Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.2.2
4.2.2 Artikel 23 WOR en de bestuurder van de vennootschap
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484996:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
D wet van 1971 kende in art. 16 lid 1 nog een specifieke bepaling met betrekking tot het uitnodigen van bestuurders, die overigens werden aangeduid als ‘bestuurders van de onderneming’. In de Memorie van Toelichting bij art. 16 lid 1 lezen we daarover het volgende: ‘Verder hebben de ondergetekenden het artikel uitgebreid met een bepaling die het mogelijk maakt ook bepaalde bestuurders of commissarissen uit te nodigen, wanneer aan hun aanwezigheid behoefte bestaat. Deze personen zullen nl. lang niet in alle gevallen als “deskundigen' kunnen worden beschouwd. Toch kan hun deelneming aan het overleg in bepaalde gevallen van belang zijn’ (Kamerstukken II 1969- 1970, 10 335, nr. 3, p. 20). Bij de overheveling van art. 16 lid 1 WOR naar art. 23a lid 6 WOR die in 1979 plaats vond, is de betreffende bepaling uit de wet verdwenen.
In de Memorie van Toelichting zou aan de hand van het oogmerk dat de wetgever heeft met het opnemen van deze bepaling, nader beschreven kunnen worden om wat voor aangelegenheden het gaat. Daarmee krijgt de beperking concreet gestalte.
Zie, waar het schending van de verschijningsplicht van commissarissen betreft, ook Rood/Van der Heijden 2004, art. 24 lid 2, aant. 2.
In par. 3.4 kwam ter sprake dat de wetgever bij de wetswijzigingen in 1971 en 1979 in de veronderstelling moet hebben verkeerd dat de WOR-bestuurder óók bestuurder van de vennootschap is. Zou die veronderstelling in de praktijk niet zo uitpakken, dan zou dat afbreuk kunnen doen aan een zinvolle uitoefening van medezeggenschapsrechten. Mij op deze plaats beperkend tot het in art. 23 WOR bedoelde overleg, zal dat in het bijzonder gelden voor het overleg van de ondernemer en de ondernemingsraad over aangelegenheden die op zich de vennootschap betreffen, maar die wel verband houden met de onderneming. Moeilijk voor te stellen is dat een vruchtbare gedachtewisseling over dergelijke aangelegenheden plaats kan vinden, indien de ondernemer daarbij niet wordt vertegenwoordigd door een of meer van haar vennootschappelijke bestuurders. Is de WOR-bestuurder niet tevens bestuurder van de vennootschap, maar zou de ondernemingsraad wél overleg met bestuurders van de vennootschap willen voeren, dan bestaat de mogelijkheid die bestuurders op grond van art. 23a lid 6 WOR voor de overlegvergadering uit te nodigen.1 De ondernemingsraad komt evenwel niet veel verder met een beroep op die bepaling, indien hij zich geconfronteerd ziet met bestuurders die niets voelen voor (inhoudelijk) overleg met de raad; zij zijn immers niet gehouden gehoor te geven aan de uitnodiging. Het zou in dat licht te overwegen zijn in een nieuw lid 7 van art. 23 WOR op te nemen dat, indien zulks het overleg met betrekking tot een specifieke aangelegenheid ten goede komt, dat voor de ondernemer mede worden gevoerd door de bestuurder van de ondernemer. Heeft deze meer dan één bestuurder, dan bepalen die bestuurders in onderling overleg wie van hen het overleg met de ondernemingsraad voert. Om een ongebreideld beroep op de bepaling tegen te gaan, bevat deze twee cumulatieve beperkingen: de verplichting is slechts van toepassing met betrekking tot specifieke aangelegenheden,2 en de aanwezigheid komt het overleg daadwerkelijk ten goede. Deze beperkingen bieden de rechter voldoende handvatten om te toetsen of de ondernemingsraad daar terecht een beroep op doet.3 De bestuurders van de ondernemer op hun beurt zijn op grond van art. 2:9 BW jegens de rechtspersoon gehouden het overleg te voeren. Mochten de bestuurders niet verschijnen, dan zou de ondernemingsraad hen ook rechtstreeks kunnen aanspreken, en wel op grond van onrechtmatige daad4 en/of op grond van de goede trouw die zij en de ondernemingsraad jegens elkaar in acht hebben te nemen (art. 2:8 BW).5