Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 10-08-2017, nr. C-271/17 PPU
ECLI:EU:C:2017:629
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
10-08-2017
- Magistraten
J. L. da Cruz Vilaça, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits, F. Biltgen
- Zaaknummer
C-271/17 PPU
- Conclusie
M. Bobek
- Roepnaam
Zdziaszek
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:629, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑08‑2017
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBAMS:2017:3355
ECLI:EU:C:2017:612, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑07‑2017
Uitspraak 10‑08‑2017
J. L. da Cruz Vilaça, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits, F. Biltgen
Partij(en)
In zaak C-271/17 PPU,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 18 mei 2017, ingekomen bij het Hof op diezelfde dag, in de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen
Sławomir Andrzej Zdziaszek,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits en F. Biltgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 juli 2017,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Sławomir Andrzej Zdziaszek, vertegenwoordigd door M. Bouwman en B. J. Polman, advocaten,
- —
het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door K. van der Schaft en U. E. A. Weitzel als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Noort en M. Bulterman als gemachtigden,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door J. Quaney als gemachtigde, bijgestaan door C. Noctor, BL,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Nowak en K. Majcher als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en S. Grünheid als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juli 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (regionale rechtbank Gdańsk, Polen) tegen Sławomir Andrzej Zdziaszek is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in Polen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
EVRM
3
Artikel 6 (‘Recht op een eerlijk proces’) van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’), luidt als volgt:
- ‘1.
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
- 2.
Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
- 3.
Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
- a)
onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
- b)
te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
- c)
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
- d)
de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
- e)
zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.’
Unierecht
Handvest
4
Artikel 47 en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) maken deel uit van titel VI ervan, met het opschrift ‘Rechtspleging’.
5
In artikel 47 van het Handvest (‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’) is bepaald:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[…]’
6
De Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17; hierna: ‘toelichtingen bij het Handvest’) preciseren met betrekking tot artikel 47, tweede alinea, van het Handvest dat deze bepaling correspondeert met artikel 6, lid 1, EVRM.
7
Met betrekking tot artikel 47 staat voorts in de toelichtingen bij het Handvest dat ‘[i]n het recht van de Unie […] het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing [is] op geschillen inzake civielrechtelijke rechten en verplichtingen. Dit is een consequentie van het feit dat de Unie een rechtsgemeenschap is, zoals het Hof heeft geconstateerd in [het arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166)]. Met uitzondering van de werkingssfeer zijn de door het EVRM geboden waarborgen op dezelfde wijze van toepassing in de Unie.’
8
In artikel 48 van het Handvest (‘Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging’) is bepaald:
- ‘1.
Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
- 2.
Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.’
9
De toelichtingen bij het Handvest vermelden in dit verband:
‘Artikel 48 is hetzelfde als artikel 6, leden 2 en 3, van het EVRM […]
[…]
Overeenkomstig artikel 52, lid 3, heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht dat door het EVRM wordt gewaarborgd.’
10
Artikel 51 van het Handvest (‘Toepassingsgebied’) bepaalt in lid 1:
‘De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. […]’
11
Artikel 52 van het Handvest (‘Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen’) luidt:
- ‘1.
Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
[…]
- 3.
Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
[…]
- 7.
De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.’
Kaderbesluiten 2002/584 en 2009/299
12
De overwegingen 5, 6, 8, 10 en 12 van kaderbesluit 2002/584 zijn als volgt geformuleerd:
- ‘(5)
[…] Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan […] een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. […]
- (6)
Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.
[…]
- (8)
Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.
[…]
- (10)
De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, [EU, thans, na wijziging, artikel 2 VEU] neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, [EU, thans, na wijziging, artikel 7, lid 2, VEU] en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.
[…]
- (12)
Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [EU] en zijn weergegeven in het Handvest […], met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen. […]’
13
Artikel 1 van dit kaderbesluit (‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’) bepaalt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [EU], wordt aangetast.’
14
In de artikelen 3, 4 en 4 bis van dat kaderbesluit zijn de gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vermeld.
15
Kaderbesluit 2009/299 bepaalt nader op welke gronden de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een lidstaat kan weigeren het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer de betrokkene niet in persoon is verschenen op zijn proces. De overwegingen 1, 2, 4, 6 tot en met 8, 14 en 15 vermelden:
- ‘(1)
Het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens het proces maakt deel uit van het recht op een eerlijk proces dat is voorzien in artikel 6 [EVRM], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. [Dat] Hof heeft tevens verklaard dat het recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen, niet absoluut is, alsook dat de verdachte onder bepaalde voorwaarden uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar op ondubbelzinnige wijze afstand kan doen van dat recht.
- (2)
In de verschillende kaderbesluiten van de Raad ter toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op onherroepelijke rechterlijke beslissingen wordt de kwestie van beslissingen gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet op een consistente wijze behandeld. Deze diversiteit kan het werk van de personen die deze instrumenten toepassen bemoeilijken en de justitiële samenwerking belemmeren.
[…]
- (4)
Er moeten derhalve duidelijke, gemeenschappelijke gronden worden bepaald voor het niet erkennen van beslissingen die zijn gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen. Dit kaderbesluit strekt ertoe zulke gemeenschappelijke gronden nauwkeuriger te omschrijven, waardoor de uitvoerende autoriteit de beslissing met volledige inachtneming van het recht van verdediging van de betrokkene ten uitvoer kan leggen ondanks de afwezigheid van de betrokkene tijdens het proces. Dit kaderbesluit beoogt niet vormen en methoden, met inbegrip van de procedurevoorschriften, die worden gebruikt om de in dit kaderbesluit gespecificeerde resultaten te behalen, te regelen; deze blijven een zaak van het nationale recht van de lidstaten.
[…]
- (6)
De bepalingen van dit kaderbesluit tot wijziging van andere kaderbesluiten leggen vast onder welke voorwaarden de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet behoort te worden geweigerd. Het gaat om alternatieve voorwaarden. Indien aan één van de voorwaarden is voldaan, geeft de uitvaardigende autoriteit door de desbetreffende rubriek van het Europees aanhoudingsbevel of van het relevante certificaat bij de andere kaderbesluiten in te vullen, de garantie dat aan de voorschriften is of zal worden voldaan, hetgeen voldoende zou moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van de beslissing op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.
- (7)
De erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, mag niet worden geweigerd indien hij persoonlijk was gedagvaard en daarbij op de hoogte was gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of indien hij anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, waardoor op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces. In dit verband dient de betrokkene die kennisgeving ‘tijdig’ te hebben ontvangen, dat wil zeggen lang genoeg van tevoren om hem in staat te stellen bij het proces aanwezig te zijn en zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen.
- (8)
Het recht op een eerlijk proces van een verdachte is gegarandeerd door het [EVRM], zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit recht omvat het recht van de betrokkene om in persoon tijdens het proces te verschijnen. Om van dit recht gebruik te kunnen maken, dient de betrokkene op de hoogte te zijn van het voorgenomen proces. Ingevolge dit kaderbesluit dient elke lidstaat er overeenkomstig het nationale recht zorg voor te dragen dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, met dien verstande dat het nationale recht in overeenstemming moet zijn met het genoemde Verdrag. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt, dat in voorkomend geval bij het beoordelen of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, ook in het bijzonder kan worden overwogen of de betrokkene voldoende diligent is geweest de aan hem gerichte kennisgeving in ontvangst te nemen.
[…]
- (14)
Dit kaderbesluit beperkt zich tot de nauwkeurigere omschrijving van gronden voor niet-erkenning in regelingen ter toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Derhalve hebben bepalingen als die betreffende het recht op een nieuw proces alleen betrekking op de omschrijving van die gronden voor niet-erkenning. Ze zijn niet bedoeld om de nationale wetgevingen onderling aan te passen. Dit kaderbesluit laat toekomstige regelgeving van de Europese Unie tot onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen op strafrechtelijk gebied onverlet.
- (15)
De gronden voor niet-erkenning zijn facultatief. De vrijheid waarover de lidstaten beschikken om deze gronden in de nationale wetgeving op te nemen, wordt echter vooral bepaald door het recht op een eerlijk proces, waarbij tegelijkertijd rekening moet worden gehouden met het algemene doel van dit kaderbesluit, te weten het versterken van de procedurele rechten van personen en het faciliteren van de justitiële samenwerking in strafzaken […]’
16
In artikel 1 van kaderbesluit 2009/299 (‘Doelstellingen en werkingssfeer’) heet het:
- ‘1.
Doelstellingen van dit kaderbesluit zijn de procedurele rechten van personen tegen wie een strafprocedure loopt, te versterken, de justitiële samenwerking in strafzaken te faciliteren, in het bijzonder het bevorderen van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten.
- 2.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag, inclusief de rechten van de verdediging van personen tegen wie een strafprocedure loopt, en alle verplichtingen die in dat verband op de gerechtelijke autoriteiten rusten, worden aangetast.
- 3.
Dit kaderbesluit stelt gemeenschappelijke regels vast voor de erkenning en/of tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in een lidstaat (de uitvoerende lidstaat) die in een andere lidstaat (de uitvaardigende of beslissingslidstaat) zijn uitgevaardigd na een proces waarbij de betrokkene niet aanwezig was […].’
17
Artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 is ingevoegd bij artikel 2 van kaderbesluit 2009/299 en heeft als opschrift ‘Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen’. Lid 1 daarvan luidt als volgt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
- a)
de betrokkene tijdig,
- i)
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
- ii)
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
- b)
de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
- c)
de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
- i)
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
- ii)
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
- d)
de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
- i)
hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
- ii)
dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.’
18
Artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bepaalt:
‘In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:
- a)
de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;
- b)
de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;
- c)
de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
- d)
de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;
- e)
een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;
- f)
de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;
- g)
indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.’
19
Artikel 15 van dit kaderbesluit (‘Beslissing over de overlevering’) bepaalt:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.
- 2.
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8 en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.
- 3.
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.’
20
Artikel 17 van genoemd kaderbesluit luidt:
- ‘1.
Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.
- 2.
Indien de gezochte persoon met zijn overlevering instemt, zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen tien dagen na deze instemming moeten worden genomen.
- 3.
In de andere gevallen zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen 60 dagen na de aanhouding van de gezochte persoon moeten worden genomen.
- 4.
Indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen de in de leden 2 en 3 bepaalde termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en met opgave van redenen. In dat geval kunnen de termijnen met 30 dagen worden verlengd.
[…]’
21
Punt d) van het uniforme model van het Europees aanhoudingsbevel, dat staat in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584, heeft de volgende inhoud:

Nederlands recht
22
Kaderbesluit 2002/584 is in Nederlands recht omgezet bij de Overleveringswet van 29 april 2004 (Stb. 2004, 195; hierna: ‘OLW’).
23
Artikel 12 OLW luidt als volgt:
‘Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van [de] uitvaardigende lidstaat:
- a.
de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of
- b.
de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of
- c.
de verdachte nadat het vonnis aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis:
- 1o.
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het vonnis niet betwist; of
- 2o.
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; of
- d.
het vonnis niet in persoon aan de verdachte is betekend, maar:
- 1o.
hem na zijn overlevering onverwijld in persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
- 2o.
hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.’
24
Punt D van bijlage 2 bij de OLW, met het opschrift ‘Model voor het Europees aanhoudingsbevel […]’, komt overeen met punt d) van de bijlage bij kaderbesluit 2002/584.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
25
Blijkens de verwijzingsbeslissing is op 17 januari 2017 bij de verwijzende rechter, de rechtbank Amsterdam (Nederland), door de officier van justitie bij deze rechtbank een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat op 12 juni 2014 was uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (regionale rechtbank Gdańsk, Polen) (hierna: ‘betrokken Europees aanhoudingsbevel’).
26
Dit bevel strekt tot aanhouding en overlevering van Sławomir Andrzej Zdziaszek, een in Nederland woonachtige Pools staatsburger, met het oog op de tenuitvoerlegging, in Polen, van twee vrijheidsstraffen.
27
In dit verband wordt in dat Europees aanhoudingsbevel melding gemaakt van een op 25 maart 2014 door de Sąd Rejonowy w Wejherowie (rechter in eerste aanleg Wejherowo, Polen) gewezen vonnis waarbij straffen zijn samengevoegd (hierna: ‘verzamelvonnis’). Dit vonnis betreft vijf feiten, genummerd 1 tot en met 5, die ook vijf strafbare feiten volgens Pools recht opleveren en die Zdziaszek zou hebben begaan.
