HR, 25-04-2025, nr. 22/04506, nr. 22/04508
22/04506, 22/04508
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-04-2025
- Zaaknummer
22/04506
22/04508
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:668, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:701
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2200
ECLI:NL:HR:2025:669, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2201
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:701
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:701, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:669
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:668
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/743
Viditax (FutD) 2025042501
FutD 2025-0857
CFN 2025/30 met annotatie van -
NTFR 2025/791 met annotatie van mr. dr. J. Gooijer
NLF 2025/0958 met annotatie van Germaine Rekwest
FED 2025/67 met annotatie van D.M. Broekhuijsen, T.M. Vergouwen
FED 2025/68 met annotatie van O.C.R. Marres
BNB 2025/95 met annotatie van D.S. Smit
AA20260218 met annotatie van Wilde de M.F. Maarten, Wisman C. Ciska
Viditax (FutD) 2025042501
FutD 2025-0857
CFN 2025/30 met annotatie van -
NTFR 2025/792
NLF 2025/0998
V-N 2025/20.6 met annotatie van Redactie
AA20260218 met annotatie van Wilde de M.F. Maarten, Wisman C. Ciska
NDFR Nieuws 2023/1193
CFN 2023/82
V-N 2023/41.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/1569 met annotatie van mr. dr. J. Gooijer
NLF 2023/2037 met annotatie van Jeroen Adeler
Viditax (FutD) 2023082502
FutD 2023-2249
Uitspraak 25‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; art 17, lid 3, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2016); buitenlandse AB-regeling; misbruik; subjectieve en objectieve voorwaarden; EU–recht; omvang en verdeling bewijslast.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04506
Datum 25 april 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X1] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nr. BK-21/012291., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/7075) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. Idsinga, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
1.2
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam, en voor de Staatssecretaris door M.W. Scheltema en L. Overwater, advocaten te Den Haag.
1.3
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 juli 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en het buiten behandeling laten van het incidentele beroep in cassatie.2.Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een op 28 december 2007 naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap. Zij fungeert als de persoonlijke houdstervennootschap van haar enige aandeelhouder en bestuurder (hierna: de dga). Belanghebbende participeerde sinds 2007 samen met de persoonlijke houdstervennootschappen van verschillende familieleden van de dga, in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap die een onderneming dreef (hierna: de werkmaatschappij).
2.2
Om de verkoop van 85 procent van de aandelen in de werkmaatschappij aan een private-equityhuis te faciliteren, is op 27 januari 2011 een tussenholding opgericht. De aandelen in de tussenholding worden gehouden door een stichting-administratiekantoor (hierna: de STAK). De certificaathouders van de STAK zijn belanghebbende en de diverse hiervoor in 2.1 bedoelde persoonlijke houdstervennootschappen van familieleden van de dga, die elk hun belang in de werkmaatschappij hebben overgedragen aan de tussenholding. De dga is samen met twee familieleden bestuurder van de STAK en van de tussenholding. De door belanghebbende gehouden certificaten in de STAK geven recht op een economisch belang van 11,11 procent van de door de STAK gehouden activa.
2.3
De dga is op 31 december 2011 geëmigreerd naar Curaçao. Hij bleef ook na emigratie bestuurder en enige aandeelhouder van belanghebbende. Als gevolg van zijn emigratie is op 31 december 2011 de feitelijke leiding van belanghebbende verplaatst naar Curaçao en is belanghebbende sindsdien gevestigd in Curaçao. Het belang van belanghebbende in de tussenholding is na de verplaatsing van haar feitelijke leiding naar Curaçao niet veranderd.
2.4
Eind 2015 hebben de tussenholding (15 procent) en het hiervoor in 2.2 bedoelde private-equityhuis (85 procent) alle aandelen in de werkmaatschappij verkocht aan een derde. In januari 2016 heeft de tussenholding de verkoopopbrengst die zij daarmee heeft behaald als dividend uitgekeerd aan de STAK. De STAK heeft dit dividend doorbetaald aan de certificaathouders, waaronder belanghebbende. Belanghebbende heeft de door haar ontvangen dividenduitkering (hierna: de dividenduitkering) niet uitgekeerd aan de dga.
2.5
Ten tijde van de dividenduitkering had belanghebbende geen personeel in dienst en beschikte zij niet over kantoorruimte. Haar dagelijkse werkzaamheden waren van administratieve aard en werden vanaf het moment van de verplaatsing van haar feitelijke leiding in 2011, en zo ook ten tijde van de dividenduitkering, uitgevoerd door een trustkantoor.
2.6
Bij het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 heeft de Inspecteur, in afwijking van de door belanghebbende voor dat jaar gedane aangifte, op grond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2016; hierna: de Wet) de dividenduitkering tot het Nederlandse inkomen gerekend.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval is voldaan aan zowel de in artikel 17, lid 3, letter b, aanhef, van de Wet gestelde voorwaarde dat de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna: de subjectieve voorwaarde) als de in onderdeel 2o van letter b opgenomen voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna: de objectieve voorwaarde).
3.2.1
Aan zijn oordeel dat in beginsel is voldaan aan de subjectieve voorwaarde heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd.
Naar de bedoeling van de wetgever is de subjectieve voorwaarde in beginsel vervuld indien de achterliggende, in het buitenland gevestigde of woonachtige aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden (de zogenoemde wegdenkgedachte).Een rechtstreeks dividend aan de dga wordt op grond van artikel 2.1, lid 1, letter b, juncto artikel 7.5, lid 1, juncto artikel 4.12, letter a, Wet IB 2001 aangemerkt als een – in Nederland belastbaar – regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, dat op grond van artikel 10, lid 2, van de Belastingregeling Nederland Curaçao3.(hierna: de BRNC) in Nederland mag worden belast naar een tarief van 15 procent. Een rechtstreeks dividend aan de dga zou bovendien onderworpen zijn aan Nederlandse dividendbelasting naar een tarief van 15 procent (waarbij de dividendbelasting verrekenbaar zou zijn met de verschuldigde inkomstenbelasting). Toepassing van de wegdenkgedachte brengt mee dat deze situatie zonder tussenkomst van belanghebbende zou leiden tot een hogere Nederlandse belastingclaim dan mét tussenkomst van belanghebbende, in welk geval de dga geen Nederlandse belasting over de dividenduitkering is verschuldigd en belanghebbende, in beginsel, evenmin. Belanghebbende voldoet daarom in beginsel aan de subjectieve voorwaarde, aldus het Hof.
3.2.2
Het Hof heeft zijn oordeel dat in beginsel is voldaan aan de objectieve voorwaarde gebaseerd op de omstandigheden dat (i) belanghebbende geen materiële onderneming drijft waarbij het aanmerkelijk belang ook functioneel tot haar ondernemingsvermogen behoort, (ii) zij op het moment van de dividenduitkering evenmin een buiten Nederland gevestigde tophoudster is die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, (iii) zij geen tussenhoudster is die een zogenoemde schakelfunctie vervult, en (iv) zij slechts zeer beperkte ‘substance’ heeft.
3.3.1
De mogelijkheid om het hiervoor in 3.1 bedoelde tegenbewijs te leveren met betrekking tot zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde heeft het Hof gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21 (hierna: het arrest van 10 januari 2020), en op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van nationale antiontgaansbepalingen met het EU-recht, waaronder de moeder-dochterrichtlijn4.. Het Hof heeft daartoe overwogen dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de objectieve voorwaarde – evenals de subjectieve voorwaarde – zo moet worden uitgelegd en toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt.
3.3.2
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de tegenbewijsmogelijkheid inhoudt dat belanghebbende de gelegenheid dient te krijgen feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat niet sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
3.4.1
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende in dit bewijs geslaagd en is daarom in dit geval niet voldaan aan de objectieve voorwaarde.
3.4.2
Het Hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat de onderhavige structuur is ontstaan in het kader van het familiebedrijf, waarbij de diverse familieleden ieder via een persoonlijke houdstervennootschap een (indirect) belang hielden in de werkmaatschappij. Bij de oprichting van belanghebbende in 2007 was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Op dat moment bestond geen voornemen tot verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende. De familieleden gingen in 2011 via hun persoonlijke houdstervennootschappen participeren in de tussenholding in verband met de participatie van het private-equityhuis in de werkmaatschappij. De feitelijke leiding van belanghebbende is in 2011 verplaatst naar Curaçao als gevolg van de emigratie van de dga. Deze emigratie vond plaats om niet-fiscale redenen. Van een verplaatsing van de feitelijke leiding die geen reële betekenis had, was derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor beschreven totstandkoming van de structuur kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat zij op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
3.4.3
Verder heeft het Hof bij de beoordeling of aan de objectieve voorwaarde is voldaan, in aanmerking genomen dat belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenduitkering, dat zij rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd is met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kan beschikken en dat zij de ontvangen opbrengst niet heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouder. Van een doorstroomvennootschap in de zin van punt 100 van het arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (hierna: het arrest T Danmark), is dus geen sprake. De substance van belanghebbende is weliswaar zeer beperkt, maar dit brengt op zichzelf niet mee dat belanghebbende geen reële betekenis heeft, aldus het Hof.
3.4.4
Bij zijn oordeel dat niet aan de objectieve voorwaarde is voldaan, heeft het Hof tot slot overwogen dat op het moment van de verplaatsing van de feitelijke leiding evenmin sprake was van het ‘tussenschuiven’ van belanghebbende om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Dividenden uitgekeerd door de tussenholding aan belanghebbende waren immers onder de tot 2016 geldende Belastingregeling voor het Koninkrijk5.(hierna: de BRK) onderworpen aan dividendbelasting naar een tarief van 15 procent. Pas vanaf de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 zijn dividenden uitgekeerd door de tussenholding aan belanghebbende op grond van artikel 10, lid 8, van de BRNC in beginsel vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing. Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Curaçao (2011) en de dividenduitkering (2016) is niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstigere positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC, maar dit biedt geen grond voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en dat hiermee is beoogd de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, aldus het Hof.
4. Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.3.1 tot en met 3.4.4 weergegeven oordelen van het Hof.
4.1.1
Volgens het middel kan de inspecteur, om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast dat is voldaan aan de twee hiervoor in 3.1 genoemde voorwaarden, ermee volstaan aannemelijk te maken dat is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Indien hij daarin slaagt, heeft de belastingplichtige alleen nog de mogelijkheid het tegenbewijs te leveren dat niet is voldaan aan de objectieve voorwaarde. Het middel betoogt dat het Hof daarom ten onrechte de “initiële bewijslast” ten aanzien van de objectieve voorwaarde op de Inspecteur heeft gelegd. Volgens het middel volgt dit uit de totstandkomingsgeschiedenis van zowel de regeling van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet als die van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 januari 2018, en volgt dit ook uit het arrest van 10 januari 2020.
4.1.2
Het middel betoogt in dit verband dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de rechtspraak van het Hof van Justitie over de moeder-dochterrichtlijn en de fundamentele vrijheden. Omdat Curaçao behoort tot de landen en gebieden overzee, bestaat het Unierechtelijke toetsingskader volgens het middel uit het Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (hierna: het LGO-besluit).
4.1.3
Verder betoogt het middel dat het Hof bij de beoordeling of is voldaan aan de objectieve voorwaarde ten onrechte niet is uitgegaan van het moment waarop de dividenduitkering is gedaan en betekenis heeft toegekend aan (de motieven voor) de totstandkoming van de hiervoor in 2.1 beschreven structuur in 2007 en de hiervoor in 2.3 bedoelde emigratie en zetelverplaatsing in 2011.
4.1.4
Ook acht het middel het hiervoor in 3.4.1 weergegeven oordeel van het Hof dat niet is voldaan aan de objectieve voorwaarde, onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Unierechtelijke achtergrond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet
4.2
Artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
a. (…)
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…), indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:
1o. een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2°. een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;(…).”
4.3.1
Op grond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet worden inkomsten uit een belang van, kort gezegd, 5 procent of meer in een in Nederland gevestigde vennootschap (een aanmerkelijk belang) tot het Nederlandse inkomen van buitenlandse lichamen gerekend indien is voldaan aan de beide in die bepaling, hiervoor in 3.1 omschreven voorwaarden (de subjectieve en de objectieve voorwaarde). Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, zijn dergelijke inkomsten niet in Nederland aan de belastingheffing onderworpen.
4.3.2
Artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet is dus een antimisbruikbepaling. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling zoals zij met ingang van 1 januari 2016 luidt, is met de objectieve voorwaarde – kort gezegd, dat sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies – vooral bedoeld aan te sluiten bij de in 2015 gewijzigde tekst van de moeder-dochterrichtlijn en de daarin opgenomen aanscherping van de antimisbruikbepalingen (artikel 1, leden 2 en 3). Daarbij heeft de wetgever gekozen voor een zogenoemde wereldwijde benadering, zodat vergelijkbare (ontgaans)structuren gelijk worden behandeld, ongeacht of de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt, binnen of buiten de EU is gevestigd. In de parlementaire toelichting is opgemerkt dat de toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in relatie tot niet-EU landen in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort, aldus die toelichting, ook “jurisprudentie inzake antimisbruik” van het Hof van Justitie.6.Bij de totstandkoming van de regeling van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zoals die vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2016 gold, had de wetgever ook al te kennen gegeven een regeling te hebben willen treffen die zich verdraagt met de eisen die het recht van de Unie stelt aan bepalingen ter voorkoming van misbruik, en dat voor de invulling van de subjectieve voorwaarde aansluiting kan worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het Unierecht.7.
4.3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen, gaat het om de uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, alsmede om de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast.8.
Bestanddelen van misbruik van Unierecht
4.4.1
Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9.
4.4.2
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10.
4.4.3
Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11.
Aanwijzingen voor misbruik van Unierecht
4.4.4
De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12.Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.
4.4.5
Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen).Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13.
4.4.6
Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14.
Bestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet
4.5.1
Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.
4.5.2
Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15.
Bewijslast ter zake van misbruik
4.6.1
Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16.Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17.Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
4.6.2
Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18.
4.6.3
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19.. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.
4.6.4
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20.
4.6.5
Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.
4.6.6
Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21.
Het onderhavige geval
4.7.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld
- dat belanghebbende geen materiële onderneming drijft, dat zij niet een schakelfunctie of andere wezenlijke bedrijfsfunctie vervult en dat zij slechts een zeer beperkte substance heeft (zie hiervoor in 3.2.2), en
- dat de dga meer Nederlandse inkomstenbelasting en dividendbelasting zou zijn verschuldigd indien de dividenduitkering door de tussenholding, zonder tussenkomst van belanghebbende, rechtstreeks aan de dga zou zijn gedaan (zie hiervoor in 3.2.1).Gezien deze vaststellingen en gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.1 tot en met 4.4.6, 4.5.1 en 4.5.2, en 4.6.1 tot en met 4.6.5 is overwogen, geeft het oordeel van het Hof dat de Inspecteur in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van belanghebbende is voldaan aan zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.6.2 is overwogen, heeft het Hof aldus terecht de “initiële bewijslast” ten aanzien van zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de Inspecteur gelegd.
4.7.2
Vervolgens heeft het Hof in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 4.6.6 is overwogen, onderzocht of belanghebbende het bewijs heeft geleverd tegen de hiervoor in 4.7.1 bedoelde vaststelling dat in beginsel, behoudens tegenbewijs, sprake is van misbruik. Daarbij heeft het Hof terecht het tegenbewijs betrokken op zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde.
4.7.3
Hetgeen hiervoor in 4.7.1 en 4.7.2 is geoordeeld, brengt mee dat de hiervoor in 4.1.1 vermelde klachten van het middel over de bewijslast(verdeling) falen.
4.7.4
Uit hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen, volgt dat ook de hiervoor in 4.1.2 vermelde klacht van het middel betreffende het LGO-besluit, faalt.
4.7.5
Bij de beoordeling of belanghebbende het hiervoor in 4.7.2 bedoelde tegenbewijs heeft geleverd, heeft het Hof mede betekenis toegekend aan (de motieven voor) de totstandkoming in 2007 van de hiervoor in 2.1 beschreven structuur en de hiervoor in 2.3 bedoelde zetelverplaatsing van belanghebbende door de emigratie van de dga in 2011. Weliswaar moet die beoordeling plaatsvinden naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt,22.maar dit sluit, anders dan het middel betoogt, niet uit dat daarbij ook rekening wordt gehouden met feiten en omstandigheden van vóór of na dat moment. Zoals hiervoor in 4.4.2 is overwogen, moet immers in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht.23.Bovendien houdt het voldoen aan de objectieve voorwaarde volgens de bewoordingen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in dat de constructie niet “is opgezet” op grond van geldige zakelijke redenen.24.De hiervoor in 4.1.3 vermelde klacht van het middel faalt daarom ook.
4.7.6
Het Hof heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.4 weergegeven oordelen en vaststellingen dat belanghebbende erin is geslaagd het van haar gevraagde tegenbewijs te leveren en dat in haar geval geen sprake is van een (volstrekt) kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen. Het Hof heeft daarbij kunnen oordelen en meewegen dat belanghebbende niet in de constructie is ‘tussengeschoven’ om de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting ter zake van de dividenduitkering te ontgaan. Het heeft daarbij verder in aanmerking kunnen nemen dat, voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een fiscaal gunstigere positie is komen te verkeren ter zake van de dividenduitkering, dit het gevolg is van de vervanging van de BRK door de BRNC, waardoor winstuitdelingen zoals de dividenduitkering niet langer mede aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, maar uitsluitend aan Curaçao. Door deze omstandigheid in aanmerking te nemen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat die gunstigere positie niet vooraf door belanghebbende was beoogd. Die omstandigheid kon bijdragen aan het oordeel van het Hof dat de structuur niet op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen, waarmee het Hof kennelijk het oog had op de hiervoor in 4.4.3 bedoelde eisen die in de rechtspraak van het Hof van Justitie worden gesteld aan een kunstmatige constructie die als misbruik valt aan te merken.25.Het oordeel van het Hof dat niet aan de objectieve voorwaarde is voldaan, kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het hiervoor in 4.1.4 weergegeven onderdeel van het middel faalt daarom ook.
4.8
De slotsom is dat het middel in al zijn onderdelen faalt.
5. Het incidentele beroep in cassatie
Aangezien het incidentele beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan al voortvloeit uit de uitspraak van het Hof, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie tot vernietiging van die uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep in cassatie, gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb, vervalt.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 22/04508 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 5.442, oftewel € 2.721, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice–president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice–president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑04‑2025
Rijkswet van 30 september 2015, houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao), Stb. 2015, 348.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21/1).
Rijkswet van 28 oktober 1964, houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk.
Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, blz. 5 en 8, en Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, blz. 11.
Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16 ,105 en 106, en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94.
Vgl. HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, en HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 100.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 114.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 101,103 en 104.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 104 en 105.
Vgl. Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, PbEU 2015, L 21/1, preambule onder 5.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 117 en 118.
Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, punt 36, alsmede HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.5.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 99, alsmede HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.7.
Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, blz. 9, en Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, blz. 7.
Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 93-94, en HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.
Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 52 tot en met 54.
Vgl. HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.2.
Vgl. ook HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 37 tot en met 42.
Vgl. ook de overeenkomstige formulering in het arrest HvJ 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 65.
HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 100, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, punt 34.
Uitspraak 25‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; art 17, lid 3, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2016); buitenlandse AB-regeling; misbruik; subjectieve en objectieve voorwaarden; EU–recht; omvang en verdeling bewijslast.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04508
Datum 25 april 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X2] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nr. BK-21/012301., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/7076) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. Idsinga, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
1.2
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam, en voor de Staatssecretaris door M.W. Scheltema en L. Overwater, advocaten te Den Haag.
1.3
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 juli 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en het buiten behandeling laten van het incidentele beroep in cassatie.2.Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende is een op 28 december 2007 naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap. Zij fungeert als de persoonlijke houdstervennootschap van haar enige aandeelhouder (hierna: de aandeelhouder). De aandeelhouder is woonachtig in Curaçao en was dat al geruime tijd op het moment van oprichting van belanghebbende. De bestuurder van belanghebbende is de vader van de aandeelhouder (hierna: de bestuurder). Belanghebbende participeerde sinds 2007 samen met de persoonlijke houdstervennootschappen van verschillende familieleden van de aandeelhouder, in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap die een onderneming dreef (hierna: de werkmaatschappij).
2.2
Om de verkoop van 85 procent van de aandelen in de werkmaatschappij aan een private-equityhuis te faciliteren, is op 27 januari 2011 een tussenholding opgericht. De aandelen in de tussenholding worden gehouden door een stichting-administratiekantoor (hierna: de STAK). De certificaathouders van de STAK zijn belanghebbende en de diverse hiervoor in 2.1 bedoelde persoonlijke houdstervennootschappen van familieleden van de aandeelhouder, die elk hun belang in de werkmaatschappij hebben overgedragen aan de tussenholding. De aandeelhouder is samen met twee familieleden bestuurder van de STAK en van de tussenholding. De door belanghebbende gehouden certificaten in de STAK geven recht op een economisch belang van 11,11 procent van de door de STAK gehouden activa.
2.3
De bestuurder is op 31 december 2011 geëmigreerd naar Curaçao. Hij bleef ook na emigratie bestuurder van belanghebbende. Als gevolg van zijn emigratie is op 31 december 2011 de feitelijke leiding van belanghebbende verplaatst naar Curaçao en is belanghebbende sindsdien gevestigd in Curaçao. Het belang van belanghebbende in de tussenholding is na de verplaatsing van haar feitelijke leiding naar Curaçao niet veranderd.
2.4
Eind 2015 hebben de tussenholding (15 procent) en het hiervoor in 2.2 bedoelde private-equityhuis (85 procent) alle aandelen in de werkmaatschappij verkocht aan een derde. In januari 2016 heeft de tussenholding de verkoopopbrengst die zij daarmee heeft behaald als dividend uitgekeerd aan de STAK. De STAK heeft dit dividend doorbetaald aan de certificaathouders, waaronder belanghebbende. Belanghebbende heeft de door haar ontvangen dividenduitkering (hierna: de dividenduitkering) niet uitgekeerd aan de aandeelhouder.
2.5
Ten tijde van de dividenduitkering had belanghebbende geen personeel in dienst en beschikte zij niet over kantoorruimte. Haar dagelijkse werkzaamheden waren van administratieve aard en werden vanaf het moment van de verplaatsing van haar feitelijke leiding in 2011, en zo ook ten tijde van de dividenduitkering, uitgevoerd door een trustkantoor.
2.6
Bij het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2016 heeft de Inspecteur, in afwijking van de door belanghebbende voor dat jaar gedane aangifte, op grond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2016; hierna: de Wet) de dividenduitkering tot het Nederlandse inkomen gerekend.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval is voldaan aan zowel de in artikel 17, lid 3, letter b, aanhef, van de Wet gestelde voorwaarde dat de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna: de subjectieve voorwaarde) als de in onderdeel 2o van letter b opgenomen voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna: de objectieve voorwaarde).
3.2.1
Aan zijn oordeel dat in beginsel is voldaan aan de subjectieve voorwaarde heeft het Hof het volgende ten grondslag gelegd.Naar de bedoeling van de wetgever is de subjectieve voorwaarde in beginsel vervuld indien de achterliggende, in het buitenland gevestigde of woonachtige aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden (de zogenoemde wegdenkgedachte).Een rechtstreeks dividend aan de aandeelhouder wordt op grond van artikel 2.1, lid 1, letter b, juncto artikel 7.5, lid 1, juncto artikel 4.12, letter a, Wet IB 2001 aangemerkt als een – in Nederland belastbaar – regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, dat op grond van artikel 10, lid 2, van de Belastingregeling Nederland Curaçao3.(hierna: de BRNC) in Nederland mag worden belast naar een tarief van 15 procent. Een rechtstreeks dividend aan de aandeelhouder zou bovendien onderworpen zijn aan Nederlandse dividendbelasting naar een tarief van 15 procent (waarbij de dividendbelasting verrekenbaar zou zijn met de verschuldigde inkomstenbelasting). Toepassing van de wegdenkgedachte brengt mee dat deze situatie zonder tussenkomst van belanghebbende zou leiden tot een hogere Nederlandse belastingclaim dan mét tussenkomst van belanghebbende, in welk geval de aandeelhouder geen Nederlandse belasting over de dividenduitkering is verschuldigd en belanghebbende, in beginsel, evenmin. Belanghebbende voldoet daarom in beginsel aan de subjectieve voorwaarde, aldus het Hof.
3.2.2
Het Hof heeft zijn oordeel dat in beginsel is voldaan aan de objectieve voorwaarde gebaseerd op de omstandigheden dat (i) belanghebbende geen materiële onderneming drijft waarbij het aanmerkelijk belang ook functioneel tot haar ondernemingsvermogen behoort, (ii) zij op het moment van de dividenduitkering evenmin een buiten Nederland gevestigde tophoudster is die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, (iii) zij geen tussenhoudster is die een zogenoemde schakelfunctie vervult, en (iv) zij slechts zeer beperkte ‘substance’ heeft.
3.3.1
De mogelijkheid om het hiervoor in 3.1 bedoelde tegenbewijs te leveren met betrekking tot zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde heeft het Hof gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21 (hierna: het arrest van 10 januari 2020), en op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van nationale antiontgaansbepalingen met het EU-recht, waaronder de moeder-dochterrichtlijn4.. Het Hof heeft daartoe overwogen dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de objectieve voorwaarde – evenals de subjectieve voorwaarde – zo moet worden uitgelegd en toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt.
3.3.2
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de tegenbewijsmogelijkheid inhoudt dat belanghebbende de gelegenheid dient te krijgen feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat niet sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
3.4.1
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende in dit bewijs geslaagd en is daarom in dit geval niet voldaan aan de objectieve voorwaarde.
3.4.2
Het Hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat de onderhavige structuur is ontstaan in het kader van het familiebedrijf, waarbij de diverse familieleden ieder via een persoonlijke houdstervennootschap een (indirect) belang hielden in de werkmaatschappij. Bij de oprichting van belanghebbende in 2007 was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Op dat moment bestond geen voornemen tot verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende. De familieleden gingen in 2011 via hun persoonlijke houdstervennootschappen participeren in de tussenholding in verband met de participatie van het private-equityhuis in de werkmaatschappij. De feitelijke leiding van belanghebbende is in 2011 verplaatst naar Curaçao als gevolg van de emigratie van de bestuurder. Deze emigratie vond plaats om niet-fiscale redenen. Van een verplaatsing van de feitelijke leiding die geen reële betekenis had, was derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor beschreven totstandkoming van de structuur kan naar het oordeel van het Hof niet worden geoordeeld dat zij op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
3.4.3
Verder heeft het Hof bij de beoordeling of aan de objectieve voorwaarde is voldaan, in aanmerking genomen dat belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenduitkering, dat zij rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd is met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kan beschikken en dat zij de ontvangen opbrengst niet heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouder. Van een doorstroomvennootschap in de zin van punt 100 van het arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135 (hierna: het arrest T Danmark), is dus geen sprake. De substance van belanghebbende is weliswaar zeer beperkt, maar dit brengt op zichzelf niet mee dat belanghebbende geen reële betekenis heeft, aldus het Hof.
3.4.4
Bij zijn oordeel dat niet aan de objectieve voorwaarde is voldaan, heeft het Hof tot slot overwogen dat op het moment van de verplaatsing van de feitelijke leiding evenmin sprake was van het ‘tussenschuiven’ van belanghebbende om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Dividenden uitgekeerd door de tussenholding aan belanghebbende waren immers onder de tot 2016 geldende Belastingregeling voor het Koninkrijk5.(hierna: de BRK) onderworpen aan dividendbelasting naar een tarief van 15 procent. Pas vanaf de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 zijn dividenden uitgekeerd door de tussenholding aan belanghebbende op grond van artikel 10, lid 8, van de BRNC in beginsel vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing. Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Curaçao (2011) en de dividenduitkering (2016) is niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstigere positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC, maar dit biedt geen grond voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en dat hiermee is beoogd de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, aldus het Hof.
4. Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.3.1 tot en met 3.4.4 weergegeven oordelen van het Hof.
4.1.1
Volgens het middel kan de inspecteur, om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast dat is voldaan aan de twee hiervoor in 3.1 genoemde voorwaarden, ermee volstaan aannemelijk te maken dat is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Indien hij daarin slaagt, heeft de belastingplichtige alleen nog de mogelijkheid het tegenbewijs te leveren dat niet is voldaan aan de objectieve voorwaarde. Het middel betoogt dat het Hof daarom ten onrechte de “initiële bewijslast” ten aanzien van de objectieve voorwaarde op de Inspecteur heeft gelegd. Volgens het middel volgt dit uit de totstandkomingsgeschiedenis van zowel de regeling van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet als die van artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet op de dividendbelasting 1965, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 januari 2018, en volgt dit ook uit het arrest van 10 januari 2020.
4.1.2
Het middel betoogt in dit verband dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de rechtspraak van het Hof van Justitie over de moeder-dochterrichtlijn en de fundamentele vrijheden. Omdat Curaçao behoort tot de landen en gebieden overzee, bestaat het Unierechtelijke toetsingskader volgens het middel uit het Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (hierna: het LGO-besluit).
4.1.3
Verder betoogt het middel dat het Hof bij de beoordeling of is voldaan aan de objectieve voorwaarde ten onrechte niet is uitgegaan van het moment waarop de dividenduitkering is gedaan en betekenis heeft toegekend aan (de motieven voor) de totstandkoming van de hiervoor in 2.1 beschreven structuur in 2007 en de hiervoor in 2.3 bedoelde emigratie en zetelverplaatsing in 2011.
4.1.4
Ook acht het middel het hiervoor in 3.4.1 weergegeven oordeel van het Hof dat niet is voldaan aan de objectieve voorwaarde, onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Unierechtelijke achtergrond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet
4.2
Artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
a. (…)
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…), indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:
1o. een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2°. een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;(…).”
4.3.1
Op grond van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet worden inkomsten uit een belang van, kort gezegd, 5 procent of meer in een in Nederland gevestigde vennootschap (een aanmerkelijk belang) tot het Nederlandse inkomen van buitenlandse lichamen gerekend indien is voldaan aan de beide in die bepaling, hiervoor in 3.1 omschreven voorwaarden (de subjectieve en de objectieve voorwaarde). Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, zijn dergelijke inkomsten niet in Nederland aan de belastingheffing onderworpen.
4.3.2
Artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet is dus een antimisbruikbepaling. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling zoals zij met ingang van 1 januari 2016 luidt, is met de objectieve voorwaarde – kort gezegd, dat sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies – vooral bedoeld aan te sluiten bij de in 2015 gewijzigde tekst van de moeder-dochterrichtlijn en de daarin opgenomen aanscherping van de antimisbruikbepalingen (artikel 1, leden 2 en 3). Daarbij heeft de wetgever gekozen voor een zogenoemde wereldwijde benadering, zodat vergelijkbare (ontgaans)structuren gelijk worden behandeld, ongeacht of de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt, binnen of buiten de EU is gevestigd. In de parlementaire toelichting is opgemerkt dat de toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in relatie tot niet-EU landen in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal, dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort, aldus die toelichting, ook “jurisprudentie inzake antimisbruik” van het Hof van Justitie.6.Bij de totstandkoming van de regeling van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zoals die vanaf 1 januari 2012 tot 1 januari 2016 gold, had de wetgever ook al te kennen gegeven een regeling te hebben willen treffen die zich verdraagt met de eisen die het recht van de Unie stelt aan bepalingen ter voorkoming van misbruik, en dat voor de invulling van de subjectieve voorwaarde aansluiting kan worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het Unierecht.7.
4.3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen, gaat het om de uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, alsmede om de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast.8.
Bestanddelen van misbruik van Unierecht
4.4.1
Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9.
4.4.2
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10.
4.4.3
Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11.
Aanwijzingen voor misbruik van Unierecht
4.4.4
De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12.Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.
4.4.5
Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen).Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13.
4.4.6
Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14.
Bestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet
4.5.1
Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.
4.5.2
Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15.
Bewijslast ter zake van misbruik
4.6.1
Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16.Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17.Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
4.6.2
Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18.
4.6.3
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19.. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.
4.6.4
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20.
4.6.5
Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.
4.6.6
Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21.
