Het antwoord op die vragen is in onder 2.4, 2.6 en 2.7 verwerkt.
Rb. Amsterdam, 30-08-2017, nr. 13.751.032-17
ECLI:NL:RBAMS:2017:6289
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
30-08-2017
- Zaaknummer
13.751.032-17
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2017:6289, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 30‑08‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2017:3355, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 18‑05‑2017; (Tussenbeschikking)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2017:629
Uitspraak 30‑08‑2017
Inhoudsindicatie
Overlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2017:3355. Toepassing van art. 12 OLW (verstekvonnissen) op een cumulative sentence in het licht van C-271/17 PPU (ECLI:EU:C:2017:629).
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751.032-17
RK nummer: 17/410
Datum uitspraak: 30 augustus 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2014 door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1980,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [straatnaam] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, onder meer teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd.
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 4 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam, kantoorgenoot van mr. S. Pijl, en door een tolk in de Poolse taal.
Bij (tussen)uitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank de overlevering gedeeltelijk geweigerd en heeft zij voor het overige het onderzoek heropend en geschorst, onder meer teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), een en ander met opschorting van de in artikel 22, derde lid, OLW bedoelde termijn met ingang van 11 april 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:2580).
Bij e-mailbericht van 3 mei 2017 zijn de concept prejudiciële vragen aan de raadsman en de officier van justitie gestuurd.
Op de openbare zitting van 11 mei 2017 is de behandeling voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon. De raadsman en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de concept prejudiciële vragen.
Bij tussenuitspraak van 18 mei 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst, teneinde de prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie (ECLI:NL:RBAMS:2017:3355).
Bij arrest van 10 augustus 2017 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord (C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629) (hierna: het arrest).
Op de openbare zitting van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie en de raadsman. De opgeëiste persoon heeft op 10 augustus 2017 schriftelijk afstand gedaan van het recht om te worden gehoord.
Bij beslissing van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank de overleveringsdetentie opgeheven met ingang van 17 augustus 2017.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en heeft daarbij vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Onderdeel b) van het EAB vermeldt het bestaan van een cumulative sentence van 25 maart 2014 van het Regional Court of Wejherowo (II K 1677/13).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van:
- I. één jaar en zes maanden en
- II. drie jaren en zes maanden,
door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze vrijheidsstraffen resteren volgens het EAB nog:
- I. vier maanden en twaalf dagen en
- II. drie jaren en twee maanden.
In de beslissing van 25 maart 2014 heeft het Regional Court of Wejherowo ambtshalve:
- I. de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 1 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 21 april 2005 (VI K 240/05) van het Regional Court in Wejherowo en de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 2 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 16 januari 2006 (VIII K 873/05) van het Regional Court in Gdynia samengevoegd tot een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, en
- II. de samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren waartoe de opgeëiste persoon voor de feiten 3-5 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 10 april 2012 (II K 13/06) van het Regional Court in Wejherowo gewijzigd in een samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, omdat een voor de opgeëiste persoon gunstige wetswijziging daartoe noopte.
Deze beslissing betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
In de tussenuitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank de overlevering geweigerd voor feit 1, omdat dit feit zoals omschreven in het EAB naar Nederlands recht niet strafbaar is.
De rechtbank moet zich dus nog buigen over de vraag of de overlevering kan worden toegestaan voor de feiten 2-5.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
4.1
Relevante feiten en omstandigheden
De cumulative sentence van 25 maart 2014
Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid.
Uitsluitend punt 1c van onderdeel d) is van toepassing verklaard. Punt 1c luidt als volgt:
being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.
In punt 2 van onderdeel d) van het EAB wordt punt 1c als volgt toegelicht:
[opgeëiste persoon] was properly, in compliance with the provisions of the code of criminal procedure (Act of 06.06.1997 Code of criminal procedure, Journal of Laws Issue 89, it. 555, as amended), notified of the trial. The notice was sent to the address shown by the convicted person during the preparatory procedure proceedings. He was advised on consequences of not meeting the obligation to inform judicial bodies on the change of address of residence or stay.
During the court proceedings [opgeëiste persoon] used legal aid of a defence counsel, who was present both at the trial as well as the giving of the verdict.
Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt dat punt 1c en de toelichting onder punt 2 betrekking hebben op de procedure die heeft geleid tot de cumulative sentence van 25 maart 2014, niet op de onderliggende drie veroordelingen.
Uit de schriftelijke opmerkingen die Polen bij de behandeling van de prejudiciële vragen heeft ingediend, blijkt dat bij het wijzigen van een onherroepelijk opgelegde straf in verband met een voor de betrokkene gunstige wetswijziging (zoals is gebeurd ten aanzien van de feiten 3-5) en bij het samenvoegen van afzonderlijke, onherroepelijk opgelegde straffen (zoals is gebeurd ten aanzien van feit 2) de Poolse rechter een beoordelingsmarge in de zin van punt 88 van het arrest heeft (zie in die zin ook punt 90 van het arrest).
De onderliggende veroordelingen
Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt (kort samengevat) dat:
- de opgeëiste persoon voor feit 2 in één instantie is berecht. Volgens een brief van 9 mei 2011 zou de opgeëiste persoon niet in persoon zijn verschenen bij de behandeling ter terechtzitting, terwijl hij volgens de brieven van 18 januari 2017 en 11 augustus 2017 wel in persoon zou zijn verschenen en
- de opgeëiste persoon voor de feiten 3-5 in twee instanties is berecht, dat hij noch in eerste aanleg noch in hoger beroep in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting, dat hij in hoger beroep is verdedigd door een door hem gemachtigd raadsman en dat het hoger beroep kennelijk niet heeft geleid tot een wijziging van de in eerste aanleg opgelegde straf.