28
In zijn vonnis van 25 maart 2014 heeft de Sąd Rejonowy w Wejherowie ambtshalve
- —
de vrijheidsstraf waartoe Zdziaszek was veroordeeld voor feit 1 bij onherroepelijk vonnis van 21 april 2005 van de Sąd Rejonowy w Wejherowie enerzijds, en de vrijheidsstraf waartoe deze persoon wegens feit 2 was veroordeeld bij onherroepelijk vonnis van 16 juni 2006 van de Sąd Rejonowy w Gdyni (rechter in eerste aanleg Gdynia, Polen) anderzijds, samengevoegd tot één vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden, en
- —
de samengestelde vrijheidsstraf van vier jaar waartoe Zdziaszek wegens de feiten 3 tot en met 5 was veroordeeld bij onherroepelijk vonnis van 10 april 2012 van de Sąd Rejonowy w Wejherowie, gewijzigd in een samengestelde vrijheidsstraf van drie jaar en zes maanden omdat een voor de betrokkene gunstige wetswijziging daartoe noopte.
29
Wat de vrijheidsstraf wegens de feiten 1 en 2 betreft, heeft de verwijzende rechter bij uitspraak van 11 april 2017
- —
de overlevering van Zdziaszek geweigerd voor zover die vrijheidsstraf betrekking had op feit 1, omdat dit feit, zoals omschreven in het betrokken Europees aanhoudingsbevel, niet strafbaar is naar Nederlands recht, en
- —
de behandeling van het Europees aanhoudingsbevel aangehouden voor zover die vrijheidsstraf betrekking had op feit 2, om hem in staat te stellen aanvullende gegevens te vragen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
30
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft enkel betrekking op de vrijheidsstraf voor de strafbare feiten gevormd door de feiten 3 tot en met 5.
31
Punt d) van het betrokken Europees aanhoudingsbevel vermeldt dat Zdziaszek niet in persoon is verschenen in het kader van de procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de door Zdziaszek uit te zitten straf onherroepelijk is vastgelegd.
32
In dit punt d) heeft de uitvaardigende autoriteit alleen vakje 3.2 aangekruist. Dit luidt als volgt:
‘de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd’.
33
Voorts heeft de uitvaardigende autoriteit in dat punt d) punt 4 ingevuld. Daar kan zij de reden vermelden waarom zij meent dat de in punt 3.2 bedoelde voorwaarde is vervuld:
‘Sławomir Zdziaszek was properly, in compliance with the provisions of the code of criminal procedure […], notified of the trial. The notice was sent to the address shown by the convicted person during the preparatory procedure proceedings. He was advised on consequences of not meeting the obligation to inform judicial bodies on the change of address of residence or stay. During the court proceedings Sławomir Zdziaszek used legal aid of a defence counsel, who was present both at the trial as well as the giving of the verdict.’ (Sławomir Zdziaszek was naar behoren, overeenkomstig de bepalingen van het Poolse wetboek van strafvordering, in kennis gesteld van het proces. De oproep was in de voorbereidende fase van het proces naar het door de veroordeelde opgegeven adres gezonden. Hij is in kennis gesteld van de consequenties van het niet doorgeven van een wijziging van woon- of verblijfplaats. Tijdens het proces had Sławomir Zdziaszek in het kader van de gerechtelijke bijstand een raadsman, die zowel op het proces als bij de uitspraak van het vonnis aanwezig was.)
34
Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt:
- —
dat punt 3.2 en de in punt 4 gegeven toelichtingen betrekking hebben op de procedure die tot het verzamelvonnis van 25 maart 2014 heeft geleid, en niet op de drie daaraan ten grondslag liggende veroordelingen;
- —
dat naar Pools recht in procedures zoals de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid:
- a)
het ‘voorwerp van de zaak waarop de onderhavige procedure betrekking heeft’, niet meer ter discussie staat,
- b)
‘straffen die zijn opgelegd bij een juridisch bindende veroordeling’, de basis voor een verzamelvonnis vormen,
- c)
een verzamelvonnis alleen ziet op ‘kwesties die verband houden met het samenvoegen van deze straffen tot een of meerdere samengestelde straffen en met de vraag van de toerekening van bepaalde reeds uitgezeten tijdvakken van de samengestelde straf’, en
- d)
een dergelijk vonnis ‘naar zijn aard gunstig is voor de veroordeelde’ omdat ‘het combineren van afzonderlijke straffen in één samengestelde straf in de praktijk neerkomt op een aanzienlijke verkorting van de duur van de uit te zitten straf’;
- —
dat een oproeping voor een eerste zitting, op 28 januari 2014, aan Zdziaszek was gezonden op het door hem opgegeven adres. Hij heeft de oproeping niet opgehaald en is niet op die zitting verschenen. De Sąd Rejonowy w Wejherowie heeft Zdziaszek ambtshalve een advocaat toegewezen en heeft de behandeling vervolgens aangehouden. Voor een tweede zitting, op 25 maart 2014, is Zdziaszek op dezelfde wijze opgeroepen, maar is daar niet verschenen. De van overheidswege toegewezen raadsman heeft deelgenomen aan de behandeling op deze zitting, na afloop waarvan het verzamelvonnis is uitgesproken.
35
Op basis van deze door de uitvaardigende autoriteit verstrekte gegevens meent de verwijzende rechter dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2002/584, die overeenkomt met de situatie bedoeld in punt d), 3.2, van het in de bijlage bij dit kaderbesluit opgenomen uniforme model van het Europees aanhoudingsbevel, in casu niet van toepassing is, omdat uit die gegevens niet blijkt dat de opgeëiste persoon ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ noch dat hij ‘een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’.
36
De verwijzende rechter vraagt zich om te beginnen af of een beslissing zoals het verzamelvonnis van 25 maart 2014 waarbij ten gunste van de betrokkene een samengestelde vrijheidsstraf waartoe hij eerder onherroepelijk was veroordeeld, wordt gewijzigd en afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe hij eerder onherroepelijk was veroordeeld, worden samengevoegd tot één vrijheidsstraf, maar waarin de vraag of de betrokkene de strafbare feiten al dan niet heeft begaan niet meer aan de orde is, onder de reikwijdte van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt.
37
Zo ja, dan zou de verwijzende rechter mogen weigeren het betrokken Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, omdat de voorwaarde van artikel 4 bis, lid 1, onder b), van dit kaderbesluit niet is vervuld.
38
Niettemin meent deze rechter dat de opgeworpen vraag ontkennend dient te worden beantwoord, hoofdzakelijk wegens de bewoordingen van de punten c) en d) van artikel 4 bis, lid 1, van dat kaderbesluit, waarin telkens de uitdrukking ‘de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten’ wordt gebruikt.
39
Volgens de verwijzende rechter volgt uit deze formulering dat daarmee wordt gedoeld op de situatie waarin de strafrechter de zaak ten gronde afdoet in die zin dat hij zich heeft uitgesproken over de schuld van de betrokkene aan het hem ten laste gelegde strafbare feit en hem in voorkomend geval voor dat strafbare feit een sanctie heeft opgelegd. Dat is daarentegen niet het geval bij een verzamelvonnis, zoals het op 25 maart 2014 door de Sąd Rejonowy w Wejherowie gewezen vonnis, aangezien de schuldvraag van de betrokkene in het kader van een dergelijke procedure niet meer aan de orde komt.
40
De verwijzende rechter preciseert echter dat de Poolse uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarentegen van mening lijkt te zijn dat een beslissing van deze aard wel onder artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt, omdat zij in punt d) van het betrokken Europees aanhoudingsbevel enkel gegevens vermeldt over de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, en geen gegevens over de schuldigverklaring van de betrokkene, die aan het verzamelvonnis ten grondslag ligt.
41
Voor het geval deze eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord, meent de verwijzende rechter vervolgens dat hij moet onderzoeken of de betrokkene in de fase van de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende schuldigverklaring in persoon was verschenen op het proces dat tot deze schuldigverklaring heeft geleid en, indien dat niet het geval is, of een van de in de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 zich voordoet.
42
Met betrekking tot het onderliggende vonnis hebben in het onderhavige geval de Poolse rechterlijke autoriteiten op verzoek van het Nederlandse Openbaar Ministerie aanvullende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat Zdziaszek op geen van de in eerste aanleg en in hoger beroep gehouden zittingen van het proces over de zaak ten gronde, in persoon is verschenen.
43
Betreffende de toepasselijkheid van een van de in de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 genoemde omstandigheden, stelt de verwijzende rechter vast dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit geen gebruik heeft gemaakt van punt d), 2, van het formulier van het Europees aanhoudingsbevel en evenmin de toepasselijke categorie van punt d), 3, van dat formulier heeft aangegeven.
44
De vraag rijst dus of de verwijzende rechter in deze omstandigheden op die grond mag weigeren het betrokken Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
45
Die rechter ziet aanknopingspunten voor een bevestigend antwoord.
46
Zo zou uit de bewoordingen ‘tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat’ in de aanhef van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kunnen worden afgeleid dat de informatie over de toepasselijkheid van één van de omstandigheden als bedoeld in de punten a) tot en met d) van die bepaling in beginsel in punt d) van het formulier van het Europees aanhoudingsbevel moet worden meegedeeld, of op zijn minst overeenkomstig de formulering van de daarin omschreven categorieën.
47
Een dergelijke uitlegging is ook in overeenstemming met de doelen van dit kaderbesluit, te weten, ten eerste, dat de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen de gestelde termijn wordt genomen, zodat het van belang is het aantal gevallen waarin om aanvullende gegevens moet worden gevraagd, tot een minimum terug te brengen, ten tweede, een duidelijke en gemeenschappelijke weigeringsgrond in te voeren en, ten derde, de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen zich op eenvoudige en transparante wijze ervan te vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene daadwerkelijk zijn geëerbiedigd.
48
De verwijzende rechter preciseert evenwel dat er ook aanknopingspunten zijn voor de tegengestelde opvatting. De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten lijken er algemeen van uit te gaan dat het niet nodig is om gebruik te maken van de categorieën in punt d), 3, van het formulier van het Europees aanhoudingsbevel.
49
Voorts zou een bevestigend antwoord op deze vraag tot meer weigeringen en bijgevolg tot minder overleveringen kunnen leiden, wat indruist tegen het beginsel van wederzijdse erkenning.
50
Voor het geval de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord, meent de verwijzende rechter dat hij nog moet nagaan of op de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende schuldigverklaring een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 van toepassing is.
51
In dit verband blijkt uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens dat er in Polen een procedure in eerste aanleg is gevoerd die heeft geleid tot de veroordeling van Zdziaszek op 10 april 2012, alsmede een procedure in hoger beroep die niet heeft geleid tot wijziging van deze veroordeling.
52
Met betrekking tot de procedure in eerste aanleg, heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het volgende meegedeeld:
- —
er zijn 27 zittingen in eerste aanleg gehouden;
- —
de opgeëiste persoon is op geen van die zittingen verschenen;
- —
de opgeëiste persoon werd aanvankelijk achtereenvolgens vertegenwoordigd door twee ambtshalve toegewezen raadslieden, en vervolgens door een zelf gekozen raadsman, die is verschenen op de volgende zittingen, en
- —
de opgeëiste persoon en zijn gekozen raadsman zijn niet verschenen op de zitting waarop de veroordeling is uitgesproken, maar zij waren op de hoogte van de inhoud van het ten gronde gewezen vonnis, omdat zij een verzoek hebben ingediend strekkende tot het opstellen van een ‘legal justification’ van dat vonnis.
53
Volgens de verwijzende rechter kan uit deze elementen niet worden afgeleid dat Zdziaszek in de fase van de procedure waarin hij een ambtshalve toegewezen raadsman had, ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2002/584.
54
Dit ligt echter anders voor de fase van de procedure waarin de raadsman die hij zelf had gekozen, is verschenen. Uit dit verschijnen leidt de verwijzende rechter af dat Zdziaszek in die fase wel ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ en dat hij die raadsman ‘heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’ in de zin van die bepaling.
55
De door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte gegevens houden echter niet in dat Zdziaszek ‘op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd’, maar alleen dat die raadsman is verschenen op zittingen in het kader van de procedure in eerste aanleg. Bovendien blijkt niet op welke van de 27 zittingen de door Zdziaszek zelf gekozen raadsman is verschenen, noch wat op die zittingen aan de orde is geweest. Bijgevolg kan uit alleen deze informatie niet worden afgeleid dat deze raadsman op de zittingen is verschenen en daar de betrokkene daadwerkelijk heeft verdedigd.
56
De verwijzende rechter meent derhalve dat Zdziaszek niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg heeft geleid en dat zich ten aanzien van deze procedure geen van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde omstandigheden voordoet.
57
Met betrekking tot de procedure in hoger beroep heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het volgende meegedeeld:
- —
de opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting in hoger beroep;
- —
hij is behoorlijk opgeroepen voor die zitting, en
- —
op de zitting in hoger beroep is de gekozen raadsman van de opgeëiste persoon verschenen.
58
Op basis van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit meegedeelde aanvullende gegevens, die aangeven dat Zdziaszek en zijn raadsman op de hoogte waren van de inhoud van het vonnis van 10 april 2012, komt de verwijzende rechter tot de slotsom dat de opgeëiste persoon ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ in hoger beroep en dat hij zijn gekozen raadsman ‘heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’. Omdat in hoger beroep maar één zitting heeft plaatsgevonden, leidt de verwijzende rechter uit die gegevens die aangeven dat die raadsman op de zitting in hoger beroep is verschenen, verder af dat Zdziaszek op die zitting ‘werkelijk door die raadsman is verdedigd’.
