Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/3.2.3
3.2.3 De Verordening inzake medische hulpmiddelen
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS368734:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)542).
Galland 2013, p. 372.
Vgl. in algemene zin Galland 2013, p. 368: ‘the implementation of these [New Approach, JTH] directives by the notified bodies has raised, and continues to raise, a certain number of problems’.
Persbericht Europese Commissie van 9 februari 2012, ‘Medical devices: European Commission calls for immediate actions – tighten controls, increase surveillance, restore confidence’, IP/12/119.
Persbericht Europese Commissie van 20 juni 2014, ‘Herstel van het vertrouwen in medische hulpmiddelen. Actieplan naar aanleiding van PIP-schandaal heeft de controles in Europa verscherpt’, IP/14/699.
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 920/2013; Aanbeveling 2013/473/EU van de Commissie van 24 september 2013 betreffende de audits en beoordelingen die door aangemelde instanties op het gebied van medische hulpmiddelen worden uitgevoerd; Aanbeveling 2013/172/EU van de Commissie van 5 april 2013 betreffende een gemeenschappelijk kader voor een systeem van unieke hulpmiddelenidentificatie voor medische hulpmiddelen in de Unie. Op grond van de uitvoeringsverordening hebben de lidstaten onder meer de kwalificaties en de reikwijdte van de activiteiten van hun notified bodies opnieuw beoordeeld (Persbericht Europese Commissie van 20 juni 2014, ‘Herstel van het vertrouwen in medische hulpmiddelen. Actieplan naar aanleiding van PIP-schandaal heeft de controles in Europa verscherpt’, IP/14/699).
Hoewel onaangekondigde bezoeken op grond van de Richtlijn Medische Hulpmiddelen altijd al mogelijk waren, bestond daartoe geen vaste praktijk (overweging 11 Aanbeveling 2013/473/EU).
Persbericht Europese Commissie van 20 juni 2014, ‘Herstel van het vertrouwen in medische hulpmiddelen. Actieplan naar aanleiding van PIP-schandaal heeft de controles in Europa verscherpt’, IP/14/699.
Dit volgde op een oproep daartoe van de Raad en het EP; Conclusies van de Raad over innovatie in de sector medische hulpmiddelen (2011/C 202/03); Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2012 over ondeugdelijke borstimplantaten met siliconengelvulling van het Franse bedrijf PIP (2012/ 2621(RSP)).
Richtlijn 90/385/EEG en Richtlijn 93/42/EEG. De eerdergenoemde Richtlijn inzake in-vitrodiagnostiek is vervangen door een eigen Verordening (Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie).
Toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)542).
Het nieuwe regelkader zou ‘degelijk, transparant en duurzaam’ zijn, de innovatie en het concurrentievermogen van de sector ondersteunen en een snelle en rendabele markttoegang voor innovatieve hulpmiddelen mogelijk maken (Toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)542)).
Artikel 123 Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/ 2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad.
Zie voor een overzicht van de belangrijkste elementen: Eerste Kamer (dossier E120038), Voorstel voor een verordening betreffende medische hulpmiddelen, Samenvatting voorstel Europese Commissie.
Artikel 2 Verordening (EU) 2017/745.
Bijlage VII onder 2 Verordening (EU) 2017/745.
Toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende medische hulpmiddelen en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009 (COM(2012)542).
Artikel 39 en 40 Verordening (EU) 2017/745.
Overweging 52 van Verordening (EU) 2017/745.
De classificatie geschiedt volgens de criteria van bijlage VIII. Actieve implanteerbare hulpmiddelen moeten worden ingedeeld in klasse III, zodat een aan Richtlijn 90/385/EEG gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt gewaarborgd; Overweging 58 van Verordening (EU) 2017/745.
Zie o.m. overweging 56, artikel 106 en 5.1 van bijlage IX Verordening (EU) 2017/745. Het deskundigenpanel kan naar aanleiding van dit verzoek een wetenschappelijk advies over het beoordelingsverslag van de notified body over de klinische evaluatie op basis van het door de fabrikant geleverde klinische bewijs uitbrengen. Dit advies hoeft de notified body niet op te volgen. Indien de notified body het advies niet volgt, verstrekt zij in haar conformiteitsbeoordelingsverslag een volledige rechtvaardiging daarvoor (5.1 van bijlage IX Verordening (EU) 2017/745). Zie ook 5.2 en 5.3 van bijlage IX voor soortgelijke procedures voor andersoortige hulpmiddelen.
Artikel 10 Verordening (EU) 2017/745. Zie ook artikel 87-89 Verordening (EU) 2017/745.
Artikel 83 Verordening (EU) 2017/745. Gebaseerd op een plan ex artikel 84 Verordening (EU) 2017/ 745. De resultaten en conclusies en resultaten die hieruit voortvloeien, dient de producent krachtens artikel 85 (voor klasse I-hulpmiddelen) en 86 (voor klasse IIa, IIb en III hulpmiddelen) samen te vatten in een (periodiek) verslag.
Artikel 87 Verordening (EU) 2017/745.
Deel B, bijlage XIV, Verordening (EU) 2017/745.
Artikel 15 Verordening (EU) 2017/745.
Hetgeen overeenkomstig bijlage XIV gedocumenteerd moet worden. Ten aanzien van implanteerbare hulpmiddelen en hulpmiddelen van klasse III dienen hiertoe klinische onderzoeken te worden verricht (artikel 61 lid 4).
Zie bijlage II voor de technische documentatie die de producent op moet stellen over het hulpmiddel.
Deze groep bestaat uit door de lidstaten op grond van hun rol en ervaring op het gebied van medische hulpmiddelen benoemde leden en zal worden voorgezeten door de Commissie. Zie de toelichting bij het voorstel (COM(2012)542), overweging 82 en artt. 98-99 Verordening (EU) 2017/745.
Zie over UDI: overweging 41, artikel 27 en bijlage VI deel C Verordening (EU) 2017/745. Eudamed wordt omschreven in art. 33 (en overweging 44) en bevat ook andere door de Richtlijn opgezette elektronische systemen, zoals dat voor vigilantie en dat voor markttoezicht (zie art. 33 lid 2 Verordening (EU) 2017/745).
Zie art. 88-95 Verordening (EU) 2017/745. Zo wordt er op grond van artikel 95 door de Commissie een elektronisch systeem opgezet en beheerd voor het verzamelen van informatie die voortvloeit uit het markttoezicht van de lidstaten.
De PIP-affaire toonde aan dat het hiervoor beschreven systeem zwakheden vertoont met betrekking tot het toezicht op en controle van medische hulpmiddelen.1 De Franse producent Poly Implant Prothèse bleek in strijd met de door de notified body afgegeven goedkeuring jarenlang industriële in plaats van medische silicone te hebben gebruikt voor de vervaardiging van borstimplantaten, waardoor duizenden vrouwen wereldwijd schade hebben geleden. Zoals hiervoor omschreven, is de conformiteitsprocedure meer een beoordeling van risico’s dan een beoordeling van de hulpmiddelen.2 De producent kan voor de beoordeling van de conformiteit van een hulpmiddel met een hoog risico (klasse III), zoals een borstimplantaat, kiezen voor een beoordeling van zijn kwaliteitssysteem krachtens bijlage II van de Richtlijn. De notified body is daarbij voor een groot deel afhankelijk van de door de producent verstrekte documentatie. Dit, in combinatie met onvoldoende (geharmoniseerd) toezicht op het functioneren van de notified bodies en de veiligheid van de hulpmiddelen op de Europese markt, bood ruimte voor het verhandelen van frauduleus geproduceerde medische hulpmiddelen op de Europese markt.3
Het PIP-schandaal leidde tot een actieplan van de Commissie en de lidstaten dat gericht was op de verbetering van controles op basis van bestaande wetgeving.4 Het plan zag met name op het functioneren van notified bodies, het markttoezicht en het bevorderen van waakzaamheid, communicatie en transparantie.5 Dit leidde onder meer tot een uitvoeringsverordening over de aanwijzing van en het toezicht op notified bodies, een aanbeveling van de Commissie over de audits en beoordelingen die door notified bodies worden uitgevoerd en tot een hulpmiddelenidentificatiesysteem.6 Uit de aanbeveling vloeit bijvoorbeeld het advies voort om (ten minste eenmaal in de drie jaar) onaangekondigde inspectiebezoeken aan de fabrikant te brengen. In de PIP-affaire waren de audits telkens door de notified body aangekondigd,7 hetgeen het ontdekken van fraude van de producent logischerwijs heeft bemoeilijkt. Daar het PIP-actieplan specifiek zag op de onmiddellijke verbetering van problemen die tijdens het PIP-schandaal aan het licht kwamen, werd hiermee over de gehele linie volgens de Commissie slechts beperkte vooruitgang geboekt.8