4.2
Standpunten van partijen
4.2.1
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering ook voor de feiten 2-5 moet worden geweigerd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De beslissing van 25 maart 2014 is de grondslag van het EAB. Deze beslissing voldoet aan de eisen die in punt 90 van het arrest worden gesteld om te gelden als ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’: bij deze beslissing is immers de hoogte van de straf onherroepelijk gewijzigd en bij het nemen van deze beslissing beschikte de bevoegde autoriteit over een zekere mate van beoordelingsruimte.
De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid. Uit de aanvullende informatie kan niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon de ambtshalve toegevoegde advocaat heeft gemachtigd. Nu geen verzetgarantie is gegeven, moet de overlevering worden geweigerd.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde alsnog een verzetgarantie op te vragen bij de Poolse autoriteiten.
4.2.2
Standpunt van de officier van justitie
Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor de feiten 2-5 moet worden toegestaan. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit het arrest volgt dat er twee toets-momenten zijn: de laatste schuldigverklaring en de laatste vaststelling van de straf.
Wat betreft de laatste schuldigverklaring volgt uit de aanvullende gegevens dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot de veroordeling voor feit 2 heeft geleid en dat hij in hoger beroep voor de feiten 3-5 is verdedigd door een advocaat die hij heeft gemachtigd.
De officier van justitie is het op zichzelf met de raadsman eens dat de laatste vaststelling van de straffen – de beslissing van 25 maart 2014 – de toetsing aan artikel 12 OLW niet kan doorstaan.
Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat een facultatieve weigeringsgrond bij de toepassing waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit volgens het Hof van Justitie rekening kan houden met de omstandigheden van het geval. De Overleveringswet biedt die ruimte niet en schrijft maar één beslissing voor, namelijk weigering van de overlevering, en die beslissing is in dit geval niet redelijk. Bij de beslissing van 25 maart 2014 heeft de opgeëiste persoon strafvermindering gekregen, terwijl met betrekking tot de schuldigverklaringen zijn verdedigingsrechten meer dan voldoende zijn geëerbiedigd. De rechtbank zou in dit geval dan ook moeten afzien van weigering van de overlevering en gebruik moeten maken van de discretionaire ruimte die de uitvoerende justitiële autoriteit volgens het Hof van Justitie heeft, ook al bevat artikel 12 OLW een dwingende weigeringsgrond.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ook voor de feiten 2-5 moet worden geweigerd. Hij heeft het aan het oordeel van de rechtbank overgelaten of aanvullende vragen moeten worden gesteld met betrekking tot de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Relevantie beslissing 25 maart 2014 voor toetsing aan artikel 12 OLW
Met de raadsman en de officier van justitie is van oordeel dat de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid waarbij de duur van eerder opgelegde vrijheidsstraffen opnieuw is vastgesteld, relevant is voor de toetsing aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 202/584/JBZ. Die procedure kent de bevoegde autoriteit immers een beoordelingsmarge toe zoals bedoeld in punt 88 van het arrest en leidt tot een beslissing waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over de straf (zie punt 90 van het arrest).
Strekking van het arrest
Uit het arrest volgt dat in een geval als het onderhavige zowel de onherroepelijke laatste beslissing over de schuldigverklaring – voor feit 2: het vonnis van 16 januari 2006 (VIII K 873/05) van het Regional Court in Gdynia en voor de feiten 3-5: ofwel het vonnis van 10 april 2012 (II K 13/06) van het Regional Court in Wejherowo ofwel het vonnis in hoger beroep van 11 december 2012 (V Ka 1143/12) van het District Court in Gdańsk voor zover in hoger beroep na een nieuwe behandeling ten gronde definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene – als de uiteindelijke vaststelling van de straffen – de beslissing van 25 maart 2014 (II K 1677/13) van het Regional Court of Wejherowo – aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ moet worden getoetst. Er moet immers op worden toegezien dat de rechten van de verdediging zowel met betrekking tot de schuldigverklaring als met betrekking tot de uiteindelijke vaststelling van de straf worden geëerbiedigd. Als deze beslissingen van elkaar zijn gescheiden – zoals in het onderhavige geval –, dan moeten beide op gelijke wijze worden gecontroleerd op de wijze zoals voorzien in de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ (punten 93-94 van het arrest).
Daaruit volgt dat in een geval als het onderhavige de beslissing over de schuldigverklaring en de beslissing over de uiteindelijke vaststelling van de straf cumulatief de toets aan de nationale wetgeving ter uitvoering van artikel 4 bis Kaderbesluit moeten kunnen doorstaan. Anders gezegd: voor weigering volstaat reeds dat hetzij de beslissing over de schuldigverklaring hetzij de uiteindelijke vaststelling van de straf die toets niet kan doorstaan.
Toetsing aan artikel 12 OLW
De rechtbank zal eerst de beslissing van 25 maart 2014 aan artikel 12 OLW toetsen.
Vaststaat dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot deze beslissing heeft geleid. Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit – herhaaldelijk –verstrekte aanvullende gegevens niet blijkt van één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a tot en met d, OLW.
Verzoek om aanvullende gegevens
Ook op basis van de aanvullende gegevens heeft de rechtbank dus niet de ‘vereiste zekerheid (…) verworven over de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens de relevante procedure’. Zij heeft dan ook de bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit het arrest volgt dat dat zij niet gehouden is de uitvaardigende autoriteit nogmaals – overeenkomstig artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – om aanvullende gegevens te verzoeken (punten 103-105 van het arrest).
