Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/8.2
8.2 Lessen uit het verleden voor een onzekere toekomst
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389459:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een mooi voorbeeld is de opkomst van variabele elementen in bestuurdersbezoldiging bij beursondernemingen in de Verenigde Staten. Milhaupt en Pistor gaven de volgende verklaring voor dit verschijnsel: “Equity-based compensation got an unintended boost from Congress. Concerned with ‘excessive’ executive compensation, Congress amended the tax code in 1992 to eliminate corporate deductions for cash compensation greater than $ 1 million unless it is tied to perfomrnace goals that are established and monitored by independent directors. In hindsight, it is not surprising that corporations responded to the change in tax law by loading up on bonuses, stock options, and other forms of variable pay. Although stock options and other forms of variable compensation were touted at the start of the decade as powerful antidotes to the agency problem of shareholders and managers, by the early twenty-first century their potential as powerful means of expanding that problem was painfully exposed.” Zie Milhaupt/Pistor 2010, p. 54.
Zie bijvoorbeeld C.F. van der Elst & E.P.M. Vermeulen, ‘Vennootschapsrecht’ in W.C.T. Weterings et al (reds.), De economische analyse van het recht, Den Haag: Boom 2007, p. 160: “Het ‘eigendom’ van de vennootschap is in handen van aandeelhouders die daarmee ook de controle hebben en de risico’s dragen aangaande de productiemiddelen. Echter, het vennootschapsrecht erkent dat in een organisatie meer en beter werk kan worden verricht door specialisatie, taakverdeling en het synchroniseren van taken. Doordat het BV – en NV-recht in een duale orgaanstructuur, met een aandeelhoudersvergadering en een bestuur, voorziet, kunnen aandeelhouders de controle en beslissingsbevoegdheden over de productiemiddelen delegeren aan specialisten.” Zie ook Kraakman et al. 2004 en Abma et al. 2017, p. 1.
In dezelfde zin Timmerman 2001c en Timmerman 2013, p. 138-140.
Zie voor een uitdrukking van deze houding J. Gray, Black Mass: apocalyptic religion and the death of utopia, London: Penguin Books 2008 (1e druk 2007), p. 105: “History continues to be seen as a process with a built-in goal.” Een ander fenomeen dat bij een dergelijke ahistorische benadering een rol speelt, is wat Bergson heeft aangeduid als retrospectief determinisme: het idee dat iets dat zich in het verleden heeft voorgedaan wel moest gebeuren om de enkele reden dat het is gebeurd.
Een uitgesproken versie van deze opvatting geeft Taleb. In Fooled by Randomness heeft hij betoogd dat in een analyse van het verleden vaak patronen worden ontwaard, terwijl de gebeurtenissen in het verleden in werkelijkheid voor een belangrijk deel op toeval waren gebaseerd. Deze patronen worden vervolgens doorgetrokken naar de toekomst in de verwachting dat zij zich ononderbroken zullen voortzetten. Taleb schreef hierover: “Another logical flaw in this type of historical statement is that often when a large event takes place, you hear the ‘it never happened before’, as if it needed to be absent from the event’s past history for it to be a surprise. So why do we consider the worst case that took place in our own past as the worst possible case? If the past, by bringing surprises, did not resemble the past previous to it (what I call the past’s past), then why should our future resemble our current past?” Zie N.N. Taleb, Fooled by Randomness: the hidden role of chance in life and markets, London: Penguin Books 2007 (1e druk 2004), p. 120. Zie voor een vergelijkbare redenering in een ander verband Asser/Vranken 2005, p. 82-83: “Het idee van voorspelbaarheid en voortbestemming van alle specifieke gevallen is historisch gezien onjuist.”
Zie bijvoorbeeld Stiglitz 2009 met de volgende opmerking over de “general equilibrium theory” van Arrow/Debreu 1954: “In effect (...) Arrow and Debreu had established the singular set of conditions under which markets were efficient. When these conditions were not satisfied, there were always some government interventions that could make everyone better off.”
Zie over de strekking van de voorgenomen samenwerking op het gebied van regelgeving rond het TTIP ook de brief van Minister van Buitenlandse Handel Ploumen aan de Tweede Kamer van 6 maart 2015, Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-02, nr. 1465, p. 3: “Voor samenwerking op het gebied van toekomstige regelgeving heeft de EU tijdens de achtste onderhandelingsronde haar voorstel aan de VS overhandigd. Twee belangrijke elementen in het EU-voorstel zijn goede regulerende praktijken (zoals impact assessments en stakeholderconsultatie) en verbeterde samenwerking zonder dat dit afbreuk doet aan de beleidsvrijheid van de verdragspartijen. Belangrijk uitgangspunt voor beide partijen is immers vanaf dag één geweest dat de onderhandelingen geen afbreuk mogen doen aan onze hoge standaarden voor mens, dier, plant en milieu.”
