om in appel te mogen komen van deze beslissing af.
Zoals hierna nog aan bod komt is deze beslissing, net als de daarop volgende einduitspraak van de Rb Midden-Nederland vernietigbaar, want deze miskent de schorsende werking van het door Sonos tegen het Verwijzingsvonnis ingestelde appel (onderdeel III). Sonos heeft nog verzocht om tussentijds appel open te stellen tegen deze beslissing. De Rb Midden-Nederland heeft dit bij beslissing van 14 april 2021 geweigerd.
Zie Pleitnota Sonos, par. 6 en ook MvA in voorwaardelijk incidenteel appel, par. 2.1.
Zie over het belang bij het appel ook Pleitnota Sonos, nr. 28. Opgemerkt zij dat de mondelinge behandeling de eerste maal was dat partijen konden ingaan op de vraag of belang bestond bij het appel, tegen de achtergrond van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De laatste processtukken van partijen waren namelijk vóór die uitspraak gewisseld (zie nr. 18 hiervoor).
HR 9 juli 2010, NJ 2012, 226, m.nt. Snijders (Eurofactor/[naam 3]), rov. 4.1.2
Dit laat nog daar dat onder omstandigheden, te weten bij schending van een fundamenteel beginsel van procesrecht, zoals in casu door Sonos is aangevoerd, appel van een rolbeslissing mogelijk is. Zie HR 21 oktober 1994, NJ 1995, 412, m.nt. Snijders (naam 4]/[naam 5.), rov. 3.3.
Zie onder meer HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242, m.nt. Wichers Hoeth en Heemskerk (naam 6]/[naam 7.), rov. 3.2 en meer recent HR 18 april 2014, NJ 2015, 215, m.nt. Krans (naam 1] c.s./[naam 2.), rov. 5.2.
Zie onder meer HR 28 september 2012, NJ 2012, 556 (Tros/Pretium), rov. 4.3
Zie onder meer HR 12 november 2021, NJ 2021, 364 (naam 3]/[naam 8.) en HR 12 november 2021, NJ 2022, 131, m.nt. Verstijlen, rov. 4.2.
HR 28 september 2012, NJ 2012, 556 (Tros/Pretium), rov. 4.5.
HR 18 april 2014, NJ 2015, 215, m.nt. Krans (naam 1] c.s./[naam 2.), rov. 5.4.
HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 888, W 11 258 (geciteerd in conclusie A-G Wesseling-van Gent vóór HR 29 april 2005, NJ 2006, 457, m.nt. Snijders (naam 9.), nr. 4.4.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA3386, rov. 2.4 en Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1424, rov. 2.3.
Zie i.h.b. Appeldgv, nrs. 43, 46 en 47.
Zie HR 8 oktober 1965, NJ 1965, 394; HR 27 november 1981, NJ 1983, 738 (naam 10]/[naam 11.), de noot van Heemskerk bij die uitspraak en voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018, 149; H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, pp 8, 57 en 59; E.D. van Geuns en M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke rechtsvordering, nr. 3.
Pleitnota Sonos, nr. 24.
Zie HR 16 april 1993, NJ 1993, 654 ([naam 12]/De Open Ankh), rov. 3.2; HR 7 mei 1993, NJ 1933, 655, m.nt. Ras (naam 13]/[naam 14.), rov. 3.6; HR 11 december 2009, NJ 2010, 581, m.nt. Snijders (AB&P c.s./AXA), rov. 3.4.1; HR 13 april 2018, NJ 2019, 108, m.nt. Krans, rov. 3.5.2–3.5.3.
Pleitnota Google, nr. 2. Overigens heeft Google ook in haar memorie van grieven tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ingediend op 22 maart 2022, dat wil zeggen kort voor de zitting bij het hof Den Haag) gesteld dat de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen op een ‘formeel punt’ had afgewezen en dat appel ‘dus de eerste gelegenheid [is] dat de Nederlandse rechter zich ten gronde over de door Sonos gepleegde inbreuk kan uitlaten’ (nr. 2).
Zie dictum onder 5.2 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, als geciteerd in rov. 7 onder (c) van het Arrest in de hoofdzaak (en ook rov. 4.16 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland).