RvdW 2025/247:Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9 lid 2 WVW 1994. Bewijsklachten. Kan uit brieven van CBR, waarin betaling van kosten voor cursus over verantwoord rijgedrag wordt bevestigd, worden afgeleid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte is bekendgemaakt en dat verdachte ‘redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 9 juli 2019, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga, m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9 lid 2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Uit bewijsvoering blijkt niet of en, zo ja, wanneer en op welke wijze besluit dat als bewijsmiddel is gebruikt, aan verdachte bekend is gemaakt. Ook uit omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan bewezenverklaarde pleegdatum de kosten van cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, kan niet zonder meer volgen dat die bekendmaking heeft plaatsgevonden. Hof heeft immers niet vastgesteld dat deze betaling uitsluitend verband kan houden met informatie in bijlage die bij besluit tot ongeldigverklaring was gevoegd, zodat uit enkele ontvangst van betaling niet kan worden afgeleid dat dit besluit aan verdachte is bekendgemaakt. Ook ’s hofs oordeel dat verdachte op 28 juli 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is ontoereikend gemotiveerd. Dat verdachte dit redelijkerwijs moest weten, kan (gelet op wat hiervoor is overwogen) evenmin worden afgeleid uit omstandigheid dat verdachte op 7 juni 2019 kosten van cursus over verantwoord rijgedrag heeft voldaan, terwijl ook overige in bewijsvoering genoemde feiten en omstandigheden voor dat oordeel niet voldoende zijn. Volgt vernietiging en terugwijzing.