In aanmerking genomen dat:
- de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het onderhavige EAB al viermaal aanvullende gegevens heeft verstrekt, waarvan tweemaal over de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid (namelijk bij brieven van 1 december 2016 en 27 maart 2017), en
- de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de vorige tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigde EAB’s al vele malen in de gelegenheid is gesteld om aanvullende gegevens te verstrekken (zie overweging 2.2.5 van de (tussen)uitspraak van 18 mei 2017),
ziet de rechtbank geen aanleiding haar daartoe nogmaals in de gelegenheid stellen.
Tot welke beslissing leidt de toetsing aan artikel 12 OLW?
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is gebleken dat zich ten aanzien van de beslissing van 25 maart 2014 één van de in de onderdelen a tot en met d van artikel 12 OLW bedoelde omstandigheden voordoet, zodat zij – ook na herhaalde verzoeken om aanvullende gegevens – niet de ‘vereiste zekerheid heeft verworven over de eerbiediging van de rechten van de verdediging tijdens de relevante procedure’.
Artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, welke bepaling een facultatieve weigeringsgrond bevat, geeft in een dergelijk geval aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, zij het dat zij kan afzien van toepassing van die bevoegdheid, omdat zij immers rekening kan houden met omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten betekent (punten 106-108 van het arrest).
De Nederlandse wetgever heeft deze bepaling omgezet als een dwingende weigeringsgrond. Als de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot de betrokken beslissing heeft geleid en als zich ten aanzien van de betrokken beslissing geen van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 12 OLW voordoet, dan moet de rechtbank de overlevering weigeren. Zoals de rechtbank al eerder heeft geoordeeld, geeft artikel 12 OLW de rechtbank in een dergelijk geval geen ruimte om rekening te houden met omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten betekent (zie bijv. Rb. Amsterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3643).
Een en ander brengt mee dat de rechtbank niet meer toekomt aan toetsing van de onherroepelijke schuldigverklaringen die aan de beslissing van 25 maart 2014 ten grondslag liggen.
Conclusie
De conclusie luidt dat de rechtbank de overlevering ook voor de feiten 2-5 van het EAB zal weigeren.
De overige verweren en/of verzoeken van de raadsman behoeven dan ook geen bespreking meer.
5. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Gdańsku (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij beslissing van 25 maart 2014 voor de feiten 2-5 vastgestelde vrijheidsstraffen.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. C. Klomp en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 30 augustus 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitspraak 18‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing: de rechtbank vraagt het Hof van Justitie van de EU om de reikwijdte van artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ uit te leggen. De rechtbank verzoekt toepassing van de spoedprocedure.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751.032-17
RK nummer: 17/410
Datum uitspraak: 18 mei 2017
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2014 door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA] ,
thans gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, onder meer teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
De rechtbank heeft op de zitting van 7 maart 2017 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd.
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 4 april 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam, kantoorgenoot van mr. S. Pijl, en door een tolk in de Poolse taal.
Bij (tussen)uitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank de overlevering gedeeltelijk geweigerd en heeft zij voor het overige het onderzoek heropend en geschorst, onder meer teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het besluit prejudiciële vragen te stellen heeft de termijnen van artikel 22 OLW met ingang van de dag van de (tussen)uitspraak, te weten 11 april 2017 – de 89e dag van die termijnen – opgeschort.
Per e-mailbericht van 3 mei 2017 zijn de concept prejudiciële vragen aan de raadsman van de opgeëiste persoon en de officier van justitie gestuurd. Op 11 mei 2017 is de behandeling voortgezet in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon. De raadsman en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de vooraf toegestuurde concept prejudiciële vragen.
2. Prejudiciële vragen
2.1.
Inleiding
2.1.1
De opgeëiste persoon is een onderdaan van Polen en bevindt zich in overleveringsdetentie.
2.1.2
Het EAB is op 12 juni 2014 uitgevaardigd door het District Court in Gdańsk (Polen) en strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen. De officier van justitie heeft op 13 januari 2017 gevorderd dat de rechtbank een beslissing over de tenuitvoerlegging van dit EAB neemt.
2.1.3
Onderdeel b) van het EAB vermeldt het bestaan van de cumulative sentence van 25 maart 2014 van het Regional Court of Wejherowo (II K 1677/13). Deze beslissing heeft betrekking op in totaal vijf naar het recht van Polen strafbare feiten.
2.1.4
In de beslissing van 25 maart 2014 heeft het Regional Court of Wejherowo ambtshalve:
- de samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren waartoe de opgeëiste persoon voor de feiten 3-5 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 10 april 2012 (II K 13/06) van het Regional Court in Wejherowo gewijzigd in een samengestelde vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, omdat een voor de opgeëiste persoon gunstige wetswijziging daartoe noopte, en
- de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 1 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 21 april 2005 (VI K 240/05) van het Regional Court in Wejherowo en de vrijheidsstraf waartoe de opgeëiste persoon voor feit 2 was veroordeeld bij het onherroepelijke vonnis van 16 januari 2006 (VIII K 873/05) van het Regional Court in Gdynia samengevoegd tot een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden.
2.1.5
Voor de vrijheidsstraf die betrekking heeft op de feiten 1-2 heeft de rechtbank bij (tussen)uitspraak van 11 april 2017:
- de overlevering geweigerd voor zover die vrijheidsstraf betrekking heeft op feit 1, omdat dit feit, zoals in het EAB omschreven, niet strafbaar is naar Nederlands recht en
- de behandeling van het EAB aangehouden voor zover die vrijheidsstraf betrekking heeft op feit 2, om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
2.1.6
De prejudiciële vragen hebben uitsluitend betrekking op de vrijheidsstraf voor de feiten 3-5 en betreffen de uitleg van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De derde prejudiciële vraag is gelijk aan de prejudiciële vraag in de zaak van de heer [persoon] . De onderhavige zaak is het spiegelbeeld van die zaak: in beide zaken is sprake van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep, maar anders dan in de zaak van de heer [persoon] is de opgeëiste persoon niet in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg heeft geleid (zie overwegingen 2.7.2-2.7.3 en 2.7.10).
