Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2.2.1
7.2.2.1 Misbruik van bevoegdheid
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955556:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schrage 2019, nr. 40. Vermoedelijk is ‘voor zover en zolang’ een (nog) passender verwoording; vgl. Plagge 2022, p. 367.
Zie par. 2.4.2.1 sub (i); HR 17 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5012, NJ 1971/89, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Kuipers/de Jongh).
Zie par. 6.4.2.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 672.
Hoyng & Dijkman 2022, p. 220. Zie ook Verkade 2002, p. 26; Gielen 1994, p. 19-20.
Van Nispen 2018, nr. 17. Zie ook Van Nispen 1978, nr. 171 e.v.
Van Nispen 2018, nr. 17; Hartkamp 2023, nr. 14.
Par. 2.4.2.1 sub (i).
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1040. Zie ook: Schrage 2019, nr. 14; Nuninga 2022, p. 45-46.
HvJ EU 28 april 2022, C-44/21, ECLI:EU:C:2022:309 (Phoenix Contact/Harting), rov. 51-53. Zie ook: HvJ EU 19 april 2016, C-441/14, EU:C:2016:278 (Dansk Industri), rov. 33; HvJ EU 24 januari 2012, C‑282/10, EU:C:2012:33 (Dominguez), rov. 25.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1041 en 1049. Zie Schrage 2019, nr. 10 en 40; Asser/Sieburgh 6-IV 2023, nr. 86-87.
Het gebruikelijke instrument voor een beperking van de rechtsuitoefening vormt het leerstuk van misbruik van bevoegdheid van art. 3:13 BW.1 De bepaling laat bovendien uitdrukkelijk ruimte voor een gedifferentieerde benadering. De uitoefening van een bevoegdheid kan immers slechts worden uitgesloten voor zover dat misbruik zou opleveren. Aangenomen kan dus worden dat toepassing van art. 3:13 BW zowel een aanpassing als een weigering van het verbod tot gevolg kan hebben.2 Voor toepassing van het misbruikleerstuk spreekt ook dat de bepaling een uitdrukkelijk evenredigheidscriterium bevat. Dit criterium stelt centraal of het belang van de eiser in een wanverhouding staat tot de ernst van de inbreuk en de gevolgen voor de gedaagde (art. 3:13 lid 2 BW).3 Het komt mij voor dat deze maatstaf in hoofdlijnen overeenstemt met de beoordeling die in het vorige hoofdstuk is voorgesteld. Er zijn echter ook enkele aspecten die, de verplichting tot conforme uitleg in het achterhoofd houdende, nadere bespreking behoeven.
(i) De belangen van procespartijen en derden
Het eerste aspect dat moet worden besproken, heeft betrekking op de belangen waaraan de rechter in het kader van art. 3:13 BW aandacht mag schenken.4 In de parlementaire geschiedenis valt daarover te lezen dat de bepaling ziet op gevallen waarin de bevoegdheid niet kan worden uitgeoefend om redenen die verband houden met het doel van de bevoegdheid zelf en met de belangen van partijen.5 Men zou uit de verwijzing naar de partijbelangen kunnen afleiden dat men voor het meewegen van belangen van derden aangewezen is op andere leerstukken zoals de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW)6 of zwaarwegende maatschappelijke omstandigheden (art. 6:168 BW). Het lijkt mij echter niet aannemelijk dat het toepassingsbereik van art. 3:13 BW beperkt blijft tot de belangen van de betrokken procespartijen. Uit de bepaling zelf volgt slechts dat het moet gaan om een belang “dat door de uitoefening wordt geschaad”.7 Voor een ruime interpretatie van het belangenbegrip pleit bovendien dat het misbruikleerstuk veelal wordt gezien als een (op de rechtsuitoefening toegesneden) verbijzondering van de redelijkheid en billijkheid.8Art. 3:12 BW bepaalt in dat verband dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, rekening moet worden gehouden met de met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in het Nederlandse volk levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.9
(ii) Beoordelingsmaatstaf
Het tweede aspect betreft de maatstaf die moet worden aangelegd voor een toetsing aan het evenredigheidscriterium. De gestelde wanverhouding tussen de betrokken belangen moet van dien aard zijn dat de gerechtigde in redelijkheid niet tot de betrokken uitoefening had kunnen komen.10 Dit uitgangspunt stemt overeen met de kwalificatie van de evenredigheidstoets als hardheidsclausule. Over deze beoordelingsmaatstaf valt echter wel iets meer te zeggen. Zo valt in de toelichting op art. 3:13 BW te lezen dat “geen weldenkend mens in redelijkheid tot de uitoefening der bevoegdheid had kunnen komen”.11 Het is twijfelachtig of een dergelijke maatstaf verenigbaar is met de wijze waarop het evenredigheidsbeginsel in strikte zin normaliter wordt toegepast. Voor toepassing van dit beginsel is immers niet relevant of de eiser een rationeel belang nastreeft, maar of de gevolgen van de uitoefening aanvaardbaar zijn in het licht van de belangen van de gedaagde. De rechter zal dan ook moeten onderzoeken of het mogelijk is om, ter verzekering van de volle werking van het evenredigheidsbeginsel, een afwijkende uitlegmaatstaf te hanteren.12 Dat de mogelijkheid daartoe bestaat, kan in redelijkheid niet worden betwijfeld. De afbakening van het begrip is door de wetgever immers uitdrukkelijk overgelaten aan de rechtspraak en de doctrine.13