HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1110, r.o. 2.3.
HR, 28-01-2025, nr. 22/04534
ECLI:NL:HR:2025:108
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2025
- Zaaknummer
22/04534
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:108, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1240
ECLI:NL:PHR:2024:1240, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:108
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0036
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklachten. Kan uit brieven van CBR, waarin betaling van kosten voor cursus over verantwoord rijgedrag wordt bevestigd, worden afgeleid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte is bekendgemaakt en dat verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Uit bewijsvoering blijkt niet of en, zo ja, wanneer en op welke wijze besluit dat als bewijsmiddel is gebruikt, aan verdachte bekend is gemaakt. Ook uit omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan bewezenverklaarde pleegdatum de kosten van cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, kan niet zonder meer volgen dat die bekendmaking heeft plaatsgevonden. Hof heeft immers niet vastgesteld dat deze betaling uitsluitend verband kan houden met informatie in bijlage die bij besluit tot ongeldigverklaring was gevoegd, zodat uit enkele ontvangst van betaling niet kan worden afgeleid dat dit besluit aan verdachte is bekendgemaakt. Ook ‘s hofs oordeel dat verdachte op 28-7-2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is ontoereikend gemotiveerd. Dat verdachte dit redelijkerwijs moest weten, kan (gelet op wat hiervoor is overwogen) evenmin worden afgeleid uit omstandigheid dat verdachte op 7-6-2019 kosten van cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, terwijl ook overige in bewijsvoering genoemde feiten en omstandigheden voor dat oordeel niet voldoende zijn. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04534
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 november 2022, nummer 22-001044-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Moghni, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs is bekendgemaakt aan de verdachte en dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan en met aanvulling van de bewijsmotivering van de politierechter. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 juli 2019 te ’s-Gravenhage terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Prinsengracht, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd”.
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van artikel 9 Wegenverkeerswet 1994, d.d. 28 juli 2019, nr. PL1500-2019210160, van de politie eenheid Den Haag, voor zover inhoudende:
Datum feit: 28 juli 2019Weg/locatie: PrinsengrachtPlaats: Den HaagNaam: [verdachte]Voorna(a)m(en): [...]Geboren op: [geboortedatum]1984 te [geboorteplaats]Woonadres(NL): [a-straat 1]Postcode: [...]Woonplaats: [plaats]
Ik, bovengenoemde verbalisant, zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie.
Ongeldig verklaard rijbewijsNa onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
De verdachte is eerder aangehouden voor artikel 9 wegenverkeerswet 1994. De verdachte reed toen in hetzelfde voertuig. Het voertuig staat op naam van de broer van de verdachte. Echter is de verdachte de regelmatige bestuurder van dit voertuig. De broer van de verdachte is destijds verteld dat de verdachte niet mocht rijden.
Wij zagen dat de verdachte in genoemd voertuig reed. Het was ons ambtshalve bekend dat de verdachte zonder geldig rijbewijs reed. Derhalve is de verdachte een stopteken gegeven.
2. Een RDW-uitdraai d.d. 28 juli 2019, inhoudende:
NL-RDWVolgnummer: 3Soort: VorderingsprocedureAutoriteit: Cbr Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)Registratie: 15-05-2019
VORDERINGCBR dossiernummer: [...]Ingang ongeldigverklaring: 15-05-2019Reden ongeldigverklaring: RijvaardigheidFeitelijke inleverdatum ongeldig: 04-06-2019
CATEGORIEËNCategorie: BPeriode vanaf: 22-05-2019Soort: Ongeldigheid
3. Het geschrift, te weten het besluit van het CBR van 15 mei 2019 waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte per 22 mei 2019 ongeldig is verklaard. In de bijlage bij dit besluit staat - kort gezegd - vermeld: Hoe krijgt u een nieuw rijbewijs? Aanmelding voor cursus, gevolgd door betaling cursuskosten en oproep voor cursus.
4. Het geschrift, te weten de brief van het CBR met onderwerp: Ontvangstbevestiging kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag, d.d. 7 juni 2019 en 6 augustus 2019, voor zover inhoudende:
“We hebben uw betaling ontvangen. Het gaat om de kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag.”