59
Gelet op deze gegevens ligt de situatie dus anders naargelang wordt uitgegaan van de procedure in eerste aanleg dan wel van die in hoger beroep, waarbij verondersteld is dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld.
60
Voordat de verwijzende rechter de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om opheldering over dit punt verzoekt, vraagt hij zich eerst af of de procedure in hoger beroep binnen de reikwijdte van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt.
61
Deze rechter ziet verschillende aanknopingspunten voor een bevestigend antwoord op deze vraag.
62
Hij baseert zich in dit opzicht op de bewoordingen van die bepaling, die de reikwijdte ervan niet beperken tot de procedure in eerste aanleg, daar de punten c) en d) daarvan uitdrukkelijk verwijzen zowel naar een ‘verzetprocedure’ of ‘verzet’ als naar een ‘procedure in hoger beroep’ of ‘hoger beroep’. Volgens Pools recht impliceert de procedure in hoger beroep een nieuwe behandeling van de zaak ten gronde.
63
Voorts wordt een dergelijke uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van dit kaderbesluit zijns inziens gestaafd door het doel van die bepaling, die, zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 43 van het arrest van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107), en in punt 37 van het arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346), beoogt de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de overlevering toe te staan ondanks het feit dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen.
64
De rechten van de verdediging maken immers deel uit van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest, zodat een lidstaat, wanneer hij een procedure in hoger beroep heeft ingesteld, gehouden is te verzekeren dat de betrokkene in het kader daarvan de in deze bepalingen genoemde fundamentele waarborgen geniet. Dus hoewel de betrokkene afstand kan doen van zijn rechten van verdediging, neemt dat niet weg dat, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld, de strafrechter, die zich opnieuw over de schuld van de betrokkene dient uit te spreken, geen uitspraak kan doen zonder een rechtstreekse beoordeling van de bewijzen die in persoon zijn aangevoerd door de verdachte, die wenst te bewijzen dat hij de daad waarvan wordt gesteld dat die een strafbaar feit oplevert, niet heeft gepleegd. In een dergelijk geval is de enkele omstandigheid dat de betrokkene in eerste aanleg zijn rechten van verdediging heeft kunnen uitoefenen dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de in artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest gestelde vereisten is voldaan.
65
Als de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces in hoger beroep en als in hoger beroep een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden waarbij de betrokkene opnieuw is veroordeeld of waarbij de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling is bekrachtigd, dan strookt het naar de mening van de verwijzende rechter daarom met de doelstelling van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 dat deze procedure binnen de reikwijdte van die bepaling valt.
66
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat een aantal andere lidstaten niet instemt met deze uitlegging. Zij menen dat een procedure in hoger beroep in geen geval relevant is voor de uit hoofde van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te verrichten toetsing. Derhalve zou kunnen worden betoogd dat wanneer vaststaat dat de rechten van de verdediging van de betrokkene in de procedure in eerste aanleg volledig in acht zijn genomen, op grond van het beginsel van wederzijds vertrouwen moet worden aangenomen dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat de door het Unierecht verleende grondrechten in eventuele andere procedures niet hebben geschonden. Het Hof heeft zich echter niet eerder over deze kwestie uitgesproken.
67
De rechtbank Amsterdam heeft de behandeling van de zaak dan ook geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een procedure
- —
waarin de rechter in de uitvaardigende lidstaat beslist over het samenvoegen van afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld tot één vrijheidsstraf en/of over het wijzigen van een samengestelde vrijheidsstraf waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld en
- —
waarin die rechter zich niet meer buigt over de schuldvraag,
zoals de procedure die tot de cumulative sentence [vonnis waarbij straffen worden samengevoegd] van 25 maart 2014 heeft geleid, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, van kaderbesluit [2002/584]?
- 2)
Kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit:
- —
in een geval [waarin] de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid,
- —
maar waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, noch in het [Europees aanhoudingsbevel], noch in de op grond van artikel 15, tweede lid, van kaderbesluit [2002/584] opgevraagde aanvullende gegevens, de mededelingen over de toepasselijkheid van een of meer van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, van kaderbesluit [2002/584], overeenkomstig de formulering van een of meer van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het formulier [van het Europees aanhoudingsbevel] heeft gedaan,
reeds om die reden concluderen dat aan geen van de voorwaarden van artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van kaderbesluit [2002/584] is voldaan en reeds om die reden de tenuitvoerlegging van het [Europees aanhoudingsbevel] weigeren?
- 3)
Is een procedure in hoger beroep
- —
waarin een behandeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
- —
die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
- —
terwijl het [Europees aanhoudingsbevel] strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,
het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, van kaderbesluit [2002/584]?’
Spoedprocedure
68
De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
69
Ter ondersteuning van dit verzoek wijst die rechter op het feit dat Zdziaszek zich momenteel in Nederland in overleveringsdetentie bevindt, in afwachting van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het betrokken Europees aanhoudingsbevel dat jegens hem was uitgevaardigd door de bevoegde autoriteiten van de Republiek Polen.
70
De verwijzende rechter zet voorts uiteen dat hij hierover geen beslissing kan nemen zolang het Hof geen uitspraak heeft gedaan over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing. Het antwoord van het Hof op de gestelde vragen is derhalve rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de detentie van Zdziaszek in Nederland met het oog op zijn eventuele overlevering ter tenuitvoerlegging van dat Europees aanhoudingsbevel.
71
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van kaderbesluit 2002/584, dat behoort tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Behandeling volgens de prejudiciële spoedprocedure is voor deze verwijzing derhalve mogelijk.
72
In de tweede plaats moet, wat het criterium van spoedeisendheid betreft, volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de betrokkene in het hoofdgeding thans zijn vrijheid is ontnomen en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn detentie wordt voortgezet (arrest van 10 november 2016, Kovalkovas, C-477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet de situatie van de betrokkene worden beoordeeld zoals deze zich voordeed op de datum van het onderzoek van het verzoek om de prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen (arrest van 24 mei 2016, Dworzecki, C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
In casu staat ten eerste vast dat aan Zdziaszek op die datum zijn vrijheid was ontnomen. Ten tweede hangt het van de uitkomst van het hoofdgeding af of diens detentie wordt voortgezet, daar de maatregel tot zijn bewaring, blijkens de door de verwijzende rechter verstrekte verduidelijkingen, was gelast in het kader van de tenuitvoerlegging van het betrokken Europees aanhoudingsbevel.
74
Daarop heeft de Vijfde kamer van het Hof op 8 juni 2017, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure, in te willigen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en derde vraag
75
Met zijn eerste en zijn derde vraag, die tezamen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat dit betrekking heeft op de procedure in hoger beroep en/of een procedure tot wijziging van een of meer eerder opgelegde vrijheidsstraffen, zoals die waarin het verzamelvonnis is gewezen dat in het hoofdgeding aan de orde is.
76
Om deze vragen, zoals geherformuleerd, te beantwoorden, dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat, zoals blijkt uit de punten 81, 90 en 98 van het arrest van heden, Tupikas (C-270/17 PPU), voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ aldus moet worden opgevat dat het, in het geval waarin de procedure verschillende instanties omvatte die tot opeenvolgende vonnissen hebben geleid, waarvan er ten minste één bij verstek is gewezen, enkel ziet op de procedure in hoger beroep voor zover bij het na die instantie gewezen vonnis onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en over zijn veroordeling tot een straf, zoals een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, na een nieuwe behandeling, feitelijk en rechtens, van de zaak ten gronde.
77
Inderdaad omvat een dergelijk vonnis in beginsel twee aparte, maar met elkaar verband houdende onderdelen, te weten de schuldigverklaring en de oplegging van een straf, in casu een vrijheidsstraf (zie in die zin arrest van heden, Tupikas, C-270/17 PPU, punten 78 en 83).
78
Dat neemt niet weg dat, zelfs in het geval waarin, zoals in het hoofdgeding, de duur van de opgelegde straf is gewijzigd in een latere procedure, de beslissing in hoger beroep met de kenmerken als omschreven in punt 76 van het onderhavige arrest relevant blijft voor de door de uitvoerende rechterlijke autoriteit uit hoofde van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te verrichten controle.
79
Om dezelfde redenen als die welke vermeld zijn in de punten 83 en 84 van het arrest van heden, Tupikas (C-270/17 PPU), raakt de onherroepelijke schuldigverklaring na een hoger beroep rechtstreeks de situatie van de betrokkene, temeer daar die verklaring de rechtsgrondslag vormt voor de vrijheidsstraf die hij zal moeten uitzitten.
80
Bijgevolg is het voor de betrokkene van wezenlijk belang dat hij zijn rechten van verdediging volledig kan uitoefenen vóór de definitieve beslissing over zijn schuld wordt genomen.
81
Daarbij komt nog dat, zoals ook blijkt uit de punten 85 en 86 van het arrest van heden, Tupikas (C-270/17 PPU), het hoger beroep des te belangrijker is in het kader van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 daar door de volle en doeltreffende inachtneming van de rechten van de verdediging in die fase van het proces eventuele schendingen van rechten tijdens een eerdere fase van de strafprocedure kunnen worden hersteld.
82
Bijgevolg moet met betrekking tot dit aspect van de eerste en de derde vraag worden vastgesteld dat het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, in die zin moet worden uitgelegd dat het ziet op het hoger beroep dat heeft geleid tot de beslissing waarbij, na een nieuwe behandeling, feitelijk en rechtens, van de zaak ten gronde, onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en hij is veroordeeld tot een straf, zoals een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, ook al is de opgelegde straf bij een latere beslissing gewijzigd.
83
In de tweede plaats moet worden bepaald of een beslissing die is genomen in een latere fase van de procedure en wijzigingen van een of meer eerder opgelegde vrijheidsstraffen betreft, zoals het verzamelvonnis dat in het hoofdgeding aan de orde is, onder artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan vallen.
84
Allereerst blijkt uit de bij het Hof ingediende stukken dat een dergelijk vonnis weliswaar wordt gewezen nadat de betrokkene bij een of meer uitspraken tot een of meer straffen was veroordeeld, doch niet raakt aan de schuldigverklaring in die eerdere uitspraken, die derhalve onherroepelijk is geworden.
85
Vervolgens wijzigt een dergelijk vonnis de maat van de opgelegde straf of straffen. Derhalve moet onderscheid worden gemaakt tussen dit soort maatregelen en maatregelen inzake de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Overigens blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel 6, lid 1, EVRM niet van toepassing is op kwesties betreffende de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, met name die betreffende de voorlopige invrijheidsstelling (zie in die zin EHRM, 3 april 2012, Boulois tegen Luxemburg, CE:ECHR:2012:0403JUD003757504, § 87).
86
Ten slotte mondt een procedure die leidt tot een beslissing als het verzamelvonnis dat in het hoofdgeding aan de orde is en waarbij met name een of meer eerder aan de betrokkene opgelegde straffen worden samengevoegd tot één nieuwe straf, noodzakelijkerwijs uit in een gunstigere uitkomst voor de betrokkene. Zo kan na de inwerkingtreding van een nieuwe wettelijke regeling waarbij de begane overtreding minder zwaar wordt bestraft, worden besloten een lichtere straf op te leggen. Ook kunnen na verschillende veroordelingen in elk waarvan een straf was opgelegd, de opgelegde straffen worden samengevoegd om tot een totale straf te komen waarvan de strafmaat lager is dan de optelling van de verschillende straffen die bij de eerdere afzonderlijke beslissingen waren opgelegd.
87
In dit verband volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de waarborgen van artikel 6 EVRM niet alleen van toepassing zijn op de schuldigverklaring maar tevens op de bepaling van de straf (zie in die zin EHRM, 28 november 2013, Dementyev tegen Rusland, CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, § 23). De inachtneming van de eerlijkheid van het proces impliceert dus het recht van de betrokkene om aanwezig te zijn bij de pleidooien vanwege de belangrijke consequenties die zij kunnen hebben voor de hoogte van de straf die hem zal worden opgelegd (zie in die zin EHRM, 21 september 1993, Kremzov tegen Oostenrijk, CE:ECHR:1993:0921JUD001235086, § 67).
88
Dat is het geval waar het gaat om een specifieke procedure voor de vaststelling van een totaalstraf wanneer dit geen louter formele berekening vormt, maar een beoordelingsmarge omvat voor de vaststelling van de strafmaat middels, met name, het in aanmerking nemen van de situatie of de persoon van de betrokkene, of ook van verzachtende of verzwarende omstandigheden (zie in die zin EHRM, 15 juli 1982, Eckle tegen Duitsland, CE:ECHR:1983:0621JUD000813078, § 77, en 28 november 2013, Dementyev tegen Rusland, CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, § 25 en § 26).