Illustratief is de volgende aarzeling van de – doorgaans conservatieve – commentator Wolf: “Meanwhile, those of us who wish to preserve both liberal democracy and global capitalism must confront serious questions. One is whether it makes sense to promote further international agreements that tightly constrain national regulatory discretion in the interests of existing corporations. My view increasingly echoes Prof Lawrence Summers of Harvard, who has argued that ‘international agreements [should] be judged not by how much is harmonised or by how many barriers are torn down but whether citizens are empowered’. Trade brings gains but cannot be pursued at all costs.” Zie M. Wolf, ‘Capitalism and democracy: the strain is showing’, Financial Times 31 augustus 2016.
In deze zin (evenwel optimistisch van toon) L. van Middelaar, The Passage to Europe: how a continent became a union, New Haven: Yale University Press 2013 (vertaald uit het Nederlands, 1e druk 2009), p. ix-xvii.
Vergelijk J. Roest, ‘Europees vennootschapsrecht: hoe nu verder?’, WPNR 2012 (6950), p. 783-792, in het bijzonder p. 792. Hierover uitgebreid en in dezelfde zin W.W. Bratton,J.A. McCahery & E.P.M. Vermeulen, ‘How does corporate mobility affect lawmaking: a comparative analysis’, ECGI law working paper nr. 91/2008, te raadplegen op
Zie onder meer de ‘belastingbrief’ van Staatssecretaris van Financiën Wiebes van16 september 2014 inzake de herziening van het Nederlandse belastingstelsel,Kamerstukken I, 2013/14, 32 140, nr. A, p. 9: “Vele ondernemingen zijn internationaal mobiel en zoeken het beste ondernemersklimaat op. Dat betekent niet dat Nederland zich zou moeten begeven in een belastingconcurrentiestrijd om de laagste tarieven. Ons land biedt ondernemers in den brede een voortreffelijk vestigingsklimaat, gebaseerd op goede voorzieningen en solide instituties. Het betekent wel dat het kabinet waakzaam moet zijn op ons fiscale klimaat dat, als onderdeel van het bredere vestigingsklimaat, bepaalt of Nederland een land is waar bedrijven uit wegtrekken of een land dat banen aantrekt. Ons vestigingsklimaat is een troef. Nederland kreeg altijd een aanzienlijk groter deel van de internationale bedrijvigheid dan zijn evenredig aandeel, juist en vooral in substantiële activiteiten. Wij hebben onze positie als handelsland altijd omgeven met een fiscale infrastructuur die internationale samenwerking vergemakkelijkt en dubbele heffing voorkomt. Maar die positie is geen automatisme en staat onder druk.” Zie voorts de brief van Staatssecretaris van Financiën Wiebes aan de Tweede Kamer van 20 september 2016 over het fiscale vestigingsklimaat, Kamerstukken II, 2016/17, 25 087, nr. 130, p. 2: “Het aantrekken en behouden van deze internationaal opererende ondernemingen (multinationals) is geen doel op zich. Het gaat om wat zij ons brengen. Deze bedrijven zijn van groot belang voor de open Nederlandse economie en de economische activiteit in ons land. Het CBS becijfert in een recent rapport dat multinationals goed zijn voor ruim de helft van de toegevoegde waarde van alle bedrijven in Nederland en voor ruim 80 procent van onze internationale handel in goederen. Ook volgt uit dit CBS-rapport dat 40 procent van de Nederlanders met een baan werkt voor een multinational. Buitenlandse multinationals genereren bijna een vijfde van al onze banen, introduceren nieuwe technologieën en zorgen voor kennisoverdracht. Door die kennisoverdracht, maar ook door bijvoorbeeld het leveren van goederen en diensten, profiteert ook het MKB direct en indirect van de aanwezigheid van multinationals en (regionale) hoofdkantoren.”
Zie voor een beknopte weergave de brief van Minister van Economische Zaken Kamp aan de Tweede Kamer van 8 januari 2016 over de resultaten van de Monitor Vestigingsklimaat over 2015, Kamerstukken II, 2015/16, 32 637, nr. 222, p. 2: “Buitenlandse investeerders kiezen uiteindelijk voor die landen waar de omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Dit hangt af van diverse locatiefactoren waaruit het vestigingsklimaat is opgebouwd. Het belang van een locatiefactor verschilt per bedrijf. Het gaat daarbij om zaken als bereikbaarheid, (digitale) infrastructuur, gekwalificeerde arbeidsmarkt, kosten en de toegankelijkheid en omvang van de afzetmarkt. Maar ook (meer zachte) factoren zoals beschikbaarheid van internationaal onderwijs, meertaligheid, de kwaliteit van leven en gastvrijheid spelen een belangrijke rol.” Uit de resultaten van de Monitor Vestigingsklimaat over 2015, een vergelijkend onderzoek naar het vestigingsklimaat in verschillende landen, volgt dat Nederland op het gebied van ‘investeringsbescherming’ relatief slechter scoort dan op andere factoren. Zie Monitor Vestigingsklimaat 2015, Kamerstukken II, 2015/16, 32 637, nr. 222 (bijlage), p. 5 en p. 9.
Zie bijvoorbeeld E. Brynjolfsson & A. McAfee, The Second Machine Age: work, progress, and prosperity in a time of brilliant technologies, New York: W.W. Norton 2014. Contrair hieraan is M. Wolf, ‘Same as It Ever Was – Why the Techno-optimists Are Wrong’, Foreign Affairs juli/augustus 2015, p. 15-22.
Zie de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s, ‘A Digital Single Market Strategy for Europe’, 6 mei 2015, COM (2015), 192 definitief. De taakstelling is op p. 3. als volgt verwoord: “A Digital Single Market is one in which the free movement of goods, persons, services and capital is ensured and where individuals and businesses can seamlessly access and exercise online activities under conditions of fair competition, and a high level of consumer and personal data protection, irrespective of their nationality or place of residence. Achieving a Digital Single Market will ensure that Europe maintains its position as a world leader in the digital economy, helping European companies to grow globally.” Deze doelstelling komt neer op een herformulering van de klassieke vier vrijheden in de context van de moderne, digitale economie. Hiermee is de ‘DSM’ strategie ook een overkoepelend beleidskader voor het gehele economische beleid van de EU. Hoewel dit in officiële stukken niet zo wordt aangegeven, strekt de DSM strategie daarmee (mede) tot vervanging van de ‘Europe 2020’ strategie.
Zie ‘Reinventing the Deal’, Economist 24 oktober 2015 voor een verkenning van de vernieuwende organisatie- en financieringsstructuren die door startup-ondernemingen worden gebruikt.
Zie ‘Opties voor energie- en klimaatbeleid’, beleidsstudie van het Planbureau voor de Leefomgeving van 18 juli 2016, te raadplegen op
Zie hierover C.M. Grundmann – van de Krol, Koersen in de mist: op weg naar transparante wetgeving, afscheidsrede RU 2010, Den Haag: Boom 2010, p. 30-43, beschrijvend hoe het uitbreken van de kredietcrisis in 2007 op Europees niveau leidde tot een wijziging in de toezichtstructuur en een tendens van toezichthoudende autoriteiten om de principle-based regulering van een meer ‘rule-based’ invulling te voorzien via nadere uitvoeringsregels.
Zie bijvoorbeeld W.H. Buiter, ‘Lessons from the global credit crisis for social democrats’, Den Uyl-lezing van 15 december 2008, bron:
Illustratief voor dit debat is de karakterisering van de Code Tabaksblat als “cricket clubhuisreglement” in een column van NRC-columnist Chavannes uit 2008. Zie M. Chavannes, Niemand regeert: de privatisering van de Nederlandse politiek, Amsterdam: NRC Boeken 2009, p. 121.
Zie voor een beschouwing R. Abma & M. Olaerts, ‘De effectiviteit van de ‘comply or explain’-regel in Nederland’, TvOB 2011, p. 103-114. Hierover uitvoerig J.G.C.M. Galle, Consensus on the comply or explain principle within the EU corporate governance framework: legal and empirical research, diss. EUR 2012, IVO-reeks nr. 86, Deventer: Kluwer 2012. Zie ook §7.3.3 hiervoor.
Zie bijvoorbeeld P. Bond, A. Edmans & I. Goldstein, ‘The Real Effects of Financial Markets’, ECGI Finance working paper no. 323/2011, december 2011, bron:
Hierover uitgebreid Kay 2012a, Kay 2012b en Mayer 2012. Zie voor een Nederlands perspectief Boot 2009 en Raaijmakers G. 2009a.
