Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/61.5.2
61.5.2 Onrechtmatig verkregen bewijs
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.H.A. van der Grinten, mr. J. Wijmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. ABRvS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7701; ABRvS 3 oktober 1997, ECLI:NL:RVS:1997:ZF3015; ABRvS 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4078, m.nt. Jansen; ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1163, m.nt. Jansen; CRvB 22 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3220; CRvB 13 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7462 en CRvB 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9361, AB 2014/12, m.nt. Schneider.
ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115.
Zie bijv. CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:947, AB 2016/329, m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en CRvB 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3479, AB 2017/47, m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik.
CRvB 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, CRvB 15 januari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:1.
Als toezichthandelingen onrechtmatig hebben plaatsgevonden betekent dat niet direct dat het daaruit voortgekomen bewijs moet worden uitgesloten. Bij de vraag of onrechtmatig verkregen bewijs moet worden uitgesloten, wordt het zogenoemde ‘zozeer indruist’-criterium gehanteerd. Volgens dat criterium moet het onrechtmatig verkregen bewijs worden uitgesloten wanneer dat bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is.1
In gevallen waarin een fundamenteel recht is geschonden, kwalificeert de bestuursrechter het verkregen materiaal doorgaans als bewijs dat ‘is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht' dat dit onder alle omstandigheden moet worden uitgesloten.’ Dat is bijvoorbeeld het geval bij schending van het huisrecht (8 EVRM) of in verband met het zwijgrecht (6 EVRM), wanneer de cautie ten onrechte achterwege is gelaten. In een recente uitspraak bevestigde de Afdeling nog eens dat wanneer ten onrechte geen cautie is gegeven, de verklaring van de betrokkene (in de regel) niet mag worden gebruikt als bewijs voor feiten die aan een bestraffende sanctie ten grondslag zijn gelegd. Hetzelfde geldt voor verklaringen die onder dwang zijn afgelegd, bijvoorbeeld omdat de betrokkene op grond van artikel 5:20 Awb gehouden was een verklaring af te leggen.2 Het uitsluiten van bewijs door de bestuursrechter zien we voorts terug bij de eerder aan de orde gekomen moderne toezichtsinstrumenten als de camera en het peilbaken, nu daarvoor vooralsnog geen toereikende wettelijke grondslag bestaat.3 Tot slot wijzen we hier nog op bewijs dat voorkomt uit onderzoek door een onbevoegde controleur of een niet aangewezen toezichthouder. Ook in dergelijke gevallen wordt het bewijs uitgesloten.4