Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.3.2
4.3.2 Scheiding tussen publiek en privaat domein
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456406:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Locke 2004 [1685], p. 45.
Dalferth, Journal of the American Academy of Religion 2010, p. 333.
Kymlicka 2002, p. 289.
Locke, Two treatises of government, Second Treatise, par. 123, laatste zin: Locke gebruikt ‘property’ als verzamelnaam voor ‘lives, liberties and estates’.
Vermeulen 1995, p. 30.
Het onderscheid komt mogelijk voort uit openbare orde-overwegingen teneinde de spanningen tussen protestanten en katholieken in toom te houden. Katholieke processies (uitoefening van godsdienst buiten gebouwen en besloten plaatsen) zouden om die reden aan banden gelegd moeten kunnen worden.
Alexy stelt dat deze benadering voor het eerst naar voren komt in het Elfes-arrest van 1957, BVerfGE 6, 32 (41).
Alexy 2010, p. 237, 239.
Naast de invloed op de kwalificatie van het fenomeen godsdienst heeft het liberale uitgangspunt van een scheiding tussen een publiek en een privaat domein ook invloed gehad op de vrijheidssfeer van de godsdienstvrijheid (zie 2.2.9-2.2.10) geresulteerd in de context-benadering. Kennelijk, zo hebben we eerder geconcludeerd, gaat de grondwetgever ervan uit dat de godsdienstvrijheid niet geldt binnen de vrijheidssfeer van de ander, bijvoorbeeld in andermans huis, particuliere bedrijven etc. Voor de grondwetgever zijn dat geen uitingen en gedragingen die worden beschermd door art. 6 Gw.
C. Evans stelt dat noch het EHRM noch de Commissie in de jurisprudentie heeft uitgelegd wat het onderscheid tussen het forum internum en forum externum precies inhoudt. Beide zouden echter meerdere malen stellen dat ‘Article 9 primarily protects the sphere of personal beliefs and religious creeds, i.e. the area which is sometimes called the forum internum’. Ze verwijst daarvoor naar de volgende uitspraken: EHRM 15 december 1983, nr. 10358/83 (C. v the UK); EHRM 18 december 1996, nr. 74/1995/580/666 (Valsamis v Greece). Zie C. Evans 2001, p. 72.
In het ideaaltype van het liberale gezindtepluralisme gaat men uit van het liberale onderscheid tussen het publieke en private domein. Het gevolg van dit onderscheid is dat men in het laatste domein vrijer is dan in het eerste door het algemeen belang bepaalde domein. Zo stelt Locke:
‘In huiselijke aangelegenheden en private vermogens of waar het gaat om lichamelijke gezondheid heeft ieder het volledige recht om datgene te beslissen wat in zijn eigen belang is.’1
Religie heeft in het liberale denken vooral een plaats in de privésfeer.2 Liberalen vinden dat overheidsbeleid, wetgeving en rechtspraak niet mogen zijn ingegeven door godsdienstige overwegingen. Weliswaar mag men bij de vorming van overheidsbeleid, wetgeving en rechtspraak wel geïnspireerd raken door godsdienst, maar deze inspiratie moet altijd kunnen worden omgezet in een ‘redelijk’ discours. Met andere woorden, men moet religieuze argumenten altijd kunnen vertalen in redelijke, voor iedereen te aanvaarden argumenten.3
Binnen het liberale perspectief kan het recht niet zoals in een theocratie gelegitimeerd worden vanuit godsdienst. Godsdienst wordt in het liberale denken echter niet geheel van het recht losgekoppeld. Liberalen plaatsen het belijden van godsdienst immers in het kader van de vrijheidsrechten. Het idee van deze vrijheidsrechten is dat ze een bepaalde afgegrensde ruimte waarborgen. Hieraan ligt een territoriaal perspectief op vrijheid ten grondslag dat teruggaat op Lockes Two treatises of government (1690). Locke legt burgerrechten uit in het licht van privébezit (eigendom).4 Zoals men een stuk land bezit zo bezit men ook het recht op leven en het recht op (een bepaalde) vrijheid. Dit territoriale perspectief werkt nog steeds door in de liberale grondrechtstheorie. Men heeft in figuurlijke zin een afgebakende, voorspelbare sfeer als grondrechtsobject voor ogen, ten aanzien waarvan het mogelijk is, in zijn algemeenheid te voorzien welke situaties en handelingen daardoor bestreken kunnen worden.5 Het gevolg van het territoriale perspectief op vrijheidsrechten is dat het de samenleving opdeelt in een privé en een publiek domein. Er wordt een schot geplaatst tussen het terrein waar de competentie van de staat groot is en een privédomein waar de competentie van de staat klein is.
Het uitgangspunt van het onderscheid tussen het private en publieke domein vinden we in de Nederlandse rechtsorde terug in de formulering van artikel 6 Grondwet. Hoewel aan het onderscheid tussen het belijden van godsdienst binnen gebouwen en besloten plaatsen (onderdeel van lid 1) en het belijden buiten gebouwen en besloten plaatsen (lid 2) wellicht ook andere overwegingen ten grondslag hebben gelegen6 is dit onderscheid te kenmerken als het liberale onderscheid tussen een privédomein en een publiek domein waarbij voor het laatste domein geldt dat daar eenvoudiger beperkingen aan de godsdienstvrijheid kunnen worden opgelegd. Het gevolg is een zekere (minimale) objectivering van de betekenis van godsdienst: bepaalde godsdienstige uitingen en gedraging (buiten gebouwen en besloten plaatsen) bekleden een tweederangs positie. Het betreft wel de uitoefening van godsdienst alleen dan, bezien vanuit het perspectief van de rechtsorde, minder belangrijke godsdienst.
Ten slotte kunnen we ook de sporadisch in de jurisprudentie gebruikte ‘kernrechtbenadering’ duiden vanuit een liberaal perspectief. De kernrechtbenadering is ontwikkeld in de Duitse jurisprudentie7 en gaat er simpel gezegd vanuit dat er verschillende maten van grondrechtelijke bescherming zijn onder verschillende omstandigheden. De grondwettelijke bescherming is het sterkst indien beperkingen betrekking hebben op de meest private sfeer van het individu en wordt in allerlei gradaties minder naar mate de vrijheid betrekking heeft op het publieke domein.8 Dit kan bijvoorbeeld impliceren dat bidden een belangrijkere godsdienstige gedraging is dan het selecteren van leermiddelen door een bijzondere school, of dat het bijwonen van de ‘eredienst’ in een moskee belangrijker is dan het dragen van een hoofddoek.9 Ook het door het EHRM gehanteerde onderscheid tussen een forum internum en een forum externum van de godsdienstvrijheid zou men kunnen begrijpen in het licht van de kernrechtbenadering.10