89
Voorts is het in dit verband niet relevant of de betrokken rechter al dan niet de bevoegdheid heeft om de eerder opgelegde straf te verzwaren (zie in die zin EHRM, 26 mei 1988, Ekbatani tegen Zweden, CE:ECHR:1988:0526JUD001056383, § 32, en 18 oktober 2006, Hermi tegen Italië, CE:ECHR:2006:1018JUD001811402, § 65).
90
Daaruit volgt dat een procedure waarin een verzamelvonnis wordt gewezen, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarin de duur van eerder opgelegde vrijheidsstraffen opnieuw wordt vastgesteld, relevant moet worden beschouwd voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, aangezien die procedure de bevoegde autoriteit daartoe een beoordelingsmarge toekent in de zin van punt 88 van dit arrest, en zij leidt tot een beslissing waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over de straf.
91
Daar een dergelijke procedure de hoogte bepaalt van de straf die de veroordeelde uiteindelijk zal moeten uitzitten, moet hij zijn rechten van verdediging daadwerkelijk kunnen uitoefenen teneinde een gunstige invloed te hebben op de daarover te nemen beslissing.
92
De omstandigheid dat de nieuwe vaststelling van de straf wordt verondersteld gunstiger te zijn voor de betrokkene, doet niet ter zake, omdat de strafmaat niet vooraf wordt bepaald maar afhankelijk is van de beoordeling van de omstandigheden van het individuele geval door de bevoegde autoriteit, en omdat juist de onherroepelijk vastgestelde maat van de uit te zitten straf van beslissend belang is voor de betrokkene.
93
Gelet op de hierboven vermelde gronden moet worden vastgesteld dat in een geval als aan de orde in het hoofdgeding, waarin na een hoger beroep waarin de zaak opnieuw ten gronde is behandeld, bij een vonnis onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en hem tevens op grond daarvan een vrijheidsstraf is opgelegd, waarvan de duur evenwel is gewijzigd bij een latere beslissing die is genomen door de bevoegde autoriteit nadat deze haar beoordelingsbevoegdheid ter zake heeft uitgeoefend en waarbij de straf definitief is vastgesteld, deze twee beslissingen beide in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.
94
Zoals blijkt uit respectievelijk de punten 76 tot en met 80 en de punten 90 tot en met 92 van dit arrest, moet er immers op worden toegezien dat de rechten van de verdediging zowel met betrekking tot de schuldigverklaring als met betrekking tot de uiteindelijke vaststelling van de straf worden geëerbiedigd, en wanneer deze twee aspecten, die overigens nauw verband met elkaar houden, van elkaar zijn gescheiden, moeten de daarover gegeven onherroepelijke beslissingen beide op gelijke wijze worden gecontroleerd als vereist in die bepaling. Deze bepaling beoogt immers juist de procedurele rechten van de betrokkenen te versterken door te verzekeren dat hun grondrecht op een eerlijk proces gewaarborgd is (zie in die zin arrest van heden, Tupikas, C-270/17 PPU, punten 58 en 61-63), en zoals is gesteld in punt 87 van het onderhavige arrest gelden deze vereisten zowel voor de schuldigverklaring als voor de vaststelling van de straf.
95
Deze uitlegging biedt overigens geen praktische nadelen, aangezien, zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het formulier met het uniforme model voor het Europees aanhoudingsbevel, in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584, vereist dat gegevens worden verstrekt betreffende deze beide aspecten. Bovenstaande uitlegging verzwaart bijgevolg niet de taak van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
96
Gelet op het voorgaande dient op de eerste en de derde vraag te worden geantwoord dat het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het niet alleen ziet op de instantie waarin de beslissing in hoger beroep is gegeven, wanneer daarin na een nieuwe behandeling van de zaak ten gronde definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene, maar ook op een latere procedure — zoals die waarin het verzamelvonnis is gewezen dat in het hoofdgeding aan de orde is — waarin de beslissing is gegeven waarbij de hoogte van de aanvankelijk opgelegde straf onherroepelijk is gewijzigd, voor zover de autoriteit die laatstbedoelde beslissing heeft vastgesteld, in dit verband over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte.
Tweede vraag
97
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat te weigeren het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen louter omdat noch het formulier met het uniforme model voor het Europees aanhoudingsbevel, in de bijlage bij dit kaderbesluit, noch de overeenkomstig artikel 15, lid 2, van dit kaderbesluit van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verkregen aanvullende gegevens voldoende informatie verschaffen op basis waarvan zij kan vaststellen of een van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van dat kaderbesluit bedoelde situaties zich voordoet.
98
Teneinde een zinvol antwoord op deze vraag te geven, dient in herinnering te worden gebracht dat de controle die artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vereist, in beginsel betrekking moet hebben op de laatste instantie waarin de zaak ten gronde is behandeld en die tot de onherroepelijke veroordeling van de betrokkene heeft geleid (zie in die zin arrest van heden, Tupikas, C-270/17 PPU, punten 81, 90 en 91). In het bijzondere geval, dat is behandeld in het kader van de beantwoording van de eerste en de derde vraag, waarin de maat van de aanvankelijk opgelegde straf onherroepelijk is gewijzigd in een nieuwe procedure die de uitoefening van een beoordelingsmarge inhield, zijn deze procedures, zoals blijkt uit de punten 93, 94 en 96 van het onderhavige arrest, allebei relevant in dit opzicht.
99
Bijgevolg moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de in artikel 8, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde gegevens verstrekken met betrekking tot de eerste van deze procedures en in voorkomend geval met betrekking tot deze beide procedures.
100
Correlatief vloeit daaruit voort dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van dat kaderbesluit haar onderzoek moet beperken tot de in het vorige punt genoemde procedures.
101
Gelet op het bij deze bepaling ingestelde stelsel en zoals blijkt uit de rest van de bewoordingen ervan, beschikt de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, te weigeren indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat aan de in de punten a), b), c), of d) van die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan.
102
Wanneer is vastgesteld dat een van de in die punten a) tot en met d) bedoelde omstandigheden zich voordoet, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus verplicht het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, niettegenstaande het feit dat de betrokkene niet aanwezig was op het proces dat tot de beslissing heeft geleid (zie in die zin arrest van heden, Tupikas, C-270/17 PPU, punten 50, 55 en 95).
103
Ingeval deze autoriteit meent dat zij niet over voldoende gegevens beschikt om rechtsgeldig over de overlevering van de betrokkene te kunnen beslissen, dient zij gebruik te maken van artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, en bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend te verzoeken om de aanvullende gegevens die zij meent nodig te hebben om over de overlevering te kunnen beslissen.
104
Voor het geval zij in die fase nog steeds niet de vereiste zekerheid heeft verworven over de eerbiediging van de rechten van verdediging van de betrokkene tijdens de relevante procedure, beschikt de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren.
105
Niet alleen mag deze autoriteit immers geen schending van de grondrechten dulden, maar, zoals artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 bepaalt, tevens moet zij erop toezien dat de in artikel 17 ervan gestelde termijnen voor de beslissing over het aan het Europees aanhoudingsbevel te geven gevolg in acht worden genomen, zodat niet van haar kan worden verlangd dat zij nogmaals gebruikmaakt van genoemd artikel 15, lid 2 (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97).
106
In deze context moet evenwel worden beklemtoond dat artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 voorziet in een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en dat de in lid 1, onder a) tot en met d), van dat artikel bedoelde situaties zijn geformuleerd als uitzondering op deze facultatieve grond tot niet-erkenning (zie in die zin arrest van heden, Tupikas, C-270/17 PPU, punten 50 en 96).
107
Hierover heeft het Hof reeds eerder gepreciseerd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, zelfs na te hebben vastgesteld dat die gevallen niet zien op de situatie van de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, rekening kan houden met andere omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de betrokkene geen schending van zijn rechten van verdediging impliceert (zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Dworzecki, C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punten 50 en 51).
108
Kaderbesluit 2002/584 belet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus niet zich ervan te vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd en daarbij naar behoren rekening te houden met alle omstandigheden die de bij haar aangebrachte zaak kenmerken, daaronder begrepen gegevens die zij zelf heeft kunnen verkrijgen.
109
Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de betrokkene niet in persoon is verschenen in de relevante procedure of in voorkomend geval de relevante procedures voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van dit kaderbesluit, en waarin noch de gegevens op het formulier met het uniforme model voor het Europees aanhoudingsbevel dat staat in de bijlage bij dit kaderbesluit, noch de gegevens die zijn verkregen overeenkomstig artikel 15, lid 2, van dat kaderbesluit voldoende informatie verschaffen om vast te stellen dat een van de situaties als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 zich voordoet, de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren.
110
Niettemin belet dit kaderbesluit deze autoriteit niet om rekening te houden met alle omstandigheden die de bij haar aangebrachte zaak kenmerken, om zich ervan te vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene tijdens de relevante procedure of procedures zijn geëerbiedigd.
Kosten
111
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat het niet alleen ziet op de instantie waarin de beslissing in hoger beroep is gegeven, wanneer daarin na een nieuwe behandeling van de zaak ten gronde definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene, maar ook op een latere procedure — zoals die waarin het verzamelvonnis is gewezen dat in het hoofdgeding aan de orde is —waarin de beslissing is gegeven waarbij de hoogte van de aanvankelijk opgelegde straf onherroepelijk is gewijzigd, voor zover de autoriteit die laatstbedoelde beslissing heeft vastgesteld, in dit verband over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte.
- 2)
Kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval waarin de betrokkene niet in persoon is verschenen in de relevante procedure, of in voorkomend geval de relevante procedures, voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van dit kaderbesluit, zoals gewijzigd, en waarin noch de gegevens op het formulier met het uniforme model voor het Europees aanhoudingsbevel dat staat in de bijlage bij dit kaderbesluit, noch de gegevens die zijn verkregen overeenkomstig artikel 15, lid 2, van dat kaderbesluit, zoals gewijzigd, voldoende informatie verschaffen om vast te stellen dat een van de situaties als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd, zich voordoet, de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren.
Niettemin belet dit kaderbesluit, zoals gewijzigd, deze autoriteit niet om rekening te houden met alle omstandigheden die de betrokken zaak kenmerken, om zich ervan te vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene tijdens de relevante procedure of procedures zijn geëerbiedigd.
Da Cruz Vilaça
Levits
Berger
Borg Barthet
Biltgen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 augustus 2017.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
A. Calot Escobar
J. L. da Cruz Vilaça
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑08‑2017
Conclusie 26‑07‑2017
M. Bobek
Partij(en)
Zaak C-271/17 PPU1.
Openbaar Ministerie
tegen
Sławomir Andrzej Zdziaszek
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Tegen Sławomir Andrzej Zdziaszek, Pools staatsburger, is door de Poolse rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel (hierna: ‘EAB’) uitgevaardigd. Deze autoriteit verzoekt om overlevering van Zdziaszek, die thans in Nederland in detentie zit, met het oog op de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen van respectievelijk één jaar en zes maanden en drie jaar en zes maanden.
2.
Deze straffen zijn opgelegd middels een ‘cumulative sentence’, die de basis voor het betrokken EAB vormt (hierna: ‘verzamelvonnis’). Dit verzamelvonnis heeft geen betrekking op de schuld van de betrokkene, maar strekt er enkel toe drie eerder opgelegde straffen samen te voegen en aan te passen. Zo zijn in de straf van één jaar en zes maanden twee straffen waartoe Zdziaszek in twee afzonderlijke procedures was veroordeeld, samengevoegd. De straf van drie jaar en zes maanden vormt een verlichting van een straf van vier jaar die bij een eerdere veroordeling (hierna: ‘oorspronkelijk vonnis’) aan Zdziaszek was opgelegd. Deze strafverlichting is toegepast als gevolg van een voor de betrokkene gunstige wetswijziging.
3.
De verwijzende rechter merkt op dat het EAB-formulier uitsluitend gegevens bevat over het verzamelvonnis. Uit de door de verwijzende rechter verkregen aanvullende gegevens blijkt dat Zdziaszek naar behoren was vertegenwoordigd tijdens de procedure in hoger beroep die tot het oorspronkelijke vonnis heeft geleid, waarvan hij op de hoogte was. Volgens de verwijzende rechter waren de rechten van verdediging van Zdziaszek in eerste aanleg echter niet in acht genomen.
4.
Krachtens de nationale wettelijke regeling waarbij artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: ‘kaderbesluit’)2. is omgezet, moet de bevoegde Nederlandse autoriteit de tenuitvoerlegging van een EAB weigeren indien de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid3., behoudens wanneer een van de daarin genoemde situaties zich voordoet.
5.