2.2
Context van de prejudiciële vragen
2.2.1
Voordat de rechtbank ingaat op de prejudiciële vragen en de onderbouwing daarvan, acht zij het wenselijk om de context van de achterliggende problematiek te schetsen.
2.2.2
In 2016 heeft de rechtbank 146 EAB’s afgedaan die strekten tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Ten aanzien van 64 van die 146 EAB’s bleek dat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen op het proces dat tot de beslissing had geleid.
2.2.3 57
van die 64 EAB’s gaven het Openbaar Ministerie te Amsterdam en/of de rechtbank aanleiding om, met het oog op de toetsing aan artikel 12 van de Overleveringswet, (de Nederlandse implementatie van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ), aanvullende gegevens bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op te vragen. In een aanzienlijk deel van de gevallen leidt de toepassing van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ dus tot vertraging in de afdoening van het EAB. Bij de behandeling van 47 van de 64 EAB’s was sprake van overschrijding van de in artikel 17, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde termijn van zestig dagen en bij de behandeling van 11 daarvan was zelfs sprake van overschrijding van de in artikel 17, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde termijn van negentig dagen.
2.2.4
In 9 van de 64 gevallen heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van het EAB geweigerd en in 3 van die 64 gevallen heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van het EAB partieel geweigerd.
2.2.5
Toegespitst op het onderhavige EAB ziet de rechtbank zich bij de toepassing van de implementatie van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ geconfronteerd met het volgende.
Het vonnis van 10 april 2012 is tweemaal eerder aan een EAB ten grondslag gelegd. Bij uitspraak van 6 december 2013 heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van een EAB van 23 mei 2013 geweigerd, nadat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit tot tweemaal toe aanvullende vragen van de officier van justitie over de verstekproblematiek had beantwoord. Nadien heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het EAB gewijzigd. Bij tussenuitspraak van 21 maart 2014 heeft de rechtbank de behandeling van dat gewijzigde EAB aangehouden om naar aanleiding van de door het Openbaar Ministerie opgevraagde aanvullende gegevens nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Uiteindelijk heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dit gewijzigde EAB ingetrokken. Daarna heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het onderhavige EAB uitgevaardigd. Naar aanleiding van dit EAB heeft het Openbaar Ministerie opnieuw vragen gesteld over de verstekproblematiek.1.
2.3
Het toepasselijke recht
2.3.1
Bij artikel 2 van Kaderbesluit 2009/299/JBZ is artikel 5, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ geschrapt en is in Kaderbesluit 2002/584/JBZ artikel 4 bis ingevoegd. Het eerste lid van deze bepaling luidt als volgt:
Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen
1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:
a) de betrokkene tijdig
i) persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
ii) ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
of dat
b) de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die
raadsman is verdedigd;
of dat
c) de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:
i) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
of
ii) niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;
of dat
d) de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:
i) hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;
en
ii) dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
2.3.2
Bij artikel 2 van Kaderbesluit 2009/299/JBZ is punt d) van de bijlage bij Kaderbesluit 2002/584/JBZ vervangen door het volgende:
d) Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:
1. Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.
2. Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.
3. Indien u het vakje „neen” (keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:
3.1a) de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
OF
3.1b) de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;
OF
3.2. de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd;
OF
3.3. nadat de beslissing aan hem was betekend op … (dag/maand/jaar) en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing
heeft de betrokkene uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet betwist;
OF
heeft de betrokkene niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend;
OF
3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar
— de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en
— de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep,
waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde
wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot
herziening van de oorspronkelijke beslissing, en
— de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om
verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk … dagen.
4. Gelieve voor het in punt 3.1b, 3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan:
..........................................................................................................................................
2.3.3
De Overleveringswet (OLW) geeft uitvoering aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Artikel 12 OLW luidt als volgt:
Artikel 12
Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van uitvaardigende lidstaat:
a. de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of
b. de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd; of
c. de verdachte nadat het vonnis aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis:
1°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het vonnis niet betwist; of
2°. niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; of
d. het vonnis niet in persoon aan de verdachte is betekend, maar:
1°. hem na zijn overlevering onverwijld in persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
2°. hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
2.3.4
Onderdeel D) van bijlage 2 bij de OLW (“Model voor het Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet”) is gelijkluidend aan het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven onderdeel d) van de bijlage bij Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
2.4
Het EAB
2.4.1
Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
2.4.2
Uitsluitend punt 1c van onderdeel d) is van toepassing verklaard. Punt 1c luidt als volgt:
being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial.
2.4.3
In punt 2 van onderdeel d) van het EAB wordt punt 1c als volgt toegelicht:
[opgeëiste persoon] was properly, in compliance with the provisions of the code of criminal procedure (Act of 06.06.1997 Code of criminal procedure, Journal of Laws Issue 89, it. 555, as amended), notified of the trial. The notice was sent to the address shown by the convicted person during the preparatory procedure proceedings. He was advised on consequences of not meeting the obligation to inform judicial bodies on the change of address of residence or stay.
During the court proceedings [opgeëiste persoon] used legal aid of a defence counsel, who was present both at the trial as well as the giving of the verdict.
