Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.2.2
5.2.2 Schematisch overzicht
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250331:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Honée 1971, p. 202, Jansz 1973, p. 36, Van Achterberg 1989, p. 222, Winter 1989, p. 288, Winter 1992, p. 25, Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 853, Franken & Franken 2008, p. 72, Biemans 2011, p. 308 en Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 613. Zie ook Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050 (Phillips/Van Eijk).
Tuit 1985, p. 195, Bartman 1986, p. 106 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 223.
Lubbers & Scholten 1971, p. 68, Goudsmit 1973, p. 332-333, Raaijmakers 1976, p. 287-288, Beckman 1987, p. 533-535, Beckman 1995a, p. 545, Beckman 1996, p. 255, Asser/Maeijer 2-III 2000/439, Harmsma 2001, p. 113, Winkel 2004, p. 188, M.A.J.G. Janssen 2005, p. 121, Slagter 2005, p. 538, Ten Voorde 2006, p. 115, Ramanna 2008, p. 18, Beckman 2011, p. 252-253, Van der Kraan 2012, p. 47, Van der Heijden/Van der Grinten & Dortmond 2013/324.3, Assink/Slagter 2013/140.3, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583, Van Schilfgaarde/ Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 376, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:403 BW, aant. C.5.3, Van Zoest 2019, p. 24, Huizink 2019, p. 329, E.C.A. Nass 2019, p. 203, Beckman – Compendium jaarrekening, § 3.8.4.8, Van der Kraan in zijn annotaties onder Hof ’s-Hertogenbosch 29 augustus 2017, JIN 2018/7 (Doorwin) en Hof Amsterdam 22 oktober 2019, JIN 2019/179 (Maison Zen beheer/Pauw), en Van Dooren in zijn annotatie onder Hof Den Haag 25 juni 2019, JOR 2020/56 (ZOM). Zie ook Hof Amsterdam 26 juli 2001, JOR 2004/94, m.nt. Bartman (Hemony/Van der Woude), r.o. 4.9, Rb. Arnhem 10 oktober 2002, JOR 2003/31, m.nt. Bartman (Resila/Spectro), r.o. 3.8-3.9, Rb. Roermond 25 oktober 2006, JOR 2006/289, m.nt. Bartman (Oud papiercentrale/Inalfa), r.o. 4.5, Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2009, JOR 2009/160, m.nt. Bartman (Inalfa), r.o. 4.3.3, Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2009, JOR 2009/279, m.nt. Bartman (Oud papiercentrale/Inalfa), r.o. 4.7 en Hof Amsterdam (OK) 23 juli 2014, JOR 2014/233, m.nt. Bartman (Van Lieshout/Koks), r.o. 3.5.
Koning 1991, p. 30-31, Niels 2010, p. 34, Zwemmer 2011, p. 228-229 en Zwemmer 2012, p. 234. Vgl. Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53, m.nt. Bartman (Tevema), r.o. 3.5, waar de rechtbank oordeelt dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden die zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voor zover deze schulden zijn ontstaan door een gedragingen – een handelen of een nalaten – nadat de 403-verklaring is gedeponeerd.
Gülcher 1989a, p. 165 en Gülcher 1989b, p. 290. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 29 augustus 2017, JOR 2017/318, m.nt. Van Zoest (Doorwin), r.o. 3.5.8, ook gepubliceerd in JIN 2018/7, m.nt. Van der Kraan. Overigens merk ik op dat het hof niet refereert aan het moment dat de schuld opeisbaar is geworden, maar aan het moment dat de schuld is ontstaan. Hoewel dit in casu niet speelde, kunnen beide momenten verschillen.
In afbeelding 5.1 heb ik de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid weergegeven volgens de drie standpunten waarbij wordt aangesloten bij het moment dat de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid. De horizontale pijlen geven de periode weer waarop de 403-aansprakelijkheid betrekking heeft. De moedermaatschappij is aansprakelijk voor alle schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij in die periode heeft verricht.
De moedermaatschappij is aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.1
De moedermaatschappij is aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf de eerste dag van het boekjaar waarover de 403-maatschappij een jaarrekening opmaakt waarbij zij (voor het eerst) gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling.2
De moedermaatschappij is aansprakelijk voor alle schulden die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht.3
In afbeelding 5.2 geef ik de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid weer volgens de twee standpunten waarbij het moment dat een schuld van de 403-maatschappij opeisbaar is geworden, bepalend is. De moedermaatschappij is aansprakelijk voor de schulden (die voortvloeien uit een rechtshandeling) van de 403-maatschappij die opeisbaar zijn geworden in de periode waarop de 403-aansprakelijkheid volgens het desbetreffende standpunt betrekking heeft. Op welk moment de 403-maatschappij de rechtshandeling heeft verricht waaruit de schuld is voortgevloeid, maakt niet uit. Dit kan dus ook zijn voordat de moedermaatschappij de 403-verklaring heeft gedeponeerd. Van belang is slechts dat de schuld opeisbaar is geworden in de desbetreffende periode. Om het onderscheid met de drie eerdergenoemde standpunten ten aanzien van de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid – waarbij wordt aangesloten bij het moment dat de rechtshandeling is verricht waaruit de schuld is voortgevloeid – weer te geven, heb ik de periode waarop de twee onderhavige standpunten betrekking hebben met een stippellijn weergegeven.
De moedermaatschappij is aansprakelijk voor de schulden (die voortvloeien uit een rechtshandeling) van de 403-maatschappij die opeisbaar zijn geworden vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.4
De moedermaatschappij is aansprakelijk voor de schulden (die voortvloeien uit een rechtshandeling) van de 403-maatschappij die opeisbaar zijn geworden vanaf de eerste dag van het boekjaar waarover de 403-maatschappij een jaarrekening opmaakt waarbij zij (voor het eerst) gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling.5