Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.1
5.1 Inleiding
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196886:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138 (Skygate) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4888, ARO 2007/155 (Versatel II). In 3.10-3.13 is besproken hoe ver de onmiddellijke voorziening mag strekken. Interne rechtsverhoudingen zijn de rechtsverhoudingen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken. Ze worden beheerst door de gedragsregel van art. 2:8 lid 1 BW. Zie nr. 37. Over de kring van art. 2:8 lid 1 BW zie nr. 50-51.
Externe rechtsverhoudingen hebben geen betrekking op de rechtspersoonlijke inrichting en de interne organisatie van de rechtspersoon, zie nr. 37.
Een contractuele verhouding van de rechtspersoon is een externe verhouding, zie nr. 38. Externe partijen kunnen ook anderszins te maken krijgen met de gevolgen van onmiddellijke voorzieningen, maar die krijgen in dit onderzoek nauwelijks aandacht.
De invloed van een voorziening op een externe verhouding is niet altijd een inbreuk (nr. 40). In 1.2 zijn drie scenario’s beschreven voor de rechtstoestand die zou kunnen optreden als een onmiddellijke voorziening en een contractuele verplichting botsen. Ten eerste: de onmiddellijke voorziening heeft geen effect. Ten tweede: de contractuele verplichting hoeft niet te worden nagekomen (dan wordt de wederpartij geconfronteerd met dat rechtsgevolg). Ten derde: de rechtspersoon heeft ten gevolge van de effectieve voorziening een probleem omdat hij de contractuele verplichting niet kan nakomen. Zie ook 1.3. Het uitgangspunt in dit onderzoek is dat het derde scenario vigeert, zodat de Ondernemingskamer inzicht in de rechtspositie van de wederpartij behoeft.
Onderzoeksvraag a.
Vgl. onderzoeksvraag b.
Vgl. onderzoeksvraag f. In 1.3 is vermeld dat de vraag naar voorrang (het eerste en het tweede scenario) wordt onderzocht om te kunnen concluderen dat het derde scenario geldend recht is.
[162] Volgens vaste jurisprudentie kan met een onmiddellijke voorziening tijdelijk inbreuk gemaakt worden op geldende rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon.1 De werking van een onmiddellijke voorziening strekt zich soms uit tot externe rechtsverhoudingen van de rechtspersoon.2 Dat doet zich onder meer voor als met de onmiddellijke voorziening niet te verenigen valt dat de rechtspersoon een verbintenis uit een overeenkomst nakomt.3 In het derde scenario heeft de onmiddellijke voorziening dan tot neveneffect dat op een contractuele verhouding inbreuk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt.4 Wat is dan de rechtspositie van die wederpartij?5 Kan hij zijn rechten met succes in rechte inroepen?6 Is er een rangorde tussen rechtsplichten uit de onmiddellijke voorziening en de contractuele verplichtingen van de rechtspersoon, in de zin dat een van de twee voor gaat?7 Elke onmiddellijke voorziening is de vrucht van een rechterlijke beslissing. Die ontstaanswijze zou consequenties kunnen hebben voor een rangorde. Wellicht kunnen aanwijzingen van de wetgever licht op het vraagstuk werpen. Dit hoofdstuk staat in het teken van dat ‘formele perspectief’.