2.4.4
Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte aanvullende gegevens blijkt:
- dat punt 1c en de toelichting onder punt 2 betrekking hebben op de procedure die heeft geleid tot de cumulative sentence van 25 maart 2014, niet op de onderliggende drie veroordelingen;
- dat naar Pools recht in procedures zoals de procedure die tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid:
a) ‘the subject matter of the case covered by this procedure’ niet meer ter discussie staat,
b) ‘sentences imposed in legally binding verdict’ de basis voor een cumulative sentence vormen,
c) een cumulative sentence alleen op ‘matters related to combining these sentences into an aggregate sentence (or sentences) and the resolution concerning particular periods served being credited toward the aggregate sentence’ ziet en
d) een cumulative sentence ‘by its nature beneficial to convicted persons’ is, omdat ‘(c)ombining unitary penalties into one aggregate sentence results in practice in the period of the serving of the sentence being significantly shortened’;
- dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting van 28 januari 2014 op het door hem opgegeven adres. Hij heeft de oproeping niet opgehaald en is niet op die zitting verschenen. De Regional Court of Wejherowo heeft de opgeëiste persoon ambtshalve een advocaat toegewezen en heeft de behandeling vervolgens aangehouden. Voor de zitting van 25 maart 2014 is de opgeëiste persoon op dezelfde wijze opgeroepen. De opgeëiste persoon is niet op die zitting verschenen. Zijn advocaat heeft deelgenomen aan de behandeling op deze zitting. Na afloop van die zitting is de beslissing genomen.
2.4.5
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder b, Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet van toepassing is. Uit de elementen die de uitvaardigende rechterlijke autoriteit heeft aangevoerd volgt namelijk niet dat de opgeëiste persoon ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ noch dat hij de hem ‘van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’ (vgl. HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 49).
2.5
Eerste vraag
2.5.1
De vraag rijst echter of een beslissing zoals de cumulative sentence van 25 maart 2014 waarbij ten gunste van de betrokkene een samengestelde vrijheidsstraf waartoe hij eerder onherroepelijk is veroordeeld wordt gewijzigd en afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe hij eerder onherroepelijk is veroordeeld worden samengevoegd tot één vrijheidsstraf, maar waarin de vraag of de betrokkene de strafbare feiten al dan niet heeft begaan niet meer aan de orde is, onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt.
2.5.2
Het antwoord op deze vraag is van belang voor de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB. Als artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ op een cumulative sentence als in het onderhavige geval van toepassing is, dan is niet voldaan aan de voorwaarden van één van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van die bepaling (zie overweging 2.4.5) en kan de rechtbank dus op grond van die bepaling de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren. Als artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet van toepassing is op een cumulative sentence als in het onderhavige geval, dan levert de omstandigheid dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing van 25 maart 2014 heeft geleid geen grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB op.
2.5.3
Naar de mening van de rechtbank moet de in overweging 2.5.1 bedoelde vraag ontkennend worden beantwoord.
2.5.4
Die opvatting berust allereerst op de tekst van de onderdelen c) en d) van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarin telkens de zinsnede ‘de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten’ voorkomt.
2.5.5
Uit de woorden ‘opnieuw ten gronde’ leidt de rechtbank allereerst af dat met de ‘beslissing’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ wordt gedoeld op een beslissing die is genomen na een procedure waarin de zaak ten gronde is behandeld.
2.5.6
Uit de woorden ‘nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten’ leidt de rechtbank af dat de zaak ten gronde is behandeld als de rechter heeft beoordeeld of het strafbare feit dat aan de betrokkene wordt verweten bewezen is. Met andere woorden: als de rechter de schuld of onschuld van de betrokkene aan dat strafbare feit heeft beoordeeld (hierna: de schuldvraag).
2.5.7
De omstandigheid dat artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ziet op de situatie dat aan de betrokkene een vrijheidssanctie is opgelegd, brengt volgens de rechtbank verder mee dat de zaak ten gronde is behandeld als de rechter aan de betrokkene voor het bewezen strafbare feit een sanctie heeft opgelegd.
2.5.8
De zaak is dus ten gronde behandeld in de zin van artikel 4 bis eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ als de rechter de betrokkene heeft veroordeeld wegens een strafbaar feit.
2.5.9
Deze uitleg strookt naar de mening van de rechtbank met de context van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Omdat overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning de tenuitvoerlegging van het EAB de hoofdregel is, moeten uitzonderingen op die regel strikt worden uitgelegd.
2.5.10
Weliswaar vallen het wijzigen van een onherroepelijke samengestelde vrijheidsstraf en het samenvoegen van afzonderlijke, onherroepelijke vrijheidsstraffen tot één vrijheidsstraf onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM (zie bijv. EHRM 15 juli 1982, 8130/78 (Eckle/Duitsland), § 77 en EHRM 28 november 2013, 43095/05 (Aleksandr Dementyev/Rusland), § 26), tenzij sprake is van een ‘mere matter of mathematical calculation’) en dus – gelet op artikel 52, derde lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) – onder de reikwijdte van de artikelen 47, tweede alinea, en 48 Handvest, maar de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de reikwijdte van artikel 6 EVRM en de artikelen 47 en 48 Handvest. Blijkens de woorden ‘behandeling ten gronde’ heeft de Uniewetgever naar de mening van de rechtbank het toepassingsgebied van de weigeringsgrond bewust willen beperken tot dat deel van de strafprocedure dat heeft geleid tot de veroordeling. Zo valt een procedure waarin de strafrechter alleen rechtsvragen beantwoordt, zoals een cassatieprocedure, onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM en dus onder de reikwijdte van de artikelen 47 en 48 Handvest (zie bijv. EHRM 7 mei 2002, 77395/01 (Walczak/Polen), ontvankelijkheidsbeslissing). In de hier voorgestane uitleg valt een dergelijke procedure echter niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, omdat geen sprake is van een ‘behandeling ten gronde’.
2.5.11
De uitleg strookt naar de mening van de rechtbank ook met de doelstellingen van Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Gelet op die doelstellingen beoogt artikel 4 bis, eerste lid, immers de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de betrokkene over te leveren ondanks de afwezigheid van de betrokkene op het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).