In die omstandigheden wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ de procedure omvat die tot het wijzen van een verzamelvonnis heeft geleid, indien de schuldvraag daarin niet meer aan de orde is gesteld. De verwijzende rechter verzoekt aldus dat wordt bepaald of voor deze procedure moet worden beoordeeld of de procedurele rechten van de betrokkene zijn geëerbiedigd dan wel of daarvoor rekening moet worden gehouden met de procedure waarin het oorspronkelijke vonnis is gewezen.
6.
Voor het geval rekening moet worden gehouden met de procedure waarin het oorspronkelijke vonnis is gewezen, vraagt de verwijzende rechter zich af wat de gevolgen zijn van het feit dat Zdziaszek in eerste aanleg niet doeltreffend was vertegenwoordigd.
7.
De verwijzende rechter vraagt tevens of hij de tenuitvoerlegging van het EAB kan weigeren op grond dat noch uit het formulier bij het EAB noch uit de verstrekte aanvullende gegevens blijkt dat de onderhavige zaak onder een van de in de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit omschreven situaties valt.
8.
Deze vragen rijzen tegen de achtergrond van de opmerkelijke omzetting van laatstgenoemde bepaling in Nederlands recht. Artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit biedt de mogelijkheid om te weigeren een bij verstek veroordeelde persoon over te leveren, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich ervan heeft kunnen vergewissen dat diens procedurele rechten waren geëerbiedigd. Indien een van de vier in deze bepaling beschreven situaties zich voordoet, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit evenwel gehouden om het EAB ten uitvoer te leggen. De nationale wettelijke regeling keert deze logica van een keuze echter om door het de nationale rechter te verbieden tot overlevering van de betrokkene over te gaan wanneer geen van deze situaties zich voordoet.
II. Toepasselijke bepalingen
A. EVRM
9.
Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden4. (hierna: ‘EVRM’) bepaalt:
‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]’
B. Unierecht
1. Handvest
10.
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) luidt als volgt:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
[…]’
11.
Volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt ‘[a]an eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, […] de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd’.
2. Kaderbesluit
12.
Artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit omschrijft het EAB als ‘een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel’.
13.
Lid 2 bepaalt dat ‘de lidstaten […] zich ertoe [verbinden] om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk [EAB] ten uitvoer te leggen’.
14.
Volgens lid 3 kan dit kaderbesluit ‘niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast’.
15.
Artikel 4 bis van het kaderbesluit is bij kaderbesluit 2009/299 ingevoegd om de facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB wanneer de betrokkene niet in persoon is verschenen op zijn proces, nader te omschrijven:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het [EAB] voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het [EAB] is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
- a)
de betrokkene tijdig
- i)
persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
- ii)
ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
- b)
de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
- c)
de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
- i)
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
- ii)
niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
- d)
de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
- i)
hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
- ii)
dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende [EAB].
- 2.
Ingeval het [EAB] wordt uitgevaardigd […] onder de voorwaarden van lid 1, onder d), en de betrokkene nog niet officieel van de tegen hem bestaande strafprocedure in kennis is gesteld, kan hij wanneer hij van de inhoud van het [EAB] in kennis wordt gesteld, verzoeken een afschrift van het vonnis te ontvangen alvorens te worden overgeleverd. […]. De overhandiging van het vonnis aan de betrokkene geschiedt louter ter kennisgeving, is niet te beschouwen als officiële betekening van het vonnis en doet geen termijnen voor het aantekenen van verzet of hoger beroep ingaan.
- 3.
Ingeval de betrokkene wordt overgeleverd onder de voorwaarden van lid 1, onder d), en verzet of hoger beroep heeft aangetekend, wordt diens vrijheidsbeneming in afwachting van de procedure van verzet of hoger beroep en zolang deze niet is voltooid, herzien overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat, hetzij op regelmatige basis, hetzij op verzoek van de betrokkene.[…].’
16.
Artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit bepaalt dat in het EAB de navolgende gegevens moeten worden vermeld:
‘[…]
- c)
de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;
- d)
de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbaar feit […];
[…]
- f)
de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;
[…]’
17.
Artikel 15 van het kaderbesluit, met als opschrift ‘Beslissing over de overlevering’, luidt als volgt:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.
- 2.
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens […].
[…]’
18.
Punt d) van de bijlage bij het kaderbesluit (‘Europees aanhoudingsbevel’), heeft na de wijziging ervan bij kaderbesluit 2009/299 de volgende inhoud:

C. Nederlands recht
19.
Het kaderbesluit is in het Nederlandse recht omgezet in de Overleveringswet van 29 april 2004 (Stb. 2004, 195; hierna: ‘OLW’). Artikel 12 bepaalt dat: ‘[o]verlevering wordt niet toegestaan indien het [EAB] strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het [EAB] is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van uitvaardigende lidstaat’, een van de vier in deze bepaling omschreven situaties zich voordoet. Deze situaties zijn omschreven in de punten a) tot en met d) van artikel 12 OLW en komen overeen met de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit.
20.
Onderdeel d) van bijlage 2 bij de OLW (‘Model voor het Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet’), komt overeen met punt d) van de bijlage bij het kaderbesluit.
III. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
21.
Op 17 januari 2017 is bij de verwijzende rechter een verzoek ingediend tot tenuitvoerlegging van een EAB dat op 12 juni 2014 was uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (regionaal gerecht Gdańsk, Polen).
22.
Dat EAB strekt tot aanhouding en overlevering van Zdziaszek, Pools staatsburger, met het oog op de tenuitvoerlegging in Polen van twee vrijheidsstraffen, van één jaar en zes maanden (voor de feiten 1 en 25.), en van drie jaar en zes maanden (voor de feiten 3, 4 en 56.).
23.
Het EAB verwijst naar de ‘cumulative sentence’ die is gewezen op 25 maart 2014 door de Sąd Rejonowy w Wejherowie (rechter in eerste aanleg, Wejherowo, Polen) (het ‘verzamelvonnis’), waarbij twee straffen zijn opgelegd. Ten eerste heeft dit vonnis de twee straffen waartoe Zdziaszek wegens de feiten 1 en 2 is veroordeeld bij onherroepelijke vonnissen die waren uitgesproken op 21 april 2005 door de Sąd Rejonowy w Wejherowie en op 16 juni 2006 door de Sąd Rejonowy w Gdyni (rechter in eerste aanleg Gdynia, Polen), samengevoegd tot een vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden. Ten tweede is bij dat vonnis een oorspronkelijke vrijheidsstraf van vier jaar, die bij onherroepelijk vonnis van 10 april 2012 van de Sąd Rejonowy w Wejherowie aan Zdziaszek was opgelegd wegens de feiten 3 tot en met 5, verminderd tot drie jaar en zes maanden. Deze wijziging is aangebracht als gevolg van een voor de betrokkene gunstige wetswijziging.
24.
Bij uitspraak van 11 april 2017 heeft de verwijzende rechter de overlevering van Zdziaszek geweigerd met betrekking tot de vrijheidsstraf voor feit 1, voor zover dit naar Nederlands recht geen strafbaar feit is. Hij heeft de behandeling van de zaak met betrekking tot feit 2 aangehouden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
25.
De onderhavige prejudiciële verwijzing heeft dus uitsluitend betrekking op het gedeelte van het verzamelvonnis dat de vermindering van de straf voor de feiten 3 tot en met 5 betreft.
26.
Zdziaszek is niet in persoon verschenen op het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid. Het EAB vermeldt dat hij wel op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij een raadsman heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, die dat heeft gedaan.
27.
Nauwkeuriger gesteld blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Zdziaszek op het door hem opgegeven adres was opgeroepen voor een eerste terechtzitting op 28 januari 2014. Hij heeft de oproeping niet opgehaald en is niet verschenen. De Sąd Rejonowy w Wejherowie heeft hem ambtshalve een advocaat toegewezen en heeft de behandeling vervolgens aangehouden. Zdziaszek is op dezelfde wijze opgeroepen voor een tweede terechtzitting op 25 maart 2014. Hij is daar niet in persoon verschenen, maar zijn advocaat heeft deelgenomen aan de behandeling op deze terechtzitting. Na afloop daarvan het verzamelvonnis is gewezen.
28.
Niettegenstaande deze feitelijke vaststellingen meent de verwijzende rechter dat de in artikel 4 bis, lid 1, aanhef en onder b), van het kaderbesluit bedoelde omstandigheid geen toepassing vindt omdat niet is aangetoond dat de persoon wiens overlevering wordt gevraagd ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ en evenmin dat hij ‘een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’.
29.
Bij de eerste vraag van de verwijzende rechter moet dus worden bepaald of de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit vormt. Zo ja, dan weigert de verwijzende rechter het EAB ten uitvoer te leggen.
30.
Indien het verzamelvonnis daarentegen niet relevant is voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit, meent de verwijzende rechter dat hij moet onderzoeken of Zdziaszek in de eerdere fase van de procedure in persoon was verschenen, en zo niet, of een van omstandigheden als bedoeld in de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit zich heeft voorgedaan.
31.
Volgens de verwijzende rechter betreffen de in het EAB verstrekte gegevens evenwel niet het oorspronkelijke vonnis.
32.
De tweede vraag brengt dus mee dat wordt bepaald of de verwijzende rechter in deze context kan weigeren het EAB ten uitvoer te leggen.
33.
Indien dat niet het geval is, meent de verwijzende rechter dat hij met betrekking tot het oorspronkelijke vonnis moet nagaan of de onderhavige zaak onder een van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het kaderbesluit bedoelde situaties valt.
34.
In dit verband meent hij dat Zdziaszek niet in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing in eerste aanleg, en dat geen van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van het kaderbesluit bedoelde omstandigheden van toepassing is op de procedure in eerste aanleg.
35.
Wat de procedure in hoger beroep betreft, is Zdziaszek niet verschenen op de terechtzitting. Wel was hij naar behoren opgeroepen en is zijn raadsman daar verschenen. De verwijzende rechter leidt daaruit af dat Zdziaszek ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ in hoger beroep en dat hij die raadsman had ‘gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’.
36.
In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter dan ook of de procedure in hoger beroep het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormt in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit.
37.
Daarop heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een procedure
- —
waarin de rechter in de uitvaardigende lidstaat beslist over het samenvoegen van afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld tot één vrijheidsstraf en/of over het wijzigen van een samengestelde vrijheidsstraf waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld en
- —
waarin die rechter zich niet meer buigt over de schuldvraag,
zoals de procedure die tot de cumulative sentence [verzamelvonnis, vonnis waarin straffen worden samengevoegd] van 25 maart 2014 heeft geleid, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, [van het kaderbesluit]?
- 2)
Kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit:
- —
in een geval de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid,
- —
maar waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit noch in het EAB, noch in de op grond van artikel 15, tweede lid, [van het kaderbesluit] opgevraagde aanvullende gegevens, de mededelingen over de toepasselijkheid van een of meer van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, [van het kaderbesluit], overeenkomstig de formulering van een of meer van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier heeft gedaan,
reeds om die reden concluderen dat aan geen van de voorwaarden van artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, [van het kaderbesluit] is voldaan en reeds om die reden de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren?
- 3)
Is een procedure in hoger beroep
- —
waarin een behandeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
- —
die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
- —
terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,
het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, [van het kaderbesluit]?’
IV. Spoedprocedure bij het Hof
38.
De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
39.
Ter ondersteuning van dit verzoek voert hij aan dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de uitlegging van het kaderbesluit, dat valt onder titel V van het Derde deel van het VWEU. Tevens heeft hij opgemerkt dat de betrokkene zich in Nederland in detentie bevindt, in afwachting van de beslissing over zijn overlevering. Het spoedige antwoord van het Hof is rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de detentie van de betrokkene.
40.
De Vijfde kamer van het Hof heeft op 8 juni 2017 besloten dit verzoek van de verwijzende rechter in te willigen.
41.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door het Openbaar Ministerie (Nederland), verzoekende partij in het hoofdgeding, Zdziaszek, verwerende partij in het hoofdgeding, de Nederlandse regering en de Europese Commissie. De Poolse regering heeft een schriftelijk antwoord ingediend op de door het Hof gestelde vragen over het toepasselijke Poolse recht.
42.
Het Openbaar Ministerie, Zdziaszek, de Nederlandse, de Ierse en de Poolse regering, alsmede de Commissie hebben ter terechtzitting van 11 juli 2017 mondelinge opmerkingen gemaakt.
V. Beoordeling
43.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, die geen betrekking meer heeft op de schuldvraag, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormt in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit. Om deze vraag te beantwoorden zal ik eerst het begrip ‘strafrechtelijke veroordeling’ behandelen. Het bestaan daarvan vormt een voorwaarde voor het bestaan van een ‘voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis’ en een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’. Vervolgens zal ik de specifieke aard van het verzamelvonnis onderzoeken (A).
44.