In 2012 kwam de Commissie met een voorstel voor nieuwe wetgeving inzake medische hulpmiddelen.9 Deze nieuwe wetgeving kwam in de vorm van een Verordening die (onder meer) de Richtlijn inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen en de Richtlijn betreffende medische hulpmiddelen vervangt (hierna: de Verordening).10 Volgens de toelichting bij het voorstel uit 2012 waren er aanzienlijke verschillen in de interpretatie en toepassing van de voorschriften die voortvloeien uit het genoemde regelkader van de Richtlijnen ontstaan.11 Hierdoor zouden de met de Richtlijnen beoogde doelen van veilige hulpmiddelen en vrij verkeer van goederen geschaad worden. Met de invoering van de Verordening wordt beoogd deze situatie te verbeteren, lacunes te ondervangen die in de regelgeving voor bepaalde producten bestaan en de veiligheid van patiënten te vergroten.12
De Verordening is op 5 april 2017 aangenomen en zal vanaf 26 mei 2020 van toepassing zijn.13 De tweede overweging van de Verordening somt de doelstellingen van het nieuwe regelkader op. De eerste doelstelling van de Verordening is het garanderen van het soepel functioneren van de interne markt voor medische hulpmiddelen, uitgaande van een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van patiënten en gebruikers, en rekening houdend met de kleine en middelgrote ondernemingen die in deze sector actief zijn. De tweede doelstelling van de Verordening is het stellen van hoge kwaliteits- en veiligheidseisen aan medische hulpmiddelen, teneinde tegemoet te komen aan gemeenschappelijke veiligheidsbezwaren ten aanzien van dergelijke producten. Om deze doelstellingen te bereiken, is er veel veranderd in vergelijking met het door (onder meer) de Richtlijnen gereguleerde systeem.14 Het strekt te ver om alle veranderingen hier uitgebreid te bespreken; een aantal belangrijke ontwikkelingen worden hier genoemd. Zo heeft de Verordening een breder toepassingsbereik, waardoor bijvoorbeeld ook implantaten zonder medisch, maar met een esthetisch doeleinde onder het regime vallen, en is het toepassingsbereik verduidelijkt, waar de aanzienlijke uitbreiding van het onderdeel met definities een voorbeeld van is.15
Daarnaast moeten notified bodies onder het regime van de Verordening aan strengere vereisten voldoen krachtens bijlage VII. Zo worden er eisen gesteld aan de juridische status, organisatiestructuur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, vertrouwelijkheid, het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering, de financiële middelen, het personeel en de voorzieningen. Ook dient de notified body een kwaliteitsmanagementsysteem te hanteren.16 Daarnaast wordt de aanwijzing van notified bodies aan strengere regels onderworpen en het toezicht op de notified bodies wordt versterkt. In beginsel blijft het de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de notified bodies aan te wijzen. Hiervoor gelden echter strengere criteria.17 Zo zal de aanwijzing van een notified body worden onderworpen aan een gezamenlijke beoordeling van door de lidstaten en Commissie aangewezen deskundigen.18 Na aanwijzing dienen de nationale autoriteiten de notified bodies te monitoren om ervoor te zorgen dat zij blijven voldoen aan de vereisten en verplichtingen van deze Verordening. Hiertoe dienen de nationale autoriteiten ten minste eens per jaar te beoordelen of de op hun grondgebieden gevestigde notified bodies nog steeds aan de vereisten en verplichtingen van bijlage VII voldoen. Deze evaluatie omvat ex artikel 44 lid 4 een audit on-site bij elke aangemelde instantie en, indien nodig, bij haar dochterondernemingen en subcontractanten.
