Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/1088
Medeplegen opruiing door via social media uitnodigingen te versturen voor (gelet op toen geldende restricties wegens gevolgen van corona-pandemie) illegaal feest (art. 131 lid 1 Sr). Heeft verdachte in het openbaar opgeruid tot enig strafbaar feit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 december 2020, NJ 2021/23 en HR 24 maart 2020, NJ 2020/240, m.nt. N. Keijzer, m.b.t. beoordeling of uitingen aansporen tot enig strafbaar feit. Onder ‘in het openbaar’ opruien a.b.i. art. 131 lid 1 Sr moet worden verstaan dat opruiende uitingen zijn gedaan onder zodanige omstandigheden en op zo’n manier dat zij door publiek kunnen worden vernomen. Niet is vereist dat opruiende uitingen zijn gedaan op openbare plaats (vgl. HR 22 mei 1939, NJ 1939/861, m.nt. B.M. Taverne). Overwegingen van hof houden o.m. in dat in de nacht van 24 en 25 oktober 2020 dansfeest plaatsvond. Toen geldende restricties wegens gevolgen van corona-pandemie brachten o.m. met zich dat (laten) organiseren, laten plaatsvinden en deelnemen aan zo’n evenement strafbaar feit opleverde. Verdachte en zijn mededader(s) hebben op 24 oktober 2020 op een (voor een ieder toegankelijk) Instagramaccount dat bedoeld was voor ondergrondse raves in buurt van Amsterdam en dat op dat moment ‘enkele duizenden volgers’ had, bericht geplaatst waarin volgers van dat account eraan werden herinnerd tussen 14 uur en 19 uur een privébericht te sturen naar Instagramaccount. Personen die zich hadden aangemeld voor feest ontvingen privébericht met daarin bevestiging en locatie van feest. Op vertoon van deze bevestiging kreeg men vervolgens toegang tot feest. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte betrokken was bij organiseren van illegaal feest en verdachte door plaatsen en delen van bericht op social media met instructies hoe men zich kon aanmelden en aanwezig kon zijn bij dit feest, heeft aangespoord en dus ‘opgeruid’ tot enig strafbaar feit a.b.i. art. 131 lid 1 Sr, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Dat geldt ook voor oordeel van hof dat verdachte ‘in het openbaar’ heeft opgeruid. Uit vaststellingen van hof volgt immers dat verdachte zich heeft bediend van en zijn bericht heeft geplaatst op ‘voor een ieder toegankelijk’ Instagramaccount dat op dat moment ‘enkele duizenden volgers’ had. Hof kon o.b.v. deze vaststellingen oordelen dat uiting van verdachte op zodanige wijze is gedaan dat deze door publiek kon worden vernomen. Volgt verwerping. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (onjuiste betekeningsdatum in mededeling betekening van aanzegging aan raadsman).
HR 30-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1433
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 september 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/03854
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Informatierecht / ICT-recht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1433, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:681, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑06‑2025
Essentie
Medeplegen opruiing door via social media uitnodigingen te versturen voor (gelet op toen geldende restricties wegens gevolgen van corona-pandemie) illegaal feest (art. 131 lid 1 Sr). Heeft verdachte in het openbaar opgeruid tot enig strafbaar feit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 december 2020, NJ 2021/23 en HR 24 maart 2020, NJ 2020/240, m.nt. N. Keijzer, m.b.t. beoordeling of uitingen aansporen tot enig strafbaar feit. Onder ‘in het openbaar’ opruien a.b.i. art. 131 lid 1 Sr moet worden verstaan dat opruiende uitingen zijn gedaan onder zodanige omstandigheden en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.