Met zijn tweede vraag vraagt de verwijzende rechter om te bepalen welke gevolgen met het oog op de tenuitvoerlegging van een EAB moeten worden verbonden aan het feit dat door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onvoldoende gegevens zijn verstrekt. Deze vraag kan formeel worden opgevat, in die zin dat daarmee wordt gedoeld op het aantal keren dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit nuttige gegevens kan vragen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of op de maximumduur van het ‘gependel’ tussen deze twee rechterlijke instanties, met name rekening gehouden met de termijnen die gelden voor de tenuitvoerlegging van een EAB. Op minder duidelijke wijze heeft deze vraag de problematische omzetting van artikel 4 bis van het kaderbesluit in Nederlands recht als achtergrond (B).
45.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit verwijst naar een procedure in hoger beroep waarin de zaak ten gronde is onderzocht en de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling, die het EAB beoogt ten uitvoer te leggen, is bevestigd. Voor deze vraag moet worden bepaald of de doeltreffende bescherming van de rechten van verdediging van de betrokkene tijdens de procedure in hoger beroep eventuele gebreken waarvan in eerste aanleg sprake was, kunnen herstellen (C).
A. Eerste prejudiciële vraag
46.
De partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend en hebben deelgenomen aan de terechtzitting, delen in wezen het standpunt dat een procedure die enkel een aanpassing van de straf meebrengt zonder dat de schuldvraag aan de orde komt, geen‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormt in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit.
47.
Niettemin blijkt uit de schriftelijke opmerkingen en de pleidooien dat er geen consensus bestaat over de vraag wat de ‘grond’ van de zaak vormt. Er bestaat geen twijfel over dat een procedure die op de schuldvraag en de straf betrekking heeft, een procedure ten gronde vormt. Maar hoe zit het dan met een procedure die uitsluitend de straf, de aanpassing ervan of de vermindering ervan betreft? Vormt de bespreking van de schuldvraag een noodzakelijk bestanddeel van de procedure wil deze kunnen worden aangemerkt als procedure die de grond van de zaak betreft?
48.
Zdziaszek voert aan dat wanneer de vaststelling van de straf niet een simpele berekening is, de desbetreffende procedure een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormt. De procedure moet dus voldoen aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest en van artikel 6 EVRM.
49.
Het Openbaar Ministerie beklemtoont dat in het belang van een betere waarborg van de rechten van de verdediging, de toetsing betrekking moet hebben op een beslissing inzake de schuld. De tegengestelde benadering brengt het risico mee dat de betrokkene zou kunnen worden overgeleverd zonder dat zijn rechten van verdediging in de eerdere fasen van de procedure waren geëerbiedigd.
50.
Op vergelijkbare wijze stelt de Nederlandse regering voor de eerste prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Zij betoogt dat de toetsing betrekking moet hebben op een procedure ten gronde die tot een veroordeling heeft geleid. Dit veronderstelt dat de rechterlijke instantie zich heeft uitgesproken over de schuldvraag. Een procedure die vrijheidsstraffen samenvoegt of aanpast, valt dus niet onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’.
51.
Ook de Ierse en de Poolse regering stellen voor de eerste vraag ontkennend te beantwoorden. Voor zover de kwestie van de schuld van de betrokkene niet aan de orde is geweest tijdens de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, kan die procedure geen ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ vormen in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit. Volgens de Ierse regering druist een zeer gedetailleerde analyse van de cumulatieprocedure in tegen het beginsel van wederzijds vertrouwen. Volgens de Poolse regering zou de werkingssfeer van artikel 4 bis van het kaderbesluit worden uitgebreid indien de procedure van het verzamelvonnis onder het bovengenoemde begrip zou vallen. Volgens die regering impliceert het begrip ‘grond van de zaak’ de vaststelling van de feiten alsmede het onderzoek van de schuldvraag, aspecten waarover voor het laatst was geoordeeld in de procedure in hoger beroep, die tot het oorspronkelijke vonnis heeft geleid.
52.
De Commissie meent dat moeilijk valt in te zien dat de toetsing uit hoofde van artikel 4 bis van het kaderbesluit betrekking zou kunnen hebben op een procedure die ertoe beperkt blijft de straf aan te passen, terwijl de procedure die tot de oorspronkelijke veroordeling heeft geleid daar niet aan zou zijn onderworpen. Een procedure die tot een aanpassing van de oorspronkelijke straf leidt en daarbij de betrokkene de gelegenheid biedt zijn argumenten aan te voeren, valt daarentegen wel onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’.
53.
Ik ben het niet eens met het standpunt dat alleen de schuldvraag beslissend zou zijn in het kader van het onderzoek van ‘de zaak ten gronde’, en niet de vraag van de strafbepaling. Het begrip ‘strafrechtelijke veroordeling’, dat van belang is zowel voor het begrip ‘voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis’ als voor het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ (gebruikt in respectievelijk artikel 8, lid 1, en artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit) bevat immers twee aspecten: de schuldigverklaring en de straf (1). Voor zover het verzamelvonnis de straf bepaalt, valt het onder het begrip ‘strafrechtelijke veroordeling’ (2). Voor de toepassing van artikel 4 bis van het kaderbesluit moet echter nog worden nagegaan of de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, de rechter een beoordelingsbevoegdheid laat om over de concrete wijze van aanpassing van de straf te beslissen (3). Voor zover er in casu sprake is van een dergelijke beoordelingsbevoegdheid, vormt de procedure waarin het verzamelvonnis is gewezen, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit (4).
1. Bestanddelen van de strafrechtelijke veroordeling
54.
Wanneer het EAB de tenuitvoerlegging van een straf beoogt, veronderstelt het dat er een strafrechtelijke veroordeling bestaat. Deze veroordeling bevat in het typische geval twee bestanddelen, te weten een schuldigverklaring en, als consequentie daarvan, het opleggen van een straf.7. Deze twee bestanddelen vormen dus samen de ‘grond’ van de zaak, hetzij gezamenlijk (de grond van de zaak in zijn geheel) dan wel afzonderlijk beschouwd (een deel van de ‘grond’).
55.
Deze twee bestanddelen moeten uit het EAB blijken. De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten zijn immers verplicht gegevens te verstrekken niet alleen over de gepleegde strafbare feiten maar ook over de concreet opgelegde sancties. Dat is noodzakelijk voor de toetsing door de uitvoerende rechterlijke autoriteit of het EAB in een concreet geval van toepassing is, gelet op het gepleegde strafbare feit8. en de opgelegde sanctie9.. Deze gegevens zijn tevens van belang voor de beoordeling of er een grond tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB bestaat.10.
56.
Wat het begrip ‘voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis’ voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit betreft, hierbij gaat het om een vonnis op grond waarvan de bevoegde autoriteiten krachtens het toepasselijke nationale recht mogen overgaan tot tenuitvoerlegging van de aan de betrokkene opgelegde vrijheidsstraf. Wat in een concreet geval een dergelijk vonnis vormt, is afhankelijk van twee variabelen, te weten het procesrechtelijke kader van de lidstaat en het concrete gebruik daarvan door (of jegens) de betrokkene.11.
57.
Wanneer een vonnis een titel vormt die de vrijheidsstraf uitvoerbaar maakt, moet het per definitie betrekking hebben op de straf. De vraag die in casu rijst, is of een beslissing die uitsluitend betrekking heeft op de straf, een ‘voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis’ in de zin van het kaderbesluit kan zijn. Dat zal ik thans onderzoeken.
2. Specifieke aard van het verzamelvonnis
58.
Het verzamelvonnis dat in de onderhavige zaak de grondslag voor het EAB vormt, heeft in twee opzichten een specifieke aard.
59.
Ten eerste voegt het twee inhoudelijke beslissingen in één handeling samen. In dit verband i) voegt het de eerder (en afzonderlijk) voor de feiten 1 en 2 opgelegde sancties samen, en ii) vermindert het de duur van de eerder voor de feiten 3 tot en met 5 cumulatief opgelegde sanctie.
60.
Ten tweede, wat de feiten 3 tot en met 5 betreft, blijft het verzamelvonnis beperkt tot het verminderen van de opgelegde straf, zonder in te gaan op de schuldvraag, waarover eerder in het oorspronkelijke vonnis was beslist.
61.
Uit de verwijzingsbeslissing en de door de Poolse regering verstrekte toelichtingen vloeit voort dat bij deze strafvermindering rekening is gehouden met een voor de betrokkene gunstige wetswijziging, die was ingevoerd tussen de uitspraak van het oorspronkelijke vonnis en de uitspraak van het verzamelvonnis.
62.
Ter terechtzitting heeft de Poolse regering bevestigd dat het verzamelvonnis meebracht dat dit in de plaats is gekomen van het oorspronkelijke vonnis.
63.
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter staat aldus vast dat de beslissing over de sanctie zoals deze voortvloeit uit het verzamelvonnis, de enige rechtstitel vormt op grond waarvan aan Zdziaszek voor de daarin voorziene periode zijn vrijheid mag worden ontnomen. Bijgevolg zijn de twee aspecten van de strafrechtelijke veroordeling van Zdziaszek voor het laatst aan de orde geweest in twee verschillende procedures: de procedure die heeft geleid tot het oorspronkelijke vonnis, wat de schuld betreft, en de procedure die heeft geleid tot het verzamelvonnis, wat de definitief opgelegde straf betreft.
64.
Thans moet de aard van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, worden onderzocht.
3. Kenmerken van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid
65.
Het is zinvol om, zoals ook Zdziaszek en de Commissie hebben gesteld, in herinnering te brengen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onderscheid maakt tussen twee typen procedures die tot het opleggen van totaalstraffen leiden: i) procedures die de rechter geen enkele beoordelingsbevoegdheid verlenen en waarin deze rechter slechts een rekenkundige som maakt, en ii) procedures waarin de rechter een beoordelingsbevoegdheid uitoefent. Terwijl het eerste type procedure niet onder artikel 6 EVRM valt, is dat anders voor het tweede type.12.
66.
Bij de bepaling van de aard van de betrokken procedure moet rekening worden gehouden met de volgende aspecten.
67.
Wanneer de rechter zich ertoe moet beperken een wetsvoorschrift mechanisch toe te passen dat hem geen enkele beoordelingsmarge laat met betrekking tot de wijze waarop de straf zal worden verminderd, dan kan een dergelijke procedure geen proces vormen in de zin van artikel 4 bis van het kaderbesluit. De betrokkene heeft immers geen enkele mogelijkheid om zijn procedurele rechten te doen gelden teneinde invloed uit te oefenen op de uitkomst van een dergelijke mechanische wetstoepassing.
68.
Dit ligt anders in het geval van een procedure waarin de rechter een discretionaire bevoegdheid uitoefent. In dit verband dienen de volgende vragen aan de orde te worden gesteld: zijn er nieuwe gegevens die de rechter moet vaststellen en in aanmerking moet nemen (bijvoorbeeld de gedragingen van de betrokkene na zijn oorspronkelijke veroordeling, de beoordeling daarvan door de penitentiaire autoriteiten, etc.)? Moet er een terechtzitting worden georganiseerd tijdens de procedure die tot de aanpassing van de straf leidt? Kan er hoger beroep worden ingesteld tegen een nieuwe beslissing inzake de aanpassing van de straf? En vooral en allereerst: beschikt de rechter gedurende deze gehele procedure over een beoordelingsmarge?
69.
Indien op deze vragen bevestigend wordt geantwoord — en met name op de laatste —, ben ik van mening dat er sprake is van een procedure in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit. Deze procedurele aspecten stellen de betrokkene immers in staat invloed uit te oefenen op de strafbepaling. Hoe doeltreffend de betrokkene zijn procedurele rechten kan doen gelden, is in dit opzicht van doorslaggevend belang.
70.
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in casu de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, aan de nationale rechter een discretionaire bevoegdheid verleende. Gelet op de in het kader van deze zaak aan het Hof verstrekte gegevens, lijkt het mij dat de Poolse rechter in een procedure die tot een verzamelvonnis leidt, over een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid beschikt.
71.
Ter terechtzitting heeft de Poolse regering bevestigd dat een rechter die een verzamelvonnis wijst weliswaar niet meer de schuldvraag onderzoekt, maar wel over een beoordelingsmarge beschikt om de totaalstraf vast te stellen (of aan te passen) binnen de grenzen van de straffen die zijn opgelegd in de eerdere daaraan ten grondslag liggende vonnissen.
72.
Deze regering weigert evenwel de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, aan te merken als ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit, daar de uitkomst van deze procedure altijd gunstig is voor de betrokkene. Volgens deze regering wordt de duur van de uiteindelijk opgelegde straf noodzakelijkerwijs korter dan die welke voortvloeit uit de optelling van de cumuleerbare straffen. Zo zal ook de straf na de strafvermindering noodzakelijkerwijs korter zijn dan de eerder opgelegde straf.
73.
Ik ben het niet eens met de slotsom dat de procedure die tot een verzamelvonnis heeft geleid, niet onder artikel 4 bis van het kaderbesluit valt.
74.
