De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.6.2:1.6.2 Maatschappelijke relevantie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.6.2
1.6.2 Maatschappelijke relevantie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949353:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Onderwijsraad 2016, p. 10.
Zie bijvoorbeeld: B. Mesters, ‘Docent Ton van Haperen: ‘Stuur de schoolbesturen weg en maak de overheid weer de baas over ons onderwijs’’, Volkskrant 2 april 2021, M. Eerkens, ‘De zwakste schakel in het basisonderwijs is het schoolbestuur’, Follow the money 26 april 2022, D66, ‘Onderwijsvisie: Geld naar school’, raadpleegbaar via: https://d66.nl/onderwijsvisie/geld-naar-school/ [geraadpleegd op 23 november 2022].
Stb. 2022, 134.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een onderzoek naar de autonomie van de leraar is onder meer maatschappelijk relevant omdat deze autonomie kan bijdragen aan het aantrekkelijk maken van het beroep van leraar. Ook is zijn autonomie van belang in de verhouding tussen de leraar en het bevoegd gezag en ten slotte kan dit de rechtsbescherming van de leerling beïnvloeden. Op deze drie elementen wordt hierna nader ingegaan.
Zoals al geschetst in § 1.1 is er momenteel een groot te kort aan leraren. In de literatuur wordt wel aangenomen dat het beroep van leraar aantrekkelijker kan zijn als hij meer autonomie heeft bij het geven van onderwijs. Volgens de Onderwijsraad is het beroep van leraar enkel aantrekkelijk als hij gedurende zijn beroepsuitoefening zijn professionele kwaliteiten – en dus zijn kennis en inzicht – kan inzetten. Het enkel uitvoeren van door anderen bedacht onderwijs past volgens de Onderwijsraad dan ook niet bij de professionaliteit van de leraar.1 In dit onderzoek wordt de meer sociologische vraag of autonomie het beroep van leraar aantrekkelijk maakt niet verder onderzocht, maar wordt gefocust op de juridische vraag in hoeverre de leraar aanspraak kan maken op autonomie.
In de maatschappelijke discussies over het onderwijs wordt soms aangenomen dat het schoolbestuur te veel macht heeft ten opzichte van de leraar. Zo zou het bevoegd gezag ver af staan van de onderwijspraktijk, maar tegelijk wel onderwijsvernieuwingen kunnen doorvoeren en de bekostiging naar eigen inzicht kunnen besteden.2 Hoewel de leraar de vakdeskundige onderwijsprofessional is, wordt hij onderworpen aan het beleid, de regels en de instructies van het schoolbestuur. Het is dan ook de vraag hoe de autonomie van de leraar zich verhoudt tot de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag binnen de school. Er wordt dan ook onderzocht hoe de leraar en het bevoegd gezag zich tot elkaar verhouden en in hoeverre daarbij autonomie toekomt aan de leraar.
Ook is het kader waar binnen de leraar autonomie kan uitoefenen van belang voor de actuele discussie over de rechtsbescherming van de leerling. Het belang van de rechten en rechtsbescherming van de leerling heeft sterk de maatschappelijke aandacht; zo is recent een wetsvoorstel in werking getreden waarmee de rechtsbescherming van de mbo-student wordt uitgebreid.3 Voor wat betreft de beoordeling van examens blijft de rechtsbescherming van de leerling evenwel beperkt. Zowel de burgerlijke rechter als de bestuursrechter toetsen dergelijke beslissingen zeer terughoudend omdat de leraar wordt geacht deskundig te zijn. Dit heeft voor de leerling tot gevolg dat er in de praktijk nauwelijks mogelijkheden zijn om in rechte op te komen tegen examenbeslissingen. Voor dergelijke beslissingen, zoals het schooladvies, is de leerling dan ook in grote mate afhankelijk van het oordeel van de leraar. Het is van belang nader te onderzoeken of dit legitiem is en in hoeverre de rechten van de leerling de autonomie van de leraar kunnen beïnvloeden.