Het onderhavige geval
4.7.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld- dat belanghebbende geen materiële onderneming drijft, dat zij niet een schakelfunctie of andere wezenlijke bedrijfsfunctie vervult en dat zij slechts een zeer beperkte substance heeft (zie hiervoor in 3.2.2), en- dat de aandeelhouder meer Nederlandse inkomstenbelasting en dividendbelasting zou zijn verschuldigd indien de dividenduitkering door de tussenholding, zonder tussenkomst van belanghebbende, rechtstreeks aan de aandeelhouder zou zijn gedaan (zie hiervoor in 3.2.1).Gezien deze vaststellingen en gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.1 tot en met 4.4.6, 4.5.1 en 4.5.2, en 4.6.1 tot en met 4.6.5 is overwogen, geeft het oordeel van het Hof dat de Inspecteur in beginsel, behoudens tegenbewijs, aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van belanghebbende is voldaan aan zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.6.2 is overwogen, heeft het Hof aldus terecht de “initiële bewijslast” ten aanzien van zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de Inspecteur gelegd.
4.7.2
Vervolgens heeft het Hof in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 4.6.6 is overwogen, onderzocht of belanghebbende het bewijs heeft geleverd tegen de hiervoor in 4.7.1 bedoelde vaststelling dat in beginsel, behoudens tegenbewijs, sprake is van misbruik. Daarbij heeft het Hof terecht het tegenbewijs betrokken op zowel de subjectieve als de objectieve voorwaarde.
4.7.3
Hetgeen hiervoor in 4.7.1 en 4.7.2 is geoordeeld, brengt mee dat de hiervoor in 4.1.1 vermelde klachten van het middel over de bewijslast(verdeling) falen.
4.7.4
Uit hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen, volgt dat ook de hiervoor in 4.1.2 vermelde klacht van het middel betreffende het LGO-besluit, faalt.
4.7.5
Bij de beoordeling of belanghebbende het hiervoor in 4.7.2 bedoelde tegenbewijs heeft geleverd, heeft het Hof mede betekenis toegekend aan (de motieven voor) de totstandkoming in 2007 van de hiervoor in 2.1 beschreven structuur en de hiervoor in 2.3 bedoelde zetelverplaatsing van belanghebbende door de emigratie van de bestuurder in 2011. Weliswaar moet die beoordeling plaatsvinden naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt,22.maar dit sluit, anders dan het middel betoogt, niet uit dat daarbij ook rekening wordt gehouden met feiten en omstandigheden van vóór of na dat moment. Zoals hiervoor in 4.4.2 is overwogen, moet immers in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht.23.Bovendien houdt het voldoen aan de objectieve voorwaarde volgens de bewoordingen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet in dat de constructie niet “is opgezet” op grond van geldige zakelijke redenen.24.De hiervoor in 4.1.3 vermelde klacht van het middel faalt daarom ook.
4.7.6
Het Hof heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.4 weergegeven oordelen en vaststellingen dat belanghebbende erin is geslaagd het van haar gevraagde tegenbewijs te leveren en dat in haar geval geen sprake is van een (volstrekt) kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen. Het Hof heeft daarbij kunnen oordelen en meewegen dat belanghebbende niet in de constructie is ‘tussengeschoven’ om de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting ter zake van de dividenduitkering te ontgaan. Het heeft daarbij verder in aanmerking kunnen nemen dat, voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een fiscaal gunstigere positie is komen te verkeren ter zake van de dividenduitkering, dit het gevolg is van de vervanging van de BRK door de BRNC, waardoor winstuitdelingen zoals de dividenduitkering niet langer mede aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, maar uitsluitend aan Curaçao. Door deze omstandigheid in aanmerking te nemen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat die gunstigere positie niet vooraf door belanghebbende was beoogd. Die omstandigheid kon bijdragen aan het oordeel van het Hof dat de structuur niet op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen, waarmee het Hof kennelijk het oog had op de hiervoor in 4.4.3 bedoelde eisen die in de rechtspraak van het Hof van Justitie worden gesteld aan een kunstmatige constructie die als misbruik valt aan te merken.25.Het oordeel van het Hof dat niet aan de objectieve voorwaarde is voldaan, kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het hiervoor in 4.1.4 weergegeven onderdeel van het middel faalt daarom ook.
4.8
De slotsom is dat het middel in al zijn onderdelen faalt.
5. Het incidentele beroep in cassatie
Aangezien het incidentele beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan al voortvloeit uit de uitspraak van het Hof, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie tot vernietiging van die uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep in cassatie, gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb, vervalt.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 22/04506 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 5.442, oftewel € 2.721, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice–president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice–president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2025.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑04‑2025
Rijkswet van 30 september 2015, houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao), Stb. 2015, 348.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21/1).
Rijkswet van 28 oktober 1964, houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk.
Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, blz. 5 en 8, en Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, blz. 11.
Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16, 105 en 106, en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94.
Vgl. HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, en HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 100.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 114.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 101,103 en 104.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 104 en 105.
Vgl. Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, PbEU 2015, L 21/1, preambule onder 5.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 117 en 118.
Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, punt 36, alsmede HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.5.
Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 99, alsmede HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.7.
Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, blz. 9, en Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, blz. 7.
Vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 93-94, en HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.
Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 52 tot en met 54.
Vgl. HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, rechtsoverweging 2.6.2.
Vgl. ook HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24, ECLI:EU:C:2025:239, punten 37 tot en met 42.
Vgl. ook de overeenkomstige formulering in het arrest HvJ 20 december 2017, C-504/16 en C-613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 65.
HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punt 100, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641, punt 34.
Beroepschrift 25‑04‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/04506) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nr. 21/01229, inzake [X1] B.V. te [Z] betreffende de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2016.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 9 december 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van artikel 17, derde lid, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan het tegenbewijs heeft voldaan dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
Het Hof ten onrechte ook tegenbewijs toelaat met betrekking tot de subjectieve toets (subjectieve motieven) terwijl uit de wetsgeschiedenis en het arrest BNB 2020/801. volgt dat het tegenbewijs beperkt blijft tot de objectieve toets;
- b.
Het Hof het aanvankelijk niet aanwezig zijn van een fiscaal motief ten onrechte aanmerkt als een geldige zakelijke reden die de economische realiteit weerspiegelt, terwijl belanghebbende geen enkele zakelijke reden voor haar (blijven) bestaan heeft aangevoerd;
- c.
Het Hof ten onrechte het aanvankelijk opzetten van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur kennelijk als zakelijke reden/tegenbewijs aanvaardt.
Feitelijke kader
1.
Belanghebbende is vanaf 2007 actief als persoonlijke houdstervennootschap van [A] en houdt samen met andere persoonlijke houdstervennootschappen van familieleden een belang in [D] B.V.2.
2.
In het kader van een verkoop van 85% van de aandelen door de familie aan private equity bedrijf EQT wordt het resterend belang van de familie (15%) gehouden in de door de gezamenlijke persoonlijke houdstervennootschappen op 27 januari 2011 opgerichte [C] B.V.
3.
De aandelen van [C] B.V. zijn gecertificeerd, waardoor de persoonlijke houdstervennootschappen, en dus ook belanghebbende, certificaten houden in [C] B.V.
4.
Het aandeel van belanghebbende in [C] B.V. (via de STAK) is 11,11%. Het middellijk belang in [D] B.V. bedraagt dus 11,11% van 15% = 1,6665%.
5.
De aandeelhouder van belanghebbende is bestuurder van de STAK en van [C] B.V.
6.
De zeggenschap in [D] B.V. is in handen van EQT (85%).
7.
De aandeelhouder van belanghebbende is per 31 december 2011 geëmigreerd naar Curaçao, waardoor ook de feitelijke leiding van belanghebbende overging naar Curaçao.
8.
Belanghebbende heeft geen werknemers in dienst en beschikt niet over eigen kantoorruimte (houdstervennootschap zonder substance). De dagelijkse werkzaamheden zijn van administratieve aard en zijn uitbesteed aan een trustkantoor.
9.
Aan [A] (aandeelhouder van belanghebbende) is bij zijn emigratie een conserverende aanslag voor de aanmerkelijk belangwinst opgelegd.
10.
Eind 2015 is [D] B.V. door EQT en [C] B.V. verkocht aan een derde. Vanaf dat moment is belanghebbende een houdstervennootschap zonder substance die een belang houdt in een kasgeldvennootschap.3.
11.
In januari 2016 heeft [C] B.V. de verkoopopbrengst van haar 15% aandeel in [D] B.V. als dividend uitgekeerd aan haar certificaathouders. Belanghebbende heeft in dat kader € 13.819.076 dividend ontvangen.
12.
Onder de vanaf 1 januari 2016 geldende Belastingregeling Nederland-Curaçao (BRNC) is dit dividend op grond van artikel 10, achtste lid, in beginsel niet belast, maar wel op basis van artikel 22 BRNC jo. artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb.
In geschil is of het dividend op grond van artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb belast kan worden als Nederlands inkomen van een buitenlands belastingplichtige (buitenlands aanmerkelijk belang)
Toelichting op het middel
Het Hof heeft terecht geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de dividenduitkering in beginsel aan de subjectieve (r.o. 5.6.) en de objectieve toets (r.o. 5.11) voldoet.
Gelet op het arrest BNB 2020/80 is het dan aan belanghebbende om tegenbewijs te leveren. In dit arrest heeft uw Raad artikel 17, derde lid, aanhef en letter b, Wet Vpb (tekst 2012–2015) (‘aanmerkelijkbelangregeling’) in overeenstemming met het EU-recht uitgelegd. In dat kader is relevant dat belanghebbende in Curagao is gevestigd en dus, anders dan in BNB 2020/80, het Unierechtelijke toetsingskader niet bestaat uit de Moeder-dochterrichtlijn en de fundamentele vrijheden, maar uit artikel 59 en 66 van het LGO-besluit (2013/755/EU)4..5.
De wetgever heeft de aanmerkelijkbelangregeling per 1 januari 2016 (verplicht) in lijn gebracht met de algemene antimisbruikbepaling in de gewijzigde Moeder-dochterrichtlijn (hierna: MDR)6., waarbij de niet-ondernemingseis7. (in het arrest aangeduid als de objectieve voorwaarde) in de objectieve toets werd opgenomen.8. In de wetsgeschiedenis valt te lezen:
‘De nieuwe antimisbruikbepaling uit de MDR wordt geïmplementeerd in de buitenlandse AB-regeling. Voorgesteld wordt om de terminologie van de buitenlandse AB-regeling en de inhoudingsplicht bij coöperaties in geval van misbruik meer in overeenstemming te brengen met die van de bepaling in de MDR. Het onderscheid in de wettekst tussen belangen die wel en niet tot het ondernemingsvermogen behoren, komt daarmee te vervallen. (…). Bij de toepassing van de hiervoor genoemde antimisbruikbepalingen zal in de praktijk voor beleggingsstructuren materieel de huidige lijn worden voortgezet. Dat wil zeggen dat bij belangen die ter belegging worden gehouden, wordt geheven op grond van de buitenlandse AB-regeling. Voor ondernemingsstructuren zullen de wijzigingen betekenen dat heffing op grond van de buitenlandse AB-regeling en de inhoudingsplicht bij niet-reële coöperaties aan de orde is indien er onvoldoende substance aanwezig is bij degene die het belang rechtstreeks houdt.’
Ook uit de parlementaire geschiedenis van artikel 4, derde lid, aanhef en letter c, Wet DB9. volgt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd; evenals onder de voorheen geldende antimisbruikbepalingen wordt een constructie als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen:
‘Ingevolge de Wet implementatie van de wijzigingen van de Moeder-dochterrichtlijn 2015 zijn met ingang van 1 januari 2016 de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) en de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) opgenomen bepalingen voorde bestrijding van misbruik in moeder-dochterrelaties aangepast. De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen antimisbruikbepaling borduurt voort op die aanpassingen: Dit betekent dat er geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen beleggen en ondernemen. Voor de vraag of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is dient eerst op het niveau van de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt, dan wel het lid, te worden getoetst of sprake is van misbruik. Dit betekent dat nog steeds in alle gevallen — dus zowel wanneer het belang tot het ondernemingsvermogen behoort als wanneer dat niet het geval is — getoetst moet worden of het belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets), en zo ja, of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets). Net als bij de huidige antimisbruikbepalingen wordt een constructie als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt.
Bij de objectieve toets speelt het ondernemingsvereiste een roi bij het vaststellen of sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Daarvan is namelijk bijvoorbeeld sprake als de aandeelhouder die het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt een materiële onderneming drijft en dat belang ook functioneel tot het vermogen van die onderneming kan worden gerekend. Ook bij een schakelende tussenhoudster is er sprake van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien voldaan wordt aan de criteria voor relevante substance.’
Aan HR BNB 2020/80 kan onder meer het volgende worden ontleend:
- —
De subjectieve voorwaarde is in beginsel vervuld indien de achterliggende aandeelhouder(s) meer Nederlandse (inkomstenbelasting of) dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden (hierna: wegdenkgedachte).10. Deze voorwaarde wordt steeds getoetst naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt (r.o. 2.6.2).
- —
Bij het onderzoek of met de constructie misbruik wordt nagestreefd, kan niet ermee worden volstaan vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen. In elk concreet geval dient de desbetreffende constructie in haar geheel te worden onderzocht. Indien de inspecteur kan volstaan met het leveren van een zodanig begin van bewijs of zodanige aanwijzingen, moet de belastingplichtige de mogelijkheid worden geboden om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen voor de constructie blijkt (r.o. 2.6.5).
Uw Raad overwoog in dit arrest voorts voor wat betreft de bewijslastverdeling:
‘2.6.6.
Bij de toepassing van de regeling is het uitgangspunt voor de bewijslastverdeling dat de inspecteur de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de subjectieve voorwaarde is vervuld, en dat hij deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94). Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het Unierecht (vgl. het arrest [HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, hierna: het arrest] T Danmark, punt 117).
2.6.7.
Bij de toepassing van het Unierecht levert de vervulling van de subjectieve voorwaarde slechts een bewijsvermoeden op dat zich misbruik voordoet. Dit wordt bevestigd door het arrest T Danmark, punt 101. Indien een dergelijk bewijsvermoeden van misbruik bestaat, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit. Een concern kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 105 en 106, en het arrest T Danmark, punt 100).’
In die zaak had het gerechtshof voor zijn oordeel dat de dividenduitkering bij de belanghebbende belastbaar is als inkomen uit aanmerkelijk belang in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
- —
(r.o. 2.3.1) Een rechtstreeks aan de dga uitgekeerd dividend zou worden aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, dat met toepassing van artikel 10, lid 2, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 26 februari 2010 mag worden belast naar een tarief van 15 procent.
- —
(r.o. 2.3.2) Belanghebbende is een ‘substance-arme’ vennootschap die enkel ondersteunende, administratieve handelingen verricht.
- —
(r.o. 2.3.3) Er is sprake van een ‘volstrekt kunstmatige constructie’ als bedoeld in de HvJ-jurisprudentie, aangezien belanghebbende geen relevante functie binnen het concern vervult: zij vervult geen rol met een bedrijfsmatig karakter, zij is een houdstermaatschappij met een gebrek aan substance en zij ontbeert economische activiteiten. De omstandigheid dat de kunstmatigheid van de constructie pas voor de Nederlandse belastingheffing relevante gevolgen heeft gekregen door de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Luxemburg, die klaarblijkelijk geen reële betekenis had, leidt volgens het Hof niet tot een andere conclusie.
- —
(r.o. 2.3.4) Verder heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen van het Unierecht niet in de weg staan aan de heffing over de dividenduitkering.
Dit oordeel bleef in cassatie in stand (r.o. 2.5.4 en 2.6.8).
De situatie in de onderhavige zaak is vergelijkbaar:
- —
Bij een rechtstreeks dividend van [C] B.V. aan [A] zou 15% dividendbelasting worden geheven en zou het dividend ook worden aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang;
- —
Belanghebbende is ook hier een ‘substance-arme’ vennootschap (zie onderdeel 2.8 van de uitspraak van het Hof);
- —
Ook belanghebbende verricht geen relevante functie binnen de onderneming van [D] B.V.: zij is een houdstermaatschappij zonder substance, die ten tijde van de dividenduitkering in feite houder van een kasgeld B.V. was;
- —
De omstandigheid dat de kunstmatigheid pas na de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 voor de Nederlandse belastingwetgeving relevante gevolgen kreeg, leidt ook hier naar mijn mening niet tot andere gevolgen.
In het arrest Deister & Juhler11. verrichtte de houdstermaatschappij (geringe) activiteiten in relatie tot de gehouden werkmaatschappijen. In casu heeft belanghebbende, zoals volgt uit de vastgestelde feiten, vanaf 2011 een ter belegging gehouden middellijk en onmiddellijk belang (uiteindelijk een kasgeldvennootschap) en verricht ten aanzien van deze vennootschappen geen werkzaamheden. In uw arrest BNB 2020/80 was het feitencomplex vergelijkbaar, maar bracht de toepassing van het arrest Deister & Juhler u niet tot het oordeel dat toepassing van artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb achterwege diende te blijven.
De verhouding tussen de subjectieve en objectieve toets in casu
In het arrest BNB 2020/80 heeft uw Raad zich niet uitgelaten over de bewijslastverdeling ten aanzien van de objectieve toets. Duidelijk is wel dat de inspecteur de bewijslast draagt met betrekking tot de subjectieve toets en dat de belastingplichtige daarna het misbruikvermoeden kan ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat ‘geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit’; (r.o. 2.6.7 van BNB 2020/80). Uit de wettekst van artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb (tekst 2016), volgt in lijn hiermee dat een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Ik ben van mening dat de subjectieve en objectieve toets niet in eikaars verlengde liggen. In de wetsgeschiedenis wordt onderscheid tussen beide toetsen gemaakt. Zo valt in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4, derde lid, aanhef en letter c, Wet DB te lezen dat als aan de subjectieve toets wordt voldaan, de belastingplichtige door middel van de objectieve toets tegenbewijs kan leveren.12. Het Hof is gelet op vorenstaande van een onjuist c.q. te ruim toetsingskader uitgegaan.
Het Hof (r.o. 5.13 en 5.15.1) heeft namelijk het tegenbewijs zowel op de objectieve als op de subjectieve eis toegelaten. Het Hof overweegt namelijk ‘… en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectief).’ Dat wijkt af van hetgeen uw Raad in BNB 2020/80, r.o. 2.6.7. overweegt:
‘De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit.’
Dit wijkt ook af van het toetsingskader voor het tegenbewijs dat Hof Amsterdam13. hanteerde voor wat betreft de vergelijkbare antimisbruikbepaling van artikel 4, derde lid, aanhef en letter c, Wet DB: uit de twee uitspraken volgt dat de belastingplichtige de feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er geldige zakelijke redenen zijn die de economische realiteit weerspiegelen (r.o. 5.3.7).
Dat bij de oprichting in 2007 sprake was van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur is mijns inziens voor de toepassing van artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb irrelevant. Die bepaling komt namelijk pas in beeld indien sprake is van een grensoverschrijdende structuur. Ook bij de beoordeling van artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb in uw arrest BNB 2020/80 acht u een binnenlandse structuur niet vergelijkbaar met een grensoverschrijdende structuur. Dat een houdsterstructuur ook in binnenlandse structuren fiscaal geïndiceerd is, merkt ook Albert op in het Weekblad voor Fiscaal Recht ( WFR 2022/225, pag. 1432):
‘Het doorslaggevende motief voor gebruikmaking van een persoonlijke houdstervennootschap in een binnenlandse situatie is een fiscaal motief: de mogelijkheid van het uitstellen van inkomstenbelasting over de winstreserves van de werkmaatschappij.’
Het argument van de gebruikelijke houdsterstructuur is geen safe haven, zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis14.:
‘De NOB merkt op dat in zuiver Nederlandse verhoudingen het gebruikelijk is om een aanmerkelijk belang via een persoonlijke houdstervennootschap te houden, onder meer om de heffing van inkomstenbelasting uit te kunnen stellen tot het moment dat de aandeelhouder/natuurlijk persoon voordelen ter zake van zijn aandelen in de houdstervennootschap geniet. Voor de vraag hoe een dergelijke structuur uitwerkt in internationale verhoudingen, naar ik aanneem wordt gedoeld op een in het buitenland woonachtig natuurlijk persoon met een in het buitenland gevestigde houdstervennootschap die de aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap houdt, is bepalend of sprake is van een ontgaansconstructie. Zoals hiervoor uiteengezet is, zal dit van geval tot geval, op basis van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, moeten worden beoordeeld. Naar aanleiding van het verzoek van de NOB om aan te geven wanneer een houdster voldoende ‘massa’ heeft op grond waarvan de buitenlandse AB-regeling niet aan de orde zal zijn, kan in algemene zin dan ook geen uitspraak worden gedaan. Concrete situaties kunnen uiteraard wel worden voorgelegd aan de Belastingdienst.’
In dit kader is opmerkelijk dat belanghebbende geen enkel zakelijk argument, bezien vanuit het concern, heeft aangevoerd voor het houden van het aanmerkelijk belang via belanghebbende. Het Hof komt zelf op basis van de aspecten dat (i) sprake is van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur, (ii) de emigratie en zetelverplaatsing in 2011 zonder fiscaal motief waren en (iii) een fiscaal voordeel (heffing op basis van de BRK) aanvankelijk ontbreekt, tot het oordeel dat geen sprake is van een kunstmatige constructie. Deze invulling van het tegenbewijs miskent dat voor het tegenbewijs bepalend is dat de gekozen c.q. in stand gehouden structuur verband houdt met de economische realiteit. Op dat punt heeft belanghebbende niets aangevoerd en heeft het Hof ook niets vastgesteld.
Nu ten tijde van de dividenduitkering sprake is van een substance-arme houdstervennootschap met een belang in een kasgeldvennootschap en de structuur objectief een besparing van Nederlandse dividendbelasting oplevert, heeft de houdster naast het fiscale doel geen reële economische betekenis, althans belanghebbende heeft op dat punt geen zakelijke argumenten aangevoerd c.q. aannemelijk gemaakt.15.
Het Hof lijkt in r.o. 5.15.3 ook van belang te achten dat belanghebbende geen echte doorstromer is in de zin van het arrest T Danmark16.. Daarvoor acht het Hof van belang dat belanghebbende vrijelijk kan beschikken over het dividend en dit niet heeft dooruitgedeeld. Kennelijk leidt het Hof hier een reële betekenis van belanghebbende als tussenhoudster uit af.
Ik acht in dit kader van belang dat de aandeelhouder van belanghebbende zelf kan bepalen wat er met het ontvangen dividend gebeurt en wanneer hij dit aan zichzelf dooruitdeelt. In zoverre is gewoon sprake van een vennootschap, waarvan de aandeelhouder de beslissing over het al dan niet dooruitdelen geheel in eigen hand heeft. Dat hier niet direct wordt dooruitgedeeld heeft naar mijn mening uitsluitend een fiscale reden. Bij de emigratie in 2011 is aan de aandeelhouder van belanghebbende een conserverende aanslag opgelegd, die ingevorderd zou worden indien belanghebbende haar winstreserves nagenoeg geheel zou uitkeren. Daarmee zou het fiscale motief/doel voor het hebben van een persoonlijke houdstervennootschap zijn werking verliezen.
Ook kan gewezen worden op de eerder genoemde twee vergelijkbare procedures bij Hof Amsterdam, waar het Hof op dit punt tot een ander oordeel kwam:
‘5.3.10
(….) Met hetgeen hiervoor onder 5.3.2 tot en met 5.3.8 is overwogen is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval aan deze EU-rechtelijke criteria voldaan. Het Hof volgt dan ook niet belanghebbendes stelling dat gegeven r.o. 99 tot en met 106 uit het arrest T&Y Danmark, in haar geval geen sprake is van misbruik. In voormelde rechtsoverwegingen van het arrest T&Y Danmark wordt weliswaar een karakterisering van doorstroomvennootschappen gegeven door het HvJ, maar dat wil niet zeggen dat in geval er nog geen sprake is van dooruitdeling van winsten, terwijl die mogelijkheid wel bestaat dan wel de winsten op andere wijze tot de aandeelhouders kunnen komen, bijvoorbeeld door middel van (belastingvrije) verkoop van hun belang in belanghebbende, er geen sprake zou zijn van misbruik. Dat belanghebbende al lang bestond vóór de invoering van de anti-misbruikmaatregel wil niet zeggen dat er geen sprake is van een ‘tussenschuiven’, en maakt als zodanig niet dat geen sprake kan zijn van misbruik. Bovendien zou de maatregel eenvoudig te ontgaan zijn indien deze niet zou kunnen worden toegepast op reeds bestaande vennootschappen.’
Overigens was het ook voor u in het arrest BNB 2020/80 geen beletsel dat er in die situatie geen directe verplichting bestond om de winsten uit te keren, om tot het oordeel te komen dat sprake was van een (volstrekt) kunstmatige constructie.
Ik constateer dat het Hof heeft miskend in het kader van de verplichting van belanghebbende tot leveren van tegenbewijs dat zij geen enkel aspect benoemd heeft waaruit haar reële economische betekenis zou kunnen blijken. Het Hof keert dit om door te oordelen in r.o. 5.15.3 dat de zeer beperkte substance van belanghebbende niet hoeft te betekenen dat belanghebbende geen reële betekenis kan hebben. Het moge zo zijn dat die mogelijkheid bestaat, die reële betekenis moet belanghebbende dan wel aannemelijk maken. Het Hof acht dit echter aannemelijk, zonder dat belanghebbende op dit punt iets aannemelijk heeft gemaakt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat geen sprake hoeft te zijn van een vennootschap die specifiek is opgericht of tussengeschoven met het oog op een uit te keren dividend. De antimisbruikmaatregel kan, zoals het Hof Amsterdam in de eerder genoemde uitspraken terecht heeft overwogen, ook worden toegepast op reeds bestaande vennootschappen (zie r.o. 5.3.10).17. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis van de BRNC, waar is ingegaan op de verhouding tussen artikel 10, achtste lid, BRNC en artikel 17, derde lid, letter b, Wet Vpb.18.
Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het Hof onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑04‑2025
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80.
Met ingang van 2011 is dat een belang in [F] B.V.
Vanaf 2011 was reeds sprake van een substanceloze houdster, vanwege de zeggenschapsverhoudingen had belanghebbende geen actieve bemoeienis meer met [D] B.V.
Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (‘LGO-besluit’).
Zie HvJ EU 5 juni 2014, zaken C-24/12 en C-27/12 (X BV en TBG Limited), ECLI:EU:C:2014:1385 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:121, BNB 2015/111.
Richtlijn 2011/96/EU, L345/8, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2015/121, L21/1.
De voorwaarde dat het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming.
Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015, Stb. 2015, 543.
Zie o.m. Kamerstukken II 2017/18, 34 788, nr. 3, p. 6.
HvJ EU 20 december 2017, zaken C-504/16 en C-613/16 (Deister Holding AG en Juhler Holding A/S), ECLI:EU:C:2017:1009, BNB 2018/56.
Zie Kamerstukken I 2017/18, 34 788, D, p. 24: ‘Indien op basis van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, kan de objectieve toets in feite als een vorm van tegenbewijs worden beschouwd. Een alternatieve vorm van tegenbewijs binnen de subjectieve toets herbergt het risico dat de antimisbruikbepaling een loze bepaling zou kunnen worden.’
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 2 juni 2022, nr. 20/00439, ECLI:NL:GHAMS:2022:1732, thans bij u in behandeling onder rolnr. 22/02695.
Zie kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 94.
Zie ook de in r.o. 5.9 van de uitspraak aangehaalde wetsgeschiedenis, Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, p. 7, waar wordt opgemerkt dat van een geldige zakelijke reden geen sprake is als het aanmerkelijk belang als een belegging wordt aangehouden. Zie voorts de hiervoor aangehaalde passage uit de Kamerstukken II 2017/18, 34788, nr. 3, p. 11, waaruit volgt dat van geldige zakelijke redenen sprake is indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt.
HvJ EU 26 februari 2019, ECLI:EU:C:2019:135.
Ook in het arrest BNB 2020/80 was sprake van een bestaande houdsterstructuur.
Beroepschrift 25‑04‑2025
Betreft: | [X1] B.V. te [Z], Vpb 2016, verweerschrift in cassatie, tevens houdende incidenteel beroep in cassatie |
Zaaknr.: | 22/04506 |
Edelhoogachtbaar college,
Belanghebbende, [X1] B.V., verweert zich hiermee tegen het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën, gericht tegen de uitspraak van Hof Den Haag in haar zaak van 19 oktober 2022 (nr. BK-21/01229), en komt incidenteel in beroep van de door het Hof in de ov. 5.6 en 5.11 gegeven oordelen.
Belanghebbende wenst haar zaak mondeling te doen toelichten door mr. M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam (postadres […]), en verzoekt de Hoge Raad daartoe dag en tijd te bepalen.
I — Inleiding
Het door de staatssecretaris aangevallen oordeel
1.
Het Hof heeft overwogen:
‘5.15.2.
(…) Bij de oprichting van belanghebbende in 2007 was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Op dat moment bestond geen voornemen tot verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende. (…) De feitelijke leiding van belanghebbende is in 2011 verplaatst naar Curagao als gevolg van de emigratie van de enige bestuurder, [A]. Deze emigratie vond plaats om niet-fiscale redenen, namelijk de wens van [A] om na zijn pensionering op Curaçao te gaan wonen in de nabijheid van zijn zoon, die daar al jarenlang woonde. (…) Gelet op de hiervoor beschreven totstandkoming van de structuur kan niet worden geoordeeld dat zij op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.
5.15.3.
Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenduitkering (…) Van een doorstroomvennootschap in de zin van het arrest T Danmark en Y Denmark is dus geen sprake. (…)
5.15.4.
Evenmin was op het moment van de verplaatsing van de feitelijke leiding sprake van het ‘tussenschuiven’ van belanghebbende om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende waren immers, onder de tot 2016 geldende BRK, onderworpen aan dividendbelasting naar een tarief van 15%. Pas vanaf de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 zijn dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende op grond van artikel 10, lid 8, BRNC in beginsel vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing. (…) Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Curagao (2011) en de dividenduitkering (2016) is echter niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC (…)’
Op grond van deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld:
‘5.15.1.
Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is zij erin geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen
(…)
5.15.5.
Van een (volstrekt) kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen is dan ook geen sprake.’
Het cassatiemiddel van de staatssecretaris
2.
Volgens de formulering van zijn middel van cassatie klaagt de staatssecretaris over schending van het recht en over verzuim van het in art. 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Belanghebbende heeft in het cassatieberoepschrift echter niet enige motiveringsklacht aangetroffen. Onder het kopje ‘feitelijke kader’ is de staatssecretaris zijn toelichting op het middel begonnen met een samenvatting van de feiten, in bewoordingen die klaarblijkelijk gekozen zijn om daaraan een zekere lading te geven, maar die overigens niet afwijken van de feiten zoals ze door het Hof zijn vastgesteld. Meer specifiek heeft de staatsecretaris niet enig feit of feitelijk oordeel in de hierboven geciteerde overwegingen 5.15.1 t/m 5.15.4. bestreden.
Anders dan de formulering van het middel suggereert, klaagt de staatssecretaris alleen over schending van het recht.
3.
Zijn klacht luidt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende is geslaagd tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat sprake is van een kunstmatige constructie.
Het Hof heeft het pad gevolgd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 januari 2020 BNB 2020/80 gewezen had. Het heeft met toepassing van de ‘wegdenkgedachte’ geoordeeld dat in beginsel wordt voldaan aan de subjectieve toets, en heeft vervolgens belanghebbende toegelaten tot levering van het bewijs dat niet sprake is van ‘een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen’ in de zin van het door het HvJ EU in zijn rechtspraak ontwikkelde misbruikleerstuk.
De staatssecretaris betoogt dat het Hof daarmee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, en wel omdat het naar zijn mening ten onrechte:
- a.
ook tegenbewijs heeft toegelaten ‘met betrekking tot de subjectieve toets (subjectieve motieven)’;
- b.
‘het aanvankelijk niet aanwezig zijn van een fiscaal motief’ heeft aangemerkt ‘als een geldige zakelijke reden’; en
- c.
‘het aanvankelijk opzetten van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur kennelijk als zakelijke reden/tegenbewijs’ heeft aanvaard.
Hiermee wil de staatssecretaris ingang doen vinden dat de subjectieve toepassingsvoorwaarde van art. 17 lid 3 letter. Wet Vpb moet worden getoetst aan de hand van één enkel objectief gegeven; te weten of bij wegdenken van het buitenlandse belanghebbende meer Nederlandse belasting verschuldigd zou zijn (al dan niet).