2.2.3
In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring overwogen:
“De politierechter is van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft twee keer een bevestiging van betaling van de cursus gekregen, namelijk op 7 juni 2019 en op 6 augustus 2019. Een cursus wordt doorgaans betaald om van het ongeldig verklaarde rijbewijs af te kunnen komen. In een brief van 6 juni 2019 wordt aangegeven dat verdachte zich voor de cursus wil aanmelden maar dat eerst de kosten voor de cursus betaald moeten worden. Op 18 juli 2019 is een brief verzonden waarin staat dat het rijbewijs ongeldig blijft (vanwege niet meewerken aan de cursus na oproep daarvoor) en op 2 augustus 2019 is een brief verzonden waarin de verdachte weer wordt aangemeld voor de cursus. De verdachte heeft twee keer betaald en hij had daarom redelijkerwijs moeten weten dat dit was om zijn rijbewijs terug te krijgen, zoals in de bijlage bij het besluit ongeldigheid staat vermeld. De politierechter is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.”
2.2.4
Het hof heeft verder overwogen:
“Aan de door de politierechter gebezigde bewijsoverweging voegt het hof toe dat met name uit de genoemde ontvangstbevestigingen kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag van 7 juni respectievelijk 6 augustus 2019 blijkt dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs op 28 juli 2019 ongeldig was verklaard.”
2.3
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 4 (oud) en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de derde categorie.Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
2.4.1
Het hof heeft de bewezenverklaring aangenomen op grond van onder meer het besluit van het CBR van 15 mei 2019 waarin het rijbewijs van de verdachte per 22 mei 2019 ongeldig is verklaard, waarbij in de bijlage bij dat besluit één en ander is vermeld over het verkrijgen van een nieuw rijbewijs en het betalen van cursuskosten (bewijsmiddel 3) en brieven van het CBR van 7 juni 2019 en 6 augustus 2019 waarin de betaling van de kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag wordt bevestigd (bewijsmiddel 4). Het hof heeft met name die ontvangstbevestigingen van belang geacht voor zijn oordeel dat de verdachte op 28 juli 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.4.2
Uit de bewijsvoering blijkt niet of en, zo ja, wanneer en op welke wijze het besluit dat als bewijsmiddel 3 is gebruikt, aan de verdachte bekend is gemaakt. Ook uit de omstandigheid dat de verdachte op 7 juni 2019 – en dus voorafgaand aan de bewezenverklaarde pleegdatum van 28 juli 2019 – de kosten van de cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, kan niet zonder meer volgen dat die bekendmaking heeft plaatsgevonden. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat deze betaling uitsluitend verband kan houden met de informatie in de bijlage die bij het besluit tot ongeldigverklaring was gevoegd, zodat uit de enkele ontvangst van de betaling niet kan worden afgeleid dat dit besluit aan de verdachte is bekendgemaakt.
2.4.3
Ook het oordeel van het hof dat de verdachte op 28 juli 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte dit redelijkerwijs moest weten, kan – gelet op wat daarover onder 2.4.2 is overwogen – evenmin worden afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte op 7 juni 2019 de kosten van de cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, terwijl ook de overige in de bewijsvoering genoemde feiten en omstandigheden voor dat oordeel niet voldoende zijn.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard. Art. 9.2 WVW 1994. Slagende bewijsklacht over bekendmaking besluit tot ongeldigverklaring. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04534
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 november 2022 het vonnis van beroep, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “overtreding van art. 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, bevestigd met uitzondering van de straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Namens de verdachte heeft R. Moghni, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan hem is bekendgemaakt.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 28 juli 2019 te ’s-Gravenhage terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Prinsengracht, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd”
2.3
De door het hof overgenomen bewijsmiddelen uit het vonnis in eerste aanleg houden het volgende in:
“- Het proces-verbaal van artikel 9 Wegenverkeerswet 1994, d.d. 28 juli 2019, nr. PL1500-2019210160, van de politie eenheid Den Haag, voor zover inhoudende:
Datum feit: 28 juli 2019
Weg/locatie: Prinsengracht
Plaats: Den Haag
Naam : [verdachte]
Voorna(a)m(en) : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]
Woonadres(NL) : [a-straat 1]
Postcode : [postcode] Woonplaats: [plaats]
Ik, bovengenoemde verbalisant, zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op genoemde weg/locatie.
Ongeldig verklaard rijbewijs
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn/haar naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
De verdachte is eerder aangehouden voor artikel 9 wegenverkeerswet 1994. De verdachte reed toen in het zelfde voertuig. Het voertuig staat op naam van de broer van de verdachte. Echter is de verdachte de regelmatige bestuurder van dit voertuig. De broer van de verdachte is destijds verteld dat de verdachte niet mocht rilden.
Wij zagen dat de verdachte in genoemd voertuig reed. Het was ons ambtshalve bekend dat de verdachte zonder geldig rijbewijs reed. Derhalve de verdachte een stopteken gegeven.