Hoewel de aanpassing van de straf altijd een vermindering van de oorspronkelijke straf meebrengt, blijft het voor de betrokkene van fundamenteel belang dat hij voor de maximale vermindering kan pleiten.
75.
Neem bijvoorbeeld de situatie waarin de nationale rechter wordt verzocht drie eerder opgelegde straffen van vijf jaar, vier jaar en drie jaar samen te voegen. Denk er daarbij ook aan dat de rechter op grond van de discretionaire bevoegdheid waarover hij beschikt, de cumulatieve straf net zo goed op vijf jaar als op twaalf jaar gevangenisstraf kan vaststellen. Het eindresultaat zal per definitie voor de betrokkene weliswaar gunstiger zijn voor zover de eenvoudige optelling van de straffen tot een totaalstraf van twaalf jaar zou hebben geleid, doch het maakt een aanzienlijk verschil of iemand een cumulatieve straf krijgt opgelegd waarvan de duur dicht tegen de ondergrens van de marge ligt (bijvoorbeeld zes jaar) dan wel tegen de bovengrens ervan (bijvoorbeeld elf jaar).
76.
Indien de betrokkene door zijn aanwezigheid invloed kan hebben op de bepaling van de duur van de straf, mag het betrokken proces niet voorbijgaan aan de waarborgen van artikel 6, lid 1, EVRM en, bijgevolg, evenmin aan die van artikel 4 bis van het kaderbesluit.
77.
Zoals ik hierboven heb opgemerkt, is het feit dat met betrekking tot het oorspronkelijke vonnis was geverifieerd dat de procedurele rechten waren geëerbiedigd, niet meer relevant met betrekking tot het aspect ‘straf’, daar, ten eerste, de rechter die uitspraak doet over de nieuwe straf een discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend en, ten tweede, de nieuwe beslissing daarover in de plaats is gekomen van de eerdere beslissing. Het verzamelvonnis is aldus het enige voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis geworden dat als grondslag voor een EAB kan dienen.
78.
Teneinde zich ervan te vergewissen dat de procedurele rechten van de betrokkene zijn geëerbiedigd, dient te verwijzende rechter concreet na te gaan welke beslissing het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis vormt dat aan het EAB ten grondslag ligt. In voorkomend geval verzoekt hij overeenkomstig artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit om aanvullende gegevens teneinde te bepalen in welke fase van de procedure de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend om in laatste instantie de duur van de straf vast te stellen. In deze context moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit tevens onderzoeken of de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd gelet op de laatste fase van de procedure waarin de schuld is vastgesteld.
79.
Louter praktisch beschouwd, betekent dit dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de onderdelen c) en d) van het EAB-formulier, betreffende de procedure die rechtstreeks tot het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis heeft geleid, moet invullen.
80.
Teneinde een eventueel gebrek aan gegevens te voorkomen en het gebruik van artikel 15, lid 2, te beperken, lijkt het mij echter wenselijk dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, hoofdzakelijk in onderdeel b) van het formulier, alle extra gegevens verstrekt die nuttig kunnen zijn opdat de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich ervan kan vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd. Deze gegevens kunnen met name betrekking hebben op de laatste fase van de procedure waarin een standpunt is ingenomen over de schuldvraag, wanneer deze was onderzocht in het kader van een andere procedure dan die waarin de rechter onder uitoefening van een discretionaire bevoegdheid over de straf heeft beslist.
81.
In deze context moet echter wel worden beklemtoond dat het niet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om de eerder gevoerde strafprocedure volledig en in al haar details te onderzoeken.
82.
Zoals het Openbaar Ministerie en de Nederlandse regering terecht betogen, zou dat het beginsel van wederzijds vertrouwen — de hoeksteen van de strafrechtelijke samenwerking op dit gebied13. — in twijfel trekken en afbreuk doen aan de werking van het stelsel van het kaderbesluit.
83.
Artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit bepaalt immers dat dit kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU en tot uitdrukking komen in het Handvest. Deze verplichting rust zowel op uitvaardigende lidstaat als op de uitvoerende lidstaat.14.
84.
Ik wijs erop dat alle lidstaten zijn gebonden door het EVRM, en meer in het bijzonder door artikel 6, lid 1, ervan. Dat betekent dat de lidstaat van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in voorkomend geval de gebreken waarvan de eerdere fasen van de procedure blijk geven, moet verhelpen.
85.
Indien het vonnis bij verstek is gewezen, moet de lidstaat van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in beginsel waarborgen dat er een nieuw proces wordt gevoerd volgens de bepalingen van het nationale recht. Het herstel van eventuele procedurele fouten is dus de taak van de uitvaardigende lidstaat die de overgeleverde persoon op basis van het EAB ontvangt. Het is niet aan het nationale recht van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om een procedure die heeft geleid tot een vonnis zonder dat de betrokkene in persoon was verschenen op zijn proces, te verifiëren, laat staan om alle fouten daarin te herstellen.
86.
Dit zou alleen anders liggen indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit tot de vaststelling zou komen dat het strafrechtssysteem van de lidstaat waaruit het EAB afkomstig is, dermate gebrekkig is dat de toepassing van het beginsel van wederzijds vertrouwen niet meer op zijn plaats is, bijvoorbeeld wegens het bestaan van een gebleken ernstig risico van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest15. of wegens het feit dat de strafgerechten van een lidstaat het recht op een eerlijk proces niet meer kunnen waarborgen en automatische wederzijdse erkenning aldus wordt uitgesloten.16.
4. Tussenconclusie
87.
Op basis van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat de procedure die heeft geleid tot het vonnis, zoals het verzamelvonnis als aan de orde in het hoofdgeding, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ kan vormen in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van het kaderbesluit, wanneer i) dit vonnis, dat uitvoerbaar is geworden, een vrijheidsstraf vaststelt, en wanneer ii) in de procedure betreffende de vaststelling van deze straf, de nationale rechter over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
B. Tweede prejudiciële vraag
88.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of hij mag weigeren het EAB ten uitvoer te leggen, wanneer blijkt dat de eerbiediging van de procedurele rechten van de betrokkene moet worden beoordeeld met betrekking tot een ander vonnis dan hetwelk is vermeld in het EAB en wanneer aan de hand van de uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit verstrekte aanvullende gegevens niet kan worden nagegaan of de procedurele rechten van de betrokkene waren geëerbiedigd.
89.
De verwijzende rechter meent dat weigering in dergelijke omstandigheden mogelijk is. Uit de woorden ‘tenzij in het [EAB] is vermeld dat’ in de aanhef van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit, zou kunnen worden afgeleid dat de gegevens over de toepasselijkheid van een van de in de punten a) tot en met d) van deze bepaling genoemde omstandigheden moeten worden vermeld in het onderdeel d) van het EAB-formulier, of op zijn minst overeenkomstig de categorieën zoals deze daarin zijn geformuleerd.
90.
Terwijl Zdziaszek geen standpunt heeft ingenomen over de tweede vraag, meent het Openbaar Ministerie dat de tenuitvoerlegging van het EAB niet kan worden geweigerd indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit geen gebruik maakt van de formuleringen van onderdeel d) van het formulier, voor zover de verstrekte gegevens zinvol zijn.
91.
De Nederlandse regering meent dat met de tweede vraag wordt gevraagd of de verwijzende rechter het oorspronkelijke vonnis moet toetsen in het licht van artikel 4 bis van het kaderbesluit. Zij stelt voor deze vraag ontkennend te beantwoorden voor zover de controle moet worden verricht ten aanzien van het vonnis dat in het EAB is genoemd als uitvoerbaar.
92.
Volgens de Commissie moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit verzoeken om gegevens over de laatste fase van de procedure waarin de zaak ten gronde is behandeld en die heeft geleid tot de onherroepelijke veroordeling. In casu is dat de procedure in hoger beroep, waarin het oorspronkelijke vonnis is gewezen. De Commissie brengt in herinnering dat artikel 4 bis van het kaderbesluit hoe dan ook een facultatieve weigeringsgrond betreft. Volgens haar zijn er, buiten de vier gevallen van verplichte overlevering, gevallen waarin het EAB ten uitvoer kan worden gelegd zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het recht van de betrokkene om aanwezig te zijn op zijn proces. Daartoe kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit rekening houden met alle beschikbare gegevens.
93.
Voor de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag zal ik onderscheid maken tussen het klaarblijkelijke aspect ervan, dat betrekking heeft op de wijze van communicatie tussen de rechterlijke autoriteiten (1) en de onderliggende context, waarnaar de Commissie overigens verwijst in haar bovengenoemde antwoord (2). Vervolgens zal ik uiteenzetten waarom het voor de uitvoerende rechterlijke autoriteiten noodzakelijk is om een beoordelingsmarge te behouden wanneer zij uit hoofde van artikel 4 bis van het kaderbesluit onderzoeken of de procedurele rechten van de betrokkenen zijn geëerbiedigd (3).
1. Wijze van communicatie tussen de rechterlijke autoriteiten uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit
94.
De communicatie tussen de twee autoriteiten uit hoofde van bovengenoemde bepaling zal steeds afhankelijk zijn van de concrete behoeften van elke zaak. Het is dus moeilijk om in abstracto een dergelijke vraag te beantwoorden. Het type informatie dat vereist is, zal immers afhankelijk zijn van het doel waarmee om die informatie wordt gevraagd.
95.
Dat neemt niet weg dat de hierna volgende overwegingen mijns inziens een leidraad bieden voor de te volgen aanpak.
96.
Vooraf breng ik in herinnering dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit slechts kan weigeren een EAB ten uitvoer te leggen in de uitputtend genoemde gevallen van verplichte weigering van tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 3 van het kaderbesluit, of van facultatieve weigering van tenuitvoerlegging, als bedoeld in de artikelen 4 en 4 bis van dit kaderbesluit.17.
97.
Het Hof heeft ook gewezen op de in artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit vervatte vereisten voor een regelmatig afgegeven bevel, waarvan de inachtneming voorwaarde voor de geldigheid van het EAB is, daar de niet-inachtneming ervan in beginsel tot een weigering om het EAB ten uitvoer te leggen leidt. Alvorens de tenuitvoerlegging te weigeren (hetgeen de uitzondering dient te blijven), moet de bevoegde autoriteit dus overeenkomstig artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzoeken om dringend alle nodige aanvullende gegevens te verstrekken.18.
98.
Pas indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit in het licht van de overeenkomstig artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit verstrekte gegevens en van alle andere potentiële gegevens die zij verder heeft kunnen verkrijgen, tot de slotsom komt dat het EAB op onregelmatige wijze was uitgevaardigd (in het licht van de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit), dient zij daaraan geen gevolg te geven.
99.
Meer in het bijzonder met betrekking tot artikel 15 lid 2, van het kaderbesluit, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de communicatie uit hoofde van deze bepaling een evenwicht beoogt te verzekeren tussen de verplichting tot tenuitvoerlegging (met inachtneming van de spoedeisendheid waarmee het EAB moet worden onderzocht, gelet op de termijnen die in het kaderbesluit zijn gesteld) en de noodzaak om de procedurele rechten van de betrokkene te beschermen.19. Het ‘gependel’ tussen de autoriteiten kan immers niet oneindig doorgaan. Het moet daarbij mogelijk zijn de termijn van 60 dagen20. waarbinnen het EAB in beginsel ten uitvoer moet worden gelegd, na te leven.21.
100.
In de tweede plaats moet met de wijze waarop bovenbedoelde communicatie plaatsvindt, kunnen worden gewaarborgd dat het stelsel blijft functioneren. Zo moeten de vragen zo nauwkeurig en helder mogelijk worden gesteld. Het lijkt met name redelijk een vraag een eerste keer te stellen en vervolgens een tweede keer navraag te doen door de nadruk te leggen op bepaalde op te helderen aspecten. Indien een dergelijke communicatie niet tot het verwachte resultaat leidt, lijkt het me redelijk, gelet op genoemde doelen van spoedeisendheid en bescherming van de rechten van de betrokkenen, om niet verder te gaan in het actief zoeken naar informatie.
101.
Evenwel bevrijdt dat de bevoegde autoriteit er niet van om elk geval individueel te beoordelen, gelet op de noodzaak zich ervan te vergewissen dat de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd.
102.
In casu wenste de uitvoerende rechterlijke autoriteit extra vragen te stellen over de procedure die tot het oorspronkelijke vonnis had geleid. Zoals de Nederlandse regering opmerkt, had die autoriteit immers twijfels geuit over het niveau van bescherming van de rechten van verdediging van Zdziaszek in de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid.
103.
Na deze precisering komt in de tweede prejudiciële vraag, meer fundamenteel, het probleem naar voren van de omzetting van artikel 4 bis van het kaderbesluit in Nederlands recht. Thans ga ik in op deze dimensie van de vraag.
2. Achtergrond van de communicatie uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit
104.
