BNB 2025/95
Voorwaarden toepassing antimisbruikregeling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse belastingplicht inzake aanmerkelijk belang. Omvang en verdeling van de bewijslast
HR 25-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:668, m.nt. D.S. Smit
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 april 2025
- Magistraten
Mrs. Van Hilten, Van Eijsden, Feteris, Fierstra, Faase
- Zaaknummer
22/04506
22/04508
- Conclusie
A-G Wattel1
- Noot
D.S. Smit
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD20829:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:669, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:HR:2025:668, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:701, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑07‑2023
- Wetingang
Art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969
Essentie
Voorwaarden toepassing antimisbruikregeling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse belastingplicht inzake aanmerkelijk belang. Omvang en verdeling van de bewijslast
Samenvatting
Belanghebbende, een Nederlandse BV, is sinds 2007 de persoonlijke houdster van haar directeur-grootaandeelhouder (dga) en enig bestuurder. Belanghebbende houdt tezamen met de persoonlijke houdstermaatschappijen van familieleden van de dga via een Nederlandse tussenhoudstermaatschappij alle aandelen in een werkmaatschappij waarvan in 2011 85% van de aandelen is verkocht aan een private-equityhuis. Vervolgens zijn de dga en daarmee belanghebbende in datzelfde jaar verhuisd naar Curaçao. Na de verkoop in 2015 van alle aandelen in de werkmaatschappij aan een derde heeft de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.