Zie J. Fox & J. Lorsch, ‘What good are shareholders?’, Harvard Business Review juli- augustus 2012, p. 48-57.
Zie bijvoorbeeld J.W. Winter, ‘Corporate Governance en wat het recht niet vermag’, AAe 2012, p. 416-418.
Inmiddels een standaardwerk is T. Piketty, Capital in the Twenty-First Century, vertaling (origineel in het Frans), Cambridge (Mass.): Harvard University Press 2014. Zie vanuit sociologisch perspectief R. Sennett, The Culture of the New Capitalism, New Haven: Yale University Press 2006. Een beschouwing vanuit klassiek-economisch perspectief geeftM. Wolf, The Shifts and the Shocks – what we’ve learned – and have still to learn – from the financial crisis, New York: Penguin Press 2014, in het bijzonder het hoofdstuk ‘How the World Economy Shifted’ (p. 149-192).
Voorwoord T. May in UK Corporate Governance Reform Green Paper 2016, p. 2.
Zoals ik in de inleiding van dit hoofdstuk aangaf, is de beschrijving en analyse van de ontwikkelingen op het gebied van corporate governance in het Nederlandse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen in de periode tot 2004 geen basis om concrete wijzigingen voor te stellen in het thans geldende kader van wet- en regelgeving (inclusief de Code). De eerste reden waarom op basis van een analyse van het verleden geen deugdelijke aanbevelingen voor de toekomst geformuleerd kunnen worden is fundamenteel van aard. De beschrijving van het verleden laat zien dat het Nederlandse ondernemingsrecht voor beursvennootschappen zich op incrementele wijze heeft ontwikkeld, waarbij ontwikkelingen op het juridische vlak in grote mate werden beïnvloed door de feitelijke omstandigheden van het moment en waarbij – belangrijker nog – de uitwerking van het juridisch kader in de praktijk weer sterk kon worden beïnvloed door veranderende omstandigheden. Vaak is ook sprake van een situatie waarin een ontwikkeling op het gebied van het ondernemingsrecht wordt gestuurd door omstandigheden die zich op een heel ander vlak afspelen.1 Vanuit de rechtseconomie worden dergelijke ontwikkelingen vaak gepresenteerd alsof zij vanuit een overkoepelende economische gedachte zijn ingegeven,2 maar het op dergelijke wijze achteraf rationaliseren van bepaalde kenmerken van het ondernemingsrecht getuigt van een ahistorische benadering.3 Het op deze wijze beschouwen van de geschiedenis van het ondernemingsrecht veronderstelt immers dat er in deze geschiedenis een bewuste beweging naar een vooraf bepaald einddoel ligt besloten, terwijl de incrementele ontwikkeling laat zien dat dit juist niet het geval is geweest.4 Tegen deze achtergrond is het onverantwoord om lijnen die in een analyse van het verleden besloten lijken te liggen te extrapoleren naar de toekomst.5
Het voorstellen van een concrete agenda van inhoudelijke aanbevelingen en voorstellen tot wetswijzigingen zou ook het dynamisch karakter van het ondernemingsrecht miskennen. De staat van evenwicht is in het bestek van een marktomgeving niet de regel, maar juist de uitzondering.6 Het ondernemingsrecht bevindt zich niet in een laboratoriumomgeving, maar opereert in een multidimensionaal krachtenveld van economische, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Als zodanig zal het ondernemingsrecht – en daarmee het bestel van corporate governance – altijd aan verandering onderhevig zijn. Proberen om een definitief antwoord formuleren op geconstateerde problemen is dan ook een weinig zinvolle exercitie; ondernemingsrecht blijft werk in uitvoering.
