Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/6.6.4:6.6.4 Ontslagvolgorde
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/6.6.4
6.6.4 Ontslagvolgorde
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS299984:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus de toenmalige Beleidsregels Ontslagtaak UWV (hoofdstuk 13, paragraaf 8).
Hof ‘s-Hertogenbosch 21 maart 2006, JAR 2006/241, m.nt. Verhulp; voor een tegengestelde uitkomst, zie: Rb. Midden-Nederland (ktr.) 18 juni 2003, JAR 2003/74.
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 23 april 2015, Stcrt. 2015, nr. 12685 (publicatiedatum 11 mei 2015).
HR 14 juli 2006 JAR 2006/190 (Isik/Boekenvoordeel), m.nt. Verhulp.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een verkrijgende onderneming op zeker moment overgaat tot reorganisatie, waarbij om bedrijfseconomische redenen arbeidsplaatsen komen te vervallen, komt ook bij de selectie van voor ontslag in aanmerking komende werknemers de vraag aan de orde of de dienstjaren van de werknemer bij de oude, gefailleerde werknemer moeten worden meegeteld. Vóór inwerkingtreding van de Wwz had UWV terzake in zijn beleidsregels opgenomen dat uitsluitend de dienstjaren bij de verkrijger in aanmerking kwamen bij de vaststelling van de anciënniteitsvolgorde.1 Ook de beperkte jurisprudentie tendeert in die richting. Zo wees het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een arrest uit 2006 de stelling van een werknemer dat zijn dienstjaren bij de gefailleerde werkgever moeten worden meegenomen bij de vaststelling van de ontslagvolgorde van de hand, onder verwijzing naar artikel 7:666 BW.2 In deze benadering lijkt echter verandering te zijn gekomen per 1 juli 2015 toen in het kielzog van de Wwz ook de zgn. Ontslagregeling is ingevoerd.3 Hierin zijn regels gegeven voor het bepalen van de ontslagvolgorde, en meer in het bijzonder voor de wijze waarop het afspiegelingsbeginsel moet worden toegepast (artikel 11 Ontslagregeling).
In artikel 15 lid 1 en 2 Ontslagregeling is vervolgens bepaald dat opvolgende arbeidsovereenkomsten dienen te worden samengeteld en dat van opvolgende arbeidsovereenkomsten sprake is, indien:
"(...) de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestond in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn."
Daarmee is aangesloten bij de definitie van opvolgend werkgeverschap, zoals opgenomen in onder meer artikel 7:668a BW. In de artikelsgewijze toelichting bij de Ontslagregeling is de passage aangaande artikel 15 lid 2 vervolgens weinig verhelderend; in feite wordt slechts de tekst van artikel 15 lid 2 herhaald, met de toevoeging dat daarmee "aangesloten wordt bij de formulering van opvolgend werkgeverschap in de zogenoemde ketenbepaling." Dat laatste is dan toch relevant, nu aangenomen wordt dat artikel 7:668a BW niet uitgesloten is voor faillissement.4 Daarmee mag naar mijn mening worden geconcludeerd dat, als sprake is van opvolgend werkgeverschap bij een doorstart (zie paragraaf 6.6.2.2), bij de huidige stand van de wet- en regelgeving ook de dienstjaren bij de failliete werkgever in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel.