De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.1:21.3.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.3.1
21.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366537:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens art 3:310 lid 1 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (de absolute verjaringstermijn). Voor schade die het gevolg is van verontreiniging van lucht, water of bodem, of van, kort gezegd, gevaarlijke stoffen (art. 6:175 BW) is de termijn dertig jaar (zie art. 3:310 lid 2 BW). De bestaansreden van de absolute termijn is dat als de wetgever had volstaan met de relatieve termijn van vijf jaar, het mogelijk was geweest dat een vordering nooit verjaarde. Het kan immers heel goed zijn dat de benadeelde nooit of pas na zeer lange tijd de kennis krijgt die de relatieve termijn doet aanvangen. Een wezenskenmerk van de absolute termijn is dat de rechtsvordering verjaart, nog voordat de benadeelde haar heeft kunnen instellen.
Immers, in geval van verjaring krachtens de absolute termijn is de benadeelde ofwel onbekend met zijn schade, ofwel onbekend met de aansprakelijke persoon, ofwel onbekend met beide; zou dat anders zijn, dan was de subjectieve verjaringstermijn gaan lopen. Die onbekendheid maakt het hem onmogelijk zijn vordering in te stellen: men kan nu eenmaal geen vordering instellen voordat men bekend is met én zijn schade én de aansprakelijke persoon (de enige uitzondering doet zich voor als de relatieve termijn zou gaan lopen, korter dan vijf jaar voordat de lange termijn afloopt; in dat uitzonderlijke geval verjaart de vordering wel krachtens de lange termijn terwijl de benadeelde in staat was zijn vordering geldend te maken).1
Dat de absolute termijn vorderingen doet verjaren die de benadeelde niet heeft kunnen instellen, doet de vraag naar zijn rechtvaardiging rijzen.
Traditioneel wordt in dit verband "de rechtszekerheid" genoemd. De rechtszekerheid wordt dan meestal opgevat als algemeen belang, maar welbeschouwd heeft zij begrepen als individueel belang een veel groter gewicht. Voorts lijkt een ander perspectief minstens zo belangrijk te zijn, namelijk het feit dat na twintig of dertig jaar in het merendeel der gevallen eenvoudig niet meer te achterhalen zal zijn of de vordering gegrond is, zodat reeds om die reden een juridisch debat niet meer gevoerd moet worden. Bovendien komt in zaken waarin geen sprake is van "sluipende schade" of voortdurende schade, belangrijke betekenis toe aan de eenvoudige gedachte dat de tijd alle wonden heelt. Deze opvatting werd eerder in dit boek onderbouwd.2