In het onderhavige geval is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit om aanvullende gegevens verzocht teneinde de toepasselijkheid van de voorwaarden van artikel 4 bis van het kaderbesluit te beoordelen. Zoals reeds is opgemerkt, formuleert deze bepaling een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB.22.
105.
Zoals ik elders reeds heb opgemerkt23., is de algemene regel die voortvloeit uit artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit de verplichting voor de lidstaten om het EAB ‘op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit’ ten uitvoer te leggen.
106.
Artikel 4 bis, lid 1, heeft de mogelijkheid ingevoerd om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren wanneer de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Deze mogelijkheid om een EAB niet ten uitvoer te leggen, moet zijn gegrond op een onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteit van de specifieke omstandigheden van ieder concreet geval.
107.
Aan de mogelijkheid om niet tot tenuitvoerlegging over te gaan, komt een einde wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat een gegeven geval beantwoordt aan een van de in de punten a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit genoemde situaties. In een dergelijk scenario is de weigering om het EAB ten uitvoer te leggen, uitgesloten en wordt de verplichting om de betrokkene over te leveren weer de regel.
108.
Ik wijs erop dat de nationale wettelijke regeling zoals uiteengezet in de verwijzingsbeslissing (te weten artikel 12 OLW) de logica van het kaderbesluit omkeert en de ‘mogelijkheid om niet ten uitvoer te leggen tenzij a) tot en met d)’ verandert in een ‘verplichting om niet ten uitvoer te leggen tenzij a) tot en met d)’.
109.
Deze wijze van omzetting van artikel 4 bis van het kaderbesluit heeft de lijst met de vier uitzonderingen op de mogelijkheid om het EAB niet ten uitvoer te leggen wanneer de betrokkene niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, omgevormd tot een uitputtende lijst van situaties waarin de uitvoerende autoriteit het EAB alleen ten uitvoer mag leggen wanneer de betrokkene niet in persoon op het proces is verschenen. Deze omzetting belet naar mijn mening de uitvoerende rechterlijke autoriteiten om alle feitelijke omstandigheden van een gegeven zaak mee te wegen teneinde te toetsen of de procedurele rechten van de betrokkenen zijn geëerbiedigd. Wanneer ik de slotsom van het Hof over de facultatieve weigeringsgrond krachtens artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit naar analogie toepas, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit mijns inziens, ook in de onderhavige context, beschikken over een beoordelingsmarge met betrekking tot de vraag of al dan niet moet worden geweigerd om het EAB ten uitvoer te leggen.24.
110.
Ik ben derhalve van mening dat artikel 12 OLW een onjuiste omzetting van artikel 4 bis van het kaderbesluit vormt.
111.
De vraag of artikel 4 bis uitputtend is geformuleerd, rijst ook in de onderhavige zaak25.: zijn de in de punten a) tot en met d) bedoelde omstandigheden de enige op grond waarvan de aangezochte autoriteit mag nagaan of de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd? Of mag deze autoriteit zich ook op andere omstandigheden baseren om het EAB ten uitvoer te kunnen leggen, maar zich er daarbij wel van vergewissen dat de grondrechten van de betrokkene zijn geëerbiedigd?
112.
Ten slotte breng ik in herinnering dat het kaderbesluit berust op het beginsel van wederzijdse erkenning en op de hoge mate van vertrouwen die moet heersen tussen de lidstaten.26. Niettemin mogen de concepten van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen niet het belang verhullen dat het kaderbesluit en het Unierecht hechten aan de eerbiediging van de grondrechten, in dit geval procedurele grondrechten.27.
113.
Artikel 4 bis van het kaderbesluit is een uiting van het evenwicht waartoe de Uniewetgever is gekomen tussen, enerzijds, de doeltreffendheid van de overlevering van personen in een Europese rechtsruimte en, anderzijds, de omvang van de toetsing die de uitvoerende rechterlijke autoriteit dient te verrichten. Wanneer deze autoriteit ervan overtuigd is dat de grondrechten zijn geëerbiedigd, gelet op, in voorkomend geval, het gedrag van de betrokkene, mag zij door de nationale wettelijke regeling niet worden belet om de krachtens artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit op haar rustende verplichting tot tenuitvoerlegging van een EAB na te komen.
3. Tussenconclusie
114.
Gelet op het voorgaande mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigeren het EAB ten uitvoer te leggen in het geval waarin zij noch op basis van de gegevens op het EAB-formulier noch op basis van de gegevens die zij uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit heeft ontvangen, in staat is te toetsen of de rechten van verdediging van de betrokkene die niet in persoon is verschenen op zijn proces, zijn geëerbiedigd. De beslissing om toepassing te geven aan de facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit komt toe aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, die in het licht van alle feitelijke omstandigheden waarover zij beschikt, moet kunnen beoordelen of de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd.
C. Derde prejudiciële vraag
115.
Uit het voorgaande volgt dat de toetsing of de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis van het kaderbesluit van toepassing is, moet worden verricht ten aanzien van een procedure zoals die welke heeft geleid tot het verzamelvonnis in het hoofdgeding. Ik breng in herinnering, ten eerste, dat dit voortvloeit uit het feit dat in casu het verzamelvonnis de aan Zdziaszek opgelegde straf zodanig heeft vastgesteld dat dit de vrijheidsstraf uitvoerbaar maakt, en, ten tweede, dat de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid een discretionaire bevoegdheid lijkt te impliceren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
116.
Uit het antwoord dat ik voorstel op de eerste vraag te geven, volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de eerbiediging van de rechten van de verdediging onderzoekt met betrekking tot de laatste fase van de procedure waarin de zaak ten gronde is behandeld en die tot het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis heeft geleid. In casu blijkt dat deze laatste fase van de procedure de fase is die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Het is juist dat deze procedure enkel betrekking had op de definitieve vaststelling van de sanctie.
117.
Voor zover de verwijzende rechter van mening is dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens deze specifieke fase van de procedure niet was verzekerd, lijkt het mij echter overbodig om in te gaan op de eerbieding van de rechten van de verdediging in de context van de laatste fase van de procedure waarin over het andere aspect van de betrokken veroordeling is beslist, te weten de schuldvraag.
118.
Voor het geval het Hof een andere benadering kiest en tot de slotsom komt dat het oorspronkelijke vonnis nog steeds relevant blijft voor de toetsing door de uitvoerende rechterlijke autoriteit uit hoofde van artikel 4 bis van het kaderbesluit, verwijs ik naar het standpunt dat ik in de zaak Tupikas heb geformuleerd.28.
119.
Het enige verschil tussen die zaak en de onderhavige schuilt in het feit dat de verwijzende rechter met betrekking tot het oorspronkelijke vonnis van mening is dat Zdziazsek naar behoren was vertegenwoordigd in hoger beroep terwijl dat niet het geval was in eerste aanleg. Daar volgens de verstrekte gegevens de zaak in de procedure in hoger beroep heeft geleid tot een onderzoek ten gronde, zijn door het feit dat de rechten van de verdediging in die fase van de procedure zijn geëerbiedigd, de gebreken waarvan de eerdere fasen blijk gaven, hersteld.
120.
Dat neemt evenwel niet weg dat de beslissing over de straf in het oorspronkelijke vonnis is vervangen en dat, zoals ik hierboven in herinnering heb gebracht, de veroordeling van Zdziaszek thans voortvloeit uit twee afzonderlijke procedures. Voor zover is aangetoond dat zijn rechten van verdediging niet waren gewaarborgd in de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, lijkt me — ik herhaal — de toetsing van de eerbiediging daarvan met betrekking tot het oorspronkelijke vonnis irrelevant.
VI. Conclusie
121.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de eerste en de tweede prejudiciële vraag van de rechtbank Amsterdam als volgt te beantwoorden:
‘Het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, aanhef, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, in de versie zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat dit van toepassing is op de procedure die tot het vonnis heeft geleid, zoals het verzamelvonnis dat in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer dat vonnis, dat uitvoerbaar is geworden, een vrijheidsstraf vaststelt, en wanneer de nationale rechter in de procedure voor de vaststelling van die straf over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit mag weigeren het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen in het geval waarin zij noch op basis van de gegevens op het formulier noch op basis van de gegevens die zij uit hoofde van artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of anderszins heeft ontvangen, in staat is te toetsen of de rechten van verdediging van de betrokkene die niet in persoon is verschenen op zijn proces, zijn geëerbiedigd. De beslissing om toepassing te geven aan de facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van dat kaderbesluit komt toe aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, die in het licht van alle feitelijke omstandigheden waarover zij beschikt moet kunnen beoordelen of de rechten van verdediging van de betrokkene zijn geëerbiedigd.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑07‑2017
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2002, L 190, blz. 1. Dit kaderbesluit is gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24).
Cursivering door mij.
Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
Feit 1 levert belediging van twee politieagenten tijdens en in verband met de uitoefening van hun functie op, en feit 2 betreft geweldpleging met de bedoeling een specifieke gedraging af te dwingen.
Feit 3 betreft het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel in een situatie van recidive; feit 4 betreft aanranding, en feit 5 betreft het rijden onder invloed van alcohol onder schending van een door de rechter opgelegd rijverbod.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gepreciseerd dat ‘onder ‘veroordeling’ in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van het EVRM moet worden verstaan […] zowel een schuldigverklaring, na de rechtmatige vaststelling van een strafbaar feit […], als het opleggen van een vrijheidsstraf of andere tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel […]’ (arrest EHRM van 21 oktober 2013, Del Rio Prada tegen Spanje, CE:ECHR:2013:1021JUD004275009, punt 123). In het arrest Kremzow tegen Oostenrijkheeft het EHRM geoordeeld dat er sprake was van schending van artikel 6, lid 1, wegens de afwezigheid van de betrokkene tijdens de pleidooien in hoger beroep terwijl de betrokken fase van de procedure enkel betrekking had op de op te leggen straf (arrest EHRM Kremzow tegen Oostenrijk van 21 september 1993, CE:ECHR:1993:0921JUD001235086, punt 67).
Rekening gehouden met bijvoorbeeld de eventuele toepassing van de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid. Zie met name artikel 2, lid 4, van het kaderbesluit.
Zie artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit.
Zie artikel 3 van het kaderbesluit.
Zie punten 49–54 van de conclusie die ik heb genomen in de zaak Tupikas (C-270/17 PPU).
Arrest EHRM van 15 juli 1982, Eckle tegen Duitsland (CE:ECHR:1983:0621JUD000813078, punt 77). Zie ook arrest EHRM van 28 november 2013, Aleksandr Dementyev tegen Rusland (CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, punt 25).
Zie overweging 6 van het kaderbesluit.
Arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C-237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 104).
Het spreekt voor zich dat nationale gerechten, om te kunnen deelnemen aan het Europees stelsel van wederzijdse erkenning (op om het even welk gebied — strafrecht, civielrecht of bestuursrecht), moeten voldoen aan alle criteria die bepalen wat een ‘gerecht’ is volgens het Unierecht, daaronder begrepen de onafhankelijkheid ervan — zie in die zin mijn conclusie in de zaak Pula Parking (C-551/15, EU:C:2016:825, punten 95–96 en 101–107).
Arresten van 1 december 2008, Leymann en Pustovarov (C-388/08 PPU, EU:C:2008:669, punt 51); 30 mei 2013, F (C-168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 36), en 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 38).
Arrest van 1 juni 2016, Bob-Dogi (C-241/15, EU:C:2016:385, punten 64 en 65).
Zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punten 34–37).
Die krachtens artikel 17 van het kaderbesluit met 30 dagen kan worden verlengd.
In de zaak Lanigan heeft het Hof de nadruk gelegd op de verplichting tot tenuitvoerlegging van het EAB, niettegenstaande het verstrijken van de termijnen van artikel 17 van het kaderbesluit, met inbegrip, indien nodig, van de voortgezette hechtenis van de betrokkene (arrest van 16 juli 2015, Lanigan, C-237/15 PPU, EU:C:2015:474, punten 34–42 en 62).
Zie overwegingen 6 en 15 van kaderbesluit 2009/299, waarin wordt beklemtoond dat de in artikel 4 bis van het kaderbesluit bedoelde gronden voor niet-erkenning ‘alternatief’ en ‘facultatief’ van aard zijn (onder het voorbehoud dat de grondrechten van de betrokkene worden geëerbiedigd).
Zie de conclusie die ik heb genomen in de zaak Tupikas (C-270/17 PPU, punten 70–78).
Arrest van 29 juni 2017, Popławski (C-579/15, EU:C:2017:503 punten 21–23). Zie tevens arrest van 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punten 50–52).
Zie een soortgelijk scenario beschreven in mijn conclusie in de zaak Tupikas (C-270/17 PPU, punten 79 en 80).
Arrest van 1 juni 2016, Bob-Dogi(C-241/15, EU:C:2016:385, punten 31–33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C-237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Punten 55–65 van de conclusie die ik heb genomen in de zaak Tupikas (C-270/16 PPU).