Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.5:6.5 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.5
6.5 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950314:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij een opschortingsrecht op grond van artikel 6:52 lid 1 BW. De schuldenaar kan van dat recht gebruikmaken door het uit te oefenen. De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is onderworpen aan de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Onder omstandigheden kan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of worden dat de schuldenaar zich beroept op een op zichzelf gerechtvaardigde opschorting van de nakoming van zijn verbintenis. Deze toetsing van de uitoefening aan de redelijkheid en billijkheid blijkt niet met zoveel woorden uit artikel 6:52 lid 1 BW, maar vloeit voort uit de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als geregeld in artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2 BW. De beoordeling van de vraag of de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt het in de kern genomen aan op een afweging van de bij die uitoefening betrokken belangen van partijen. In het licht van de omstandigheden van het geval dient de uitoefening van het algemene opschortingsrecht doelmatig en evenredig te zijn. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan het onaanvaardbaar zijn dat de schuldenaar zijn opschortingsrecht uit hoofde van artikel 6:52 BW uitoefent als sprake is van een onevenredige verhouding tussen de waarde van de verbintenissen over en weer of als de wederpartij door die uitoefening onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Redenen van doelmatigheid kunnen meebrengen dat de schuldenaar dient af te zien van het uitstellen of verder uitstellen van de nakoming van zijn verbintenis of eventueel moet kiezen voor andere, voor zijn wederpartij minder bezwaarlijke rechtsmaatregelen. Voorts kan het door de schuldenaar niet verschaffen van duidelijkheid over datgene wat hij met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht wenst te bewerkstelligen leiden tot de conclusie dat een verdere uitoefening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als deze onduidelijkheid aan de doelmatigheid van deze uitoefening in de weg staat. Evenmin kan een schuldenaar zich op een opschortingsrecht beroepen als hij dat recht heeft verwerkt of daarvan afstand heeft gedaan.