Tot slot is het ook niet prudent om met vastomlijnde aanbevelingen over de inhoud van het ondernemingsrecht in de toekomst te komen omdat op dit moment teveel omgevingsfactoren rond het Nederlandse ondernemingsrecht met onzekerheid zijn omgeven. In de eerste plaats gaat het dan om de plaats van Nederland in de wereld in het algemeen en in de Europese Unie in het bijzonder. Zo was het mogelijk geweest dat een vrijhandelsakkoord zoals het Transatlantic Trade & Investment Partnership, ofwel ‘TTIP’ waarover lange tijd tussen Europa en de Verenigde Staten is onderhandeld had geresulteerd in sterk gewijzigde verhoudingen in het internationale handelsverkeer, waarbij vanuit de in dergelijke akkoorden voorziene samenwerking op het gebied van regelgeving ook bepaald niet uit te sluiten zou zijn geweest dat deze gewijzigde verhoudingen ook hun weerslag zouden krijgen op de Nederlandse wet- en regelgeving.7 Zelfs als TTIP uiteindelijk de eindstreep niet zou halen – een vooruitzicht dat sinds de verkiezing van de Amerikaanse president Trump in november 2016 en mede gelet op de groeiende politieke en maatschappelijke onrust in Europa en in de VS over vrijhandelsakkoorden in het algemeen en TTIP in het bijzonder zo goed als zeker is8 – zou er nog altijd een zekere druk vanuit het internationale handelsverkeer op de wensen en eisen in het kader van het nationale wetgevingsproces blijven bestaan.
Dichter bij huis hebben recente geopolitieke ontwikkelingen, de aanhoudende eurocrisis, het ‘Brexit’-referendum van het Verenigd Koninkrijk en de terugtrekkende bewegingen vanuit andere Lidstaten het proces van Europese economische en politieke integratie zodanig sterk beïnvloed dat zelfs de toekomst van de Europese Unie bepaald onzeker is geworden.9 Nog afgezien van deze fundamentele uitdagingen is op het gebied van het ondernemingsrecht inmiddels duidelijk geworden dat er binnen de EU ondanks alle voorspellingen van die strekking nog altijd geen sprake is van een systeem van concurrentie van vennootschapsrecht tussen Lidstaten.10 Deze constatering geeft aanleiding om de verhouding tussen het Europese ondernemingsrecht en het Nederlandse ondernemingsrecht en de verhouding van het Nederlandse ondernemingsrecht ten opzichte van de ondernemingsrechtssystemen in de andere Lidstaten nog eens kritisch te bezien.
Daarnaast is veel onzekerheid over het verdienmodel van de Nederlandse economie. Met name vanuit het oogpunt van de internationale fiscaliteit staat Nederland voor een aantal fundamentele keuzes over haar eigen positionering in het internationale handelsverkeer, in het bijzonder wat betreft haar vestigingsklimaat voor buitenlandse hoofdkantoren.11 In het kader van het vestigingsklimaat in internationaal perspectief zijn ook bepaalde aspecten van de juridische infrastructuur zoals investeringsbescherming en geschillenbeslechting van belang.12 Het dus is goed voorstelbaar dat op enig moment het Nederlandse ondernemingsrecht als onderdeel van die (her)positionering ook onder de loep genomen zal moeten worden. Ook de zich aandienende overgang naar een ‘digital economy’13 en de daarmee verband houdende (Europese) beleidsinspanningen om te komen tot een ‘Digital Single Market’14 zullen naar verwachting nieuwe eisen stellen aan de juridische infrastructuur, in het bijzonder wat betreft het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor startups en het inspelen op behoeften aan nieuwe financieringsvormen.15 Voor het behalen van de doelstellingen van het december 2015 gesloten internationale klimaatakkoord van Parijs zijn ingrijpende investeringen in Nederland noodzakelijk waarbij voor de benodigde nieuwe technieken ook behoefte bestaat aan nieuwe infrastructuur, aangepaste regels en andere organisaties.16 Nederland zal er in de nabije toekomst niet aan ontkomen om het eigen ondernemingsrecht integraal door te lichten om te bezien in hoeverre het nog tegemoet komt aan de veranderde – en veranderende – behoeften.
Voorts zijn in het verlengde van de financiële crisis bepaalde algemeen geaccepteerde uitgangspunten over regulering en toezicht ter discussie komen te staan. In het bijzonder gaat het hierbij om de effectiviteit van ‘principle-based’ regulering17 en de rol en functie van zelfregulering.18 Hetzelfde kan worden gezegd over de vraag naar de maatschappelijke wenselijkheid van zelfregulering in de vorm van de Code19 en over de effectiviteit van het ‘comply-or-explain’ model waarop de Code is gebaseerd.20 Ook de werking van financiële markten, in het bijzonder de mate waarin de prijsvorming op de aandelenmarkt daadwerkelijk functioneert als signaal ten aanzien van alle beschikbare informatie met betrekking tot de onderliggende onderneming,21 en het effect van de oriëntatie op financiële markten op de corporate governance van beursondernemingen en hun mogelijkheden om daadwerkelijk waardecreatie op lange termijn te realiseren22 worden niet langer als een gegeven beschouwd. De implicatie van dit alles is dat veel van de sturingsinstrumenten die in het huidige bestel van corporate governance zijn verdisconteerd (beoordeling via marktsignalen, normering via zelfregulering en sturing via financiële prikkels) inmiddels in een ander daglicht zijn komen te staan wat betreft effectiviteit en wenselijkheid.
