Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/12.3
12.3 Restcategorie met ongebruikelijke argumenten
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS587429:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie Klaassen 2017, nr. 42 en Dijkshoorn 2011b, p. 260, 261. Laatstgenoemde auteur meent dat veel valt te zeggen voor de introductie van deze factor en het vaker toepassen ervan.
Vgl. in het algemeen Van der Wiel 2004, p. 29 en 33.
Vgl. J.C.M. Leijten in JBPr 2003/56 over dit arrest: “wegens deze desastreuze afloop is. vastgelegd dat bij de vaststelling van de materiële schade van [Beliën] ruimhartig te werk moest worden gegaan. Dat wijst op een gekweld geweten.”
516. Tot slot kan in uitzonderlijke gevallen een heel specifiek argument van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade een toereikend normatief verband aanwezig is. Ik bespreek een tweetal zaken waarin een ongebruikelijk en specifiek voor een bepaalde casus geldend argument relevant werd geoordeeld voor de toerekenbaarheid van schade. In de eerste plaats verdient enige aandacht Avi/Van Adrighem1 waarin de Hoge Raad oordeelde dat
“de omstandigheid dat de contractspartij bij de tekortkoming waarvoor aansprakelijkheid bestaat, niet uit eigen belang heeft gehandeld van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag welk verband in de omstandigheden van het geval is te eisen; op zichzelf kan deze omstandigheid er echter niet toe leiden dat slechts een deel van de veroorzaakte schade is aan te merken als een toerekenbaar gevolg van de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat” (rov. 4.2.2).
Ondanks de daarop gerichte klachten in cassatie, acht de Hoge Raad de matigingsbevoegheid van art. 6:109 BW niet het exclusieve beoordelingskader voor het verweer van de tekortschietende schuldenaar dat hij niet uit eigen belang heeft gehandeld en daarom in mindere mate aansprakelijk dient te zijn, en kan een dergelijke omstandigheid ook in het kader van de schadetoerekening relevant zijn, zij het niet op zichzelf. Naar mijn mening is weinig helder op welke wijze de omstandigheid dat de tekortschietende schuldenaar niet uit eigen belang heeft gehandeld, kan leiden tot een beperktere toerekening van schade, terwijl bovendien een dergelijke omstandigheid naar mijn mening ook niet afdoet aan het bestaan van een toereikend normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade. Gelukkiger zou mijns inziens zijn om een dergelijk verweer te plaatsen in het kader van de matiging van de schadevergoeding. Beoordeeld dient dan te worden of, zoals art. 6:109 BW bepaalt, in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
517. In de tweede plaats verdient aandacht Beliën/Noord-Brabant.2 In deze zaak lijkt de Hoge Raad de processuele houding van de laedens relevant te achten voor de toerekenbaarheid van de schade. Hij oordeelde:
“de Hoge Raad [ziet] aanleiding erop te wijzen dat de hiervóór (…) weergegeven processuele houding van de Provincie voor de rechter die over deze vordering nog moet oordelen, reden zou kunnen zijn voor een ruime toerekening van de schade(posten) als bedoeld in art. 6:98 BW.” (rov. 4.3.3)
In de literatuur wordt sindsdien de processuele houding van de laedens wel als relevante toerekeningsfactor genoemd.3 Naar ik meen, maken de bijzonderheden van deze zaak de processuele houding van de laedens (mogelijk) relevant; in het algemeen zie ik geen reden waarom deze processuele houding relevant zou zijn – net zomin als de houding van een procespartij in het algemeen relevant is voor de vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen.
De processuele houding waar het in deze zaak om ging, was het bewust door de provincie Noord-Brabant, in een procedure tegen een particulier (Beliën), geven van een verkeerde voorstelling van zaken. In deze procedure over een tweetal ruilovereenkomsten met betrekking tot percelen grond waren diverse hoger beroepen en cassatieberoepen van verschillende (tussen)beslissingen ingesteld. Het duurde aldus ruim 20 jaar om tot een definitieve vaststelling van aansprakelijkheid van de provincie, maar nog niet van de schadeomvang, te komen. Toen kwam uit dat de provincie van meet af aan welbewust een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven, die door de verschillende rechterlijke instanties steeds was geloofd. Bij een juiste voorstelling van zaken zou er een aanzienlijke kans zijn geweest dat de primaire vordering van Beliën (tot nakoming door de provincie van de tweede ruilovereenkomst) dadelijk zou zijn toegewezen. De afwijzing kon echter niet meer met een gewoon rechtsmiddel worden aangetast. Het buitengewone rechtsmiddel van rekest civiel was, nadat het bedrog van de provincie was gebleken, door de advocaat van Beliën op ongelukkige wijze ingezet waardoor de definitieve afwijzing niet meer ongedaan kon worden gemaakt. De toegewezen subsidiaire vordering tot schadevergoeding was gebaseerd op de, aanvankelijk nog afgezien van de misleiding, volgens Beliën laakbare houding van de provincie en het afbreken van onderhandelingen door de provincie. Beliën vorderde vergoeding van schade die hij had geleden doordat hij de geplande woning met bedrijfsruimte niet in de loop van 1979 had kunnen realiseren op het in de tweede overeenkomst bedoelde perceel. De aanspraak op vergoeding van immateriële schade was afgewezen omdat zij niet paste binnen het beperkte wettelijke kader van art. 6:106 BW.
Niet geheel duidelijk is wat de Hoge Raad op het oog heeft gehad met zijn oordeel dat de processuele houding van de provincie reden zou kunnen zijn voor ruimere toerekening. Meerdere mogelijkheden lijken mij te bestaan. Ten eerste zou het voor Beliën vermoedelijk niet eenvoudig zijn geweest om over zo’n lange periode overtuigend te kunnen onderbouwen welke schade hij door het onrechtmatig handelen van de provincie heeft geleden. Denkbaar lijkt mij dat de Hoge Raad bedoelde dat niet al te hoge eisen aan het bewijs van het causale verband en schade gesteld dienden te worden.4 Ten tweede kwalificeert de processuele houding van de provincie, die bestaat uit het bewust in een procedure geven van een verkeerde voorstelling van zaken op een wezenlijk punt, naar ik meen, op zichzelf als onrechtmatige daad.5 Naar voor de hand ligt, heeft Beliën ten gevolge hiervan ook schade geleden, onder meer doordat de procedure hierdoor waarschijnlijk aanzienlijk langer heeft gelopen en Beliën daarin aanzienlijke kosten zal hebben gemaakt. Ook is ten gevolge van deze onrechtmatige daad waarschijnlijk Beliëns primaire vordering ten onrechte afgewezen. Mogelijk bedoelde de Hoge Raad dat ook deze schade kon worden toegerekend. Ten derde heeft de Hoge Raad de afwijzing van Beliëns vordering tot vergoeding van immateriële schade in stand gelaten. Mogelijk achtte hij deze uitkomst weinig bevredigend en wilde hij de mogelijkheid bieden voor compensatie van deze schade op andere wijze. In ieder geval is de processuele houding van de laedens in deze zaak dermate bijzonder dat uit de overweging van de Hoge Raad niet de conclusie kan worden getrokken dat deze houding meer in het algemeen relevant kan zijn.6