2.5.12
Een beslissing als de onderhavige cumulative sentence is naar de mening van de rechtbank niet een veroordeling, omdat een veroordeling een oordeel over de schuldvraag impliceert. Uit de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verschafte informatie blijkt dat in de procedure die tot de cumulative sentence heeft geleid de schuldvraag niet meer aan de orde was.
2.5.13
Er is echter twijfel mogelijk of de opvatting van de rechtbank juist is. In elk geval lijken de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten van Polen zich op het standpunt te stellen dat een beslissing als de onderhavige wel onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt. In de ervaring van de rechtbank nemen deze autoriteiten in geval van een cumulative sentence in onderdeel d) doorgaans alleen gegevens op met betrekking tot de procedure die tot de cumulative sentence heeft geleid en niet met betrekking tot de onderliggende veroordeling.
2.5.14
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich niet eerder over deze materie gebogen.
2.5.15
De rechtbank zal daarom de volgende vraag aan het Hof voorleggen:
1. Is een procedure
o waarin de rechter in de uitvaardigende lidstaat beslist over het samenvoegen van afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld tot één vrijheidsstraf en/of het wijzigen van een samengestelde vrijheidsstraf waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld en
o waarin die rechter zich niet meer buigt over de schuldvraag,
zoals de procedure die tot de cumulative sentence van 25 maart 2014 heeft geleid, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?
2.6.
Tweede vraag
2.6.1
Als het Hof vraag 1 ontkennend beantwoordt, dan moet de rechtbank naar haar oordeel met betrekking tot de onderliggende veroordeling nagaan of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot die veroordeling heeft geleid en, zo nee, of een van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ van toepassing is.
2.6.2
Onderdeel d) van het EAB heeft geen betrekking op het onderliggende vonnis (zie overweging 2.4.4).
2.6.3
Op verzoek van het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit herhaaldelijk informatie verschaft over de onderliggende veroordeling.
2.6.4
Uit deze informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op geen van de in eerste aanleg en in hoger beroep gehouden zittingen in persoon is verschenen. Wat betreft de toepasselijkheid van één van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zich niet bediend van onderdeel d) van het EAB-formulier noch vermeld welke van de in punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier opgenomen categorieën van toepassing is.
2.6.5
De vraag rijst of de rechtbank onder deze omstandigheden de tenuitvoerlegging van het EAB kan weigeren.
2.6.6
De rechtbank ziet aanknopingspunten voor een bevestigend antwoord.
2.6.7
Allereerst wijst de tekst van de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ (‘tenzij in het EAB is vermeld dat’) erop dat de informatie over de toepasselijkheid van één van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van die bepaling zo niet in onderdeel d) van het EAB-formulier, dan toch overeenkomstig de formulering van de daarin omschreven categorieën moet worden meegedeeld.
2.6.8
Deze uitleg past binnen de context van de regeling van het EAB, omdat deze uitleg de noodzaak van het opvragen van aanvullende informatie kan terugdringen en aldus ertoe kan bijdragen dat de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB binnen de in artikel 17, derde en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde termijnen wordt genomen. Deze termijnen vormen een belangrijk onderdeel van de regeling van het EAB.
2.6.9
Deze uitleg voorkomt bovendien dat moet worden geïnterpreteerd of de informatie onder een van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier valt en bevordert daarmee dat de weigeringsgrond van geval tot geval op consistente wijze wordt toegepast. Deze uitleg strookt dan ook met de doelstelling van Kaderbesluit 2009/299/JBZ om een duidelijke en gemeenschappelijke weigeringsgrond in te voeren.
2.6.10
De uitleg is bovendien in overeenstemming met de doelstellingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De Uniewetgever heeft punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier klaarblijkelijk zo geformuleerd, dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit aan de hand daarvan zich op eenvoudige en transparante wijze ervan kan vergewissen dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon volledig in acht zijn genomen. Het niet gebruiken van de formulering van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier kan dan ook ‘nadelig inwerken op de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen die aan de basis van de regeling van het EAB liggen (vgl. HvJ EU 1 juni 2016, C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385, punt 52. e.v.)
2.6.11
Overigens blijft ook bij deze uitleg naar de mening van de rechtbank ruimte bestaan om af te zien van weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, ook als zich geen van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/5684/JBZ voordoet, als blijkt dat de overlevering geen schending van het verweerrecht van de opgeëiste persoon impliceert, bijvoorbeeld als de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest. Artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat immers een facultatieve weigeringsgrond (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punten 50-51).2.
2.6.12
De rechtbank ziet echter ook aanknopingspunten voor een ontkennend antwoord op de in overweging 2.6.5 bedoelde vraag. Ook op dit punt lijkt namelijk onder de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten de communis opinio te bestaan dat het gebruik van de formulering van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier niet nodig is. In een aanzienlijk deel van de EAB’s die de rechtbank onder het regime van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft behandeld, waren de mededelingen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten namelijk niet (volledig) gegoten in de vorm van onderdeel d) van het EAB-formulier. Bovendien kan een bevestigend antwoord leiden tot meer weigeringen en dus tot minder overleveringen, hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met de uitgangspunten van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en het beginsel van wederzijdse erkenning.
2.6.13
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich niet eerder over deze kwestie gebogen.
2.6.14
De rechtbank zal daarom de volgende vraag aan het Hof voorleggen:
2. Kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit:
o in een geval de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid,
o maar waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, noch in het EAB, noch in de op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ opgevraagde aanvullende gegevens, de mededelingen over de toepasselijkheid van een of meer van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, overeenkomstig de formulering van een of meer van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier heeft gedaan,
reeds om die reden concluderen dat aan geen van de voorwaarden van artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Kaderbesluit is voldaan en reeds om die reden de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren?
