Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.2
6.4.2 Mate van verwijtbaarheid
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940301:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in dit verband de precies tegenovergestelde praktijk die in de sfeer van de toeslagen heeft bestaan en inhield dat iedereen van wie een bedrag van meer dan € 5.000 (totaal toeslagen) of meer dan € 3.000 (kinderopvangtoeslag) werd teruggevorderd, zonder verder onderzoek de kwalificatie opzet/grove schuld (‘O/GS’) kreeg, zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2021, V-N 2021/31.24.
De enkele omstandigheid dat er achteraf bezien geen sprake is geweest van een pleitbaar standpunt, levert nog geen (positief) bewijs van opzet of grove schuld op, zie Rb Noord-Holland 10 juni 2021, V-N 2021/33.14 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR door een belastingadviseur, boete vernietigd) r.o. 75 (zie voor de – gelijkluidende – afloop Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21). Zie over het pleitbaar standpunt nader paragraaf 9.4.2.
Zie voor een fraai voorbeeld Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6. De inspecteur had zich laten verleiden in de hier bedoelde zin, maar het Hof trad terecht corrigerend op. Zie ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij ABRvS 3 april 2019, V-N 2019/22.21 en bij V-N 2019/58.17, alsmede bij V-N 2020/27.33. Zie voorts ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2523, r.o. 8 en 11.
Voor nadere studie en meer uitgebreide verhandelingen verwijs ik naar de uitgebreide literatuur die hierover beschikbaar is. Een greep: Haas 2015, hoofdstuk 4, De Blieck e.a. 2013, paragraaf 10.4.1.1, De Bont 2011, hoofdstuk 5 (opzet/fiscaal strafrecht), Valkenburg & Van der Werff 2014, paragraaf 2.8.2 (opzet/fiscaal strafrecht), Okhuizen (red.) 2012, paragraaf 9.6.3 en 10.2.3.4, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, hoofdstuk 12, Feteris 2007, p. 346-352, Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 594-595. Ten slotte wijs ik op de Fiscale encyclopedie De Vakstudie (Algemeen deel), artikelsgewijs commentaar bij art. 67cc tot en met art. 67f AWR), alsmede op NDFR (Formeel belastingrecht, Bestuurlijke boeten, Commentaar bij art. 67cc tot en met art. 67f AWR).
In algemene zin is het verleidelijk om in een gemaakte fout meteen ook een verwijt te onderkennen. Daaraan ligt echter wel de aanname ten grondslag (1) dat de fout voorkomen had kunnen worden en (2) dat – nu dat niet is gebeurd – zulks de boeteling ook kwalijk genomen kan worden. Of dat ook inderdaad het geval is, kan niet op voorhand worden afgeleid uit het enkele feit dat een fout is gemaakt. Dat laatste is immers een gepasseerd station: zonder fout kan überhaupt geen boete worden opgelegd. Het gaat er vervolgens om, dat de ernst van de gemaakte fout nauwkeurig wordt bepaald.1 Dat vergt een zuivere beoordeling van de mate van verwijtbaarheid,2 waarbij het feit dát er een fout is gemaakt steeds als gegeven geldt.3
Bij de vergrijpboetes moet die mate van verwijtbaarheid qua aard aan bepaalde kenmerken voldoen en qua ernst een zekere ondergrens passeren. Is de verwijtbaarheid van een andere orde of te gering, dan is er geen sprake van de aanwezigheid van één van de vereiste elementen ‘opzet’ dan wel ‘grove schuld’. In het navolgende zal ik kort stil staan bij de materiële betekenis van deze schuldgradaties.4