Samenvatting van het verweer
4.
De wetsgeschiedenis wijst eenduidig uit dat voor de invulling van de subjectieve voorwaarde moet worden aangesloten bij de het EU-rechtelijke misbruikleerstuk. Daarop stuit het middel van de staatssecretaris af. Dat leerstuk kent immers het motiefvereiste.
Gegeven dat vereiste kan een constructie waarvan vaststaat dat zij niet is bedoeld om een belastingvoordeel te verkrijgen niet gelden als ‘volstrekt kunstmatig’. Een belastingvoordeel dat niet is nagestreefd maar dat de belastingplichtige overkomt doordat de wetgeving wijzigt in voor hem gunstige zin is geen ‘onterecht belastingvoordeel’.
5.
Belanghebbende had aangevoerd dat de toepassing van art. 17-3-b erop afstuit dat niet sprake is van fraude, misbruik of oneigenlijk gebruik in de zin van art. 22 van de Belastingregeling Nederland Curagao nu niet enig fiscaal motief heeft voorgestaan terwijl het belastingvoordeel dat belanghebbende toevalt rechtstreeks is terug te voeren op een concessie die Nederland in de onderhandelingen over de BRNC aan het Land Curaçao heeft gedaan.
Het Hof is niet aan de behandeling van dit standpunt toegekomen. De staatssecretaris negeert het; hij meent zelfs als ‘feit’ te kunnen presenteren (blz. 3 van zijn aanvullend beroepschrift, onder het kopje ‘feitelijke kader’):
Belanghebbende houdt evenwel staande dat bij uitlegging van art. 22 BRNC in overeenstemming met de goede trouw die Nederland aan het Land Curaçao verschuldigd is, art. 17-3-b in casu niet kan worden toegepast. Zij meent dat het cassatieberoep van de staatssecretaris ook hierop afstuit.
6.
Het Hof heeft overeenkomstig ov. 2.6.2 van het arrest HR BNB 2020/80 als de bedoeling van de wetgever aangenomen dat het subjectieve toepassingsvereiste van art. 17-3-b moet worden geacht te zijn vervuld als bij wegdenken van belanghebbende meer Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting verschuldigd zou zijn (ov. 5.5) en op basis van deze interpretatie geoordeeld dat belanghebbende in beginsel — behoudens tegenbewijs-voldoet aan de subjectieve toets (ov. 5.6).
Belanghebbende meent dat die bedoeling niet aan de wetsgeschiedenis kan worden ontleend. De Hoge Raad heeft de hierboven weergegeven interpretatie van de subjectieve toets in BNB 2020/80 vooropgesteld, maar niet toegepast. Belanghebbende ziet daarin de ruimte om die interpretatie ter discussie te stellen. Zij doet dat door met een incidenteel middel van beroep op te komen tegen het oordeel van ov. 5.6.
Het Hof heeft voorts op basis van zijn lezing van de wetsgeschiedenis (ov. 5.10) geoordeeld dat belanghebbende in beginsel-behoudens tegenbewijs -voldoet aan de objectieve toets (ov. 5.11). Belanghebbende acht deze benadering niet juist en ook daartegen is haar incidenteel middel van cassatie gericht.
7.
De uitleg van de subjectieve toets door de Hoge Raad en die van de objectieve toets door het Hof doen uiteindelijk alleen iets met de bewijslastverdeling. De bewijslastverdeling had in casu geen invloed aangezien over de relevante feiten geen verschil van inzicht bestond. Voor belanghebbende maakt(e) het dan ook niet uit of toetsing aan de toepassingsvoorwaarden van art. 17-3-b tot de slotsom leidt dat niet sprake is van mis- of oneigenlijk gebruik, of dat die conclusie eerst bij de beoordeling van het door haar geleverde tegenbewijs wordt bereikt. Niettemin begint zij hierna bij de uitleg van de toepassingsvoorwaarden van art. 17-3-b, aangezien dat logisch voorafgaat aan de met het middel van de staatssecretaris opgeworpen vraag omtrent tegenbewijs. Art. 22 BRNC komt eerst aan de orde als art. 17-3-b naar intern Nederlands recht van toepassing is en dat onderwerp wordt daarom onderstaand als laatste besproken.
II — De toepassingsvoorwaarden van art. 17-3-b
Incidenteel middel van cassatie
8.
Belanghebbende draagt als incidenteel middel van cassatie voor:
Schending van artikel 17 lid 3 letter b van de Wet op de vennootschapsbelasting,
- (i)
doordat het Hof aan het enkele gegeven dat bij ‘wegdenken’ van belanghebbende meer Nederlandse belasting verschuldigd zou zijn, heeft verbonden dat zij het aanmerkelijk belang in [C] hield met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (ov. 5.6),
wat onjuist is, omdat deze invulling van de ‘wegdenkgedachte’ noch aan de tekst van de bepaling, noch aan de wetsgeschiedenis kan worden ontleend maar alleen is terug te voeren op een aantekening van de redactie van Vakstudie Nieuws, wat niet een rechtsbron is;
- (ii)
en doordat het Hof aan de enkele gegevens dat belanghebbende geen materiële onderneming dreef, niet als top- of tussenhoudster een wezenlijke functie op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein ten behoeve van de groep vervulde en een slechts beperkte substance had, heeft verbonden dat sprake is van een constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (ov. 5.11),
wat onjuist is, omdat in de wetsgeschiedenis niet een uitputtende catalogus is gegeven van wat als ‘zakelijke redenen’ kan gelden, terwijl de redenen voor een persoonlijke houdsterstructuur die in binnenlandse verhoudingen niet als oneigenlijk gelden dat niet worden door het enkele feit dat de houdster met haar enige bestuurder mee-emigreert.
De subjectieve toets
9.
De buitenlandse AB-regeling zoals deze al voorkwam in het Besluit Vpb 1942 en vervolgens in de Wet Vpb 1969 was opgenomen, is vanaf 2012 in drie etappes aangepast tot het artikel 17-3-b zoals dat per 1 januari 2018 luidt. De eerste etappe was het Belastingplan 2012, de tweede de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 en de derde de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie.
10.
De ‘wegdenkgedachte’ komt voor het eerst naar voren in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van het Belastingplan 2012:
‘Naar aanleiding van de vraag naar de wijze waarop wordt bepaald wat het voornaamste doel of één van de voornaamste doelen is van het houden van een belang binnen een bepaalde structuur, wordt voor toepassing van de buitenlandse AB-regeling, evenals bij de voorgestelde inhoudingsplicht voor de coöperatie, gekeken of aan het buitenlandse lichaam een reële functie kan worden toegekend en wat de motieven zijn om het aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap te houden. Op basis daarvan wordt beoordeeld of bij het buitenlandse lichaam het accent ligt op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Om te bepalen of een motief is gelegen in het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat het buitenlandse lichaam het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt, ten opzichte van de situatie dat de achterliggende aandeelhouder(s) van het in het buitenland gevestigde lichaam het belang inde [in] Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou(den) houden, dus zonder tussenkomst van dat in het buitenland gevestigde lichaam. Indien de situatie zonder tussenkomst van het in het buitenland gevestigde lichaam niet zou leiden tot een hogere Nederlandse inkomstenbelasting- of dividendbelastingclaim, zal er geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Deze toetsing vindt steeds plaats op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de [in] Nederland gevestigde vennootschap opkomt, hetgeen bijvoorbeeld relevant is bij latere wijzigingen in de concernstructuur (doorlopende toets).’
11.
Als bij wegdenken van het buitenlandse lichaam niet meer Nederlandse belasting verschuldigd is, is niet sprake van enig ontgaan en is dus niet nodig verder te kijken. Dat kan niet worden omgedraaid: als bij wegdenken wel meer Nederlandse belasting verschuldigd is, betekent dat nog niet dat er dus een ontgaansmotief is. Is bij wegdenken meer Nederlandse belasting verschuldigd, dan betekent dat niet meer dan dat aan de orde is onderzoek te doen naar de motieven die eraan ten grondslag liggen dat het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam gehouden wordt.
Voor zover na te gaan is er in de zes jaar die volgenden op de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2012 niemand geweest die het omdraaide. Belanghebbende heeft gezocht, maar nergens de gedachte aangetroffen dat uit de geciteerde passage als de bedoeling van de wetgever zou kunnen worden afgeleid dat de subjectieve toets geacht moet worden te zijn vervuld bij het enkele gegeven dat bij ‘wegdenken’ meer Nederlandse belasting verschuldigd is.
Die gedachte duikt pas voor het eerst op in december 2017.
12.
In de memorie van toelichting bij het voorstel tot de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie van 19 september 2017 is de hierboven geciteerde passage uit 2011 woordelijk herhaald, en opnieuw in de Nota naar aanleiding van het verslag voor de Tweede Kamer van 25 oktober 2017. In die memorie en nota is er geen aanwijzing voor te vinden dat van meer sprake zou zijn geweest dat: herhaling.
In de Nota naar aanleiding van het verslag voor de Eerste Kamer van 8 december 2017 wordt dezelfde passage nóg een keer herhaald. Dit keer voegde de staatssecretaris in antwoord op nogal cryptische vragen van de VVD-fractie de navolgende, eveneens nogal cryptische opmerkingen toe:
‘… zal er geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting. Of dit het geval is, dient steeds te worden getoetst op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt of het dividend wordt uitgekeerd. Er kan in zoverre dus niet op voorhand worden gesproken van een safe harbor. Indien op basis van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, kan de objectieve toets in feite als een vorm van tegenbewijs worden beschouwd. Een alternatieve vorm van tegenbewijs binnen de subjectieve toets herbergt het risico dat de antimisbruikbepaling een loze bepaling zou kunnen worden. Daarnaast stuit dat op uitvoeringstechnische bezwaren. Ten aanzien van een tegenbewijsmogelijkheid is het kabinet van mening dat er naar de huidige stand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht.’
De redactie van Vakstudie Nieuws heeft deze opmerkingen in het nummer van 31 december 2017 aldus opgevat (V-N 2017/63.2):
‘Duidelijk is dat de Staatsecretaris van Financiën voor wat betreft de subjectieve toets niet verder wil gaan dan een wegdenkgedachte. Als er meer Nederlandse belasting zou zijn verschuldigd als de directe aandeelhouder zou worden weggedacht, is volgens de staatssecretaris het hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan.’
13.
De redactie van Vakstudie Nieuws achtte deze, door haar aldus begrepen ‘wegdenkgedachte’ onjuist. Daarin is zij door een reeks auteurs bijgevallen. Maar geen van de schrijvers is in de vraag getreden of de opmerkingen van de staatssecretaris wel zo moeten worden begrepen als de redactie van Vakstudienieuws ze heeft opgevat. Evenmin hebben zij zich de vraag gesteld of bij de behandeling in de Eerste Kamer geplaatste opmerkingen überhaupt de inhoud van de wet kunnen beïnvloeden.
14.
Die vragen stelde ook de advocaat-generaal zich niet in zijn conclusie voor HR BNB 2020/80. Maar die vragen waren ook niet opgebracht: de belanghebbende had betoogd dat de benadering van ‘wegdenken’ strijdig is met EU-recht en had het oordeel van het Hof bestreden dat aan de verplaatsing van de vennootschap het motief ten grondslag lag belasting te ontgaan, maar had niet ter discussie gesteld of de ‘wegdenkgedachte’ zo moet worden opgevat als de redactie van Vakstudie Nieuws had gedaan, noch of zij überhaupt een rol bij de interpretatie kan spelen. Dat had in die zaak ook niet uitgemaakt: het Hof had aan de hand van de over en weer gestelde feiten vastgesteld dat daadwerkelijk van een ontgaansmotief sprake was, niet anders dan bij een normale verdeling van de bewijslast.
De Hoge Raad hoefde de ‘wegdenkgedachte’ dan ook niet toe te passen om het oordeel van het Hof in stand te laten, en dat heeft hij ook niet gedaan: hij deed dat met de overweging dat het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en overigens als verweven met waarderingen van feitelijk aard in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.
Om tot zijn oordeel te komen, had de Hoge Raad niet nodig om op de ‘wegdenkgedachte’ in te gaan. Ov. 2.6.2 van het arrest is in zoverre een overweging ten overvloede, en is gegeven zonder voorafgaand debat tussen partijen over de betekenis van de door de staatssecretaris in de Eerste Kamer gemaakte opmerkingen.
15.
Belanghebbende had het voorgaande in meer detail en voorzien van vindplaatsen aan het Hof voorgehouden. Zij heeft de desbetreffende passages uit haar verweerschrift in hoger beroep opgenomen in Annex A hierbij en verzoekt de Hoge Raad de inhoud daarvan als hier herhaald — als onderdeel van dit verweerschrift — in aanmerking te nemen.
De objectieve toets
16.
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever ook voor wat betreft de objectieve toepassingsvoorwaarde van art. 17-3-b willen aansluiten bij het EU-rechtelijke misbruikleerstuk. In overeenstemming daarmee is de voorwaarde negatief omschreven: daarvan is sprake bij een constructie die niet is opgezet op grond van zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
De notie van ‘zakelijke redenen’ is bij de totstandkoming van de bepaling nader ingevuld met omstandigheden waaronder deze zonder meer aanwezig worden geacht. Dat is van oudsher het geval als het aanmerkelijk belang functioneel tot het ondernemingsvermogen behoort. Voorts wordt een tophoudster die op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult geacht het aanmerkelijk belang om zakelijke redenen te houden, zoals ook een tussenhoudster met een schakelfunctie die over voldoende substance beschikt geacht wordt dat te doen.
Voor het overige is sprake van een open norm, waarbij het aankomt op een vergelijkende analyse of de economische realiteit overeenkomt met de juridische vorm.
17.
Het Hof heeft aan het gegeven dat zich niet de in de wetsgeschiedenis genoemde omstandigheden voordoen waarbij ‘zakelijke redenen’ kunnen worden aangenomen, verbonden dat belanghebbende in beginsel — behoudens tegenbewijs — voldoet aan de objectieve toets. Daarmee heeft het Hof een bewijsvermoeden gehanteerd dat niet aan de tekst van de bepaling of de wetsgeschiedenis te ontlenen is.
18.
Belanghebbende is opgericht als een persoonlijke houdstermaatschappij. Een dergelijke structuur wordt in binnenlandse verhoudingen geacht te berusten op zakelijke redenen. Dat een belangrijk motief doorgaans is gelegen in de mogelijkheid de heffing van inkomstenbelasting uit te stellen, doet daar niet aan af. Dat is omdat uitstel niet doel op zich is, maar het erom is te doen dat de belastingheffing niet een belemmering vormt voor vrije allocatie van de beschikbare middelen binnen het concern.
De emigratie van belanghebbende heeft niet iets veranderd aan haar karakter van houdstermaatschappij. Zij meent om die reden niet te voldoen aan de objectieve voorwaarde.
19.
Het voorgaande was meer uitgebreid en voorzien van verwijzingen aan het Hof voorgehouden. Belanghebbende heeft de desbetreffende passages uit haar verweerschrift in hoger beroep overgenomen in Annex B bij dit verweerschrift, waarvan de inhoud als hier ingelast in aanmerking moet worden genomen.
De bedoeling van de wetgever
20.
Bij de wijze waarop de Hoge Raad in BNB 2020/80 en het Hof in de onderhavige uitspraak art. 17-3-b hebben uitgelegd, heeft de bepaling een inhoud die niet in de tekst ervan is te herkennen.
Bij die uitleg ligt in de subjectieve toepassingsvoorwaarde een algemeen criterium besloten dat in de tekst niet te lezen is; te weten dat als bij ‘wegdenken’ meer Nederlandse belasting verschuldigd zou zijn de voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld, terwijl het volgens de tekst aankomt op de daadwerkelijke motieven die aan de structuur ten grondslag liggen.
Op vergelijkbare wijze bevat de objectieve toepassingsvoorwaarde bij de uitleg van het Hof een algemeen criterium dat niet in de tekst is terug te vinden; te weten een limitatieve catalogus van omstandigheden waarbij niet van een kunstmatige constructie geacht wordt sprake te zijn, terwijl beoordeeld naar de tekst sprake is van een open norm.
21.
Deze door interpretatie ingelezen algemene criteria fungeren als bewijsvermoedens. Zoals door de Hoge Raad in BNB 2020/80 overwogen (ov. 2.6.5 – 2.6.7) is het gebruik van algemene criteria naar de misbruikrechtspraak van het HvJ EU toegelaten maar dient de belastingplichtige steeds de mogelijkheid te hebben tegenbewijs te leveren, dat wil zeggen aannemelijk te maken dat niet van misbruik sprake is.
Het gaat daarbij om het begrip van misbruik zoals dat in de rechtspraak van het HvJ EU is ontwikkeld. Naar de herhaaldelijk in de rechtspraak van het HvJ EU terugkerende formulering is daarvan sprake bij een:
‘… volstrekt kunstmatige constructie… die geen verband houdt met de economische realiteit en bedoeld is om de belasting te ontwijken.’
De op deze rechtspraak geënte misbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn 2015 is geformuleerd als volgt:
‘… een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen … en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is.’
22.
Deze formuleringen corresponderen in hoge mate met die van art. 17-3 -b. Dat is geen toeval: de wetgever heeft nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de misbruikjurisprudentie van het HvJ EU (Belastingplan 2012) en vervolgens bij de omschrijving van de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015).
23.
Bij de interpretatie van HR BNB 2020/80 en de onderhavige uitspraak van het Hof heeft hetzelfde begrippenkader een dubbele betekenis: de toepassingsvoorwaarden van art. 17-3-b worden ingevuld aan de hand van de (veronderstelde) bedoeling van de wetgever, terwijl het voor het tegenbewijs aankomt op de betekenis die de corresponderende terminologie heeft naar de rechtspraak van het HvJ EU.
Dit is niet wat de wetgever heeft bedoeld. Uit de wetsgeschiedenis komt als zijn bedoeling naar voren dat voor de uitleg van de toepassingsvoorwaarden van art. 17-3 -b zelf wordt aangesloten bij de misbruikjurisprudentie van het HvJ EU resp. misbruikbepaling van de Moeder-dochterrichtlijn 2015. Zie de in §§ 17–19 van Annex A en de in §§ 50–51 van Annex B aangehaalde passages.
24.
Belanghebbende ziet hierin een verdere aanwijzing dat de ‘wegdenkgedachte’ zoals opgevat door de redactie van Vakstudie Nieuws niet als de bedoeling van de wetgever kan worden aangenomen.
25.
Het belang bij deze interpretatiekwestie is ondertussen maar beperkt. Het verschil in benadering leidt uiteindelijk slechts tot een verschil in bewijslastverdeling. Het komt erop neer dat in de benadering van HR BNB 2020/80 bij ‘wegdenken’ sprake is van een weerlegbaar bewijsvermoeden, terwijl het in de benadering van belanghebbende ‘slechts’ begin van bewijs oplevert.
III — Het middel van de staatssecretaris
26.
Met zijn middel voegt de staatssecretaris een interpretatiekwestie toe. Hij staat voor niet alleen het buitenlandse lichaam, maar de subjectieve toepassingsvoorwaarde als zodanig weg te denken.
27.
De staatssecretaris betoogt dat als bij toepassing van de ‘wegdenkgedachte’ het subjectieve vereiste in beginsel wordt geacht te zijn vervuld, geen tegenbewijs zou zijn toegelaten ter zake van dat vereiste. De belastingplichtige zou in dat geval alleen aan toepassing van art. 17-3-b ontkomen als hij zodanige zakelijke redenen aannemelijk weet te maken dat niet sprake is van een ‘kunstmatige constructie’ in de zin van het objectieve toepassingsvereiste.
Bij deze benadering komt het motief in het geheel niet meer aan de orde. Of er is bij ‘wegdenken’ niet meer Nederlandse belasting verschuldigd waarmee de bepaling niet van toepassing is, of dat is wel zo en dan zou alleen bewijs omtrent de objectieve toepassingsvoorwaarde zijn toegelaten. Er is dan geen subjectieve toepassingsvoorwaarde meer.
28.
Deze benadering is al te ver verwijderd van de tekst van de bepaling. Die stelt immers expliciet als toepassingsvoorwaarde dat het buitenlandse lichaam het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belasting.
Evenzo staat deze benadering al te ver af van wat uit de wetsgeschiedenis naar voren komt. In alle drie etappes is keer op keer benadrukt dat de bepaling moet worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ EU, dus mét motiefvereiste. Zie Annex A, §§ 18–20.
29.
De aanwijzing die de staatsecretaris noemt voor zijn opvatting zijn de hierboven al geciteerde opmerkingen in de Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer bij het voorstel van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie, helemaal aan het einde van drie etappes wetsgeschiedenis:
‘Indien op basis van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, kan de objectieve toets in feite als een vorm van tegenbewijs worden beschouwd. Een alternatieve vorm van tegenbewijs binnen de subjectieve toets herbergt het risico dat de antimisbruikbepaling een loze bepaling zou kunnen worden. Daarnaast stuit dat op uitvoeringstechnische bezwaren. Ten aanzien van tegenbewijsmogelijkheid is het kabinet van mening dat er naar de huidige stand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht.’
Deze opmerkingen zijn zodanig inconsequent dat het al daarmee de vraag is of er überhaupt gewicht aan toekomt. Ze kunnen evenwel sowieso niet van invloed zijn op de interpretatie van de bepaling: die ligt vast op het moment dat het wetsvoorstel bij de Eerste Kamer wordt ingediend. Zie §§ 26 en 28 van Annex A.
30.
Op blz. 8 van zijn aanvullend beroepschrift citeert de staatssecretaris ov. 2.6.7 van BNB 2020/80:
‘De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit.’
Hier eindigt het citaat. De overweging vervolgt echter met:
‘Een concern kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam op de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft.’
Van een kunstmatige constructie is volgens deze overweging eerst sprake als het lichaam is tussengeschoven met het doel, heffing te ontgaan. Ook deze passage biedt derhalve geen steun aan de opvatting van de staatssecretaris.
IV- Belastingregeling Nederland-Curaçao
31.
Toepassing van art. 17-3-b stuit af op art. 10 lid 8 van de Belastingregeling Nederland-Curaçao tenzij art. 22 BRNC van toepassing is:
- ‘1.
De bepalingen van deze rijkswet vormen geen beletsel voor de toepassing van de in het belastingrecht van elk van de landen besloten liggende instrumenten ter bestrijding van fraude, misbruiken oneigenlijk gebruik.’
- 2.
(…)’
32.
Aan de vestiging van belanghebbende op Curaçao kwam niet een fiscaal motief te pas: op dat moment werd evenveel dividendbelasting van haar geheven als wanneer zij in Nederland was gebleven, of wat haar aandeelhouder verschuldigd zou zijn geweest als deze de aandelen [C] rechtstreeks zou hebben gehouden.
In de onderhandelingen over de BRNC heeft Nederland de tegemoetkoming aan Curaçao gedaan van heffing af te zien in juist de categorie gevallen waartoe belanghebbende behoort, te weten houdstervennootschappen op Curaçao waarvan de aandeelhouder aldaar woont. Het voordeel dat belanghebbende door deze concessie ten deel valt, is door haar niet opgezocht. Het is haar overkomen.
33.
Gegeven de afwezigheid van enig fiscaal motief kan Curaçao niet worden geacht het gebruik van art. 17-3-b te hebben aanvaard, in het bijzonder niet nu in de gevallen waarvoor Nederland aan Curaçao de tegemoetkoming van art. 10 lid 8 BRNC heeft verleend bij toepassing van de ‘wegdenkgedachte’ altijd aan de subjectieve toepassingsvoorwaarde wordt voldaan. Uitleg van art. 22 BRNC met inachtneming van de goede trouw die de Landen van het Koninkrijk aan elkaar verschuldigd zijn, verhindert de toepassing van art. 17-3 -b.
34.
De inspecteur heeft in hoger beroep niet inhoudelijk op dit standpunt gereageerd, terwijl de staatssecretaris het negeert. Belanghebbende heeft dan ook niet iets toe te voegen aan hetgeen zij daarover ten overstaan van het Hof heeft aangevoerd. Zij herhaalt dat in Annex C, met het verzoek aan de Hoge Raad de inhoud daarvan als hier ingelast in aanmerking te nemen.
Conclusie
Belanghebbende concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën,
kosten rechtens.
Hoogachtend,
Conclusie 28‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Art. 17(3)(b) Vpb; art. 22 BRNV; LGO-Besluit 2013; Curaçaose persoonlijke holdings (belanghebbenden) houden a.b. in Nederlandse familie-BV die belang in onderneming in 2015 verkoopt en de opbrengst in 2016 uitkeert; vervanging per 2016 van de BRK (toewijzing aan NL) door de BRNC (toewijzing aan Curaçao, behalve bij misbruik); ontwijking IB of Divb bij de aandeelhouders? Bewijsvermoedens; tegenbewijs; 'objectieve' en 'subjectieve' toets; verhouding tot EU-misbruikrechtspraak; kapitaalverkeer LGO en 3e landen Feiten: De belanghebbenden zijn persoonlijke houdsters (één van vader; één van zoon) die sinds de verhuizing van hun enige bestuurder (vader) in 2011 naar Curaçao aldaar zijn gevestigd. Zij hebben nauwelijks substance. Zoon woonde al vóór 2007 op Curaçao. Beide belanghebbenden houden een a.b. in een Nederlandse tussenhoudster die in december 2015 haar belang in een actieve onderneming heeft verkocht aan een derde en in januari 2016 de verkoopopbrengst heeft uitgekeerd; de belanghebbenden ontvingen elk € 13.819.076. Zij hebben niet dooruitgedeeld. Zulke dividenden waren tot 2016 onder de BRK belast met 15% Nederlandse dividendbelasting. Na de vervanging van de BRK door de BRNC per 2016 zijn zulke dividenden alleen belastbaar in Curaçao, maar art. 22 BRNC schakelt de BRNC uit bij toepasselijkheid van nationale antimisbruikbepalingen zoals art. 17(3(b) Wet Vpb, waardoor Nederland bij misbruik bevoegd blijft. De Inspecteur heeft beide dividenduitkeringen op basis van art. 17(3)(b) Wet Vpb in de vennootschapsbelasting betrokken. In geschil is of aan de criteria van de antimisbruikbepaling van art. 17(3)(b) Wet Vpb (technisch a.b.) is voldaan en of die criteria en de bewijslastverdeling stroken met de HvJ-misbruikrechtspraak: (i) hielden belanghebbenden hun a.b. met als (een van de) hoofddoel(en) het ontgaan van heffing van inkomsten- of dividendbelasting over de dividenden bij vader en zoon en (ii) deed zich een kunstmatige constructie voor die niet was opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelden? De Rechtbank Den Haag heeft de beroepen van de belanghebbenden gegrond verklaard. Het Hof Den Haag heeft het hogere beroep van de Inspecteur daartegen ongegrond verklaard. Weliswaar schakelt art. 22 BRNC de BRNC uit als een landelijk antimisbruikinstrument zoals art. 17(3)(b) Wet Vpb van toepassing is, en weliswaar heeft de Inspecteur het bewijsvermoeden van art. 17(3)(b) Wet Vpb geactiveerd, maar de belanghebbenden hebben voldoende tegenbewijs geleverd dat van misbruik geen sprake is. De structuur is niet opgezet met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Voor zover de belanghebbenden vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie zijn gekomen, is dat het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC; dat biedt geen basis voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en als hoofddoel zou hebben om heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. In cassatie stelt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte tegenbewijs heeft toegelaten bij de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel) in art. 17(3)(b) Wet Vpb, nu uit de wetsgeschiedenis en HR BNB 2020/80 volgt dat tegenbewijs beperkt blijft tot de ‘objectieve’ toets (kunstmatigheid). Is bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting verschuldigd, dan staat zijns inziens het ontgaansmotief vast. Ook de belanghebbenden achten incidenteel art. 17(3)(b) Wet Vpb geschonden. Uit het enkele gegeven dat bij hun wegdenken meer belasting verschuldigd zou zijn, volgt niet dat zij hun a.b. hielden met als hoofddoel inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan. Die 'wegdenkgedachte' kan huns inziens op tekst noch geschiedenis van de wet worden gebaseerd. Eveneens volgens hen ten onrechte heeft het Hof de Inspecteur geslaagd geacht in het initiële bewijs van een kunstmatige constructie, nu de wetsgeschiedenis geen uitputtende catalogus kent van wat 'zakelijke redenen' kunnen zijn. A-G Wattel leidt uit HvJ X BV en TBG Ltd af dat tussen een EU-lidstaat en zijn eigen LGO de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel net zo geldt als tussen EU-lidstaten en derde Staten, maar dat art. 66(2) LGO-Besluit 2013 Nederland wel toestaat het kapitaalverkeer met Curaçao te beperken “in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.” Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever wilde dat de misbruikrechtspraak van het HvJ tot richtsnoer wordt genomen “ook wat betreft de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen”. De vraag is dan of toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb in casu daadwerkelijk en evenredig misbruik bestrijdt. Volgens de arresten Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark is voor het bewijs van misbruik vereist (i) een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt, en (ii) een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op voordeel ontstaat. Uit met name uit Euro Park Service, Eqiom en Enka, en Deister en Juhler blijkt dat het HvJ niet evenredig acht dat een belastingplichtige automatisch wordt uitgesloten van EU-voordelen (het vrije kapitaalverkeer) op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Eveneens disproportioneel vindt hij dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zich géén misbruik voordoet op basis van een rechtsvermoeden dat te vaag en te algemeen is om een veronderstelling van misbruik te rechtvaardigen. Uit HvJ De Peyper, San Giorgio, Weber’s Wine World en Meilicke II volgt dat eenzijdige bewijsbelasting en uitsluiting van bepaalde (tegen)bewijsmiddelen of -mogelijkheden in strijd kan komen met het beginsel van effectiviteit van EU-recht. Uitsluiting van tegenbewijs tegen de vooronderstelling van een ontwijkingshoofddoel enkel op basis van het wegdenk-criterium lijkt A-G Wattel niet evenredig in de zin van de misbruikrechtspraak en niet verenigbaar met dat effectiviteitsbeginsel. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de belanghebbenden zelf geen recht op inhoudingsvrijstelling zouden hebben, wijst onvoldoende op misbruik van de BRNC of het vrije kapitaalverkeer om dat vrije kapitaalverkeer te belemmeren met een automatische omkering van de bewijslast. In elk concreet geval moet de constructie in haar geheel worden onderzocht en moet beoordeeld worden of de Inspecteur heeft bewezen dat de concernstructuur als voornaamste doel (subjectief element) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de belastingwetgeving ondermijnt (objectief element). Het Hof Den Haag heeft volgens A-G Wattel gedaan wat de HvJ-rechtspraak eist. Hij heeft de bewijslast van antifiscale bedoelingen bij de Inspecteur gelegd zonder het wegdenkcriterium daarvoor voldoende te achten. Hij heeft terecht de bewijslast van zowel de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets bij de Inspecteur gelegd en terecht zonder beperking tegen beide tegenbewijs toegelaten. Het Hof heeft de concernstructuur in zijn geheel onderzocht en alle relevante gegevens in aanmerking genomen om te kunnen beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen dat de bestanddelen van misbruik verenigd zijn c.q. de belanghebbenden voldoende tegenbewijs van ontbreken van een misbruikhoofddoel hebben geleverd. Rechtskundig eveneens correct lijkt hem de overweging van het Hof dat het voordeel geen gevolg is van hun kunstmatige handelen of nalaten, maar van de wijziging van de toewijzing van heffingsbevoegdheid in de BRNC per 2016, nu het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat de belanghebbenden niet hebben geanticipeerd, gespeculeerd, gestructureerd of geconstrueerd op resultaten van de BRNC-onderhandelingen en dat bij het ontstaan van de structuur, de emigratie van vader en de verkoop van [D] op geen moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. Conclusie: principale cassatieberoepen ongegrond; incidentele beroepen buiten behandeling laten.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 22/04506 en 22/04508
Datum 28 juli 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2016
Nr. Gerechtshof BK 21/01229 en BK21/01230
Nr. Rechtbank SGR 20/7075 en SGR 20/7076
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaken van
de Staatssecretaris van Financiën
tegen
[X1] B.V.
en
de Staatssecretaris van Financiën
tegen
[X2] B.V.