- een RDW-uitdraai d.d. 28 juli 2019, inhoudende:
NL-RDW
Volgnummer 3
Soort: Vorderingsprocedure
Autoriteit: Cbr Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)
Registratie: 15-05-2019
VORDERING
CBR dossiernummer [nummer]
Ingang ongeldigverklaring 15-05-2019
Reden ongeldigverklaring Rijvaardigheid
Feitelijke inleverdatum ongeldig: 04-06-2019
CATEGORIEËN
Categorie: B
Periode vanaf 22-05-2019
Soort: Ongeldigheid
- Het geschrift, te weten het besluit van het CBR van 15 mei 2019 waaruit blijkt dat het rijbewijs van verdachte per 22 mei 2019 ongeldig is verklaard. In de bijlage bij dit besluit staat -kortgezegd- vermeld: Hoe krijgt u een nieuw rijbewijs? Aanmelding voor cursus, gevolgd door betaling cursuskosten en oproep voor cursus.
- Het geschrift, te weten de brief van het CBR met onderwerp: Ontvangstbevestiging kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag, d.d. 7 juni 2019 en 6 augustus 2019, voor zover inhoudende:
“We hebben uw betaling ontvangen. Het gaat om de kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag.””
2.4
Het hof heeft de volgende bewijsoverweging van de rechtbank bevestigd:
“De politierechter is van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft twee keer een bevestiging van betaling van de cursus gekregen, namelijk op 7 juni 2019 en op 6 augustus 2019. Een cursus wordt doorgaans betaald om van het ongeldig verklaarde rijbewijs af te kunnen komen. In een brief van 6 juni 2019 wordt aangegeven dat verdachte zich voor de cursus wilt aanmelden maar dat eerst de kosten voor de cursus betaald moeten worden. Op 18 juli 2019 is een brief verzonden waarin staat dat het rijbewijs ongeldig blijft (vanwege niet meewerken aan de cursus na oproep daarvoor) en op 2 augustus 2019 is een brief verzonden waarin de verdachte weer wordt aangemeld voor de cursus. De verdachte heeft twee keer betaald en hij had daarom redelijkerwijs moeten weten dat dit was om zijn rijbewijs terug te krijgen, zoals in de bijlage bij het besluit ongeldigheid staat vermeld. De politierechter is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.”
2.5
Uit de aantekening mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 november 2022 blijkt dat het hof verder het volgende heeft overwogen:
“Aan de door de politierechter gebezigde bewijsoverweging voegt het hof toe dat met name uit de genoemde ontvangstbevestigingen kosten voor de cursus over verantwoord rijgedrag van 7 juni respectievelijk 6 augustus 2019 blijkt dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs op 28 juli 2019 ongeldig was verklaard.”
2.6
De bewezenverklaring is gebaseerd op art. 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994, dat luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
2.7
Over het bewijs van overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 heeft de Hoge Raad – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.”1.
2.8
De steller van het middel voert onder meer aan dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt.
2.9
Uit de brief van het CBR aan de verdachte van 15 mei 2019 blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard. In de bijlage van deze brief staat dat de verdachte een nieuw rijbewijs kan krijgen door te betalen voor en deel te nemen aan een cursus over verantwoord rijgedrag. Het hof heeft op basis van de brief van 7 juni 2019, inhoudende een ontvangstbevestiging van de kosten voor de cursus, vastgesteld dat de verdachte voor de cursus heeft betaald. Kennelijk is het hof van oordeel dat uit het feit dat de verdachte voor de cursus heeft betaald, volgt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geraakt van het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
2.10
Het hof heeft de hierboven weergegeven brief van het CBR aan de verdachte van 15 mei 2019 voor het bewijs gebruikt. In deze brief is het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte weergegeven. De bewijsmiddelen bevatten echter geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze die brief daadwerkelijk aan de verdachte is verzonden.2.De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft betaald voor een cursus over onverantwoord rijgedrag lijkt mij onvoldoende voor het oordeel dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte is bekendgemaakt. Daaruit volgt immers niet zonder meer dat die cursus gevolgd zou worden juist omdat de verdachte het besluit tot ongeldigverklaring heeft ontvangen. Nu niet blijkt dat het besluit aan de verdachte is bekendgemaakt, betekent dit dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.3.Dat maakt dat het restant van het middel niet hoeft te worden besproken. Indien de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, ben ik graag bereid nader te concluderen.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8.6.
Vgl. mijn conclusie van 24 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:904, onder 10 en het daaropvolgende arrest HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1575, r.o. 2.2. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 21 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:512, onder 14 en het daaropvolgende arrest HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1110, r.o. 2.4.