Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.1
6.1 Inleiding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950368:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Discussie bestaat of dit dan misbruik van bevoegdheid zou opleveren (zie over verschillen tussen de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/9 en Schrage, Misbruik van bevoegdheid (Mon. BW nr. A4) 2019/9). Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/58 en Schelhaas & Stolp 2009, p. 61 houden dat in bepaalde gevallen voor mogelijk. Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel e, alsook Fesevur 1988, p. 104, meent dat dit onjuist is, omdat dan geen recht bestaat. Met Heyning-Plate 1969, p. 99 denk ik dat niet van misbruik van bevoegdheid behoeft te worden gesproken wanneer het beroep op een opschortingsrecht op zichzelf al in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Niettemin zijn gevallen denkbaar waarin het opschortingsverweer niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, maar wel misbruik van bevoegdheid oplevert (zie bijv. Rb. Gelderland (vzr.) 6 december 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5397, r.o. 4.6 (‘(…) dat er weliswaar voldoende samenhang bestaat tussen de wederzijdse verbintenissen van partijen, maar dat de (…) gestelde en (…) betwiste tekortkomingen de opschorting van de verbintenis van IP4Solutions (…) niet rechtvaardigen, nu zij daarmee slechts frustreert dat de koopprijs van de aandelen kan worden vastgesteld’)).
De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is onderworpen aan de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Onder omstandigheden kan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of worden dat de schuldenaar zich beroept op een op zichzelf gerechtvaardigde opschorting van de nakoming van zijn verbintenis (§ 6.2).1 Daarvan kan sprake zijn als de uitoefening van een opschortingsrecht niet doelmatig of evenredig is in het licht van de omstandigheden van het geval (§ 6.3). Een schuldenaar kan zich niet meer op het algemene opschortingsrecht beroepen als hij dit recht heeft prijsgegeven (§ 6.4). In § 6.5 volgen een samenvatting en conclusie.