1. Overzicht
1.1
In geschil is of de in 2016 door de op Curaçao gevestigde belanghebbenden [X1] BV en [X2] BV ontvangen Nederlandse dividenden bij hen belast zijn met vennootschaps-belasting op grond van art. 22 BRNC (Belastingregeling Nederland Curaçao) juncto art. 17(3)(b) Wet op de vennootschapsbelasting (Vpb) (technisch aanmerkelijk belang (a.b.)).
1.2
Ik concludeer in beide zaken in één geschrift omdat de fiscaal relevante feiten dezelfde zijn, de rechtsvragen dezelfde zijn, zowel Hof als Rechtbank beide zaken tegelijk en op dezelfde zitting hebben behandeld, en beide partijen in beide zaken tijdens uw zitting één gemeenschappelijk pleidooi hebben doen voordragen.
1.3
[X1] BV is de persoonlijke houdster van [A] (vader) en [X2] BV die van [B] (diens zoon). Vader bestuurde beide vennootschappen. Vader en zoon wonen beiden op Curaçao; vader sinds 2011 en zoon al vóór 2007. De belanghebbenden zijn sinds (en als gevolg van) de emigratie van vader in 2011 gevestigd op Curaçao doordat hun feitelijke leiding daarmee werd verplaatst. Aan vader is toen een conserverende a.b.-aanslag opgelegd die tien jaar kleeft. De belanghebbenden hebben nauwelijks substance; hun (administratieve) taken zijn na hun verplaatsing naar Curaçao uitbesteed aan een trustkantoor. Zij houden certificaten van aandelen in de tussenhoudster [C] BV ( [C] ), die participeerde in [D] BV ( [D] ). [D] dreef een winstgevende onderneming. De aandelen [C] werden gehouden door een stichting administratiekantoor (STAK). In december 2015 heeft [C] haar belang in [D] verkocht aan een derde en in januari 2016 heeft zij de verkoopopbrengst uitgekeerd aan de STAK, die heeft dooruitgedeeld aan de certificaathouders. De belanghebbenden ontvingen aldus elk € 13.819.076. Zij hebben niet dooruitgedeeld.
1.4
De Inspecteur heeft de dividenden bij de belanghebbenden belast op grond van art. 17(3)(b) Wet Vpb. De belanghebbenden achten die (antimisbruik)bepaling niet van toepassing. De Rechtbank Den Haag was dat met hen eens. Na de vervanging per 1 januari 2016 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) door de BRNC zijn – behoudens misbruik –dividenduitkeringen zoals de litigieuze niet meer belast in Nederland, maar uitsluitend in Curaçao. Van misbruik is de Rechtbank niet gebleken: gesteld noch gebleken is dat de verkoop van [D] is uitgesteld tot eind 2015 of de dividenduitkering tot na 1 januari 2016. Evenmin was de verhuizing naar Curaçao fiscaal geïndiceerd. De belanghebbenden hielden hun belang in [C] niet met als hoofddoel het ontgaan van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij vader en zoon, nu bij hun oprichting in 2007 een houdsterstructuur gebruikelijk was. De Rechtbank zag niet in dat de belanghebbenden door de wijziging van de BRK in de BRNC alsnog een ontgaansmotief, al dan niet met terugwerkende kracht, zouden hebben gekregen.
1.5
Het Hof Den Haag heeft het hogere beroep van de Inspecteur daartegen ongegrond verklaard. Weliswaar schakelt art. 22 BRNC de BRNC uit als een landelijk antimisbruik-instrument zoals art. 17(3)(b) Wet Vpb van toepassing is, maar die bepaling grijpt in casu niet aan. Weliswaar heeft de Inspecteur het bewijsvermoeden van art. 17(3)(b) Wet Vpb geactiveerd, maar de belanghebbenden hebben voldoende tegenbewijs geleverd dat van misbruik geen sprake is. De structuur is niet opgezet met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting op de dividenduitkeringen. Voor zover de belanghebbenden vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie zijn gekomen, is dat het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC; dat biedt geen basis voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en als hoofddoel zou hebben om heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan.
1.6
In cassatie stelt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte tegenbewijs heeft toegelaten bij de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel) in art. 17(3)(b) Wet Vpb, hoewel uit de wetsgeschiedenis en HR BNB 2020/80 volgt dat tegenbewijs beperkt blijft tot de ‘objectieve’ toets (kunstmatigheid). Is bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting verschuldigd, dan staat zijns inziens het ontgaansmotief vast. Dat aanvankelijk geen fiscaal motief voor de structuur bestond, heeft het Hof ten onrechte aangemerkt als zakelijke reden die de economische realiteit weerspiegelt, nu de belanghebbenden geen enkele zakelijke reden voor hun substance-loze (voort)bestaan hebben aangevoerd. Het gaat om de situatie op het moment van uitkering; niet relevant is dat de houdsterstructuur destijds binnenlands gebruikelijk was; dat gegeven is niet het vereiste tegenbewijs van niet-kunstmatigheid.
1.7
De belanghebbenden hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld omdat ook zij art. 17(3)(b) Wet Vpb geschonden achten. Volgens hen heeft het Hof ten onrechte uit het enkele gegeven dat bij hun wegdenken meer belasting verschuldigd zou zijn, het gevolg getrokken dat zij hun a.b.’s in [C] hielden met als hoofddoel inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan. Die 'wegdenkgedachte' kan huns inziens op tekst noch geschiedenis van de wet worden gebaseerd. Eveneens ten onrechte heeft het Hof de Inspecteur geslaagd geacht in het aannemelijk maken van een constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. De wetsgeschiedenis kent geen uitputtende catalogus van wat 'zakelijke redenen' kunnen zijn. Redenen voor een persoonlijke houdster die in binnenlandse verhoudingen niet als oneigenlijk gelden, worden niet alsnog oneigenlijk door het enkele feit dat de houdster met haar enige bestuurder mee-emigreert.
1.8
Ik leid uit HvJ X BV en TBG Ltd af dat tussen een EU-lidstaat en zijn eigen LGO1.(tussen Nederland en Curaçao) de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel net zo geldt als tussen EU-lidstaten en derde Staten, maar dat art. 66(2) LGO-Besluit 2013 Nederland wel toestaat het kapitaalverkeer met Curaçao te beperken “in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.” De vraag is dus of toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb in casu daadwerkelijk en evenredig misbruik bestrijdt, met name of die eis samenvalt met de criteria die het HvJ stelt voor weigering van EU-rechtelijke voordelen op basis van het algemene beginsel van EU-recht dat rechts-misbruik verboden is, onder meer in de arresten Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark: voor het bewijs van misbruik is vereist (i) een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt, en (ii) een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
1.9
De vraag of deze X BV en TBG Ltd-criteria voor misbruikbestrijding samenvallen met de Cadbury Schweppes-criteria voor misbruikbestrijding lijkt er één om prejudicieel voor te leggen aan het HvJ, maar de Nederlandse wetgever lijkt zelf al antwoord te hebben gegeven op die concordantievraag. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever wilde dat de misbruikrechtspraak van het HvJ tot richtsnoer wordt genomen “ook wat betreft de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen” en dat “als het gaat om de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen dan geldt hierbij dat deze in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het EU-werkingsverdrag inzake het vrij verkeer van kapitaal dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort ook jurisprudentie inzake antimisbruik.” De wetsgeschiedenis vermeldt verder herhaaldelijk expliciet dat “voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting (kan) worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (…) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht.”
1.10
Art. 17(3)(b) Wet Vpb moet dus ook in de verhouding met derde landen – en daarmee ook in verhouding tot de LGO – toegepast worden conform de misbruikrechtspraak van het HvJ, i.e. conform de arresten Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark. Ook als het antwoord op de concordantievraag niet al uit het nationale recht zou volgen, valt het EU-rechtelijke antwoord overigens te voorspellen omdat de rechtspraak van het HvJ er op wijst dat hij EU-rechtenbeperkende nationale maatregelen tot ‘daadwerkelijke en evenredige misbruikbestrijding’ geen verschillend effect zal willen geven afhankelijk van de vraag of het om verhoudingen tussen lidstaten, tussen lidstaten en derde landen, tussen lidstaten en eigen LGO of tussen lidstaten en andermans LGO gaat, noch afhankelijk van de vraag of het gaat om primair, secundair of ongeschreven EU-recht. Zijn rechtspraak wijst integendeel op convergerende uitleg van antimisbruikinstrumenten, ongeacht of die uit primair, secundair of ongeschreven EU-recht volgen. Het HvJ ziet geschreven antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht als uitdrukking van het ongeschreven algemene beginsel van Unierecht dat rechtsmisbruik verboden is. Vereist zijn steeds: (i) objectieve strijd met doel en strekking van de ingeroepen regel (‘ondermijning’); (ii) de subjectieve bedoeling om oneigenlijk (kunstmatig) voordeel te verkrijgen dat niet voor de betrokkene bedoeld is; (iii) subsidiariteit en proportionaliteit van de antimisbruikmaatregel, i.e.: (iii)(a) doelgeschiktheid van de belemmerende nationale maatregel en (iii)(b) niet verder gaand dan noodzakelijk om het misbruik te keren; en (iv) initiële bewijslast bij de nationale instantie die het voordeel wil weigeren wegens misbruik, waarbij (v) misbruikvermoedens op basis van wettelijke criteria toegestaan zijn, mits voldoende toegespitst op het te bestrijden misbruik en mits tegenbewijs van economische realiteit mogelijk is zonder belemmeringen. Ik baseer dat met name op de Grote-Kamerarresten X BV en TBG Ltd (over de eigen LGO) en C-101/05 Skatteverket v A (over het kapitaalverkeer met derde landen) en op de arresten T Denmark en Y Danmark en Euro Park Service (over de verhouding tussen antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht en het algemene beginsel van primair EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is).
1.11
Of art. 17(3)(b) Wet Vpb in casu ‘daadwerkelijk’ misbruik bestrijdt, hangt ervan af of sprake is van misbruik, i.e. van de vraag of de belanghebbenden onderdeel zijn van een kunstmatige constructie met als (hoofd)doel ontwijking van Nederlandse dividend- of inkomstenbelasting bij hun aandeelhouders. De Inspecteur stelt dat art. 10(8) BRNC wordt uitgeschakeld door art. 22 BRNC omdat art. 17(b)(c) Wet Vpb van toepassing is. Dan rust de bewijslast dat aan de misbruikcriteria is voldaan op de Inspecteur. De voor misbruik vereiste strijd met doel en strekking van de wet (het ‘objectieve element’ van het HvJ) is een rechtsvraag die niet aan bewijslevering is onderworpen. Aan bewijslevering en daarmee aan bewijslastverdeling is alleen onderworpen het ‘subjectieve element’, i.e. de vraag of de belastingplichtige ‘de bedoeling’ had om alleen ‘formeel’ aan de voorwaarden te voldoen door ‘kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.’
1.12
Uit de rechtspraak van het HvJ blijkt dat hij niet evenredig acht dat een belastingplichtige automatisch wordt uitgesloten van EU-voordelen (in casu: het vrije kapitaalverkeer) op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Eveneens disproportioneel vindt hij dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zich géén misbruik voordoet op basis van een rechtsvermoeden dat te vaag en te algemeen is om een veronderstelling van misbruik te rechtvaardigen. Dat volgt met name uit Euro Park Service, Eqiom en Enka, en Deister en Juhler. De Staatssecretaris meent dat het Hof ten onrechte ook tegenbewijs heeft toegelaten bij de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel belastingontwijking), hoewel uit de wetsgeschiedenis en uit HR BNB 2020/80 zou volgen dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, alleen nog tegenbewijs kan worden geleverd bij de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid). Die beperking van tegenbewijslevering lijkt mij onverenigbaar met het EU-recht. Het enkele wegdenk-criterium is in het licht van de rechtspraak van het HvJ een (veel) te vaag en algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de belanghebbenden zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de BRNC of het vrije kapitaalverkeer om dat vrije kapitaalverkeer te belemmeren met een automatische omkering van de bewijslast. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de vrijheid van kapitaalverkeer.
1.13
De rechtspraak van het HvJ houdt qua bewijslastverdeling onder meer in dat in elk concreet geval de desbetreffende constructie in haar geheel moet worden onderzocht en dat de rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen dat de bestanddelen van misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens in aanmerking moet nemen. De rechter moet beoordelen of een concernstructuur als voornaamste doel (subjectief element) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de belastingwetgeving ondermijnt (objectief element) en daarom kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie. Uit onder meer de arresten De Peyper, San Giorgio, Weber’s Wine World en Meilicke II volgt verder dat eenzijdige bewijsbelasting en uitsluiting van bepaalde (tegen)bewijsmiddelen of -mogelijkheden in strijd kan komen met het beginsel van effectiviteit van EU-recht. Uitsluiting van tegenbewijs tegen de vooronderstelling van een ontwijkingshoofddoel enkel op basis van het wegdenk-criterium lijkt mij niet verenigbaar met dat effectiviteitsbeginsel van ’s Hofs Rewe/Comet-doctrine.
1.14
Het Hof Den Haag heeft mijns inziens gedaan wat de genoemde HvJ-rechtspraak eist. Hij heeft de bewijslast van antifiscale bedoelingen terecht bij de Inspecteur gelegd zonder het wegdenk-criterium daarvoor voldoende te achten en zonder zich veel aan te trekken van niet met EU-recht verenigbare passages uit de parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb waarop de Staatssecretaris zich beroept. Hij heeft terecht de bewijslast ter zake van zowel de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets bij de Inspecteur gelegd en terecht zonder beperking tegen beide tegenbewijs toegelaten. Het Hof heeft verder de concernstructuur van de belanghebbenden in zijn geheel onderzocht en alle relevante gegevens in aanmerking genomen om te kunnen beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen dat de bestanddelen van misbruik verenigd zijn c.q. de belanghebbenden voldoende tegenbewijs van ontbreken van een misbruikhoofddoel hebben geleverd. Rechtskundig eveneens correct lijkt mij zijn overweging dat op basis van de vastgestelde feiten het voordeel dat de fiscus de belanghebbenden wil onthouden geen gevolg is van hun kunstmatige handelen of nalaten, maar van de wijziging van de toewijzing van heffingsbevoegdheid in de BRNC per 2016.
1.15
De feitenrechters hebben wat de bewijslevering betreft vastgesteld dat de belanghebbenden noch met de verkoop van [D] , noch met de uitkering van de verkoopopbrengst hebben geanticipeerd, gespeculeerd, gestructureerd of geconstrueerd op resultaten van de zich al vele jaren voortslepende onderhandelingen over de BRNC en dat bij het ontstaan van de structuur, de emigratie van vader en de verkoop van [D] op geen moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. De Staatssecretaris bestrijdt dat niet, maar acht dat niet van belang omdat zijns inziens tegenbewijs uitsluitend kan slagen als het bestaan van de belanghebbenden op het moment van uitkering zakelijke redenen heeft, dat wil zeggen: als zij op dat moment een onderneming drijven of een schakelfunctie vervullen. Dit betoog miskent mijns inziens dat tegenbewijs van ontbreken van antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet beperkt mag worden tot uitsluitend een momentopname of tot alleen bepaalde gevallen (actieve onderneming of ‘schakelfunctie’). Het Hof heeft verder als niet weersproken aangemerkt dat de belanghebbenden de uiteindelijk gerechtigden tot het dividend zijn, rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd zijn met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kunnen beschikken en dat zij het niet hebben uitgekeerd aan hun aandeelhouders. De Staatssecretaris bestrijdt dat dat niet weersproken zou zijn, maar kon op uw zitting niet aangeven uit welk processtuk dat blijkt. De stelling dat de belanghebbenden nauwelijks substance hebben – dat heeft de Inspecteur inderdaad gesteld – hoefde het Hof niet op te vatten als een weerspreking van die niet als zodanig ingenomen stellingen.
1.16
Nu mijns inziens ’s Hofs oordelen geen blijk geven van onjuist (EU-)rechtelijk inzicht of onjuiste bewijslastverdeling en qua feitenvaststelling en -waardering geen motiverings-gebreken vertonen, zie ik in geen grond voor cassatie. De Staatssecretaris bestrijdt wezenlijk vooral feitelijke bewijsoordelen die niet onbegrijpelijk zijn, c.q. neemt alsnog feitelijke stellingen in waar in cassatie geen onderzoek naar kan worden gedaan, c.q. probeert in afwijking van de rechtspraak van het HvJ de bewijslast dat géén sprake is van misbruik op de belanghebbenden te leggen.
1.17
Ik meen dat het principale middel daar in alle drie zijn onderdelen op afstuit. Het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende, voor zover niet al aan de orde gekomen, behoeft dan geen behandeling meer.
1.18
Ik geef u in overweging het principale cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en de incidentele beroepen van de belanghebbenden buiten behandeling te laten.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Beide belanghebbenden zijn in 2007 opgericht. Sinds 31 december 2011 zijn zij als gevolg van de verhuizing van hun enige bestuurder [A] naar Curaçao aldaar gevestigd. [X1] BV is de persoonlijke houdstervennootschap van [A] (vader); [X2] BV is de persoonlijke houdstervennootschap van [B] (diens zoon). Vader en zoon wonen beiden op Curaçao; vader sinds 2011; zoon al vóór 2007. Vader was de enige bestuurder van beide belanghebbenden.
2.2
Met de persoonlijke houdstervennootschappen van andere familieleden participeerden de belanghebbenden in [D] BV ( [D] ). Deze vennootschap dreef een onderneming. In het kader van de verkoop van 85% van de aandelen [D] aan EQT, een private equity bedrijf, is in 2011 [C] BV opgericht. De belanghebbenden hebben hun belang in [D] toen overgedragen aan [C] , die gehouden wordt door een stichting administratiekantoor (STAK). Aan de persoonlijke houdsters van de familieleden zijn toen certificaten van aandelen uitgereikt. De belanghebbenden zijn elk voor 11,11% gerechtigd tot het economisch belang dat door de STAK wordt gehouden.
2.3
Eind 2015 hebben [C] en EQT de aandelen [D] verkocht aan een derde. In januari 2016 heeft [C] de ontvangen verkoopopbrengst uitgekeerd aan de STAK, die de opbrengst heeft dooruitgedeeld aan haar certificaathouders. De belanghebbenden ontvingen elk een dividend ad € 13.819.076 dat zij niet hebben dooruitgedeeld aan hun aandeelhouders vader en zoon.
2.4
Vader was behalve de enige bestuurder van beide belanghebbenden ook, samen met twee andere familieleden, bestuurder van [C] en van de STAK.
2.5
De belanghebbenden hadden in 2015 en 2016 geen personeel en geen kantoorruimte. Hun taken waren administratief en vanaf hun verplaatsing naar Curaçao in 2011 uitbesteed aan een trustkantoor.
2.6
Beide belanghebbenden hebben voor 2016 een belastbare vennootschapswinst ad nihil aangegeven. De Inspecteur is van hun aangiften afgeweken. Hij achtte de dividenden belast op grond van art. 17(3)(b) Wet Vpb en heeft daarnaast € 388.078 belastingrente in rekening gebracht aan [X1] BV en € 435.300 belastingrente aan [X2] BV. De belanghebbenden hebben daartegen bezwaar gemaakt dat de Inspecteur heeft afgewezen.
2.7
De structuur vóór de verkoop van [D] :

2.8
De structuur ná de verkoop van [D] :

Het geschil
2.9
In geschil is of zich misbruik voordoet door oneigenlijke ontwijking van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting bij een ander (vader en zoon) dan de belanghebbenden op uitkeringen van Nederlandse winst. De BRNC wijst de litigieuze dividenden in beginsel toe aan Curaçao, maar art. 22 BRNC schakelt de BRNC uit bij toepasselijkheid van nationale antimisbruikbepalingen zoals art. 17(3(b) Wet Vpb (technisch a.b.).
2.10
Meer specifiek is in geschil of aan de eisen van art. 17(3)(b) Wet Vpb is voldaan, nl. of (i) de belanghebbenden hun a.b.’s in [C] hielden met als (een van de) hoofddoel(en) het ontgaan van heffing van inkomsten- of dividendbelasting over de dividenden bij vader en zoon en (ii) zich een kunstmatige constructie voordeed die niet was opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelden.
De Rechtbank Den Haag2.
2.11
De Rechtbank constateerde dat dividenden zoals de litigieuze tot aan de inwerkingtreding van de BRNC in 2016 belast waren met 15% Nederlandse dividendbelasting. Door de vervanging van de BRK door de BRNC zijn zulke dividenden sindsdien in beginsel niet langer belastbaar in Nederland, maar alleen in Curaçao (zie onderdeel 4 hieronder). De BRNC werd op 30 september 2015 bekend gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de verkoop van [D] in verband met de te verwachten inwerkingtreding van de BRNC is uitgesteld tot eind 2015 of dat de dividenduitkeringen zijn uitgesteld tot na 1 januari 2016.
2.12
De Rechtbank wees op de tekst van art. 17(3)(b) Wet Vpb, op diens parlementaire geschiedenis en op HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster),3.uit welk arrest zij het volgende gevolg trok:
“13. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 10 januari 2020 in r.o. 2.6.2 geoordeeld dat naar de bedoeling van de wetgever de subjectieve voorwaarde [hoofddoel belastingontwijking; PJW] in beginsel is vervuld indien de achterliggende aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden. Deze voorwaarde wordt steeds getoetst naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt. De Hoge Raad overweegt vervolgens in r.o. 2.6.4 dat het in de eerste plaats van belang is dat de interpretatie en de toepassing van de subjectieve voorwaarde wordt toegesneden op de doelstelling in het algemeen belang die ermee wordt nagestreefd, te weten de bestrijding van belastingontwijking. Een zodanige doelstelling kan volgens r.o. 2.6.4 slechts gerechtvaardigd zijn indien die beperking specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.”
2.13
De Rechtbank heeft deze door de wetgever ‘subjectief’ (ontwijkingsdoel) resp. ‘objectief’ (kunstmatigheid) genoemde toetsen als volgt uitgevoerd:
“14, Niet in geschil is dat zonder eiseres meer Nederlandse belasting is verschuldigd dan met eiseres. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen (zie r.o. 2.6.5 tot en met 2.6.7) een bewijsvermoeden op dat misbruik zich voordoet. Dat laat echter onverlet, zoals ook (…) kan worden afgeleid uit de parlementaire geschiedenis, dat voor artikel 17, derde lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb de constructie in haar geheel moet worden beoordeeld en eiseres tegenbewijs kan leveren om het misbruikvermoeden te ontzenuwen.
15. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat in haar geval geen sprake is van een ontgaansmotief. Zij houdt haar belang dan ook niet met als hoofddoel of een van de hoofdoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan. (…). Bij de oprichting van eiseres in 2007 was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Eiseres is in 2011 om niet fiscale motieven verplaatst naar Curaçao. Dividenden aan eiseres waren op grond van de tot 2016 geldende BRK belast met 15% dividendbelasting. Niet valt in te zien waarom de wijziging van de BRK in de BRNC ertoe leidt dat eiseres een ontgaansmotief, al dan niet met terugwerkende kracht, heeft of alsnog krijgt. Van kunstmatig tussenschuiven om belastingheffing te ontgaan is geen sprake. Voor de toepassing van een antimisbruikbepaling is dan ook geen plaats. (…).”
De Rechtbank heeft de beroepen van de belanghebbenden gegrond verklaard en de aanslagen en rentebeschikkingen verminderd naar nihil.
2.14
Lopez Ramirez (NLF 2022/20) was het daarmee eens:
“Om tot misbruik te komen in deze situatie zou belanghebbende wel een erg bijzonder vooruitziende blik hebben gehad. De structuur is in 2007 opgericht. Vervolgens is de entiteit in 2011 om niet fiscale redenen verplaatst naar Curaçao. Op dat moment waren mogelijke dividenden bij de belanghebbende, op grond van de BRK, nog belast met 15% dividendbelasting. Van de subjectieve voorwaarde om tot misbruik te komen als bedoeld in artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969 kan dan ook geen sprake zijn. Belanghebbende kon indertijd nimmer voorzien dat de BRK zou worden vervangen door de BRNC en dat hierbij deze uitkeringen niet meer belast zouden zijn. De wijziging van de BRK in de BRNC kan dan ook niet als misbruik door belanghebbende worden aangemerkt. Belanghebbende had hier immers geen enkele rol in en kon er zelfs niet op anticiperen, zie hierbij de ontwikkelingen met betrekking tot Aruba waar nog steeds geen sprake is van een nieuwe regeling. Tot slot was en is er geen sprake van het kunstmatig tussenschuiven van een entiteit om belastingheffing te ontgaan, aangezien bij de oprichting van de structuur in 2007 sprake was van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur waardoor ook de objectieve voorwaarde voor mogelijk misbruik in dit geval niet aan de orde is.”
2.15
Bierman (NTFR 2022/226) vroeg zich af of het gaat om de motieven ten tijde van het opzetten van de structuur of die ten tijde van de dividenduitkering:
“Ik vraag mij af of als feitelijk vaststaat dat fiscale overwegingen bij het opzetten van de structuur op dat moment geen rol hebben gespeeld, verder inderdaad geen enkel onderzoek meer nodig is naar de substance van de vennootschap op het moment waarop het dividend wordt uitgekeerd. In art. 17, lid 3, onderdeel b, onder 2° wordt gerefereerd aan het opzetten van de structuur. Daarom lijken de feiten op dat moment wel van belang te zijn. De vraag is hoe dat moet worden afgewogen tegen de feiten op het moment waarop het dividend wordt uitgekeerd.”
Het Gerechtshof Den Haag4.
2.16
Het Hof ging eerst in op de bewijslastverdeling bij de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb:
“5.2 (…). Het is primair aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb van toepassing is. Indien de belanghebbende deze stelling gemotiveerd heeft betwist, is het aan de inspecteur om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dat sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies. Aangezien belanghebbende de toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in dit geval gemotiveerd heeft betwist, rust de bewijslast ten aanzien van zowel de subjectieve toets [ontgaansmotief; PJW] als de objectieve toets [kunstmatigheid; PJW] in beginsel op de Inspecteur. Indien de Inspecteur (aan de hand van vooraf vastgestelde algemene criteria) in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten te stellen en aannemelijk te maken die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit en die is bedoeld om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen (…).”
2.17
Bij de uitvoering van de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel belastingontwijking) putte het Hof uit de parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb en uit HR BNB 2020/80,5.concluderende dat – behoudens tegenbewijs – aan die toets werd voldaan:
“5.6 De Inspecteur is geslaagd in de op hem rustende last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit volgt dat in het onderhavige geval is voldaan aan de subjectieve toets. Bij de subjectieve toets dient beoordeeld te worden of meer Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting verschuldigd zou zijn indien [C] de dividenduitkering rechtstreeks aan [vader of zoon; PJW] had gedaan (de ‘wegdenkgedachte’). Een rechtstreeks dividend aan [vader of zoon] wordt op grond van artikel 2.1, lid 1, letter b, juncto artikel 7.5, lid 1, juncto artikel 4.12, letter a, Wet IB 2001 aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, dat op grond van artikel 10, lid 2, BRNC mag worden belast naar een tarief van 15%. Een rechtstreeks dividend aan [vader of zoon] zou bovendien onderworpen zijn aan dividendbelasting naar een tarief van 15% (waarbij de dividendbelasting verrekenbaar zou zijn met de verschuldigde inkomstenbelasting). Toepassing van de wegdenkgedachte brengt mee dat de situatie zonder tussenkomst van belanghebbende zou leiden tot een hogere Nederlandse belastingclaim. Belanghebbende voldoet dus in beginsel aan de subjectieve toets, behoudens tegenbewijs.”
2.18
Volgens het Hof was – wederom behoudens tegenbewijs door de belanghebbenden – ook aan de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid) voldaan:
“5.11. De Inspecteur is geslaagd in de op hem rustende last feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaraan de conclusie kan worden verbonden dat in het onderhavige geval is voldaan aan de objectieve voorwaarde. Niet in geschil is dat belanghebbende geen materiële onderneming drijft. Het belang in [C] kan derhalve niet functioneel aan het ondernemingsvermogen van belanghebbende worden toegerekend. Evenmin is belanghebbende op het moment van de dividenduitkering een buiten Nederland gevestigde tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep. Het feit dat [vader] bestuurder is van belanghebbende en als bestuurder van [C] een beleidsbepalende rol had in het bestuur van [C] , is onvoldoende om deze conclusie te trekken. Voorts is belanghebbende geen tussenhoudster in de hiervóór bedoelde betekenis [schakelfunctie; PJW]. Bovendien is van belang dat belanghebbende slechts zeer beperkte substance heeft, hetgeen tussen partijen niet in geschil is. Zij heeft geen werknemers en beschikt niet over een eigen kantoorruimte. [Vader] verricht zijn werkzaamheden voor belanghebbende deels vanuit huis en deels op het kantoor van [E] . De dagelijkse werkzaamheden van belanghebbende, zoals het voeren van de administratie en de boekhouding, het opstellen van de jaarrekening, het beheer van bankrekeningen, het betalen van facturen en het overboeken van gelden, zijn uitbesteed aan [E] . Gelet op het voorgaande voldoet belanghebbende in beginsel aan de objectieve toets, behoudens tegenbewijs.”
2.19
Zoals ook uit HR BNB 2020/80 volgt, moet art. 17(3)(b) Wet Vpb zo worden toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt. Het Unierecht brengt volgens het Hof mee dat de belanghebbende de gelegenheid moet krijgen om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit maar bedoeld is om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.6.Het Hof overwoog over het door de belanghebbende aangevoerde tegenbewijs als volgt:
“5.15.2. De onderhavige structuur is ontstaan in het kader van het familiebedrijf, waarbij de diverse familieleden ieder via een persoonlijke houdstervennootschap een (indirect) belang hielden in de onderneming. Bij de oprichting van belanghebbende in 2007 was sprake van een gebruikelijke binnenlandse houdsterstructuur. Op dat moment bestond geen voornemen tot verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende. De familieleden gingen in 2011 via hun persoonlijke houdstervennootschappen participeren in de destijds opgerichte tophoudster [C] in verband met de participatie van EQT in de onderneming. De feitelijke leiding van belanghebbende is in 2011 verplaatst naar Curaçao als gevolg van de emigratie van de enige bestuurder, [vader]. Deze emigratie vond plaats om niet-fiscale redenen, namelijk de wens van [vader] om na zijn pensionering op Curaçao te gaan wonen in de nabijheid van zijn zoon, die daar al jarenlang woonde. Van een verplaatsing van de feitelijke leiding die geen reële betekenis had, was derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor beschreven totstandkoming van de structuur kan niet worden geoordeeld dat zij op enig moment bedoeld is geweest om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.5.15.3. Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenduitkering, dat zij rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd is met betrekking tot de ontvangen opbrengst en daarover vrijelijk kan beschikken en dat zij de ontvangen opbrengst niet heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouder. Van een doorstroomvennootschap in de zin van het arrest T Danmark en Y Denmark is dus geen sprake. De substance van belanghebbende is weliswaar zeer beperkt, maar dit brengt op zichzelf niet mee dat belanghebbende geen reële betekenis heeft.5.15.4. Evenmin was op het moment van de verplaatsing van de feitelijke leiding sprake van het ‘tussenschuiven’ van belanghebbende om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende waren immers, onder de tot 2016 geldende BRK, onderworpen aan dividendbelasting naar een tarief van 15%. Pas vanaf de inwerkingtreding van de BRNC per 1 januari 2016 zijn dividenden uitgekeerd door [C] aan belanghebbende op grond van artikel 10, lid 8, BRNC in beginsel vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing. Anders dan onder de BRK, kent deze bepaling immers een exclusief heffingsrecht toe aan Curaçao ter zake van dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een lichaam is dat inwoner is van Curaçao en waarvan de aandelen voor ten minste 50% in bezit zijn van een natuurlijk persoon die inwoner is van Curaçao, mits dat lichaam onmiddellijk ten minste 10% bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt. De dividenduitkering houdt verband met de verkoop van de onderneming eind 2015. Gelet op het tijdsverloop tussen het opzetten van de structuur (2007), de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende naar Curaçao (2011) en de dividenduitkering (2016) is echter niet aannemelijk dat de structuur is vormgegeven met het oog op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting ten aanzien van de dividenduitkering. Voor zover belanghebbende vanaf 1 januari 2016 in een gunstiger positie terecht is gekomen, is dit het gevolg van de vervanging van de BRK door de BRNC, maar dit biedt geen grond voor de conclusie dat de structuur (volstrekt) kunstmatig is en dat hiermee is beoogd de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan.”