Tegenover de strengere regels die gelden voor de aanwijzing, inkleding en toezicht, staat dat de positie van notified bodies wordt versterkt.19 Zij zullen meer bevoegdheden en verplichtingen verkrijgen in het kader van de conformiteitsbeoordeling. De classificatie van de hulpmiddelen in de vier klassen, zoals eerder omschreven, wordt door de Verordening gehandhaafd, evenals het bijbehorende verschil in procedures ter verkrijging van een CE-markering.20 De procedures ter verkrijging van een CE-markering zijn neergelegd in de bijlagen IX tot en met XI. Een voorbeeld van een toename in verplichtingen is dat de notified body bij de beoordeling van implanteerbare hulpmiddelen van klasse III en actieve hulpmiddelen van klasse IIb die bedoeld zijn voor het toedienen en/of het onttrekken van een geneesmiddel, een door de Commissie aangewezen deskundigenpanel dient te verzoeken de beoordelingsverslagen van klinische evaluaties nauwkeurig te onderzoeken.21
Daarnaast worden er strengere eisen gesteld aan de producent en het klinische bewijsmateriaal wat hij moet overleggen in het kader van de conformiteitsbeoordeling. De producent moet onder meer een kwaliteitsmanagementsysteem en een systeem voor het melden van incidenten en corrigerende acties opzetten,22 en voor elk hulpmiddel een systeem voor post-market surveillance plannen, opzetten, documenteren, toepassen, handhaven en actualiseren.23 Deze documentatie zal tezamen met onder meer de rapportage van incidenten opgenomen worden in een door de Commissie opgezet elektronisch systeem voor vigilantie en post- market surveillance.24 Onderdeel van de post-market surveillance van de producent is onder meer een follow-up op grond waarvan hij proactief klinische gegevens moet ‘verzamelen en evalueren over het gebruik bij mensen van een hulpmiddel waarop de CE-markering is aangebracht (…), teneinde de veiligheid en de prestaties van het hulpmiddel gedurende de verwachte levensduur ervan te bevestigen en de voortdurende aanvaardbaarheid van de vastgestelde risico's te verzekeren, en op basis van feiten opkomende risico's op te sporen’.25 Ook moet de producent een persoon binnen zijn organisatie aanwijzen die verantwoordelijk is voor de naleving van de regelgeving en die de nodige expertise op het gebied van medische hulpmiddelen bezit.26
In het kader van de conformiteitsbeoordeling dient de producent krachtens artikel 61 door middel van klinisch bewijs te bevestigen dat wordt voldaan aan de toepasselijke algemene veiligheids- en prestatie-eisen van bijlage I.27 Evenals in de Richtlijn medische hulpmiddelen, ziet bijlage I van de Verordening op de essentiële vereisten waaraan medische hulpmiddelen moeten voldoen, alleen is de aanduiding veranderd in ‘algemene veiligheids- en prestatie-eisen’.28
Andere belangrijke ontwikkelingen zijn dat er in het kader van de geharmoniseerde interpretatie en toepassing van de Verordening bij verschillende artikelen een belangrijke rol is weggelegd voor een coördinatiegroep voor medische hulpmiddelen (MDCG),29 dat hulpmiddelen beter traceerbaar worden (het UDI-systeem) en met bijbehorende informatie in een uitgebreide, openbare Europese databank opgenomen worden (Eudamed),30 en dat het markttoezicht door de lidstaten versterkt wordt en het toezicht tussen de lidstaten beter gecoördineerd wordt.31