Ook de principiële normatieve oriëntatie van ‘moderne’ corporate governance op ‘shareholder value’ staat sinds de financiële crisis op de tocht,23 al is het de vraag of er een beter alternatief voorhanden is. Met betrekking tot de gewenste mate van betrokkenheid van aandeelhouders in het bestel van corporate governance bij beursvennootschappen is een merkwaardige ontwikkeling zichtbaar. Enerzijds lijkt in bepaalde kringen het besef te zijn doorgedrongen dat van institutionele beleggers vanwege de marktomgeving waarin zij opereren en de regels waaraan zij voor hun beleggingsbeleid en risicospreiding zijn onderworpen moeilijk kan worden verwacht dat zij een werkelijke betrokkenheid bij de ondernemingen waarin zij beleggen ontwikkelen.24 Anderzijds is dit precies de richting waarin de Europese Commissie en het Europees Parlement bewegen met de herziening van de Richtlijn aandeelhoudersrechten. Een vergelijkbare oriëntatie is zichtbaar in de herziene Code die in 2016 door de Commissie Van Manen is vastgesteld. Wederom wordt getracht om via een combinatie van bij code voorgeschreven richtsnoeren en transparantieverplichtingen een daadwerkelijke gedragsverandering bij aandeelhouders te bewerkstelligen. Hier dreigt de geschiedenis van de Code in 2003 zich te herhalen.
Tot slot zijn in het verlengde van de financiële crisis ook meer fundamentele discussies over de maatschappelijke uitwerkingen van het huidige systeem van marktkapitalisme losgekomen, in het bijzonder voor wat betreft thema’s als inkomensongelijkheid, werkgelegenheid en duurzaamheid,25 al geldt ook hier dat vrij algemeen wordt aanvaard dat er waarschijnlijk geen werkbaar alternatief voorhanden is. De (conservatieve) Britse premier May heeft dit sentiment als volgt verwoord: “I strongly believe in the power of business and markets to improve our collective prosperity and the Government I lead will be unequivocally and unashamedly pro-business. Because for Britain to thrive in a global economy, we need to support strong businesses that focus on long-term value creation and command public confidence and respect. But for people to retain faith in capitalism and free markets, big business must earn and keep the trust and confidence of their customers, employees and the wider public. For many ordinary working people – who work hard and have paid into the system all their lives – it is not always clear that business is playing by the same rules as they are. And when individual businesses lose the confidence of the public, faith in the business community as a whole diminishes – to the detriment of all. It is clear that in recent years, the behaviour of a limited few has damaged the reputation of many. It is clear that something has to change.”26
De bovengenoemde discussies zullen hoe dan ook van invloed gaan zijn op de mate van maatschappelijke acceptatie van bepaalde verschijnselen die zich rond beursondernemingen kunnen voordoen. Voorbeelden van onderwerpen waarbij dit zou kunnen spelen zijn bestuurdersbezoldiging, fiscale structurering, werkgelegenheid en overnames door buitenlandse partijen. Met veranderende maatschappelijke opvattingen zal ook de maatschappelijke acceptatiegrens voor ‘uitschieters’ op deze gebieden wijzigen. De kans bestaat dat de maatschappelijke houding ten opzichte van bepaalde van deze onderwerpen zich in de toekomst op zodanige wijze ontwikkelt dat dit uit beleidsoogpunt noopt tot ingrijpen. De hierboven beschreven omstandigheden kunnen van beleidswege als aanleiding worden aangegrepen om het stelsel van ondernemingsrecht kritisch te bezien, maar de uiteindelijke uitkomst van dit proces is van vele factoren en beleidskeuzes op uiteenlopende terreinen afhankelijk. Vanwege de veelheid van relevante beïnvloedingsfactoren zal dit proces bij voorkeur haar beslag moeten krijgen in een breed maatschappelijk verband. De keuze om dit proces al dan niet in te zetten vergt een beleidsafweging. Gelet op de omvang van een dergelijke operatie ligt het niet voor de hand dat de Nederlandse wetgever hiertoe in de nabije toekomst zal overgaan.