Het Hof heeft het hogere beroep van de Inspecteur daarom ongegrond verklaard.
2.20
Rekwest (NLF 2023/3) becommentarieerde ‘s Hofs uitspraak als volgt:
“Ik onderschrijf de beslissing van het Hof dat de structuur niet (volstrekt) kunstmatig is opgezet met het oog op het ontgaan van Nederlandse belastingheffing. Wat echter opvalt, is dat het Hof geen gewicht toekent aan het betrekkelijk korte tijdsverloop tussen de vervanging van de BRK door de BRNC en de dividenduitkering. De dividenduitkering is pas gedaan vlak na de inwerkingtreding van de BRNC waardoor Nederland niet langer heffingsbevoegd is. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat mogelijk sprake is geweest van uitstel van de verkoop van de Nederlandse onderneming en de dividenduitkering in verband met de aanstaande inwerkingtreding van de BRNC. Nu de specifieke antimisbruikbepaling van artikel 17, lid 3, onderdeel b, Wet VpB 1969 volgens het Hof toepassing mist, is het de vraag of het rechtsmiddel fraus legis door de Inspecteur met succes zou kunnen worden ingezet.”
2.21
De redactie van FutD 2022-3170 betwijfelt de cassatiekansen van de Staatssecretaris:
“Wij vragen ons wel af of succes te behalen is met het instellen van cassatie. Hof Den Haag beslist in lijn met het arrest van 10 januari 2020 dat de BV voldoet aan de subjectieve én objectieve toets, maar dat tegenbewijs kan worden geleverd. De beslissing van het Hof dat de BV het vereiste tegenbewijs heeft geleverd, is een feitelijke beslissing die in cassatie moeilijk te bestrijden is.”
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft in beide zaken tijdig en regelmatig beroepen in cassatie ingesteld. De belanghebbenden hebben zich verweerd en daarnaast beiden – kennelijk voorwaardelijk – incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft hun incidentele beroepen schriftelijk beantwoord. Op uw zitting van 28 juni 2023 hebben de partijen hun zaken doen bepleiten door hun advocaten, beiden in één gezamenlijk pleidooi in beide zaken.
3.2
Principaal: de Staatssecretaris betoogt in één middel dat het Hof art. 17(3)(b) Wet Vpb en art. 8:77 Awb heeft geschonden doordat hij:
(i) ten onrechte ook tegenbewijs heeft toegelaten ter zake van de ‘subjectieve toets’ (ontgaansmotief), hoewel uit de wetsgeschiedenis en HR BNB 2020/80 (zie 7.1 hieronder) volgt dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, de mogelijkheid van tegenbewijs beperkt is tot de objectieve toets van kunstmatigheid; (ii) het aanvankelijk ontbreken van een fiscaal motief voor de structuur ten onrechte aanmerkt als een geldige zakelijke reden die de economische realiteit weerspiegelt, hoewel de belanghebbenden geen enkele zakelijke reden voor substanceloze (voort)bestaan hebben aangevoerd; (iii) ten onrechte het destijds gebruikelijke van de toenmalige binnenlandse houdsterstructuur kennelijk als zakelijke reden/tegenbewijs heeft aanvaard, hoewel het gaat om de kunstmatigheid op het moment van de uitkering.
3.3
Incidenteel: ook de belanghebbenden menen dat het Hof art. 17(3)(b) Wet Vpb heeft geschonden, doordat hij ten onrechte: (i) uit het enkele gegeven dat bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting verschuldigd zou zijn, heeft opgemaakt dat zij hun a.b.’s in [C] hielden met als (een) hoofddoel heffing van inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (r.o. 5.6). Dat is onjuist omdat die uitleg van de 'wegdenkgedachte' op tekst noch geschiedenis van de wet kan worden gebaseerd, maar slechts is terug te voeren op een aantekening van de redactie van Vakstudie Nieuws, wat geen rechtsbron is; (ii) uit de enkele gegevens dat de belanghebbenden geen materiële onderneming dreven, geen wezenlijke functie als top- of tussenhoudsters vervulden op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein voor de groep en slechts beperkt substance hadden, een constructie heeft afgeleid die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (r.o. 5.11). Dat is onjuist omdat de wetsgeschiedenis geen uitputtende catalogus bevat van wat als 'zakelijke redenen' kan gelden, terwijl de redenen voor een persoonlijke houdsterstructuur die binnenslands niet als oneigenlijk gelden, dat niet worden door het enkele feit dat een houdster mee-emigreert met haar enige bestuurder, die om niet-fiscale redenen emigreert.
3.4
De Staatssecretaris heeft de incidentele beroepen schriftelijk beantwoord. Ad (i) (de subjectieve’’ toets) meent de Staatssecretaris dat ‘s Hofs oordeel over feiten gaat en in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. ’s Hofs oordeel strookt op dat punt zijns inziens met HR BNB 2020/80 (zie 7.1 hieronder) en met de wetsgeschiedenis. Ook onderdeel (ii) (ontbreken van ‘zakelijke redenen’: kunstmatige constructie) bestrijdt volgens de Staatssecretaris een voldoende gemotiveerd oordeel over feiten. ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbenden behoudens tegenbewijs aan de ‘objectieve’ toets voldoen, acht de Staatssecretaris in overeenstemming met de wettekst en wetsgeschiedenis.
3.5
De Staatssecretaris verzoekt u om duidelijkheid te geven over de vraag of het Hof bewijslastverdeling ter zake de ‘objectieve’ toets correct heeft verdeeld door deze volledig bij de Inspecteur te leggen. De verdeling van de bewijslast heeft in casu geen invloed op de uitkomst omdat de Inspecteur volgens het Hof aan zijn bewijslast heeft voldaan, maar vanwege het belang voor de rechtsontwikkeling en rechtspraktijk wil de Staatssecretaris graag uw oordeel daaromtrent.
3.6
Ter zitting heeft hebben de belanghebbenden doen benadrukken dat de wijziging van de BRK in de BRNC jaren na vader’s emigratie onmogelijk kon worden voorzien. Dat Nederland met Curaçao heeft afgesproken van dividendbelasting af te zien, is geheel over de hoofden van de belanghebbenden heengegaan. Gezien de feitenvaststelling in eerdere instanties staat onbestreden vast dat de bedoeling van de structuur op geen enkel moment is geweest het verkrijgen van een onterecht belastingvoordeel. De parlementaire geschiedenis bij art. 17(3)(b) Vpb vermeldt zeker tien keer dat die bepaling moet worden uitgelegd in lijn met het EU-rechtelijke misbruikleerstuk zoals volgens uit de rechtspraak van het HvJ. De wegdenkgedachte staat daarmee op gespannen voet, aldus de belanghebbende.7.Dat misbruikleerstuk is de EU-rechtelijke versie van fraus legis. Essentieel onderdeel daarvan is het motiefvereiste, dat volgens de belanghebbenden niet in enig bewijsvermoeden van art. 17(3)(b) Vpb worden ‘ingelezen’.
3.7
Ter zitting heeft de Staatssecretaris doen opmerken dat onderbelicht is gebleven dat Curaçao als vestigingsland een bijzondere positie heeft ten opzichte van Nederland nu het een LGO is. Uit het Unierecht volgt dat een lidstaat bij de bestrijding van misbruik niet met algemene of onweerlegbare vermoedens mag werken, maar dat mag volgens hem wel in de verhouding tot de LGO. De Staatssecretaris leidt uit HvJ X BV en TBG Ltd (zie 7.3 hieronder) af dat misbruikbestrijding in de verhouding tot een LGO verder kan gaan dan in een intra-EU-situatie. De parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb zegt inderdaad expliciet dat die bepaling moet worden uitgelegd conform de misbruikrechtspraak van het HvJ, maar zijn standpunt is daarmee niet in strijd, nu X BV en TBG Ltd immers HvJ-rechtspraak is die uitlegt hoe een lidstaat antimisbruikbepalingen in verhouding tot de LGO moet toepassen. De Staatssecretaris ziet dat arrest als het enige relevante, en hij leidt er uit af dat in LGO-verhoudingen lidstaten verder kunnen gaan in misbruikbestrijding dan in intra-EU-gevallen. Hij meent overigens dat het in casu niet om (vrijgemaakt) kapitaalverkeer gaat, maar om vestiging, die niet vrijgemaakt is in verhouding tot derde landen.
4. De Belastingregeling, de wet, het kapitaalverkeer en het LGO-Besluit
4.1
Op 10 oktober 2010 werd Curaçao een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Sinds 1 januari 2016 geldt tussen de landen Nederland en Curaçao de Belastingregeling Nederland Curaçao (BRNC),8.die de voorheen geldende Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK)9.vervangt in de verhouding tussen Nederland en Curaçao. De BRNC is een Rijkswet, maar volgt het stramien van een verdrag tot vermijding van dubbele belasting en voorkoming van het ontgaan van belasting, zulks om aan te kunnen sluiten bij de internationale fiscale standaarden zoals neergelegd in het OESO-modelverdrag en om voor de verwezenlijking van nationaal fiscaal verdragsbeleid vergaand gebruik te kunnen maken van bepalingen in bestaande belastingverdragen, wat de uitleg van die bepalingen en hun begrippen ten goede komt (zie 5.1 hieronder).
4.2
Art. 10 BRNC regelt de heffingsbevoegdheid ter zake van dividenden en wijst dividenden zoals de litigieuze in beginsel toe aan Curaçao:
“Art. 10 BRNC
1. Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een land aan een inwoner van het andere land, mogen in dat andere land worden belast.2. Deze dividenden mogen echter ook in het land waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van dat land worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een inwoner van het andere land is, mag de aldus geheven belasting 15 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.3. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, zijn dividenden bedoeld in het eerste lid slechts in het andere land belastbaar, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden:
a. een lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van het andere land en onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, mits het een kwalificerend lichaam is als bedoeld in het vierde lid;
b. een land, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, is;
of
c. een pensioenfonds is.(…).
5. Een lichaam dat inwoner is van een land en dat niet in aanmerking komt voor de voordelen uit hoofde van het derde lid omdat het geen kwalificerend lichaam is in de zin van het vierde lid, komt, indien overigens aan de voor de toepassing van het derde lid gestelde voorwaarden wordt voldaan, desondanks voor deze voordelen in aanmerking, indien:
a. dat lichaam zich actief bezighoudt met een handels- of bedrijfsuitoefening in het eerstbedoelde land (niet zijnde het doen of beheren van beleggingen voor eigen rekening van dat lichaam, tenzij het bedrijf bestaat uit bankieren, verzekeren of de handel in effecten door een bank, verzekeringsbedrijf of effectenmakelaar) en het dividend wordt verkregen uit het andere land in verband met, of voortvloeit uit, dat bedrijf; of
b. de bevoegde autoriteit van het andere land op verzoek van dat lichaam, vaststelt dat het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen van de oprichting, verwerving of de instandhouding van dat lichaam of het door dat lichaam gehouden belang in het lichaam dat de dividenden betaalt, niet is het in aanmerking komen voor de voordelen uit hoofde van het derde lid.(…).
8. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, zijn dividenden bedoeld in het eerste lid slechts in het andere land belastbaar, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een lichaam is dat inwoner is van het andere land en waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat voor ten minste 50 percent middellijk of onmiddellijk in bezit is van een of meer natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de landen en mits dat lichaam onmiddellijk ten minste 10 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt.(…).
10. De bepalingen van dit artikel beletten Nederland niet [om in zijn Caribische deel; PJW] opbrengstbelasting te heffen over dividenden die worden betaald door een lichaam dat inhoudingsplichtig is voor de opbrengstbelasting.
(…).
14. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en dertiende lid, mogen dividenden betaald door een lichaam dat krachtens de wetgeving van een land inwoner is van dat land, aan een natuurlijke persoon die een inwoner is van het andere land en die op het tijdstip waarop hij ophield inwoner te zijn van het eerstgenoemde land wordt belast over de waardevermeerdering van vermogen als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, in overeenstemming met de wetgeving van dat land ook in dat land worden belast, maar uitsluitend gedurende een tijdvak van tien jaar na de emigratie van de natuurlijke persoon en voor zover er van de aanslag ter zake van de waardevermeerdering nog een bedrag openstaat.
4.3
Art. 22(1) BRNC bevat echter een carve out om onbeperkte toepassing van landelijke antimisbruikinstrumenten mogelijk te maken:
“Art. 22 BRNC
1. De bepalingen van deze rijkswet vormen geen beletsel voor de toepassing van de in het belastingrecht van elk van de landen besloten liggende instrumenten ter bestrijding van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik.
2. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, vindt artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geen toepassing ter zake van een door een lichaam dat inwoner is van Curaçao gehouden belang in een lichaam dat inwoner is van Nederland, indien het eerstbedoelde lichaam met betrekking tot het gehouden belang in aanmerking komt voor de voordelen van artikel 10, derde lid, al dan niet in samenhang met artikel 10, vijfde lid.”
De BRNC laat dus eenzijdige toepassing van fraus legis en van bepalingen zoals art. 17(3)(b) Wet Vpb toe,10.behalve als de belastingplichtige kwalificeert onder de LOB-safe harbours van art. 10(3) en/of (5) BRNC. Onze belanghebbenden vallen niet onder die leden 3 of 5 van art. 10 BRNC, zodat Nederland art. 17(3)(b) Wet Vpb jegens hen kan toepassen met voorbijgaan aan daaraan in de weg staande bepalingen in de BRNC.
4.4
Art. 17 Wet Vpb luidde in 2016 als volgt:
“Art. 17 Vpb1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het
belastbare Nederlandse bedrag; (…).2. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten Nederlandse inkomen
verminderd met (…).3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:a. (…);b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen;c (…).
(…).
5. Indien aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt voldaan, wordt voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de belastingplichtige geacht het aanmerkelijk belang niet te houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in de eerste zin, wordt voldaan, dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat:
a. het aanmerkelijk belang niet wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan; of
b. sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.”
4.5
De ministeriële regeling waarnaar verwezen wordt, is art. 2d Uitvoeringsbeschikking Vpb, dat in 2016 de volgende substancevoorwaarden stelde voor vrijwaring van toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb:
“Voor de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de wet, wordt, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, de belastingplichtige geacht het aanmerkelijk belang niet te houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan en wordt geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien:
a. ten minste de helft van het totale aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de belastingplichtige woont of feitelijk is gevestigd in de staat waarin de belastingplichtige is gevestigd;
b. de in de staat, bedoeld in onderdeel a, wonende of gevestigde bestuursleden beschikken over de benodigde professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren, tot welke taken ten minste behoort de besluitvorming, op grond van de eigen verantwoordelijkheid van de belastingplichtige en binnen het kader van de normale concernbemoeienis, over door de belastingplichtige af te sluiten transacties, alsmede het zorg dragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties;
c. de belastingplichtige beschikt over gekwalificeerd personeel voor de adequate uitvoering en registratie van de door de belastingplichtige af te sluiten transacties;
d. in de staat, bedoeld in onderdeel a, de bestuursbesluiten van de belastingplichtige worden genomen;
e .in de staat, bedoeld in onderdeel a, de belangrijkste bankrekeningen van de belastingplichtige worden aangehouden;
f. in de staat, bedoeld in onderdeel a, de boekhouding van de belastingplichtige wordt gevoerd;
g. de belastingplichtige een bedrag aan loonkosten heeft dat een vergoeding vormt voor de werkzaamheden in het kader van de economische activiteiten van de belastingplichtige in het licht van zijn aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap en dat ten minste gelijk is aan € 100.000 vermenigvuldigd met de woonlandfactor die ingevolge de bijlage geldt voor de staat waarin de belastingplichtige is gevestigd; en
h. de belastingplichtige gedurende een periode van ten minste 24 maanden een in de staat, bedoeld in onderdeel a, gelegen onroerende zaak of deel van een onroerende zaak ter beschikking heeft waarbij zich in die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel, een kantoor bevindt dat is voorzien van gebruikelijke faciliteiten voor de uitoefening van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel g, en die werkzaamheden ook daadwerkelijk in dat kantoor worden uitgeoefend.”
Het is duidelijk dat de belanghebbenden niet aan die voorwaarden voldeden.
4.6
De conclusie is dat door art. 10 BRNC Nederlandse dividenden uitgekeerd aan aandeelhouders zoals de belanghebbenden sinds 1 januari 2016 niet meer aan Nederland, maar exclusief aan Curaçao zijn toegewezen, behalve als naar Nederlands landelijk recht fraus legis, art. 17(3)(b) Wet Vpb of een andere antimisbruikbepaling van toepassing is, in welk geval art. 22 BRNC de BRNC in zoverre uitschakelt.
4.7
De Rechtbank en het Hof hebben in beide zaken verwezen naar HR BNB 2020/80 (zie 7.1 hieronder), dat het belastingjaar 2012 betrof. Art. 17(3)(b) Wet Vpb luidde destijds (van 2012 t/m 2015) als volgt:
“(…).3. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:a. (…);b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap (…) indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming;c (…).”
De zinsnede “en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming” is per 2016 dus vervangen door de aan de rechtspraak van het HvJ EU ontleende zinsnede “en er sprake is van een kunstmatige constructie (…) waarbij (…) een constructie (…) als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”.
4.8
Onder de tot 2016 geldende BRK was de heffingsbevoegdheid anders verdeeld. Zouden de litigieuze dividenden in 2015 zijn uitgekeerd, dan was Nederland op grond van art. 11 BRK zonder meer heffingsbevoegd geweest tot een tarief van 15% omdat de belanghebbenden minder dan 25% belang hielden in [C] :
“Artikel 11
1. Dividend genoten door een inwoner van een van de landen en verschuldigd door een lichaam dat inwoner is van een van de andere landen, mag worden belast in eerstbedoeld land.
2. Indien in het land waarvan een lichaam dat dividend verschuldigd is, inwoner is, bij wege van inhouding een belasting van dividenden wordt geheven, laat het eerste lid zodanige belasting onverlet met dien verstande, dat het tarief 15 percent niet te boven gaat.
3. (…).”
4.9
Recent heeft de regering een Rijkswetsvoorstel tot wijziging van de Belastingregeling Nederland Curaçao11.naar de Tweede Kamer en de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gestuurd. In het voorgestelde art. 22 (nieuw) is de internationaal gestandaardi-seerde Principal Purpose Test opgenomen. Die legt geen directe relatie meer met bepalingen zoals art. 17(3) Wet Vpb. Volgens het voorstel kan de (Nederlandse) inspecteur de voordelen van (in dit geval) de BRNC (lage of geen dividendbelasting) weigeren als het verkrijgen van dit voordeel een van de voornaamste redenen was voor een constructie.12.
4.10
Nu de belanghebbenden op Curaçao zijn gevestigd, is het toepasselijke Unierecht niet de EU-Moeder/dochterrichtlijn (MDR)13.en de vestigingsvrijheid, maar het vrije kapitaalverkeer (dat ook geldt in de verhouding met niet-lidstaten) en het LGO14.-besluit (of Associatiebesluit) 2013 van de Raad van de Unie15.zoals dat gold tussen 2014 en 2021.Dat Associatiebesluit 2013 bepaalde onder meer:
“Artikel 59Lopende betalingen en kapitaalverkeer1. Er worden geen beperkingen opgelegd aan betalingen in vrij converteerbare munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Unie en van de LGO. 2. De lidstaten en de autoriteiten van de LGO leggen, wat transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans betreft, geen beperkingen op aan het vrije verkeer van kapitaal voor directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van de gastlidstaat, het gastland of het gastgebied zijn opgericht en verbinden zich ertoe geen beperkingen op te leggen aan de liquidatie of repatriëring van deze investeringen en alle daaruit voortvloeiende opbrengsten. 3. De Unie en de LGO kunnen mutatis mutandis de in de artikelen 64, 65, 66, 75 en 215 van het VWEU bedoelde maatregelen treffen overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden. 4. De autoriteiten van de LGO, de betrokken lidstaat en de Unie stellen elkaar onmiddellijk ervan in kennis wanneer zij deze maatregelen nemen, en voorzien zo spoedig mogelijk in een tijdschema voor de opheffing ervan.
(…).
Artikel 65
Verbod op protectionistische maatregelen
De bepalingen van de hoofdstukken 1 en 2 mogen geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel vormen.
Hoofdstuk 3
Monetaire en fiscale vraagstukken
Artikel 66
Uitsluiting van belastingen
1. (…) [geen meestbegunstiging; PJW].
2. Niets in dit besluit mag worden uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of handhaven van maatregelen ter voorkoming van belastingfraude of belastingontduiking uit hoofde van de fiscale bepalingen van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of de geldende binnenlandse belastingwetgeving.
3. Niets in dit besluit mag worden uitgelegd als een beletsel voor de respectieve bevoegde autoriteiten om bij de toepassing van de relevante bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die in een verschillende situatie verkeren, in het bijzonder ten aanzien van hun woonplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.”
4.11
Het hieronder (7.3) te citeren arrest van het HvJ EU in de gevoegde zaken X BV en TBG Ltd is gewezen onder de voorganger van het LGO-Besluit 2013. Tot 2014 was het geciteerde art. 59 (kapitaalverkeer) vervat in art. 47 van het LGO-Besluit 2001,16.dat inhoudelijk dezelfde strekking had en als volgt luidde:
“1. Onverminderd het bepaalde in lid 2:
a) leggen de lidstaten en de autoriteiten van de LGO geen beperkingen op aan betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Gemeenschap en de LGO;
b) leggen de lidstaten en de autoriteiten van de LGO, wat betreft transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans, geen beperkingen op aan het vrije verkeer van kapitaal voor directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van het gastland of -gebied zijn opgericht en investeringen die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit zijn verricht; ook verbinden zij zich ertoe geen beperkingen op te leggen aan de liquidatie of repatriëring van deze investeringen en alle daaruit voortvloeiende opbrengsten.
2. De Gemeenschap, de lidstaten en de LGO kunnen mutatis mutandis de in de artikelen 57, 58, 59, 60 en 301 van het Verdrag bedoelde maatregelen treffen overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden. [...].”
4.12
Het in 4.9 hierboven geciteerde antimisbruikvoorbehoud in art. 66(2) LGO-Besluit 2013 was ook al opgenomen in het LGO-Besluit 2001 en luidde woordelijk nagenoeg gelijk. Art. 55(2) LGO-Besluit 2001, dat in de gevoegde HvJ-zaken X BV en TBG Ltd aan de orde was, luidde (tot 2014) als volgt:
“Hoofdstuk 4
Monetaire en fiscale vraagstukken
Artikel 55
Fiscale uitzonderingsclausule
1. (…) [geen meestbegunstiging; PJW].
2. Niets in dit besluit mag worden geïnterpreteerd als een beletsel voor het treffen of doen nakomen van maatregelen ter voorkoming van belastingontduiking of belastingfraude overeenkomstig de fiscale bepalingen van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of de plaatselijk geldende belastingwetgeving.
3. Niets in dit besluit mag worden geïnterpreteerd als een beletsel voor de respectieve bevoegde autoriteiten om bij de toepassing van de relevante bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die in een verschillende situatie verkeren, in het bijzonder ten aanzien van hun woonplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.”
4.13
Ik vermeld volledigheidshalve dat het in onze zaken toepasselijke LGO-Besluit 2013 op zijn beurt in 2021 weer is vervangen door het LGO-Besluit 2021,17.dat ook weer inhoudelijk dezelfde bepalingen bevat als de in 4.9 hierboven geciteerde bepalingen.
5. Wets- en Regelingsgeschiedenis
5.1
De Memorie van Toelichting18.bij de BRNC vermeldt onder meer het volgende:
“I.0 Inleiding
(…).
In november 2009 (…) is gebleken dat alle landen binnen het Koninkrijk de voorkeur geven aan bilaterale regelingen ter vermijding van dubbele belasting in plaats van één multilaterale regeling, zoals de BRK. Vanuit Nederlands perspectief zal de BRK worden opgevolgd door drie bilaterale regelingen19.(tussen twee landen binnen het Koninkrijk) die de vorm krijgen van een rijkswet omdat het regelingen betreffen die gelden binnen het Koninkrijk. Daarnaast kunnen de andere landen van het Koninkrijk onderling bilaterale regelingen overeenkomen. De inhoud van deze rijkswetten zal door middel van besprekingen tussen de verschillende landsoverheden tot stand moeten worden gebracht. Daar waar geen bilaterale regeling tot stand is gebracht, blijft de multilaterale BRK gelden. Als tussen alle landen binnen het Koninkrijk nieuwe bilaterale regelingen of eenzijdige regelingen ter vermijding van dubbele belasting gelden kan de BRK uiteindelijk vervallen. (…).
Bij het vormgeven van de onderhavige rijkswet is ervoor gekozen zoveel mogelijk uit te gaan van de situatie dat er tussen beide landen een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting zou (kunnen) worden gesloten. Hiermee wordt bereikt dat kan worden aangesloten bij de huidige internationale fiscale standaarden zoals neergelegd in het OESO-modelverdrag en dat voor verwezenlijking van nationaal fiscaal verdragsbeleid in grote mate gebruik kan worden gemaakt van bepalingen die ook in eerder gesloten belastingverdragen zijn opgenomen, wat de uitleg van de bepalingen en hierin besloten begrippen ten goede komt.
In de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 201120.(verder: NFV 2011) is het Nederlandse fiscale verdragsbeleid uiteengezet. Hier staat ook in dat de Nederlandse belastingverdragen in beginsel worden gebaseerd op het OESO-modelverdrag. Voor de onderhavige rijkswet is dit modelverdrag het vertrekpunt geweest, maar op onderdelen is evenwel van dat model afgeweken om beter aan te sluiten bij de fiscale stelsels en het fiscale beleid van Nederland en Curaçao en om recht te doen aan de koninkrijksrelatie tussen beide landen. De aansluiting bij het OESO-modelverdrag brengt met zich dat de toelichting bij dit modelverdrag (verder: het OESO-commentaar) van belang is voor de uitleg van de in de onderhavige rijkswet opgenomen bepalingen. Bij de artikelsgewijze toelichting in onderdeel II zal daarom steeds worden aangegeven in hoeverre de bepalingen overeenstemmen met de bepalingen van het OESO-modelverdrag en zullen afwijkingen worden toegelicht. (…).
(…)
I.2 Inhoud van de regeling
(…)
I.2.1 De behandeling van deelnemingsdividenden
Voor deelnemingsdividenden is een uitsluitende woonlandheffing overeengekomen, omdat beide landen (economische) dubbele belasting binnen concernverband onwenselijk achten. De (economische) dubbele belasting treedt bij deelnemingsdividenden in zijn algemeenheid op als door de toepassing van een deelnemingsvrijstelling geheven bronheffing niet kan worden verrekend in het woonland. Het onverkort afzien van bronheffing over deelnemingsdividenden kan evenwel oneigenlijk gebruik daarvan in de hand werken. Daarom zijn voor toepassing van de uitsluitende woonlandheffing nadere eisen gesteld aan het lichaam dat de dividenden ontvangt. Met het oog op de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid zijn de gevallen die voor de uitsluitende woonlandheffing in aanmerking komen concreet omschreven in een Limitation on Benefit- clausule (hierna: LOB-bepaling). Daarbij is aansluiting gezocht bij de belastingverdragen die Nederland recent heeft gesloten en die een dergelijke LOB-bepaling ook bevatten. Een LOB-bepaling is – kort gezegd – een bepaling die tot doel heeft de toegang tot een verdrag dan wel tot specifieke verdragsvoordelen uitsluitend te verlenen aan bepaalde kwalificerende personen. In de onderhavige regeling is bij het vormgeven van de categorieën kwalificerende personen een onderscheid beoogd tussen dividenden die worden uitgekeerd binnen een ondernemingstructuur en dividenden die worden uitgekeerd in een beleggingstructuur om recht te doen aan het hiervoor beschreven uitgangspunt om (economische) dubbele belasting binnen ondernemingstructuren zoveel mogelijk te voorkomen. (…).
I.2.2 Het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de regeling
De beschikbaarheid van een vrijstelling van bronheffing over deelnemingsdividenden is voor belastingplichtigen een belangrijk onderdeel van de regeling. Zoals in paragraaf I.2.1 is beschreven is in de regeling een LOB-bepaling opgenomen die oneigenlijk gebruik van de vrijstelling van bronheffing over deelnemingsdividenden beoogt te voorkomen. Voorts is in artikel 22 bepaald dat de regeling de toepassing van nationaalrechtelijke antimisbruikleerstukken en regels in zijn algemeenheid niet beperkt. Vanuit Nederlands perspectief heeft dit zowel gevolgen voor toepassing van het algemene leerstuk van «fraus legis» (wetsontduiking), als voor toepassing van wettelijke antimisbruikregels, zoals artikel 17, derde lid, onderdeel b, (Wet Vpb 1969). Wel is daarbij bepaald dat de bepalingen van artikel 17, derde lid, onderdeel b, Wet VPB 1969, geen afbreuk doen aan het recht op de voordelen van de regeling in gevallen waarin belastingplichtigen met inachtneming van de LOB-bepaling aanspraak maken op de voordelen die in artikel 10 zijn opgenomen.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
(…).
II.10 Dividenden (artikel 10)
Dit artikel betreft de verdeling van heffingsrechten over dividenden en is in hoofdzaak gebaseerd op artikel 10 van het OESO-modelverdrag. Op een aantal onderdelen wijkt de onderhavige bepaling af van het OESO-modelverdrag, hetgeen met name voortvloeit uit het opnemen van een uitsluitende woonlandheffing voor deelnemingsdividenden en de daaraan verbonden anti-misbruikbepaling (LOB-bepaling) (…). Daarnaast is – zulks eveneens in afwijking van het OESO-modelverdrag – in het veertiende lid het zogenoemd «aanmerkelijk belangvoorbehoud» opgenomen conform het Nederlandse verdragsbeleid (…). Voorts zij gewezen op de in artikel 22 opgenomen algemene anti-misbruikbepaling en de in de artikelen 30 en 32 opgenomen tijdelijke regelingen voor deelnemingsdividenden en dividenden uit aanmerkelijk belang van natuurlijke personen.
(…).
In het achtste lid is bepaald dat, in afwijking van de bepalingen van het tweede lid, het woonland van het dividenduitkerende lichaam zich dient te onthouden van heffing over het betaalde dividend, indien de in het andere land gevestigde uiteindelijk gerechtigde een lichaam is waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat voor ten minste 50 procent middellijk of onmiddellijk in eigendom is van natuurlijke personen die inwoner zijn van Nederland of Curaçao. Voorts dient dat lichaam onmiddellijk ten minste 10 procent van het kapitaal te bezitten van het lichaam dat de dividenden betaalt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ingevolge het eerste lid van artikel 22 van de regeling in misbruiksituaties vanuit Nederlands perspectief met name artikel 17, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 van toepassing kan zijn. Gedacht wordt in het bijzonder aan de situatie dat één of meer natuurlijke personen door het simpelweg «tussenschuiven» van een lichaam dat aan de gestelde bezitseisen voldoet de in dit onderdeel opgenomen vrijstelling van bronheffing zouden willen benutten.
(…)
II.22 Antimisbruik (artikel 22)
Op verzoek van Nederland is in de regeling een bepaling opgenomen die beoogt oneigenlijk gebruik van de regeling tegen te gaan.
Het eerste lid bepaalt dat de regeling toepassing van nationaalrechtelijke antimisbruik-leerstukken en -regels niet beperkt. Vanuit Nederlands perspectief heeft dit betrekking op de toepassing van het Nederlandse algemene leerstuk van «fraus legis» (wetsontduiking) en op in de belastingwetgeving opgenomen antimisbruikbepalingen zoals de zogenoemde «buitenlands aanmerkelijk belang»-regeling die is opgenomen in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969.
Naast de in het onderhavige artikel opgenomen antimisbruikbepaling, zijn ook in artikel 10 (dividenden) reeds bepalingen opgenomen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitsluitende woonlandheffing voor deelnemingsdividenden. Zonder nadere voorziening is het denkbaar dat de in het eerste lid opgenomen algemene antimisbruikregeling tot gevolg heeft dat de in artikel 10, derde lid, opgenomen voordelen waarop belastingplichtigen met inachtneming van de in dat artikel opgenomen antimisbruikbepalingen aanspraak kunnen maken, weer worden teruggenomen. Met name is dat denkbaar bij de toepassing van het reeds genoemde artikel 17, derde lid, van de Wet Vpb 1969. Het tweede lid beoogt een dergelijke ongewenste opeenstapeling van de in de regeling opgenomen antimisbruikmaatregelen te voorkomen. Bepaald is daarom dat artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969, geen toepassing vindt ter zake van door een lichaam dat inwoner is van Curaçao gehouden belang in een in Nederland gevestigd lichaam indien ter zake van dat belang aanspraak gemaakt kan worden op de voordelen van artikel 10, derde lid, al dan niet in samenhang met artikel 10, vijfde lid van de regeling. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat artikel 17, derde lid, van de Wet Vpb 1969, buiten toepassing blijft ter zake van dividenden en vermogenswinsten, indien de desbetreffende aandeelhouder aanspraak kan maken op het in artikel 10, derde lid, van de regeling opgenomen vrijstelling van bronheffing over deelnemingsdividenden.
Zoals bij artikel 10, achtste lid, van de regeling reeds is toegelicht, is ongewenst of oneigenlijk gebruik van de daarin besloten voordelen niet uitgesloten. Aangezien artikel 10 niet reeds voorziet in een hierop gerichte antimisbruikbepaling, is de in het eerste lid van het onderhavige artikel opgenomen bepaling onverkort van toepassing.”
5.2
De Nota naar aanleiding van het verslag21.bij de behandeling van de BRNC vermeldt onder meer het volgende:
“De behandeling van deelnemingsdividenden
(…).
Voor Curaçao is vooral van belang dat Curaçao een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat behoudt. Met de BRNC beoogt Curaçao bedrijven met economische substantie te behouden en aan te trekken. Dit heeft een positief effect voor de loon- en omzetbelasting. Daarnaast heeft de hiermee gepaard gaande werkgelegenheid een matigend effect op de socialezekerheidsuitgaven.
(…).
Door artikel 17, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969, uit te sluiten indien aan de vereisten in de LOB-bepaling is voldaan, wordt een opeenstapeling van anti-misbruikbepalingen voorkomen en wordt voorkomen dat er in de bedoelde gevallen verschillende maatstaven worden toegepast om te bepalen of aanspraak kan worden gemaakt op uitsluitende woonlandheffing.
(…).
De leden van de fractie van de SP vragen naar het risico op dubbele niet-heffing als uitsluitende woonlandheffing wordt opgenomen wanneer het woonland geen dividendbelasting kent. Het doel van de uitsluitende woonlandheffing is om dubbele belasting over ondernemingwinsten te voorkomen. In zijn algemeenheid worden winsten die worden behaald met ondernemings-activiteiten belast met winstbelasting. Als bij uitkering van deze winsten ook bronheffing wordt geheven, treedt dubbele belasting op over deze winsten als de bronbelasting niet kan worden verrekend met de belasting die de aandeelhouder is verschuldigd over het ontvangen dividend. In deelnemingsverhoudingen, waarop de uitsluitende woonlandheffing betrekking heeft, is dat veelal het geval. Het feit dat het woonland – in dit geval Curaçao – geen dividendbelasting kent, levert in deze zin geen dubbele niet-heffing op omdat de ondernemingswinsten (waaruit de dividenden worden geput) op vennootschapsniveau met winstbelasting worden belast in het land (in dat geval Nederland) waar de ondernemingsactiviteiten plaatsvinden; het niet-heffen van dividendbelasting doet daar niet aan af.
De leden van de fractie van de PvdA vragen voorts hoe het met de LOB-bepaling aangebrachte onderscheid tussen dividenden uitgekeerd binnen ondernemingsstructuren en beleggingstructuren recht doet aan het uitgangspunt om dubbele belasting te voorkomen.
Bij ondernemingsstructuren zijn dividenden veelal vrijgesteld door de deelnemingsvrijstelling en ontbreekt daardoor de mogelijkheid tot verrekening van bronbelasting op dividenden. Bij beleggingstructuren zijn dividenden in de regel niet vrijgesteld bij de dividendgenieter en is er vanuit de hierboven beschreven optiek geen aanleiding om te voorzien in vrijstelling van bronbelasting. Door de aanwezige verrekeningsmogelijkheid is er bij beleggingstructuren in beginsel geen sprake van een zodanige dubbele belasting.
(…).
Artikelsgewijze toelichting
(…).Antimisbruik (artikel 22)
(…).
De leden van de fractie van de PAIS vragen waarom het tweede lid van artikel 22 (anti-misbruik) dat de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969 uitsluit indien aan de voorwaarden van de LOB-bepaling is voldaan niet verwijst naar het artikel 10, achtste lid (dividenden).
Artikel 10, achtste lid, bevat een uitsluitende woonlandheffing over dividenden indien het dividendontvangende lichaam voor ten minste 50 procent middellijk of onmiddellijk in eigendom is van natuurlijke personen die inwoner zijn van Nederland of Curaçao. Het uitgangspunt voor de belastingheffing over dividenden die worden betaald aan natuurlijke personen is evenwel het in artikel 10, tweede lid opgenomen tarief van 15 percent. Op verzoek van Curaçao is de bepaling opgenomen dat vennootschappen die in handen zijn van natuurlijke personen voor uitsluitende woonlandheffing kunnen kwalificeren. Daarbij is onderkend dat deze bepaling kan leiden tot het onbedoeld ontgaan van de 15 percent belastingheffing over dividenden die worden betaald aan natuurlijke personen. Aangezien artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969, dergelijke situaties tegengaat is de toepassing van dat artikel met betrekking tot artikel 10, achtste lid, voorbehouden in artikel 22, tweede lid. Voor een goed begrip van deze bepaling wordt opgemerkt dat de uitsluitende woonlandheffing niet van toepassing is als de Curaçaose vennootschap die het dividend ontvangt de aandelen in de Nederlandse vennootschap houdt met als voornaamste doel of één van de voornaamste doelen de heffing van dividendbelasting of inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen bestaande of nieuwe situaties.”
5.3
Art. 17(3)(b) Wet Vpb is per 1 januari 2016 aangepast22.aan de aanscherping van de antimisbruikbepalingen in de EU-Moeder/dochterrichtlijn (MDR).23.De MvT24.bij deze aanpassing vermeldde onder meer het volgende (ik laat voetnoten weg):
(p. 3) “De antimisbruikbepaling bevat een subjectieve en een objectieve test. Op grond van de subjectieve test wordt bekeken of het hoofddoel of een van de hoofddoelen van de constructie is om een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de strekking van de MDR ondermijnt. Op grond van de objectieve test wordt bekeken of de constructie of reeks van constructies kunstmatig is opgezet. Een constructie of reeks van constructies is kunstmatig voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.”
(p. 5) “De nieuwe antimisbruikbepaling uit de MDR wordt geïmplementeerd in de buitenlandse AB-regeling. Voorgesteld wordt om de terminologie van de buitenlandse AB-regeling [art. 17(3)(b) Wet Vpb; PJW] en de inhoudingsplicht bij coöperaties in geval van misbruik meer in overeenstemming te brengen met die van de bepaling in de MDR. Het onderscheid in de wettekst tussen belangen die wel en niet tot het ondernemingsvermogen behoren, komt daarmee te vervallen. Bij de aanpassingen wordt gekozen voor een wereldwijde benadering. Vergelijkbare (ontgaans) structuren worden aldus gelijk behandeld ongeacht of de buitenlandse vennootschap binnen of buiten de EU is gevestigd. Dit sluit ook aan bij de internationale ontwikkelingen, zoals de ontwikkelingen in het kader van het BEPS-project. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde antimisbruikbepalingen zal in de praktijk voor beleggingsstructuren materieel de huidige lijn worden voortgezet. Dat wil zeggen dat bij belangen die ter belegging worden gehouden, wordt geheven op grond van de buitenlandse AB-regeling. Voor ondernemingsstructuren zullen de wijzigingen betekenen dat heffing op grond van de buitenlandse AB-regeling en de inhoudingsplicht bij niet-reële coöperaties aan de orde is indien er onvoldoende substance aanwezig is bij degene die het belang rechtstreeks houdt. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.”
(p. 8) “De terminologie van de buitenlandse AB-regeling wordt meer in overeenstemming gebracht met die van de bepaling uit de MDR. Het onderscheid in de wettekst tussen belangen die wel en niet tot het ondernemingsvermogen behoren, komt daarmee te vervallen. Dit betekent dat in alle gevallen moet worden getoetst of het belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belastingheffing en de structuur niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. De terminologie van «het hoofddoel of een van de hoofddoelen» vervangt de huidige terminologie van «het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen»; daarmee is geen wijziging van de bestaande praktijk beoogd.”
(p. 9) “Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt. Van geldige zakelijke redenen zal in ieder geval sprake zijn indien de vennootschap die het belang houdt een materiële onderneming drijft en het aanmerkelijk belang ook functioneel tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend. Ook een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep kan worden geacht het aanmerkelijk belang om geldige zakelijke redenen te houden. Indien de vennootschap die het belang rechtstreeks houdt zelf geen materiële onderneming drijft, kan niettemin sprake zijn van geldige zakelijke redenen indien deze vennootschap als tussenhoudster een zogenoemde schakelfunctie vervult. Van een schakelfunctie is sprake indien de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en).
Wat onder een schakelfunctie moet worden verstaan is aan de orde gekomen tijdens de parlementaire behandeling van de wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling in het wetsvoorstel
Overige fiscale maatregelen 2010. De geldige zakelijke redenen zullen bij de tussenhoudster bovendien tot uitdrukking moeten komen in de aanwezigheid van substance. Bij onvoldoende substance in de schakelende vennootschap is er sprake van een kunstmatige constructie en vindt – uitgaande van een motief om inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan – heffing van vennootschapsbelasting plaats. Dit houdt een wijziging in ten opzichte van de huidige regeling, waarbij indien het belang behoort tot het vermogen van een onderneming in de vorm van een schakelende houdster, geen aanvullende eisen worden gesteld ten aanzien van de substance van die schakelende houdster. Bij de beoordeling van de substance van de houdstervennootschap zal worden gekeken of het lichaam, zou het in Nederland gevestigd zijn, voldoet aan de voorwaarden voor het in behandeling nemen van een verzoek tot zekerheid vooraf voor de houdsteractiviteiten van dat lichaam.”
5.4
De Nota naar aanleiding van het verslag25.bij deze 2016-aanpassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb vermeldt onder meer het volgende:
(p.7) “De leden van de fractie van het CDA vragen een aantal voorbeelden van geldige zakelijke redenen en een aantal voorbeelden zonder geldige zakelijke redenen. Voor de toepassing van de buitenlandse AB-regeling is sprake van geldige zakelijke redenen indien de buitenlandse vennootschap die het belang in de Nederlandse vennootschap houdt een materiële onderneming drijft en het aanmerkelijk belang ook functioneel tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Van geldige zakelijke redenen is ook sprake als de vennootschap die het belang rechtstreeks houdt zelf geen materiële onderneming drijft, maar wel een schakelfunctie vervult en er voldoende substance aanwezig is. Van een schakelfunctie is sprake indien de tussenhoudster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en).
Van geldige zakelijke redenen is geen sprake als het aanmerkelijk belang ter belegging wordt aangehouden. Van geldige zakelijke redenen is ook geen sprake als de tussenhoudster die een schakelfunctie vervult niet over voldoende substance beschikt. Dit is bijvoorbeeld het geval als er in het land van vestiging van de tussenhoudster geen bestuurders zijn aangesteld.
De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet situaties ziet waarin het aanmerkelijk belang wel tot het ondernemingsvermogen behoort, maar functioneel niet tot het ondernemings-vermogen kan worden gerekend. Een belang wordt geacht functioneel niet tot het ondernemingsvermogen te behoren als het houden van het belang geen band heeft met het drijven van een onderneming van de aanmerkelijkbelanghouder.”
(p. 11) “De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet van mening is dat bij de uitleg en de toepassing van bepalingen van de MDR, de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU inzake antimisbruik tot richtsnoer moeten worden genomen, ook wat betreft de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen. Het kabinet is dit inderdaad van mening. De jurisprudentie van het HvJ EU inzake misbruik is ontwikkeld naar aanleiding van de bepalingen inzake het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging. De uitleg van de MDR dient te geschieden in overeenstemming met het primaire EU recht. Als het gaat om de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen dan geldt hierbij dat deze in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het EU-werkingsverdrag inzake het vrij verkeer van kapitaal dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort ook jurisprudentie inzake antimisbruik.”
5.5
Tussen 2012 tot 2016 luidde art. 14(1)(b) Wet Vpb zoals weergegeven in 4.6 hierboven. In 2012 werd het nog steeds geldende misbruikcriterium ingevoerd dat de belastingplichtige het a.b. houdt met als (één van de) voornaamste doel(en) om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelastingheffing bij een ander te ontgaan. De MvT bij het Belastingplan 2012 vermeldt over dat motiefvereiste onder meer het volgende:26.
“2.2.4. Buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling Een in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang heeft in een Nederlandse vennootschap wordt in bepaalde gevallen voor de dividenden uit en de vervreemdingsvoordelen op de aandelen in die vennootschap in de vennootschapsbelastingheffing betrokken (buitenlandse AB-regeling). Deze heffing geldt alleen indien het aanmerkelijk belang niet behoort tot het ondernemingsvermogen van het in het buitenland gevestigde lichaam. Over de verenigbaarheid van de buitenlandse AB-regeling met het EU-recht zijn vragen gerezen omdat in puur Nederlandse verhoudingen veelal niet wordt geheven, bijvoorbeeld omdat de deelnemingsvrijstelling kan worden toegepast. Tijdens de behandeling van de Wet werken aan winst is reeds het voornemen geuit de buitenlandse AB-regeling op dit punt aan te passen.27.
Inmiddels heeft ook de Europese Commissie hierom in een met redenen omkleed advies verzocht.28.Het geheel afschaffen van de buitenlandse AB-regeling, zoals wel wordt bepleit, acht het kabinet niet wenselijk. Hoewel de regeling de facto slechts in zeer beperkte mate wordt toegepast, vervult deze in de praktijk een belangrijke rol bij het tegengaan van kunstmatige constructies met als doel de heffing van inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Daarom wordt voorgesteld om dit anti-ontgaanskarakter meer expliciet in de tekst van de regeling tot uitdrukking te brengen. Het treffen van gerichte anti-misbruikbepalingen is EU-rechtelijk toegestaan. Daartoe wordt aan de buitenlandse AB-regeling als additionele voorwaarde toegevoegd dat het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam moet worden gehouden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting bij een ander. Met betrekking tot die ander kan worden gedacht aan een of meer van de (directe of indirecte) aandeelhouders van het in het buitenland gevestigde lichaam. De voorwaarde dat het aanmerkelijk belang niet tot het ondernemingsvermogen van dat in het buitenland gevestigde lichaam behoort, blijft hierbij gehandhaafd. Voor de situatie waarin het aanmerkelijk belang tot het ondernemingsvermogen van het buitenlandse lichaam behoort, wijzigt er dus niets. Met de voorgestelde gerichtere toepassing van de buitenlandse AB-regeling zijn dan ook geen wijzigingen beoogd ten opzichte van de huidige uitvoeringspraktijk. Wordt het aanmerkelijk belang door het buitenlandse lichaam, buiten ondernemingsverband, alleen gehouden om heffing van dividendbelasting te ontgaan (en dus niet mede om inkomstenbelasting te ontgaan), dan zal de vennootschapsbelastingheffing verder worden gesteld op 15% over de ontvangen dividenduitdelingen. Aldus wordt ook in deze situatie meer aansluiting bereikt tussen de heffing van vennootschapsbelasting en de belasting die wordt ontgaan.”
(p. 105 en 106) “Ingevolge de huidige tekst van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb 1969 geldt een buitenlandse belastingplicht voor in het buitenland gevestigde lichamen met een niet tot het ondernemingsvermogen behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. Voorgesteld wordt om voor toepassing van deze regeling als aanvullende (beperkende) voorwaarde op te nemen dat de belastingplichtige dit aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelastingheffing bij een ander te ontgaan. Voor de invulling van dit criterium kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van anti-ontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken over «volstrekt kunstmatige constructies».29.Dit begrip dient hierbij overigens niet te beperkt te worden uitgelegd. De aanwezigheid van enig (bijkomend) niet-fiscaal motief hoeft nog niet te betekenen dat geen sprake meer kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie met als doel om de normaal verschuldigde belasting te ontwijken. Van een volstrekt kunstmatige (ontgaans)constructie kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een buiten de EU gevestigde aandeelhouder met een belang in een Nederlandse vennootschap, een EU-lichaam tussenschuift om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft. Ook bundelingsstructuren waarbij portfolio-belangen van buitenlandse beleggers in Nederlandse vennootschappen worden «gebundeld» via een buitenlandse entiteit om dividendbelasting te ontgaan, kunnen als volstrekt kunstmatig worden aangeduid indien de buitenlandse entiteit bijvoorbeeld niet in voldoende mate beschikt over kwalitatief personeel met voldoende bevoegdheden met betrekking tot het belang in de Nederlandse vennootschap. Om te bepalen of er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie moet volgens de mededeling van de Europese Commissie van 19 december 2006 een vergelijkende analyse worden gemaakt of de economische realiteit overeenkomt met de juridische vorm.30.Objectieve elementen voor het beoordelen van de economische realiteit zijn onder meer de plaats van werkelijke leiding, de tastbare aanwezigheid van de vestiging (substance) en het reële commerciële risico dat de entiteit draagt. Of in een concreet geval sprake is van een volstrekt kunstmatige ontgaansconstructie zal evenwel van geval tot geval, op basis van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, moeten worden beoordeeld.
Ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de Wet Vpb 1969 wordt de vennootschapsbelastingheffing gesteld op 15% over de ontvangen dividenduitdelingen indien het aanmerkelijk belang alleen wordt gehouden om de heffing van dividendbelasting te ontgaan. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de heffingsgrondslag van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965), hetgeen past in de lijn om de buitenlandse AB-regeling verder om te vormen tot een gerichte anti-misbruikbepaling. Het tarief van 15% wordt geëffectueerd door het in aanmerking te nemen belastbare inkomen slechts voor een evenredig gedeelte in aanmerking te nemen bij het bepalen van de heffingsgrondslag.”
5.6
De nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2012 vermeldt over art. 17(3)(b) Wet Vpb onder meer:31.
“Voorts heeft de NOB enkele vragen met betrekking tot het ontgaansmotief. Naar aanleiding van de vraag naar de wijze waarop wordt bepaald wat het voornaamste doel of één van de voornaamste doelen is van het houden van een belang binnen een bepaalde structuur, wordt voor toepassing van de buitenlandse AB-regeling, evenals bij de voorgestelde inhoudingsplicht voor de coöperatie, gekeken of aan het buitenlandse lichaam een reële functie kan worden toegekend en wat de motieven zijn om het aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap te houden. Op basis daarvan wordt beoordeeld of bij het buitenlandse lichaam het accent ligt op het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Om te bepalen of een motief is gelegen in het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat het buitenlandse lichaam het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt, ten opzichte van de situatie dat de achterliggende aandeelhouder(s) van het in het buitenland gevestigde lichaam het belang in de Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou(den) houden, dus zonder tussenkomst van dat in het buitenland gevestigde lichaam. Indien de situatie zonder tussenkomst van het in het buitenland gevestigde lichaam niet zou leiden tot een hogere Nederlandse inkomstenbelasting- of dividendbelastingclaim, zal er geen sprake zijn van ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting. Deze toetsing vindt steeds plaats op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de Nederland gevestigde vennootschap opkomt, hetgeen bijvoorbeeld relevant is bij latere wijzigingen in de concernstructuur (doorlopende toets). Bij de invulling van de ontgaanstoets dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken van een «volstrekt kunstmatige constructie». Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt naar aanleiding van de vragen van de leden van de fractie van het CDA.32.
De NOB merkt op dat in zuiver Nederlandse verhoudingen het gebruikelijk is om een aanmerkelijk belang via een persoonlijke houdstervennootschap te houden, onder meer om de heffing van inkomstenbelasting uit te kunnen stellen tot het moment dat de aandeelhouder/ natuurlijk persoon voordelen ter zake van zijn aandelen in de houdstervennootschap geniet. Voor de vraag hoe een dergelijke structuur uitwerkt in internationale verhoudingen, naar ik aanneem wordt gedoeld op een in het buitenland woonachtig natuurlijk persoon met een in het buitenland gevestigde houdstervennootschap die de aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap houdt, is bepalend of sprake is van een ontgaansconstructie. Zoals hiervoor uiteengezet is, zal dit van geval tot geval, op basis van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, moeten worden beoordeeld. Naar aanleiding van het verzoek van de NOB om aan te geven wanneer een houdster voldoende «massa» heeft op grond waarvan de buitenlandse AB-regeling niet aan de orde zal zijn, kan in algemene zin dan ook geen uitspraak worden gedaan. Concrete situaties kunnen uiteraard wel worden voorgelegd aan de Belastingdienst.(…).
In reactie op de vraag van de NOB met betrekking tot de bewijslastverdeling wordt opgemerkt dat voor de toepassing van de buitenlandse AB-regeling de gebruikelijke vrije bewijsleer geldt. Het is primair aan de inspecteur om te stellen dat de buitenlandse AB-regeling van toepassing is. Indien de belanghebbende deze stelling gemotiveerd heeft betwist, is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als voornaamste doel of één van de voornaamste doelen om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming. De belanghebbende kan hierbij geen passieve positie innemen, omdat juist deze partij over de relevante informatie beschikt.”
5.7
Op 1 januari 2018 is de in onze zaken toepasselijke regeling van art. 17(3) Wet Vpb verplaatst naar art. 4(3) Wet DivB bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling.33.Bij de totstandkoming van die wet heeft de medewetgever te kennen gegeven dat de onder art. 17(3) Wet Vpb uitgezette lijn wordt voortgezet:34.
"Ingevolge de Wet implementatie van de wijzigingen van de Moederdochterrichtlijn 2015 zijn met ingang van 1 januari 2016 de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (…) en de Wet op de dividendbelasting 1965 (…) opgenomen bepalingen voor de bestrijding van misbruik in moeder-dochterrelaties aangepast. De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen antimisbruikbepaling borduurt voort op die aanpassingen: Dit betekent dat er geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen beleggen en ondernemen. Voor de vraag of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is dient eerst op het niveau van de aandeelhouder die het belang onmiddellijk houdt, dan wel het lid, te worden getoetst of sprake is van misbruik. Dit betekent dat nog steeds in alle gevallen - dus zowel wanneer het belang tot het ondernemingsvermogen behoort als wanneer dat niet het geval is - getoetst moet worden of het belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets), en zo ja, of er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets). Net als bij de huidige antimisbruik-bepalingen wordt een constructie als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van het lichaam dat het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt. Bij de objectieve toets speelt het ondernemingsvereiste een rol bij het vaststellen of sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Daarvan is namelijk bijvoorbeeld sprake als de aandeelhouder die het belang in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt een materiële onderneming drijft en dat belang ook functioneel tot het vermogen van die onderneming kan worden gerekend. Ook bij een schakelende tussenhoudster is er sprake van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen indien voldaan wordt aan de criteria voor relevante substance."
5.8
De Staatssecretaris van Financiën heeft als volgt geantwoord op vragen tijdens het wetsoverleg van 30 oktober 2017 over deze verplaatsing van de antimisbruikregeling, opnieuw benadrukkend dat geen inhoudelijke wijziging werd beoogd en dat “voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting kan worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (…) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht:”35.
“Mevrouw De Vries vraagt of het klopt dat de antimisbruikbepaling nog steeds een ondernemingsvereiste bevat dat mogelijk strijdig is met het recht van de Europese Unie (EU) en, zo nee, waarom er geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht. Op basis van de voorgestelde antimisbruikbepaling is niet per definitie sprake van misbruik enkel en alleen vanwege het ontbreken van een materiële onderneming. De voorgestelde antimisbruikbepaling borduurt voort op de thans al in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) en in de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) opgenomen antimisbruikbepalingen voor de bestrijding van
misbruik in moeder-dochterrelaties die ingevolge de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 met ingang van 1 januari 2016 zijn aangescherpt. Dit betekent dat er geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten aanzien van het in de praktijk bestaande begrippenkader, waaronder de begrippen beleggen en ondernemen. Bovendien kan voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht.36.Ten aanzien van het ondernemingsvereiste is het kabinet van mening dat er naar de huidige stand van de jurisprudentie van het HvJ EU geen sprake is van strijdigheid met het EU-recht.”
6. Literatuur37.
6.1
Volgens Marres38.is het wegdenkcriterium niet beslissend bij de toepassing van de ‘subjectieve toets’ van (de opvolger van) art. 17(3)(b) Wet Vpb en noopt de rechtspraak van het HvJ EU ertoe dat ook bij de ‘subjectieve’ toets tegenbewijs kan worden geleverd (ik laat voetnoten weg):
“Misverstand 1: De wetsgeschiedenis is leidend bij de interpretatie van de misbruiktoets
Misverstand 1 is een begrijpelijk misverstand vanwege het grote belang dat de Hoge Raad aan de wetsgeschiedenis pleegt toe te kennen. Dat belang is er echter in mindere mate bij de implementatie van Unierecht, en daar is hier nu juist sprake van: de antimisbruikbepaling in de dividendbelasting is een implementatie van de antimisbruikbepaling uit de Moederdochterrichtlijn 2011/96. In zulke gevallen moet volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU het nationale recht zo veel mogelijk in overeenstemming met de richtlijn worden uitgelegd, en is de nationale wetsgeschiedenis dus niet doorslaggevend, tenzij het duidelijk de welbewuste bedoeling van de nationale wetgever is om van het Unierecht af te wijken (maar dat laatste is in casu niet het geval). Ook buiten de reikwijdte van de Moeder-dochterrichtlijn 2011/96 is het Unierechtelijke misbruikbegrip van belang. Ten eerste omdat de inhoudingsvrijstelling in internationale verhoudingen ook dient ter voorkoming van strijd met de verkeersvrijheden (de vestigingsvrijheid en de vrijheid van kapitaalverkeer), en uit het Unierechtelijke antimisbruikbeginsel volgt dat Nederland de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen moet weigeren in geval van misbruik. (Het is zelfs mogelijk dat het EU-misbruikbegrip nog een ruimere strekking heeft omdat zou kunnen worden verdedigd dat de nationale wetgever heeft beoogd om het Unierechtelijke misbruikbegrip ook toe te passen buiten de reikwijdte van het Unierecht, maar die mogelijkheid laat ik hier verder buiten beschouwing.) Hoewel ik grote waardering heb voor zowel de omvang als het leeuwendeel van de inhoud van het verzette werk, is het belang van de parlementaire geschiedenis daarom, naar mijn mening, in dit geval beperkt. Wij moeten ons bij de uitleg van de antimisbruikbepaling met name richten op de jurisprudentie van het HvJ EU.
Misverstand 2: De wegdenkgedachte is beslissend bij de toepassing van de ‘subjectieve toets’
Volgens het HvJ EU is voor het bewijs dat sprake van misbruik ‘enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat’. In de MvT wordt opgemerkt dat volgens de antimisbruikbepaling sprake is van misbruik ‘indien – kort gezegd – de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets)’. Dat is een adequate benadering: de objectieve toets is wat anders geformuleerd, maar het is redelijk om aan te nemen dat het doel van de richtlijn niet wordt bereikt indien de voordelen worden toegekend aan kunstmatige constructies.
Over de objectieve toets later meer, ik vestig de aandacht thans op de subjectieve toets. Die wordt even verderop in de MvT toegelicht, en daarbij wordt opgemerkt dat ‘een vergelijking [wordt] gemaakt tussen de situatie dat de aandelen (…) in het uitdelende, in Nederland gevestigde lichaam worden gehouden door de belastingplichtige (het lichaam dat de aandelen (…) in het in Nederland gevestigde lichaam onmiddellijk houdt), ten opzichte van de situatie dat de aandelen (…) rechtstreeks zouden worden gehouden door de achterligger(s) die – onmiddellijk of middellijk – de aandelen (…) in de belastingplichtige bezit(ten), dus zonder tussenkomst van de belastingplichtige (de zogenoemde wegdenkgedachte)’. Hier gaat het mis. De wegdenkgedachte is een nuttig uitgangspunt om misbruik te toetsen (het is verdacht als een vennootschap wordt tussengeschoven die – afgezien van de antimisbruikbepaling – recht heeft op inhoudingsvrijstelling terwijl de indirecte aandeelhouder dividendbelasting zou zijn verschuldigd), maar het is niet uitgesloten dat er een ander, niet fiscaal motief voor de inschakeling van de belastingplichtige bestond. De tegenbewijsmogelijkheid van de belastingplichtige mag daarom niet worden beperkt tot de ‘objectieve toets’, maar moet de belastingplichtige de kans bieden om andere motieven aannemelijk te maken. Ten onrechte wordt in de wetsgeschiedenis echter de misbruikbedoeling als een gegeven verondersteld wanneer de belastingplichtige in een gunstigere dividendbelastingpositie verkeert. De Hoge Raad lijkt deze visie helaas te volgen. Hoewel de Hoge Raad zich duidelijk rekenschap geeft van het belang van de jurisprudentie van het HvJ EU, meen ik dat hij wel duidelijker zou kunnen aangeven dat de tegenbewijsmogelijkheid ook moet zien op het motief van de inschakeling van de belastingplichtige.”
6.2
Cornelisse39.acht de opvatting van de medewetgever over de betekenis van het wegdenkcriterium een ‘fundamentele denkfout’:
“Indien de toepassing van de wegdenkgedachte tot gevolg heeft dat bij de achterliggende aandeelhouder (…) een hogere inkomstenbelastingheffing verschuldigd zou zijn dan de door de buitenlandse belastingplichtige verschuldigde belasting is daarmee – in de optiek van de wetgever – gegeven dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang door de directe aandeelhouder gelegen is in het ontgaan van de heffing van inkomstenbelasting bij een ander. Slechts de objectieve toets kan alsdan nog soelaas bieden. Naar mijn mening bevat de aan de toepassing van de wegdenkgedachte verbonden gevolgtrekking een fundamentele denkfout. (…).
Het komt mij voor dat uit het feit dat de belastingheffing lager is mét gebruikmaking van de buitenlandse houdstermaatschappij dan zonder die houderstermaatschappij, niet per definitie de conclusie kan worden getrokken dat het gebruiken van die houdstermaatschappij zijn reden vindt in de fiscaliteit. Los van dit fundamentele bezwaar van het gebruikmaken van de wegdenkgedachte leidt de toepassing daarvan in een aantal gevallen tot ongerijmde gevolgen. Ter illustratie diene het volgende voorbeeld. Een natuurlijk persoon, inwoner van Nederland, houdt alle aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap die op haar beurt alle aandelen houdt in een in Nederland gevestigde vennootschap die een winkelketen in Nederland exploiteert. Afgezien van courante beleggingen en de aandelen in haar dochtermaatschappij bezit de houderster-maatschappij geen activa (of schulden). Stel nu dat de natuurlijke persoon naar België emigreert. Gelet op de geringe substance die de houdstermaatschappij heet, kan bepaaldelijk niet worden uitgesloten dat met de emigratie van de natuurlijke persoon ook de feitelijke leiding van de houdstervennootschap wordt verplaatst naar België. Niemand zal toch willen betwisten dat het gebruikmaken van een houdstermaatschappij een volstrekt gebruikelijke situatie betreft en veelal geïnspireerd wordt door niet-fiscale redenen. Ook aan de emigratie van de natuurlijke persoon kunnen talloze niet-fiscale redenen ten grondslag liggen. De migratie van de houdstervennootschap is een gevolg van de emigratie van de natuurlijke persoon en bijgevolg niet fiscaal geïnspireerd. Het is toch – op z’n minst – curieus te noemen dat in zo’n geval art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969 toepassing zou vinden?
(…).
Toepassing van die bepaling komt in een nog vreemder daglicht te staan indien rekenschap wordt gegeven van de omstandigheid dat de ab-claim op de meerwaarde begrepen in de aandelen in de houdstervennootschap – onder het huidige recht – volledig wordt veiliggesteld door het opleggen van een conserverende aanslag aan de emigrant. (…).”