2.7
Derde vraag
Inleiding
2.7.1
Als het Hof de vragen 1 en 2 ontkennend beantwoordt, dan moet de rechtbank naar haar oordeel op basis van haar interpretatie van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verschafte informatie – ook al is deze niet in de vorm van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier gegoten – nagaan of met betrekking tot de onderliggende veroordeling een van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ van toepassing is.
2.7.2
Uit die informatie blijkt dat in Polen een procedure in eerste aanleg is gevoerd die heeft geleid tot de veroordeling van 10 april 2012 en een procedure in hoger beroep die klaarblijkelijk niet heeft geleid tot wijziging van de veroordeling van 10 april 2012.
De procedure in eerste aanleg
2.7.3
De rechtbank komt op basis van haar interpretatie van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit tot de conclusie dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing in eerste aanleg heeft geleid en dat zich ten aanzien van de procedure in eerste aanleg geen van de in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ bedoelde omstandigheden voordoet. Daartoe is het volgende redengevend.
2.7.4
Met betrekking tot de procedure in eerste aanleg heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, samengevat, het volgende meegedeeld:
- er zijn 27 zittingen in eerste aanleg gehouden;
- de opgeëiste persoon is op geen van die zittingen verschenen;
- aanvankelijk had de opgeëiste persoon een ambtshalve toegewezen raadsman, daarna een andere ambtshalve toegewezen raadsman. Op de volgende zittingen verscheen vervolgens een door de opgeëiste persoon gekozen raadsman;
- de opgeëiste persoon en zijn gekozen raadsman zijn niet verschenen op de zitting waarop de veroordeling is uitgesproken, maar zij waren op de hoogte van de inhoud van het vonnis, omdat zij een verzoek hebben ingediend strekkende tot het opstellen van een ‘legal justification’ van dat vonnis.
2.7.5
Uit deze elementen kan de rechtbank niet afleiden dat de opgeëiste persoon in de fase van de procedure waarin hij een ambtshalve toegewezen raadsman had ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder b, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.
2.7.6
Dit ligt anders voor de fase van de procedure waarin de gekozen raadsman van de opgeëiste persoon verscheen. Uit het verschijnen van een door de opgeëiste persoon gekozen raadsman leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in die fase wel ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ en dat hij die raadsman ‘heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’.
2.7.7
De mededelingen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit houden echter niet in dat de opgeëiste persoon ‘op het proces ook daadwerkelijk door die raadsman is verdedigd’, maar alleen dat die raadsman is verschenen op zittingen in eerste aanleg.
2.7.8
Bovendien blijkt niet op welke van de 27 zittingen de gekozen raadsman is verschenen noch wat op die zittingen aan de orde is geweest.
2.7.9
De rechtbank kan daarom uit de enkele mededeling dat de gekozen raadsman op zittingen is verschenen niet afleiden dat die raadsman daadwerkelijk de opgeëiste persoon heeft verdedigd.
De procedure in hoger beroep
2.7.10
De rechtbank komt op basis van haar interpretatie van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit tot de conclusie dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid en dat ten aanzien van de procedure in hoger beroep sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder b, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Uit die informatie blijkt echter niet of in hoger beroep een ‘behandeling ten gronde’ heeft plaatsgevonden. Daartoe is het volgende redengevend.
2.7.11
Met betrekking tot de procedure in hoger beroep heeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, samengevat, het volgende meegedeeld:
- de opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting in hoger beroep;
- hij is behoorlijk opgeroepen voor die zitting;
- op de zitting in hoger beroep is de gekozen raadsman van de opgeëiste persoon verschenen.
2.7.12
In samenhang met de mededeling dat de opgeëiste persoon en zijn raadsman op de hoogte waren van de inhoud van het vonnis van 10 april 2012 leidt de rechtbank uit een en ander af dat de opgeëiste persoon ‘op de hoogte was van het voorgenomen proces’ in hoger beroep en dat hij zijn gekozen raadsman ‘heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren’. Omdat in hoger beroep klaarblijkelijk maar één zitting heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank uit de mededeling dat die raadsman op de zitting in hoger beroep is verschenen verder af dat de opgeëiste persoon op die zitting ‘werkelijk door die raadsman is verdedigd’.
De prejudiciële vraag
2.7.13
Uit het voorgaande volgt dat het verschil uitmaakt of men de procedure in eerste aanleg of de procedure in hoger beroep, voor zover de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld, aanmerkt als de grondslag van de toetsing aan artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. In het eerste geval kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren, in het tweede geval niet zonder meer.
2.7.14
Voordat de rechtbank aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit vraagt of in hoger beroep een ‘behandeling ten gronde’ heeft plaatsgevonden, moet zij echter eerst weten of een dergelijke procedure in hoger beroep hoe dan ook onder de reikwijdte van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt.
2.7.15
De rechtbank ziet aanknopingspunten voor een bevestigend antwoord op deze vraag.
2.7.16
De tekst van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ beperkt de reikwijdte van deze bepaling niet uitdrukkelijk tot de procedure in eerste aanleg. Bovendien is in de formulering van de onderdelen c) en d) van deze bepaling naast ‘hoger beroep’ of een ‘procedure in hoger beroep’ steeds sprake van ‘verzet’ of een ‘verzetprocedure’.
2.7.17
De context van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ biedt steun aan deze uitleg. Kaderbesluit 2009/299/JBZ beoogt de weigeringsgrond te harmoniseren, niet het strafprocesrecht van de lidstaten. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat volgens het strafprocesrecht van een aantal lidstaten – waaronder Polen – ook in hoger beroep een beoordeling ten gronde plaatsvindt of kan plaatsvinden.
2.7.18
Ook de doelstelling van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ondersteunt naar de mening van de rechtbank deze uitleg.
