Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.5:2.5 Conclusie
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.5
2.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254152:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
192. In dit hoofdstuk stond de wijziging van beperkte rechten door de rechter centraal. Drie grondslagen stonden in eerste instantie specifiek centraal. In de eerste plaats ging het om verschillende specifieke grondslagen in Boek 5 BW. Art. 5:78 aanhef en sub a, art. 5:97 en art. 5:104 lid 2 jo. art. 5:97 BW bepalen dat de rechter een erfdienstbaarheid, erfpachtrecht of zelfstandig opstalrecht kan wijzigen (of opheffen) indien wegens onvoorziene omstandigheden ongewijzigde instandhouding van het beperkte recht naar redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van de moedergerechtigde of beperkt gerechtigde. Art. 5:80 BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan wijzigen indien wegens onvoorziene omstandigheden de uitoefening blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden of het belang van de eigenaar van het heersende erf aanzienlijk is verminderd, mits de wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Art. 5:78 aanhef en sub b BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan wijzigen indien ongewijzigde instandhouding in strijd is met het algemeen belang. De wettelijke bepalingen geven de rechter de mogelijkheid recht te doen aan veranderende omstandigheden. In de tweede plaats ging het om de vernietiging van een algemene voorwaarde op grond van afd. 6.5.3 BW. De wettelijke regeling van afd. 6.5.3 BW en de verplichting tot ambtshalve toetsing geven de rechter de mogelijkheid voor consumenten nadelige voorwaarden te vernietigen.
193. In dit hoofdstuk is gebleken dat, naast de drie rechtsgronden die centraal stonden, een ‘wijziging’ van een beperkt recht onder omstandigheden ook mogelijk is via andere rechtsgronden, zoals art. 6:258 lid 1 BW, art. 6:259 lid 1 en sub a, art. 6:248 en art. 3:13 BW. Niet in al die gevallen is een wijziging in goederenrechtelijke zin door de rechter mogelijk, omdat bepaalde regelingen slechts leiden tot een buiten toepassing blijven van een beding of tot een verplichting tot medewerking aan een goederenrechtelijke wijziging. Het bestaan van de verschillende grondslagen heeft soms tot gevolg dat op één feitencomplex meerdere wijzigingsregels van toepassing kunnen zijn. Dat hoeft geen probleem te zijn. Als de vereisten en rechtsgevolgen niet verschillen, is irrelevant op welke regeling een rechtzoekende een beroep doet. In sommige gevallen verschillen de vereisten of rechtsgevolgen echter wel. De keuzevrijheid van de rechtzoekende staat echter voorop. Slechts in uitzonderingsgevallen is sprake van exclusiviteit.
194. Elke rechtsgrond kent in beginsel een eigen regime van vereisten en rechtsgevolgen, maar soms is sprake van overlap van vereisten en rechtsgevolgen. De vereisten en rechtsgevolgen volgen in principe uit de verschillende wetsbepalingen. Uit dit hoofdstuk blijkt dat in sommige gevallen een bepaalde interpretatie, aanvulling of aanpassing wenselijk is. Ik geef drie voorbeelden. De wachttermijnen in verschillende bepalingen dienen mijns inziens te worden geschrapt. De termijnen zijn nogal arbitrair en de eis van de redelijkheid en billijkheid biedt genoeg mogelijkheden om rekening te houden met de stabiliteit die in het goederenrecht verwacht mag worden. Ook de relevante overgangsrechtelijke bepalingen dienen mijns inziens te worden geschrapt, omdat de bepalingen tot onbillijke situaties kunnen leiden. In dit hoofdstuk heb ik echter ook mogelijkheden besproken om de wachttermijnen en de overgangsrechtelijke bepalingen te omzeilen. Voor het toepassingsgebied van afd. 6.5.3 BW moet gekeken worden naar de hoedanigheid van de wederpartij ten tijde van de vestiging van het beperkt recht, ondanks dat art. 6:233 aanhef en sub a BW in algemene zin over wederpartij spreekt. Als de hoedanigheid van de wederpartij verandert, bijvoorbeeld als gevolg van een overdracht van het beperkte recht, kan daardoor minder of meer bescherming ontstaan.