6.3
Ook Weber heeft twijfels bij de EU-rechtelijke houdbaarheid van de Nederlandse bewijslastverdeling bij de toepassing van (art. 17(3)(b) Wet Vpb en diens opvolger) art. 4(3) Wet Divb (ik laat voetnoten weg):
“(…) in het verloop van de parlementaire behandeling werd door de wetgever echter sterk de nadruk gelegd op het feit dat Nederland de voordelen van de MDR alleen op geldstromen binnen ondernemingsstructuren toekent. Indien dit het uitgangspunt is, dan is de objectieve toets beperkt tot lichamen die een materiële onderneming drijven of die een schakelfunctie hebben. Wanneer dit het geval is, dan is art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965 een belastingregel van algemene strekking die bepaalde categorieën van belastingplichtigen automatisch van de voordelen van de MDR uitsluit en daarom, net als de Duitse regeling in Deister Holding & Juhler Holding, in strijd met de anti- misbruikbepaling van de MDR. Bovendien is bij deze uitleg sprake van een onweerlegbaar vermoeden en ook om die reden is, net als de regeling in Deister Holding & Juhler Holding, sprake van strijd met de MDR.”
6.4
En ook Ravelli (commentaar in NTFR 2018/47 op HvJ Deister en Juhler) betwijfelt de EU-rechtelijke houdbaarheid van de opvatting van de Staatssecretaris over de toepassing van de ‘subjectieve toets’ in art. 17(3)(b) Wet Vpb en diens opvolger art. 4(3) Wet DivB:
“Ook voor de subjectieve toets van art. 17, lid 3, onderdeel b, Wet VPB 1969 en art. 4, lid 3, Wet DB 1965 lijkt dit arrest [Deister en Juhler; PJW] gevolgen te hebben. Op basis van de parlementaire geschiedenis lijkt de staatssecretaris van mening dat indien het wegdenken van een tussenhoudster tot een hogere Nederlandse belastingclaim zou leiden, automatisch niet is voldaan aan de subjectieve toets. Buiten de objectieve toets (waar louter gekeken wordt naar substance) heeft de belastingplichtige in dat geval geen mogelijkheid om andere redenen (bijvoorbeeld van organisatorische of economische aard) aan te dragen voor diens structuur. Dit lijkt moeilijk te verenigen met de onderhavige zaak en de zaak Eqiom.”
7. Rechtspraak over art. 17(3)(b) Wet Vpb en over het kapitaalverkeer EU-LGO
7.1
HR BNB 2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster)40.betrof een in Nederland gevestigde houdstervennootschap (de belanghebbende) die in 2012 indirect beheerst werd door een natuurlijke persoon die in Zwitserland woonde. In 2010 werd de feitelijke leiding van de belanghebbende verplaatst naar Luxemburg, waar zij werd bestuurd door een trustkantoor. Zij had geen kantoorruimte en geen personeel. In 2011 was haar Nederlandse dochter een kasgeldvennootschap geworden. In 2012 ontving de belanghebbende van die Nederlandse dochter circa € 24 miljoen aan dividend. In geschil was de toepassing van de antimisbruikbepaling in art. 17(3)(b) Wet Vpb zoals die toen luidde (zie daarvoor 4.7 hierboven). De belanghebbende wenste vrijstelling van dividendbelasting; de Inspecteur meende dat belanghebbendes rol en verplaatsing naar Luxemburg voornamelijk dienden om belasting ten laste van de uiteindelijk gerechtigde te ontwijken. U overwoog als volgt:
“2.6.2. Uit Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94, blijkt dat naar de bedoeling van de wetgever de subjectieve voorwaarde [hoofddoel belastingvermijding; PJW] in beginsel is vervuld indien de achterliggende aandeelhouder(s) meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de belastingplichtige, dus als het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks zou worden gehouden. Deze voorwaarde wordt steeds getoetst naar de toestand op het moment dat het voordeel uit hoofde van het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap opkomt.
(…).
2.6.3.
De regeling van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet ((…) de regeling) geldt uitsluitend voor buitenlandse belastingplichtigen, terwijl bij binnenlandse belastingplichtigen in de door de regeling bestreken situaties veelal de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet toepassing vindt op het desbetreffende belang. Daarmee beperkt de regeling de vrijheid die een belastingplichtige heeft om zijn economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap (vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.6.3, laatste alinea). Met deze beperking kan de regeling echter in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde lichamen benadelen of belemmeren bij de uitoefening van hun door het VWEU gewaarborgde verkeersvrijheden en in strijd komen met de verplichtingen die voortvloeien uit de moeder-dochterrichtlijn. De subjectieve voorwaarde moet daarom zo worden uitgelegd en toegepast dat geen inbreuk op het Unierecht wordt gemaakt.
2.6.4.
Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de interpretatie en de toepassing van de subjectieve voorwaarde wordt toegesneden op de doelstelling in het algemeen belang die ermee wordt nagestreefd, te weten de bestrijding van belastingontwijking (zie Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16). Een zodanige doelstelling kan voor toepassing van artikel 49 VWEU slechts dienen ter rechtvaardiging van een beperking van de vestigingsvrijheid indien die beperking specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (zie HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes plc en Cadbury Schweppes Overseas Ltd, C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, punt 55). Hetzelfde heeft te gelden indien een lidstaat bepalingen uit de moeder-dochterrichtlijn buiten toepassing laat met een beroep op artikel 1, lid 2, van die richtlijn (vgl. HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C‑6/16, ECLI:EU:C:2017:641 (…), punt 64). Indien de hiervoor bedoelde constructies bedoeld zijn om door middel van misbruik aanspraak te maken op de rechten van de moeder-dochterrichtlijn, is de lidstaat zelfs verplicht om, overeenkomstig het algemene Unierechtelijke beginsel van verbod van misbruik, het genot van die rechten te weigeren (zie HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (hierna: het arrest T Danmark), gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, ECLI:EU:C:2019:135, punten 82 en 83). De wetgever heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij met artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet een regeling heeft willen treffen die zich verdraagt met de eisen die het recht van de Unie stelt, en dat voor de invulling van de subjectieve voorwaarde aansluiting bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan worden gezocht (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 16 en 105 en 106, en Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94).
2.6.5.
Hetgeen hiervoor in 2.6.3 en 2.6.4 is overwogen, is mede van belang voor de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van de regeling. Bij het onderzoek of met een constructie misbruik wordt nagestreefd, kan namelijk niet ermee worden volstaan vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen. In elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is (vgl. het arrest Eqiom en Enka, punt 32). Indien de inspecteur kan volstaan met het leveren van een zodanig begin van bewijs of zodanige aanwijzingen, moet de belastingplichtige de mogelijkheid worden geboden om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen voor de constructie blijkt (vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C‑504/16 en C‑613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 70).
2.6.6.
Bij de toepassing van de regeling is het uitgangspunt voor de bewijslastverdeling dat de inspecteur de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de subjectieve voorwaarde is vervuld, en dat hij deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94). Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het Unierecht (vgl. het arrest T Danmark, punt 117).
2.6.7.
Bij de toepassing van het Unierecht levert de vervulling van de subjectieve voorwaarde slechts een bewijsvermoeden op dat zich misbruik voordoet. Dit wordt bevestigd door het arrest T Danmark, punt 101. Indien een dergelijk bewijsvermoeden van misbruik bestaat, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit. Een concern kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 105 en 106, en het arrest T Danmark, punt 100). Het Hof heeft het hiervoor in 2.6.2 tot en met 2.6.7 overwogene niet miskend.”
7.2
Voor de relevante misbruikrechtspraak van het HvJ, met name de door u in het citaat hierboven genoemde zaken Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark, verwijs ik naar de gemene bijlage bij de twee conclusies van 26 mei 202341.over de vraag of de opvolger van het litigieuze art. 17(3)(b) Wet Vpb, de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb (zie 5.7 hierboven), de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting onthoudt aan twee familiehoudsters in België wegens misbruik.
7.3
De gevoegde zaken X BV en TBG Ltd42.voor het HvJ betroffen dividenduitkeringen door in Nederland gevestigde vennootschappen aan moedervennootschappen gevestigd op de toenmalige Nederlandse Antillen waarop 8,3% Nederlandse dividendbelasting was ingehouden die niet zou zijn ingehouden als de moeders in Nederland waren gevestigd. Uw prejudiciële verwijzing betrof onder meer de vraag of het vrije kapitaalverkeer ex art. (thans) 63 VwEU ook geldt tussen een lidstaat en zijn eigen LGO, dus binnen één Staat. U vroeg dat omdat het HvJ in een eerder arrest in de zaak Prunus43.voorbij was gegaan aan het LGO-Besluit en had geoordeeld dat het vrije kapitaalverkeer ex art. (thans) 63 VwEU jegens derde landen ook geldt in de verhouding tussen een lidstaat (Frankrijk) en de LGO van een andere lidstaat (het VK), zodat in die verhoudingen de LGO gelden als derde staten voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer. Op uw vraag of dit dan ook geldt in de verhouding tussen een lidstaat en zijn eigen LGO, overwoog het HvJ als volgt over de verhouding tussen art. (thans) 63 VwEU en de boven (4.11) geciteerde art. 47 (kapitaal- en betalingsverkeer) en art. 55 (misbruikvoorbehoud) LGO-Besluit 2001, de voorgangers van de in onze zaken toepasselijke en in 4.10 hierboven geciteerde art. 59 (kapitaal- en betalingsverkeer) en art. 66 (misbruikvoorbehoud) van het LGO-Besluit 2013:
“42 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Unierechtelijke regels inzake het vrije verkeer van kapitaal, zoals artikel 56 EG [thans art. 63 VwEU; PJW], aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een maatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen LGO kan worden belemmerd.
(…).
45 Het bestaan van deze bijzondere [associatie]regeling [in het vierde deel van het EG-Verdrag; PJW] tussen de Unie en de LGO heeft tot gevolg dat de algemene bepalingen van het EG-Verdrag, zijnde die welke niet tot het vierde deel van dat Verdrag behoren, zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de LGO van toepassing zijn (arresten Leplat, C260/90, EU:C:1992:66, punt 10; Eman en Sevinger, C300/04, EU:C:2006:545, punt 46, en Prunus en Polonium, EU:C:2011:276, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Aangaande dat vierde deel van het Verdrag zij vastgesteld dat hoewel daarin een aantal bepalingen zijn opgenomen betreffende zowel het vrije verkeer van goederen, zijnde de artikelen 184 EG en 185 EG, en het vrije verkeer van werknemers, zijnde artikel 186 EG, als de vrijheid van vestiging, zijnde artikel 183, punt 5, EG, dat deel geen enkele bepaling inzake het vrije verkeer van kapitaal bevat.
47 Het LGO-besluit, dat de Raad op grond van artikel 187 EG heeft genomen ter uitwerking van de associatieregeling, bepaalt in artikel 47, lid 1, welke beperkingen aan betalingen en het kapitaalverkeer verboden zijn tussen de Unie en de LGO.
48 Door te verwijzen naar de betalingsbalans en door beperkingen aan betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans en tevens beperkingen aan het verkeer van kapitaal voor investeringen in vennootschappen en betreffende transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans te verbieden, heeft artikel 47, lid 1, van het LGO-besluit een bijzonder ruime draagwijdte, die nauw aansluit bij de draagwijdte van artikel 56 EG in de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen (zie hieromtrent en betreffende artikel 63 VWEU, arrest Prunus en Polonium, EU:C:2011:276, punten 2931).
49 Door met name beperkingen aan de verwerving van deelnemingen in vennootschappen en aan de repatriëring van de daaruit voortvloeiende winst te verbieden, verbiedt artikel 47, lid 1, sub b, van het LGO-besluit bijgevolg, onder meer, beperkingen aan dividenduitkeringen tussen de Unie en de LGO, in lijn met het in artikel 56 EG neergelegde verbod van dergelijke maatregelen in met name de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen.
50 Gelet op de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en gelet op het feit dat het vierde deel van het EG-Verdrag noch het LGO-besluit, met als rechtsgrondslag dat deel van het Verdrag, uitdrukkelijk verwijst naar artikel 56 EG, dient de prejudiciële vraag te worden getoetst aan dat artikel 47, lid 1, en dient te worden nagegaan of de draagwijdte van deze bepaling is gepreciseerd of afgebakend in andere regels van de bijzondere regeling waaronder de associatie EU-LGO valt.
51 Zoals met name de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft benadrukt, werd bij de vrijmaking, voor de associatie EU-LGO, van het kapitaalverkeer bijzondere aandacht besteed aan de omstandigheid dat vele LGO worden beschouwd als belastingparadijzen. Artikel 55 van het LGO-besluit bevat dus een uitzonderingsclausule die uitdrukkelijk ziet op de voorkoming van belastingontduiking.
52 Dat artikel 55 bepaalt in lid 2 dat „[n]iets in [het LGO-besluit] mag worden geïnterpreteerd als een beletsel voor het treffen of doen nakomen van maatregelen ter voorkoming van belastingontduiking [...] overeenkomstig de fiscale bepalingen van [...] de plaatselijk geldende belastingwetgeving”.
53 Een belastingmaatregel als die in de hoofdgedingen, die volgens de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de totstandkoming en de doelstelling ervan bedoeld is om buitensporige kapitaalstromen naar de Nederlandse Antillen te voorkomen en om zo te strijden tegen de aantrekkingskracht van dat LGO als belastingparadijs, valt onder de hierboven aangehaalde fiscale uitzonderingsclausule en blijft bijgevolg buiten de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, van het LGO-besluit, op voorwaarde dat daarmee deze doelstelling daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
54 Gelet op het bovenstaande dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord, zonder dat behoeft te worden onderzocht in welke mate de Unierechtelijke regels betreffende de verhoudingen tussen de Unie en de LGO van toepassing zijn op een lidstaat en zijn eigen LGO, dat het recht van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingmaatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen LGO wordt beperkt, in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.”
7.4
Terra/Wattel44.maken uit deze rechtspraak op dat het kapitaalverkeer tussen een lidstaat en zijn eigen LGO of dat van een andere lidstaat zoveel mogelijk gelijk behandeld moet worden als kapitaalverkeer tussen een EU-lidstaat en een derde land:
“We surmize the Court wanted to reach the same result as in Prunus (equal protection of free movement between the EU and its OCTs and between the EU and third States), however this time not by equating OCTs to third States, as in Prunus. Indeed, that would sit uneasily with the preamble to the OCT Association Decision, which explicitly states that the OCTs are not third States. Instead, the Court interpreted Art. (now) 59 of the OCT Association Decision as wide as possible, preferably as having the same width as Art. (now) 63 TFEU; see points 48 and 49 [van X BV en TBG Ltd; PJW], in which the Court speaks of ‘a particularly wide scope, close to the scope’ of Art. (now) 63 TFEU and states that Art. (now) 59 of the OCT Decision prohibits restrictions ‘along the lines’ of the prohibition in Art. (now) 63 TFEU. We conclude that the Court has come ‘close to’ interpreting Art. 59 of the OCT Association Decision as having the same substance as Art. 63 TFEU. That would be a welcome simplification and clarification of the capital movement status of the OCTs: capital movement to and from the OCTs will be treated in principle as comparable to the treatment of third State capital movement, i.e. ‘along the lines’ of Art. 63 TFEU.”
7.5
Ik meen op grond van het bovenstaande dat tussen Nederland en Curaçao de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel net zo geldt als tussen EU-lidstaten en derde landen maar dat art. 66(2) LGO-Besluit 2013 (zie 4.10 hierboven) Nederland wel toestaat het kapitaal- en betalingsverkeer met Curaçao te beperken “in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.” De vraag is wat dat laatste betekent. Daarover meer in onderdeel 8 hieronder.
7.6
De Staatssecretaris suggereerde ter zitting dat wij aan het kapitaal- en betalingsverkeer niet toekomen omdat de belanghebbenden overwegende invloed hebben op [C] ’s beleid en het daarmee om vestiging gaat in plaats van kapitaalverkeer. Nu vestiging niet is vrijgemaakt in derde-landenverhoudingen, zou daardoor beroep op vrij (kapitaal)verkeer in casu uitgesloten zijn. In geval van (overwegend) vestiging geldt uitsluitend het vestigingsregime, dat niet is geliberaliseerd jegens derde landen, aldus de Staatssecretaris.
7.7
Die opvatting lijkt mij onjuist. In de eerste plaats bevatten het EU-Werkingsverdrag (art. 199(5) VwEU45.) en het LGO-Besluit (art. 51 LGO-Besluit 2013) ook non-discriminatiebepalingen ter zake van vestiging. Maar belangrijker is dat uit het arrest Franked Investment Income (II)46.van de Grote Kamer van het HvJ blijkt dat vestiging en kapitaalverkeer elkaar bij samenloop in derde-landenverhoudingen niet uitsluiten en dat een beroep op het vrije kapitaalverkeer in derde-landenverhoudingen (en daarmee volgens X BV en TBG Ltd ook in LGO-verhoudingen) alleen door vestiging wordt geblokkeerd als de beperkende nationale wetgeving (i) uitsluitend op groepsverhoudingen is gericht (dan gaat het inderdaad uitsluitend om vestiging; fiscale voorbeelden daarvan zijn thin cap regels, earnings stripping regels, arm’s length pricing, en fiscale-eenheidsregimes) of (ii) de markttoegang van derdelanders in de EU of andersom reguleert. Van geen van beide is sprake bij een belemmering zoals de dividendbelasting. Dividendbelasting wordt immers geenszins alleen in concernverhoudingen geheven. Evenmin reguleert de dividendbelasting enige markttoegang. De dividendbelasting is een generieke belasting, die aangrijpt onafhankelijk van de vraag of de dividendgerechtigde al dan niet invloed heeft op het beleid van de uitkerende vennootschap en die op geen enkele wijze markttoegang voor ondernemers of dienstverleners reguleert.47.
7.8
Bij de heffing van een dividendbelasting(vervangende heffing) zoals die van art. 17(3)(b) Wet Vpb staat dus mijns inziens in derdelandenverhoudingen (en daarmee in LGO-verhoudingen) beroep op het vrije kapitaalverkeer open. De genoemde Grote-Kamerzaak Franked Investment Income (II) waaruit dat volgt, betrof een dividend ontvangen uit een derde land door een Britse moedervennootschap die de binnenslands geldende vrijstelling voor franked investment income wenste maar niet kreeg voor dividend uit derde landen. De Grote Kamer overwoog als volgt over de samenloop van het jegens derde landen vrijgemaakte kapitaalverkeer met de jegens derde landen niet-vrijgemaakte vestiging:
“100 Aangezien het Verdrag de vrijheid van vestiging niet verruimt tot derde landen, moet worden vermeden dat de uitlegging van artikel 63, lid 1, VWEU, wat de betrekkingen met derde landen betreft, marktdeelnemers die buiten de territoriale werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallen, de kans geeft daaruit profijt te halen. Dat gevaar bestaat niet in een situatie als die in het hoofdgeding. De betrokken wettelijke regeling van de lidstaat ziet immers niet op de voorwaarden waaronder een vennootschap van die lidstaat in een derde land toegang tot de markt krijgt, of een vennootschap van een derde land in die lidstaat toegang tot de markt krijgt. Deze regeling betreft enkel de fiscale behandeling van dividenden die voortvloeien uit investeringen die de dividendontvanger in een in een derde land gevestigde vennootschap heeft gedaan.
101 Bovendien leidt het betoog van de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede van de Duitse, de Franse en de Nederlandse regering dat de vraag welke vrijheid van toepassing is op de fiscale behandeling van uit een derde land afkomstige dividenden, niet alleen afhangt van het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling, maar ook van de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, tot met artikel 64, lid 1, VWEU onverenigbare gevolgen.
102 Uit deze bepaling volgt immers dat kapitaalbewegingen in verband met een vestiging of directe investeringen in beginsel vallen onder artikel 63 VWEU, inzake het vrije verkeer van kapitaal. Deze begrippen zien op een vorm van participatie in een onderneming door aandeelhouderschap dat de mogelijkheid biedt om daadwerkelijk deel te hebben in het bestuur van of de zeggenschap over deze onderneming (zie reeds aangehaalde arresten Glaxo Wellcome, punt 40, en Idryma Typou, punt 48).
103 Volgens de rechtspraak omvatten de beperkingen van het kapitaalverkeer in verband met directe investeringen of een vestiging in de zin van artikel 64, lid 1, VWEU niet enkel nationale maatregelen waarvan de toepassing op het kapitaalverkeer naar of uit derde landen investeringen of de vestiging beperken, maar ook maatregelen die de uitkering van daaruit voortvloeiende dividenden beperken (reeds aangehaalde arresten Test Claimants in the FII Group Litigation, punt 183, en Holböck, punt 36).
104 Gelet op het voorgaande dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat het recht van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde vennootschap die een participatie in een in een derde land gevestigde vennootschap bezit waarmee zij een zodanige invloed op de besluiten van deze vennootschap kan uitoefenen dat zij de activiteiten ervan kan bepalen, zich op artikel 63 VWEU kan beroepen om te betwisten dat een wettelijke regeling van deze lidstaat betreffende de fiscale behandeling van uit dat derde land afkomstige dividenden die niet uitsluitend van toepassing is op situaties waarin de moedermaatschappij een beslissende invloed op de uitkerende vennootschap uitoefent, verenigbaar is met deze bepaling.”
7.9
Het doet voor de mogelijkheid van beroep op het vrije kapitaalverkeer dus niet ter zake of de belanghebbenden al dan niet beslissende beleidsinvloed hadden op [C] BV. Zij kunnen zich beroepen op het vrije kapitaalverkeer alsof Curaçao een derde land is.
7.10
Waar het dan op aan komt, is of met de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb op hun geval “de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd” (r.o. 54 van X BV en TBG Ltd). Ik merk daarbij op dat met de term ‘belastingontduiking’ vooral belastingontwijking bedoeld zal zijn. ‘Belastingontduiking’ zal wel een slechte vertaling zijn van de Franse taalversie ‘évasion fiscale’ (’s Hofs werktaal). De zaak X BV en TBG Ltd ging namelijk helemaal niet over ontduiking, en andere taalversies van het arrest hebben het over (curs. PJW) “the objective of combating tax avoidance in an effective and proportionate manner” en “einer wirksamen und verhältnismäßigen Verfolgung des Ziels der Bekämpfung der Steuerumgehung”.
7.11
Met name is de vraag of de eis dat “de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd” samenvalt met de voorwaarden die het HvJ stelt voor weigering van EU-rechtelijke voordelen op basis van het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is, onder meer in de in 6.2 genoemde zaken Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark, besproken in de conclusies van 26 mei 202348.over de opvolger van het litigieuze art. 17(3)(b) Wet Vpb, de antimisbruikbepaling in art. 4(3)(c) Wet Divb (zie 5.7 hierboven)). In de recentste van die zaken, T Danmark en Y Denmark, herbevestigde het HvJ zijn ongeschreven misbruikleer als volgt:
“97. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, is voor het bewijs dat sprake is van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat ((…) Emsland-Stärke, C-110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53, en (…) O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 58).”
8.De misbruikrechtspraak van het HvJ en het ‘tweede’- en derde-landenkapitaalverkeer
8.1
De in 7.11 gestelde vraag (vallen de X BV en TBG Ltd-criteria voor misbruikbestrijding samen met de Cadbury Schweppes-criteria voor misbruikbestrijding?) lijkt er één om prejudicieel voor te leggen aan het HvJ omdat die nog niet door hem is beantwoord en het antwoord niet buiten elke twijfel volgt uit EU-wetgeving of bestaande rechtspraak van het HvJ.
8.2
Maar de Nederlandse wetgever lijkt voor wat betreft de Nederlandse rechtsorde zelf al antwoord te hebben gegeven op die concordantievraag. Uit de in 5.4 geciteerde parlementaire geschiedenis van de implementatie van de wijziging van de MDR volgt dat beide medewetgevers menen dat de misbruikrechtspraak van het HvJ tot richtsnoer moet worden genomen, “ook wat betreft de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen” en dat “als het gaat om de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de Wet DB 1965 in relatie tot niet-EU landen dan geldt hierbij dat deze in overeenstemming dient te zijn met de bepalingen in het EU-werkingsverdrag inzake het vrij verkeer van kapitaal dat ook relevant is in relatie tot derde landen. Daartoe behoort ook jurisprudentie inzake antimisbruik.” De wetgever wil dus kennelijk dat art. 17(3)(b) Wet Vpb in de verhouding met derde landen op dezelfde wijze wordt toegepast als intra-EU, nl. conform de misbruikrechtspraak van het HvJ, en daarmee ook in de verhouding tot de LGO. Voor de toepassing van het vrije kapitaalverkeer worden de LGO volgens de rechtspraak van het HvJ immers in beginsel net zo behandeld als derde landen (zie onderdeel 7 hierboven).
8.3
De in 5.5, 5.6 en 5.8 hierboven geciteerde wetsgeschiedenis is er verder duidelijk over dat voor de invulling van de eis in art. 17(3)(b) Wet Vpb dat de belastingplichtige het a.b. houdt met als voornaamste doel om inkomsten- of dividendbelasting bij een ander te ontgaan “aansluiting (kan) worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van anti-ontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken over «volstrekt kunstmatige constructies»”, respectievelijk dat “bij de invulling van de ontgaanstoets (…) aansluiting (dient) te worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJ EU over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht, waarin wordt gesproken van een «volstrekt kunstmatige constructie»”, respectievelijk dat “voor de invulling van het ontgaanscriterium aansluiting (kan) worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (…) over de verenigbaarheid van antiontgaansbepalingen met het EU-recht.” De belanghebbenden hebben er ook op gewezen dat de parlementaire geschiedenis van (de wijzigingen van) art. 17(3)(b) Wet Vpb voor wat betreft de toepassing van die bepaling bol staat van verwijzingen naar de misbruikrechtspraak van het HvJ.
8.4
Ik concludeer dat de wetgever art. 17(3)(b) Wet Vpb ook in de verhouding met derde landen – en daarmee ook in verhouding tot de LGO (zie onderdeel 6 hierboven en de onderdelen 8.7 e.v. hieronder) – toegepast wilde zien conform de misbruikrechtspraak van het HvJ, i.e. conform de genoemde arresten Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark.
8.5
Ook als het antwoord op de concordantievraag niet aldus al uit het nationale recht zou volgen, valt mijns inziens het antwoord op een desbetreffende prejudiciële vraag aan het HvJ te voorspellen omdat zijn rechtspraak er op wijst dat hij EU-rechtenbeperkende nationale maatregelen tot ‘daadwerkelijke en evenredige misbruikbestrijding’ niet verschillend zal willen beoordelen afhankelijk van de vraag of het om verhoudingen tussen lidstaten, tussen lidstaten en derde landen, tussen lidstaten en eigen LGO of tussen lidstaten en andermans LGO gaat, noch afhankelijk van de vraag of het gaat om primair, secundair of ongeschreven EU-recht. Zijn rechtspraak wijst integendeel op zo convergerend mogelijke uitleg van antimisbruikbepalingen en -leerstukken, ongeacht of die uit primair, secundair of ongeschreven EU-recht volgen. Zijn rechtspraak wijst er op dat hij geschreven antimisbruik-bepalingen in secundair EU-recht ziet als uitdrukking van het algemene beginsel van Unierecht dat rechtsmisbruik verboden is.49.Vereist zijn volgens zijn rechtspraak steeds: (i) objectieve strijd met doel en strekking van de ingeroepen EU-regel (‘ondermijning van doel en strekking’); (ii) de subjectieve bedoeling om oneigenlijk (kunstmatig) (EU-)voordeel te verkrijgen dat niet voor de betrokkene bedoeld is; (iii) subsidiariteit en proportionaliteit van de antimisbruikmaatregel, dat wil zeggen: (iii)(a) doelgeschiktheid en (iii)(b) niet méér EU-recht belemmerend dan noodzakelijk om het misbruik te keren; en (iv) initiële bewijslast bij de nationale instantie die het voordeel wil weigeren wegens rechtsmisbruik, waarbij (v) misbruikvermoedens op basis van wettelijke criteria toegestaan zijn, mits die criteria voldoende nauwkeurig toegespitst zijn op het te bestrijden misbruik en mits tegenbewijs van zakelijke overwegingen mogelijk is zonder procedurele belemmeringen.
8.6
Een en ander leid ik met name af uit het boven (6.3) geciteerde Grote-Kamerarrest X BV en TBG Ltd (over de eigen LGO), uit het eveneens Grote-Kamerarrest Skatteverket v. A50.(over het kapitaalverkeer met derde landen) en uit T Denmark en Y Danmark en Euro Park Service (over de verhouding tussen antimisbruikbepalingen in secundair EU-recht en het algemene beginsel van primair EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is). Uit Skatteverket v. A volgt dat het vrije kapitaalverkeer met derde landen dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als het intra-EU-kapitaalverkeer, zij het dat (alleen) bij onvoldoende fiscale gegevensuitwisseling met derde landen meer of andere beperkingen dan intra-EU gesteld kunnen worden, c.q. dat in verband met die achterblijvende gegevensuitwisseling meer of andere rechtvaardigingen dan intra-EU mogelijk zijn voor verkeersbelemmeringen. In het geval van onze belanghebbenden is geen sprake van enig gegevensvergaringsprobleem in de verhouding met Curaçao, zodat – mede gezien X BV en TBG Ltd – het dividendverkeer met Curaçao in beginsel dezelfde inhoud, reikwijdte en vrijheid kent als intra-EU. Beperkingen worden dan alleen gesteld door de antimisbruikbepaling in art. 66 LGO-Besluit en het algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is. Uit T Denmark en Y Danmark en Euro Park Service (zie onderdeel 4.4 resp. 4.2 van de bijlage bij de genoemde conclusies van 26 mei 2023) leid ik vervolgens af dat het misbruikvoorbehoud in art. 66 LGO-Besluit net zo als een misbruikvoorbehoud in een EU-Richtlijn beschouwd moet worden als uitdrukking van dat algemene beginsel van EU-recht dat rechtsmisbruik verboden is en dus uitgelegd en toegepast moet worden conform ’s Hofs rechtspraak over (fiscaal) rechtsmisbruik, met name conform Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark.
8.7
In de genoemde zaak Skatteverket v. A51.overwoog de Grote Kamer van het HvJ als volgt over de verhouding tussen het kapitaalverkeer tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen:
“31 (…) hoewel de liberalisatie van het kapitaalverkeer met derde landen stellig andere doelen kan nastreven dan de verwezenlijking van de interne markt, zoals met name het waarborgen van de geloofwaardigheid van de gemeenschappelijke eenheidsmunt op de wereldwijde financiële markten en het handhaven in de lidstaten van financiële centra van mondiale betekenis, (dient) te worden geconstateerd dat de lidstaten bij de uitbreiding van het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal door artikel 56, lid 1, EG tot het kapitaalverkeer tussen derde landen en lidstaten, ervoor hebben gekozen dit beginsel in hetzelfde artikel en in identieke bewoordingen te verankeren voor het kapitaalverkeer binnen de Gemeenschap en voor het kapitaalverkeer dat betrekkingen met derde landen betreft.
32 Bovendien volgt (…) uit het geheel van de in het Verdrag, in het hoofdstuk over kapitaal en betalingsverkeer, opgenomen bepalingen dat de lidstaten, teneinde rekening te houden met het feit dat het doel en de juridische context van de liberalisatie van het kapitaalverkeer verschillen al naargelang het gaat om de betrekkingen tussen lidstaten en derde landen of om het vrij verkeer van kapitaal tussen lidstaten onderling, het nodig hebben gevonden vrijwaringsclausules en uitzonderingen op te nemen die specifiek van toepassing zijn op het kapitaalverkeer naar of uit derde landen [zoals de grandfather clause in (thans) art. 64(1) VwEU; PJW].
(…).
37 Vanwege de mate van juridische integratie van de lidstaten van de Europese Unie, en met name het bestaan van communautaire wetgeving die strekt tot samenwerking tussen nationale belastingdiensten, zoals richtlijn 77/799, is de belastingheffing door een lidstaat over economische activiteiten met grensoverschrijdende aspecten binnen de Gemeenschap dus niet altijd vergelijkbaar met de belastingheffing over economische activiteiten die zich afspelen tussen lidstaten en derde landen (arrest van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation, C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 170). Volgens het Hof kan evenmin worden uitgesloten dat een lidstaat in staat zou zijn aan te tonen dat een beperking van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen om een bepaalde reden gerechtvaardigd is, in omstandigheden waarin die reden geen geldige rechtvaardiging zou opleveren voor een beperking van het kapitaalverkeer tussen lidstaten (arrest Test Claimants in the FII Group Litigation, reeds aangehaald, punt 171).