2.7.19
Deze bepaling beoogt immers de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de overlevering toe te staan, ondanks dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni), punt 43; HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).
2.7.20
De rechten van de verdediging maken onderdeel uit van het recht op een eerlijk proces. Artikel 6, eerste lid, EVRM verplicht de lidstaten niet om te voorzien in een procedure in hoger beroep. Gelet op artikel 52, derde lid, Handvest vloeit een dergelijke verplichting evenmin voort uit artikel 47, tweede alinea, Handvest. Waar een lidstaat desondanks voorziet in een dergelijke procedure, is hij verplicht te verzekeren dat de betrokkene in die procedure de fundamentele waarborgen van artikel 6 EVRM en dus van artikel 47, tweede alinea, Handvest geniet (zie bijv. EHRM (Grote Kamer) 26 oktober 2000, 30210/96 (Kudła/Polen), § 122). Weliswaar hangt de wijze waarop artikel 6 EVRM en artikel 47, tweede alinea, Handvest van toepassing zijn op procedures in hoger beroep af van de bijzondere kenmerken van die procedures, maar wanneer de rechter in hoger beroep een nieuw oordeel moet geven over de schuld of onschuld van de betrokkene kan die rechter dat oordeel niet geven zonder een ‘direct assessment of the evidence given in person by the accused for the purpose of proving that he did not commit the act allegedly constituting a criminal offence’. Ook in een dergelijk geval kan de betrokkene echter, uitdrukkelijk of stilzwijgend, afstand van zijn verdedigingsrechten doen (zie bijv. EHRM 9 juni 2009, 31509/02 (Strzałkowski/Polen), § 41-42; EHRM 9 juni 2009, 19847/07 (Sobolewski/Polen (nr. 2)), § 35-36). In een dergelijk geval is de enkele omstandigheid dat de betrokkene in eerste aanleg zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de eisen van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest is voldaan (zie bijv. EHRM 14 februari 2017, 30749/12 (Hokkeling/Nederland)).
2.7.21
Als de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces in hoger beroep en als in hoger beroep een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden waarbij de betrokkene (opnieuw) is veroordeeld of waarbij de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling is bekrachtigd, dan strookt het naar de mening van de rechtbank daarom met de doelstelling van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ dat deze procedure onder de reikwijdte van die bepaling valt.
2.7.22
Ook bij deze uitleg geldt naar de mening van de rechtbank hetgeen zij onder 2.6.11 heeft overwogen.
2.7.23
Evenals bij de vragen 1 en 2 is twijfel mogelijk over de juistheid van de opvatting van de rechtbank. De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten lijken van opvatting te zijn dat een procedure in hoger beroep in geen geval relevant is voor de toetsing aan artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het komt namelijk vaker voor dat een EAB geen melding maakt van een procedure in hoger beroep, terwijl uit andere gegevens blijkt dat een dergelijke procedure wel heeft plaatsgevonden. Zo is de rechtbank recentelijk in een periode van enkele weken geconfronteerd met drie andere EAB’s waarin hetzelfde probleem aan de orde is (en waarvan één EAB – het EAB tegen de heer [persoon] – onderwerp van een afzonderlijke prejudiciële verwijzing vormt). Voor de opvatting van de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten zou kunnen pleiten dat, wanneer – naar de mening van deze autoriteiten – vaststaat dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg volledig in acht zijn genomen, ten aanzien van eventuele verdere procedures erop moet worden vertrouwd dat de uitvaardigende lidstaat de grondrechten van de opgeëiste persoon heeft nageleefd (vgl. HvJ EU 5 april 2016, zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78).
2.7.24
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich niet eerder over deze kwestie gebogen.
2.7.25
De rechtbank zal daarom de volgende vraag aan het Hof voorleggen:
3. Is een procedure in hoger beroep
o waarin een behandeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
o die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
o terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,
het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?
3. Verzoek om toepassing van de spoedprocedure
3.1
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
3.2
De prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitleg van een kaderbesluit dat valt onder de gebieden als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU.
3.3
De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de definitieve beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van het EAB. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vragen nog niet heeft beantwoord. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.
4. Beslissing
HEROPENT het onderzoek.
VERZOEKT het Hof van Justitie de volgende vragen te beantwoorden:
1. Is een procedure
o waarin de rechter in de uitvaardigende lidstaat beslist over het samenvoegen van afzonderlijke vrijheidsstraffen waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld tot één vrijheidsstraf en/of over het wijzigen van een samengestelde vrijheidsstraf waartoe de betrokkene eerder onherroepelijk is veroordeeld en
o waarin die rechter zich niet meer buigt over de schuldvraag,
zoals de procedure die tot de cumulative sentence van 25 maart 2014 heeft geleid, een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?
2. Kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit:
o in een geval de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid,
o maar waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit noch in het EAB, noch in de op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ opgevraagde aanvullende gegevens, de mededelingen over de toepasselijkheid van een of meer van de omstandigheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, overeenkomstig de formulering van een of meer van de categorieën van punt 3 van onderdeel d) van het EAB-formulier heeft gedaan,
reeds om die reden concluderen dat aan geen van de voorwaarden van artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Kaderbesluit is voldaan en reeds om die reden de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren?
3. Is een procedure in hoger beroep
o waarin een behandeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
o die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
o terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,
het ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ?
SCHORST daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon – met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman – en van een tolk voor de Poolse taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. C. Klomp en J. Edgar, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. V.H. Glerum en A.T.P. van Munster, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑05‑2017
De rechtbank merkt daarbij op dat de Nederlandse implementatie van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ deze ruimte niet biedt, nu de Nederlandse wetgever heeft deze bepaling als een dwingende weigeringsgrond heeft geïmplementeerd (Rb. Amsterdam 16 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3643).