38 Om die redenen kan het door de Duitse en de Nederlandse regering aangevoerde argument niet doorslaggevend worden geacht dat wanneer het begrip beperkingen van het kapitaalverkeer in de betrekkingen tussen lidstaten en derde landen op dezelfde manier wordt uitgelegd als in de betrekkingen tussen lidstaten onderling, de Gemeenschap eenzijdig de communautaire markt zou openstellen voor derde landen, zonder de mogelijkheden tot onderhandeling te behouden die nodig zijn om een dergelijke liberalisatie van de zijde van deze landen te verkrijgen.”
8.8
In de al geciteerde zaak T Denmark en Y Danmark overwoog het HvJ dat als misbruik in de zin van secundair EU-recht is vastgesteld, daarmee ook beroep op de verkeersvrijheden, waaronder het kapitaalverkeer, is uitgesloten:
“123. (…) indien de in richtlijn 90/435 neergelegde (…) vrijstelling van bronbelasting (…) niet van toepassing is doordat fraude of misbruik in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn is vastgesteld, [kunnen] de in het VWEU neergelegde vrijheden niet […] worden ingeroepen om op te komen tegen de regeling van de eerstbedoelde lidstaat inzake de heffing van belasting over deze dividenden.”
8.9
Dat ligt voor de hand, gegeven, tenslotte, dat misbruik van richtlijnen op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als misbruik in de zin van het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik van recht in het algemeen verbiedt. Aldus onder meer HvJ Euro Park Service:52.
“69 Wat de dwingende reden van algemeen belang in verband met de bestrijding van belastingfraude of belastingontwijking betreft volstaat het vast te stellen, (…) dat die doelstelling dezelfde draagwijdte heeft wanneer zij wordt ingeroepen ingevolge het bepaalde in [de Fusierichtlijn; PJW] of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht. De overwegingen in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest, aangaande de evenredigheid van de wettelijke regeling in het hoofdgeding die betrekking hebben op die bepaling, gelden dus ook voor de beoordeling of die wettelijke regeling evenredig is vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging.”
8.10
Conclusie: ook in de zaken van de belanghebbenden ware art. 17(3)(b) Wet Vpb uit te leggen en toe te passen conform de fiscale rechtspraak van het HvJ over het EU-rechtelijke beginsel dat rechtsmisbruik verboden is, met name in overeenstemming met diens arresten Cadbury Schweppes, Eqiom en Enka, Deister en Juhler en T Danmark en Y Denmark, net zoals in de twee bij u aanhangige zaken met de nrs. 22/02691 en 22/02695 waarin ik op 26 mei 2023 concludeerde.53.Daaraan doet niet af dat het in onze zaak gaat (i) over art. 17(1)(b) Wet Vpb) en niet over diens opvolger art. 4(3)(c) Wet Divb, (ii) niet om secundair EU-recht in een Richtlijn, maar om secundair EU-recht in het LGO-Besluit 2013 en (iii) niet om een intra-EU-geval van kapitaalverkeer, maar om een EU-LGO-geval.
8.11
Maar zelfs als dat anders zou zijn en het antwoord op de concordantievraag gesteld in 6.10 en 6.11 noch naar nationaal recht, noch op basis van EU-recht al gegeven c.q. te raden was, dan nog maakt het arrest X BV en TBG Ltd (6.3 hierboven) hoe dan ook clair dat voor toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb op de gevallen van de belanghebbenden vereist is dat daarmee “de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.”
9. Behandeling van de beroepen - ‘daadwerkelijke en evenredige’ bestrijding van belastingontwijking; toepassing van de misbruikrechtspraak van het HvJ
9.1
Ad ‘daadwerkelijk’: of art. 17(3)(b) Wet Vpb in casu ‘daadwerkelijk’ misbruik bestrijdt, hangt ervan af of aangenomen kan worden dat zich misbruik voordoet, i.e. van de vraag of de belanghebbenden onderdeel zijn van een kunstmatige constructie met als (hoofd)doel ontwijking van Nederlandse dividend- of inkomstenbelasting bij hun aandeelhouders.
9.2
Wie stelt, bewijst. De belanghebbenden beroepen zich op art. 10(8) BRNC. De initiële bewijslast dat zij voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden voor toewijzing van de dividenden aan Curaçao ligt bij hen. Die voorwaarden zijn: (i) inwoner van Curaçao, (ii) minstens 10% belang in de uitkerende vennootschap en (iii) voor minstens 50% in handen van natuurlijke personen die inwoner zijn van Curaçao of Nederland. De feitenrechters hebben vastgesteld dat de belanghebbenden aan die voorwaarden voldoen.
9.3
De Inspecteur stelt vervolgens dat art. 10(8) BRNC wordt uitgeschakeld door art. 22 BRNC omdat art. 17(b)(c) Wet Vpb van toepassing is. Dan rust de bewijslast dat aan de misbruikcriteria van die bepaling is voldaan op de Inspecteur. Zoals boven bleek, moet voor zowel de inhoud van het misbruikbegrip als de bewijslastverdeling aangesloten worden bij de misbruikrechtspraak van het HvJ. Voor het bewijs van misbruik is volgens HvJ vereist54.“(…) enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden (…) waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt [strijd met doel en strekking van de wet; PJW], en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat [overwegend belastingontwijkingsmotief; PJW] ((…) Emsland-Stärke, C-110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53, en (…) O. en B., C-456/12, EU:C:2014:135, punt 58)”.
9.4
Zoals uiteengezet in de conclusies van 26 mei 2023 in de bij u aanhangige zaken 22/02691 en 22/02695 is strijd met doel en strekking van de wet (het ‘objectieve element’ van het HvJ) een rechtsvraag die niet aan bewijslevering is onderworpen. Aan bewijslevering en daarmee aan bewijslastverdeling is alleen onderworpen het ‘subjectieve element’, i.e. de vraag of de belastingplichtige ‘de bedoeling’ had om alleen ‘formeel’ aan de voorwaarden te voldoen door ‘kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.” Zoals uiteengezet in de genoemde conclusies van 26 mei 2023, valt dit EU-rechtelijke ‘subjectieve element’ van misbruik niet samen met wat de wetgever de ‘subjectieve toets’ in art. 17(3)(b) Wet Vpb noemt, maar omvat het mede hetgeen de wetgever de ‘objectieve’ toets noemt (kunstmatigheid). Dat kan ook niet anders, want juist ter zake van die ‘objectieve’ toets voorzag de wetgever tegenbewijsmogelijkheden, die alleen bij het subjectieve element (antifiscale bedoelingen) aan de orde kunnen zijn, nu rechtsvragen (strijd met doel en strekking van de wet; het objectieve element van het HvJ) niet aan bewijslevering zijn onderworpen, maar geheel ter beantwoording aan de rechter zijn.
9.5
Omdat uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat voor misbruik vereist is dat de belastingplichtige de bedoeling heeft om een voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat, zouden wij hier al kunnen ophouden met nadenken. Het zijn immers niet de belanghebbenden zijn die de voorwaarden hebben gecreëerd waaronder het voordeel (van exclusieve toewijzing aan Curaçao) ontstond, maar de landen Nederland en Curaçao, die die toewijzing overeenkwamen. Uit de uitspraken van de feitenrechters volgt dat de belanghebbenden daar met de verkoop van [D] of de uitkering van de verkoopopbrengst niet op hebben geanticipeerd, gespeculeerd, gestructureerd of geconstrueerd. Maar ik concludeer volledigheidshalve verder.
9.6
Ad ‘evenredig’: mijns inziens volgt clair uit de rechtspraak van het HvJ dat hij het niet evenredig acht – nl. niet noodzakelijk voor de bestrijding van misbruik – dat een belastingplichtige automatisch wordt uitgesloten van EU-voordelen (in casu: het vrije kapitaalverkeer) op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Eveneens disproportioneel en overkill vindt hij dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zich géén misbruik voordoet op basis van een rechtsvermoeden dat te vaag en te algemeen is om een veronderstelling van misbruik te rechtvaardigen. Dat volgt met name uit de arresten Euro Park Service, Eqiom en Enka, en Deister en Juhler die besproken worden in onderdeel 4 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 mei 202355.in de bij u aanhangige zaken 22/02691 en 22/02695 over art. 4(3)(c) Wet Divb (weigering inhoudingsvrijstelling bij misbruik).
9.7
De Staatssecretaris betoogt dat het Hof ten onrechte ook tegenbewijs heeft toegelaten ter zake van de ‘subjectieve toets’ (hoofddoel belastingontwijking), hoewel uit de wetsgeschiedenis en uit HR BNB 2020/80 (zie 7.1 hierboven) zou volgen dat als bij wegdenken van de belanghebbenden meer Nederlandse belasting is verschuldigd, slechts tegenbewijs kan worden geleverd bij de ‘objectieve toets’ (kunstmatigheid). Volgens hem volgt uit de wetsgeschiedenis dat bij voldoening aan het wegdenkcriterium enkel om die reden de bewijslast al verschuift naar de belanghebbenden. Die beperking van tegenbewijslevering lijkt mij onverenigbaar met het EU-recht. Het enkele wegdenk-criterium is in het licht van de genoemde rechtspraak van het HvJ een (veel) te vaag en algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de aandeelhouders in de belanghebbenden zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de BRNC of het vrije kapitaalverkeer om dat vrije kapitaalverkeer te belemmeren met een automatische omkering van de bewijslast. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de vrijheid van kapitaalverkeer.
9.8
De in 5.6 geciteerde parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb vermeldt bovendien in reactie op een vraag van de NOB over de bewijslastverdeling “dat voor de toepassing van de buitenlandse AB-regeling de gebruikelijke vrije bewijsleer geldt. Het is primair aan de inspecteur om te stellen dat de buitenlandse AB-regeling van toepassing is. Indien de belanghebbende deze stelling gemotiveerd heeft betwist, is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als voornaamste doel of één van de voornaamste doelen om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming. De belanghebbende kan hierbij geen passieve positie innemen, omdat juist deze partij over de relevante informatie beschikt.” Deze passage zegt duidelijk dat de bewijslast ook ter zake van de ‘subjectieve’ toets bij de Inspecteur ligt. Dat de belanghebbende geen passieve positie kan innemen, betekent niet dat de Inspecteur dat wel zou kunnen; integendeel: de initiële bewijslast ligt bij hem: wie (misbruik) stelt, bewijst.
9.9
In de context van de implementatie van de antimisbruikbepalingen in de MDR is overigens in de genoemde conclusies van 26 mei 202356.al opgemerkt dat wat de Nederlandse parlementaire geschiedenis ook zegt over misbruikbestrijding op door EU-recht beheerst terrein (in casu: het vrije kapitaalverkeer met tweede en derde landen), voor de modaliteiten van EU-rechtenbeperkende misbruikbestrijding is niet de nationale parlementaire geschiedenis leidend, maar de HvJ-rechtspraak over dergelijke misbruikbestrijding, óók als die parlementaire geschiedenis niet veelvuldig verwijst naar die HvJ-rechtspraak.
9.10
Die rechtspraak houdt voor wat betreft bewijslastverdeling onder meer het volgende in: “in elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht,” aldus het HvJ in onder meer Cadbury Schweppes (zie 4.1 van de bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023). De nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (r.o. 117 T Danmark en Y Denmark; zie 4.5 van de bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023). De rechter moet beoordelen of een concernstructuur “(…) als voornaamste doel (…) heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt” en daarom “kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie” (onder meer r.o. 100 van T Danmark en Y Denmark). Voor een “kunstmatige constructie” is dus zowel (door de fiscus aannemelijk te maken en aan tegenbewijs onderworpen) subjectief misbruikmotief vereist (“als voornaamste doel”) als niet aan bewijslevering onderworpen objectieve strijd met doel en strekking van de wet (“dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt”).
9.11
Uit onder meer de arresten De Peyper,57.San Giorgio,58.Weber’s Wine World59.en Meilicke II60.volgt verder dat eenzijdige bewijsbelasting en uitsluiting van bepaalde (tegen)bewijsmiddelen of -mogelijkheden in strijd kan komen met het beginsel van (procedurele) effectiviteit van EU-recht. Uitsluiting van tegenbewijs tegen de vooronderstelling van een ontwijkingshoofddoel enkel op basis van het wegdenk-criterium lijkt mij niet verenigbaar met dat effectiviteitsbeginsel van ’s Hofs Rewe/Comet-doctrine.61.
9.12
Het Hof Den Haag heeft mijns inziens gedaan wat de geciteerde HvJ-rechtspraak eist. Hij heeft de bewijslast correct verdeeld, gegeven dat uitsluiting van tegenbewijs tegen hetgeen de wetgever (mijns inziens ten onrechte62.) de ‘subjectieve’ toets noemt (het wegdenk-criterium) onverenigbaar is met (de evenredigheids- en effectiviteitsbeginselen van) EU-recht. Hij heeft dus terecht de bewijslast ter zake van antifiscale bedoelingen van de belanghebbenden bij de Inspecteur gelegd (zie r.o. 5.13) zonder het wegdenk-criterium daarvoor voldoende te achten (dat levert slechts een motiefvermoeden op) en zonder zich veel aan te trekken van niet met EU-recht verenigbare passages uit de parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb waarop de Staatssecretaris zich beroept. Het Hof heeft verder de concernstructuur van de belanghebbenden in zijn geheel onderzocht en alle relevante gegevens in aanmerking genomen die benodigd zijn om te kunnen beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen dat de bestanddelen van misbruik verenigd zijn c.q. de belanghebbenden voldoende tegenbewijs van ontbreken van misbruikbedoelingen hebben geleverd (zie r.o. 5.14).
9.13
De Staatssecretaris betoogt dat bij voldoening aan het wegdenk-criterium vast staat dat het bestaan en de gerechtigdheid van de belanghebbenden als hoofddoel belastingontwijking hebben en de (tegen)bewijslast volledig naar hen verschuift en dat zij daar alleen aan kunnen voldoen door zakelijke redenen te bewijzen voor hun voortbestaan ten tijde van de dividenduitkering. Voor zover de parlementaire geschiedenis van art. 17(3)(b) Wet Vpb die interpretatie al steunt (de belanghebbenden bestrijden dat omdat die geschiedenis volgens hen – tot aan de Nota n.a.v. het Verslag in de Eerste Kamer – alleen het omgekeerde zegt, nl. dat als zonder tussenkomst van het buitenlandse lichaam géén hogere belastingclaim bestaat, géén sprake is van het ontgaan van belasting), acht ik die geschiedenis onverenigbaar met (i) het vereiste van daadwerkelijk en evenredige misbruikbestrijding (HvJ X BV en TBG Ltd), (ii) de in 5.6 en 9.8 hierboven aangehaalde vermelding in de parlementaire geschiedenis dat de vrije bewijsleer geldt en de initiële bewijslast bij de Inspecteur ligt, (iii) de meermalen herhaalde vermelding in die parlementaire geschiedenis dat óók in verhouding tot derde landen de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb moet aansluiten bij de misbruikrechtspraak van het HvJ, en (iv) de bewijslastverdelingeisen die die rechtspraak stelt, met name de arresten Euro Park Service, Eqiom en Enka, en Deister en Juhler. Daaruit volgt dat het enkele feit dat de aandeelhouders bij rechtstreekse ontvangst van een dividend niet dezelfde aanspraak op vrijstelling van dividendbelasting(vervangende heffing) zouden hebben als de dividendontvangende vennootschap, geen bewijs van misbruik is, noch een misbruikvermoeden rechtvaardigt dat de bewijslast volledig doet verschuiven en waarbij maar beperkt tegenbewijs wordt toegelaten, nl. alleen tegen kunstmatigheid ten tijde van de dividenduitkering, maar niet tegen het (daarmee onweerlegbare) vermoeden dat een van de hoofddoelen van de structuur is de ontwijking van belasting bij de aandeelhouders. Mij lijken die twee (ontwijkingshoofddoel en kunstmatigheid) overigens moeilijk van elkaar te (onder)scheiden. Wat daarvan zij: het wegdenk-criterium zonder tegenbewijsmogelijkheid is EU-rechtelijk een te mechanische en te vage (algemene) toets voor de vaststelling van individuele motieven en ook voor volledige omkering van de bewijslast.
9.14
Het Hof Den Haag heeft dus terecht de bewijslast ter zake van zowel de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets bij de Inspecteur gelegd en terecht tegen beide tegenbewijs toegelaten. Rechtskundig eveneens correct lijkt mij zijn overweging dat op basis van de vastgestelde feiten het voordeel dat de fiscus de belanghebbenden wil onthouden geen gevolg is van kunstmatig handelen of nalaten van de belanghebbenden, maar van de wijziging van de toewijzing van heffingsbevoegdheid in de BRNC per 2016. Ik merk daarbij op dat als de BRNC niet was ingevoerd en het heffingsrecht nog steeds bij Nederland lag in gevallen zoals die van de belanghebbenden, zij zich – behoudens misbruik – evenzeer op het vrije derde-landenkapitaalverkeer hadden kunnen beroepen. Dat volgt immers uit X BV en TBG Ltd (zie 6.3 hierboven): een dividendbelasting(vervangende heffing) op uitgaand dividend die in een vergelijkbaar binnenslands geval niet geheven wordt, kon ook onder de BRK al niet zonder schending van het vrije derde-landenkapitaalverkeer onthouden worden aan met ingezeten vrijstellingsgerechtigden vergelijkbare inwoners van Curaçao, behalve in geval van “daadwerkelijke en evenredige” misbruikbestrijding, waarbij de bewijslast ter zake van misbruik op de fiscus zou hebben gerust.
9.15
Het Hof Den Haag heeft wat de bewijslevering betreft onder meer overwogen (r.o. 5.15.2 t/m 5.15.4) dat bij het ontstaan van de structuur, de emigratie van vader en de verkoop van [D] op geen enkel moment sprake was van antifiscaal handelen of nalaten. De Staatssecretaris bestrijdt dat niet, maar acht dat niet van belang omdat zijns inziens tegenbewijs uitsluitend kan slagen als het bestaan van de belanghebbenden op het moment van uitkering zakelijke redenen heeft, dat wil zeggen: als zij op dat moment een onderneming drijven of een schakelfunctie vervullen (wat dat ook moge zijn). Dit betoog miskent mijns inziens dat tegenbewijs van ontbreken van antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet beperkt mag worden tot uitsluitend een momentopname of tot alleen bepaalde gevallen (actieve onderneming of ‘schakelfunctie’).
9.16
Het Hof heeft verder overwogen dat de belanghebbenden onweersproken hebben gesteld dat zij de uiteindelijk gerechtigden tot het dividend zijn, dat zij ter zake rechtens en feitelijk zelfstandig beslissingsbevoegd zijn en er vrijelijk over kunnen beschikken en dat zij de ontvangen opbrengst niet hebben uitgekeerd aan hun aandeelhouders. De Staatssecretaris heeft doen betogen dit onbegrijpelijk te achten omdat de Inspecteur die stellingen wél zou hebben tegengesproken, maar kon op uw zitting niet aangeven uit welk processtuk blijkt dat de Inspecteur die stellingen heeft weersproken. De stelling dat de belanghebbenden nauwelijks substance hebben – dat heeft de Inspecteur inderdaad wel gesteld – hoefde het Hof niet op te vatten als weerspreking van deze stellingen (zie r.o. 5.15.3 Hof).
9.17
Ook daarin verschilt deze zaak van die van de belanghebbenden in de bij u aanhangige zaken 22/02691 en 22/02695 waarin ik op 26 mei 2023 concludeerde. In die zaken had het Hof Amsterdam aannemelijk geacht dat de belanghebbenden niet vrijelijk over het ontvangen dividend konden beschikken.
9.18
Die Amsterdamse zaken verschillen ook van de huidige in het gegeven dat het in de Amsterdamse gevallen manifest om een beleggingsvehikel ging: de belanghebbenden in die zaken hadden niets méér gedaan dan ten behoeve van de achterliggende families een zak geld over de schutting gooien bij een private equity fonds en waren ter zake van die zak geld verder op hun handen gaan zitten. Weliswaar was ook in die zaken het bestaan en de rol van de belanghebbenden aanvankelijk zakelijk verklaarbaar en later (na verkoop van de onderneming) niet meer, maar anders dan in de huidige Haagse zaken, achtte het Hof Amsterdam aannemelijk dat het bestaan van de belanghebbenden c.q. hun formele bezit van de zak geld misbruikelijk gehandhaafd was door de familieleden om oneigenlijk te profiteren van de MDR voor passieve belegging van familievermogen. Dergelijke achtergronden of omstandigheden zijn bij onze belanghebbenden gesteld noch gebleken.
9.19
Een belangrijk inhoudelijk verschil met de Amsterdamse zaken lijkt mij ook, zoals al bleek, dat in de huidige zaken het fiscale voordeel niet ontstaan is of oneigenlijk is geworden door handelen of nalaten van (de aandeelhouders van) de belanghebbenden, laat staan door handelen of nalaten om passieve belegging van familievermogen door een private equity fonds het aanzien van een deelnemingsverhouding te geven, maar in de eerste plaats is ontstaan doordat twee landen, Curaçao en Nederland, hebben besloten om hun heffingsrechten anders dan voorheen te verdelen.
9.20
Wat er zij overigens van deze feitelijke en (EU-)rechtskundige verschillen tussen de Amsterdamse en de Haagse zaken, voor de cassatierechter lijkt mij het belangrijkste verschil dat het Amsterdamse Hof op basis van de correcte (EU-)rechtelijke maatstaf en bewijslastverdeling tot het voldoende gemotiveerde feitelijke (bewijs)oordeel kwam dat het ging om oneigenlijk gebruik van de MDR door natuurlijke personen voor privé-beleggings-doeleinden in plaats van voor zakelijke grensoverschrijdende concernstructurering waarvoor die Richtlijn bedoeld is, terwijl het Haagse Hof in de huidige zaken op basis van dezelfde correcte (EU-)rechtelijke maatstaf en bewijslastverdeling tot het eveneens voldoende gemotiveerde feitelijke (bewijs)oordeel is gekomen dat het niet om misbruik gaat. Nu mijns inziens in geen van beide gevallen de Hofoordelen blijk geven van onjuist (EU-)rechtelijk inzicht of onjuiste bewijslastverdeling en zij qua feitenvaststelling en -waardering mijns inziens geen van beide motiveringsgebreken vertonen, zie ik in geen van beide gevallen grond voor cassatie. De Staatssecretaris bestrijdt wezenlijk vooral feitelijke bewijsoordelen die niet onbegrijpelijk zijn c.q. neemt (alsnog) feitelijk stellingen in waar in cassatie geen onderzoek naar kan worden gedaan c.q. probeert in afwijking van de genoemde rechtspraak van het HvJ de bewijslast dat géén sprake is van misbruik op de belanghebbenden te leggen.
9.21
Ik meen dat het principale middel daar in alle drie zijn onderdelen op afstuit.
9.22
Het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende, voor zover niet al aan de orde gekomen in de bovenstaande beschouwingen over de betekenis van de rechtspraak van het HvJ EU, behoeft dan geen behandeling meer.
10. Conclusie
Ik geef u in overweging het principale cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en de incidentele beroepen van de belanghebbenden buiten behandeling te laten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑07‑2023
Landen en Gebieden Overzee.
Rechtbank Den Haag 22 november 2021, nr. SGR 20/7075, ECLI:NL:RBDHA:2021:12946 ( [X1] BV) en Rechtbank Den Haag 22 november 2021, nr. SGR 20/7076, ECLI:NL:RBDHA:2021:12947 ( [X2] BV), Belastingadvies 2022/6.5 met noot Lindenhof, FutD 2021-3768 met noot redactie, NLF 2022/0020 met noot Lopez Ramirez, NTFR 2022/226 met noot Bierman.
HR 10 januari 2020, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Gerechtshof Den Haag 19 oktober 2022, nr. BK-21/01229, ECLI:NL:GHDHA:2022:2200 ( [X1] BV) en Gerechtshof Den Haag 19 oktober 2022, nr. BK-21/01230, ECLI:NL:GHDHA:2022:2201 ( [X2] BV), FutD 2022-3170 met noot redactie, NLF 2023/0041 met noot Rekwest.
HR 10 januari 2020, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Het Hof verwijst naar HvJ 12 september 2006, zaak C-196/04. Cadbury Schweppes, na conclusie Léger, ECLI:EU:C:2006:544, BNB 2007/54, punt 55; HvJ 7 september 2017, zaak C-6/16, Eqiom en Enka, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2017:641, BNB 2018/55, punt 30, en HvJ 20 december 2017, zaken C504/16 en C613/16, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, zonder conclusie, ECLI:EU:C:2017:1009, BNB 2018/56, punt 60). U zie over die arresten de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 26 mei 2023 over de weigering van de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting in art. 4(3) Wet Divb wegens misbruik in een intra-EU-situatie, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572
De belanghebbenden verwijzen naar de conclusie van 5 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:830 voor HR BNB 2020/80.
Rijkswet van 30 september 2015, houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao), Stb. 2015, 348.
Rijkswet van 28 oktober 1964, houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk, Stb. 1964, 425. In het geschiljaar gaat het om de vergelijking met de tekst zoals gewijzigd met de Rijkswet van 7 juli 2010: wijziging van verschillende rijkswetten in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel (Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen), Stb. 2010, 339.
Kamerstukken II 2013-14, 33955 (R2032), nr. 3 (MvT), p. 32 en 33 (zie 5.1 en 5.2 hieronder).
Kamerstukken II 2022/23, 36351 (R2184), nr. 1-4.
Wetsvoorstel wijziging BRNC ingediend, V-N 2023/25.9.
Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, PbEU 2011, L 345.
Landen en Gebieden Overzee.
Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013, betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit), PbEU 2013, L 344.
Besluit 2001/822/EEG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Gemeenschap, PB L 314 van 30 november 2001, blz. 1.
Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland), OJ L 355, 7.10.2021, p. 6–134. Dit besluit is volgens art. 94 van toepassing met ingang van 1 januari 2021.
Kamerstukken II 2013-14, 33955 (R2032), nr. 3 (MvT), p. 1, 2, 4, 5, 19, 32 en 33.
Voetnoot in origineel: Deze drie rijkswetten zullen gelden in de verhouding tussen Nederland en Aruba, tussen Nederland en Curaçao en tussen Nederland en Sint Maarten.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2010/11, 25 087, bijlage bij nr. 7.
Kamerstukken II 2013-14, 33955 (R2032), nr. 6, p. 7 t/m 10, 19 en 20.
Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 (Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn), Stb. 2015, 543.
Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21/1).
Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 3 (MvT), p. 3, 5, 8 en 9.
Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6, p. 7 en 11.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, blz. 71.
Voetnoot in origineel: IP/10/1252.
Voetnoot in origineel: Zie arrest van het HvJ EU van 16 juli 1998, zaak C-264/96 (ICI), BNB 1998/420, en arrest van het HvJ EU van 12 september 2006, zaak C-196/04 (Cadbury Schweppes), BNB 2007/54.
Voetnoot in origineel: Mededeling van de Europese Commissie, COM(2007) 785 def.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 93 en 94.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 93 en 94.
Wijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de introductie van een inhoudingsplicht voor houdstercoöperaties, de uitbreiding van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en wijziging van enkele antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting en vennootschapsbelasting (Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling) Stb. 2017, 520.
Brief d.d. 2 november 2017 van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken II 2017/2018, 34.788 nr. 8, p. 2.
Voetnoot in origineel: Kamerstuk 33 003, nr. 3, blz. 105.
Zie ook, over de opvolger van art. 17(3)(b) Wet Vpb, nl. art. 4(3) Wet DivB: S.P. van Mierlo, ‘Nederlandse antimisbruikbepaling voor de dividend- en bronbelasting in internationaal perspectief’, WFR 2023/69.
O.C.R. Marres, ‘Over de schakelfunctie en drie andere misverstanden’, NTFR 2022/2349.
R.P.C. Cornelisse, Enige bespiegelingen over art. 17, lid 3, onderdeel b, wet VPB 1969, NTFR 2018/359.
HR 10 januari 2020, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80 met noot Egelie.
Conclusies van 26 mei 2023, in de zaken met de nrs. 22/02691 en 22/02695, met gemeenschappelijke bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.
HvJ EU 5 juni 2014, gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12, X BV en TBG Ltd, na conclusie Jääskinen, ECLI:EU:C:2014:1385, BNB 2014/187 met noot Marres, V-N 2014/31.20.
HvJ EU 5 mei 2011, zaak C-384/09, Prunus en Polonium, na conclusie Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2011:276.
Douma, Marres, Vermeulen and Weber (eds), Terra/Wattel, European Tax Law, Vol. I (general topics and direct taxation), eighth edition 2023, Section 5.3, p. 181-182.
“5. In de betrekkingen tussen de lidstaten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 203 vastgestelde bijzondere bepalingen.”
HvJ EU 13 november 2012, zaak C-35/11, Test Claimants in the FII Group Litigation tegen Commissioners of Inland Revenue en The Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs, na conclusie Jääskinen, ECLI:EU:C:2012/707, BNB 2013/28 met noot Wattel.
U zie uitgebreider: Douma, Marres, Vermeulen and Weber (eds), Terra/Wattel, European Tax Law, Vol. I (general topics and direct taxation), eighth edition 2023, Section 5.2.4.
Conclusies van 26 mei 2023, in de zaken met de nrs. 22/02691 en 22/02695, met gemene bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.
Zie uitgebreid daarover: Terra/wattel, European Tax Law, Vol. I, 8th edition 2023, Sections 7.2-7.6, en Rita de la Feria/Stefan Vogenauer (eds), Prohibition of Abuse of Law, A New General Principle of EU Law, Hart Publishing, 2011.
HvJ EU 18 december 2007, zaak C-101/05, Skatteverket v. A, na conclusie Bot, ECLI:EU:C:2007:804.
HvJ EU 18 december 2007, zaak C-101/05, Skatteverket v. A, na conclusie Bot, ECLI:EU:C:2007:804.
HvJ 8 maart 2017, C-6/16, Euro Park Service, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2017:177, NTFR 2017/805, met noot Egelie.
Conclusies van 26 mei 2023, in de zaken met de nrs. 22/02691 en 22/02695, met gemene bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.
R.o. 97 van HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, T Danmark & Y Denmark, na conclusie Kokott, ECLI:EU:C:2019:135, BNB 2020/10, met noot Douma.
Conclusies van 26 mei 2023, in de zaken 22/02691 en 22/02695, met gemeenschappelijke bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.
Conclusies van 26 mei 2023, in de zaken 22/02691 en 22/02695, met gemeenschappelijke bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.
HvJ EU 20 mei 1976, zaak 104/75, De Peyper, ECLI:EU:C:1976:67.
HvJ EU 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, ECLI:EU:C:1983:318.
HvJ EU 2 oktober 2003, zaak C-147/01, Weber’s Wine World a.o., na conclusie Jacobs, ECLI:EU:C:2003/533.
HvJ EU 30 juni 2011, zaak C-262/09, Meilicke II, na conclusie Trstenjak, ECLI:EU:C:2011:438.
Zo genoemd naar de arresten HvJ 6 december 1976, zaak 33/76, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188, en HvJ 16 December 1976, zaak C-45/76, Comet, ECLI:EU:C:1976:191. Zie over de grenzen die de EU-rechtelijke equivalentie- en effectiviteitsbeginselen stellen aan de nationale procedurele autonomie onder meer S. Prechal en R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Ars Aequi Libri, Nijmegen 2017, p. 42 e.v. en Terra/Wattel, European Tax Law, Vol. I (general topics and direct taxation), 8th edition 2023, p. 106-111.
Nog minder correct lijkt mij de aanduiding ‘objectief’ van de kunstmatigheidstoets in art. 17(3)(b) Wet Vpb. Ook die toets toetst immers subjectieve misbruikbedoelingen. De (écht) objectieve toets (strijd met doel en strekking van de wet) is onttrokken aan bewijslevering omdat doel en strekking van de wet een rechtsvraag zijn en niet een feitelijke vraag ter zake waarvan een van beide partijen enige bewijslast kan dragen. U zie nader de onderdelen 4 van de twee conclusies van 26 mei 2023 in de bij u aanhangige zaken 22/02691 en 22/02695, met gemeenschappelijke bijlage, ECLI:NL:PHR:2023:540, ECLI:NL:PHR:2023:541 en ECLI:NL:PHR:2023:572, V-N 2023/29.10.