Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.4.4:1.4.4 Niet-gebruik voor belaste prestaties onder Europees en Nederlands recht
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.4.4
1.4.4 Niet-gebruik voor belaste prestaties onder Europees en Nederlands recht
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS300769:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat ik de vraagstelling in een historisch perspectief heb geplaatst en het begrip ‘niet-gebruik’ heb afgebakend kom ik in de hoofdstukken 4 en 5 toe aan de beantwoording van de vraagstelling op basis van een onderzoek naar positief Europees en Nederlands recht.
In hoofdstuk 4 bespreek ik de ontwikkelingen in de Europese regelgeving en jurisprudentie, vanaf 1968 tot het afsluiten van dit onderzoek, met betrekking tot het aftrekrecht in relatie tot de belastingplicht, bij niet-gebruik van goederen en diensten en bij gebruik van goederen en diensten voor handelingen die buiten het toepassingsbereik van de btw vallen. In dit hoofdstuk behandel ik ook de Europese jurisprudentie inzake de fictieve heffingen van de art. 16 en 26, btw-richtlijn (voorheen de art. 5, lid 6, en 6, lid 2, Zesde richtlijn). Bij deze fictieve heffingen gaat het immers in materiële zin om aftrekbeperkingen bij gebruik van goederen en diensten zonder dat daar een vergoeding tegenover staat (gebruik voor privédoeleinden door de ondernemer zelf, zijn personeel, of derden).
Na alle relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie EU besproken te hebben, sluit ik hoofdstuk 4 af met een onderzoek naar de rechtsbeginselen waardoor het Hof van Justitie EU zich in zijn beslissingen laat leiden. Het is van belang deze beginselen helder op het netvlies te hebben omdat zij met het positieve Europees recht en de wezenlijke kenmerken van het btw-stelsel, het toetsingskader vormen voor de in hoofdstuk 5 te bespreken nieuwe Nederlandse regelgeving.
In hoofdstuk 5 richt ik me op de vraag hoe het aftrekrecht zich heeft ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad in de periode 1968 t/m 2006, een en ander in het perspectief van de in de voorafgaande hoofdstukken beschreven bevindingen. In de afgelopen decennia heeft de Nederlandse rechter in verschillende gevallen aftrekrecht toegekend waarin onder art. 15 (nieuw) betwijfeld kan worden of dat aftrekrecht nog steeds zal bestaan. Ook zijn er gevallen denkbaar waarin onder art. 15 (nieuw) het aftrekrecht niet meer vanzelfsprekend zal zijn, ofschoon onder art. 15 (oud) de mening van de rechter nooit is gevraagd omdat het aftrekrecht vanzelfsprekend werd geacht. Met betrekking tot een aantal van dergelijke gevallen, die ik hiervoor heb genoemd in onderdeel 1.3.3, zal ik bespreken hoe het aftrekrecht was onder art. 15 (oud) en hoe het naar mijn mening zal zijn onder art. 15 (nieuw). Ik zal dat doen binnen het toetsingskader dat wordt gevormd door het positieve Europese recht, de door het Hof van Justitie EU gehanteerde rechtsbeginselen en de wezenlijke kenmerken van het btw-stelsel. Hierbij betrek ik ook de vanaf 1 januari 2007 in Nederland geïntroduceerde fictieve heffingen (art. 3, lid 3, letter a, en art. 4, lid 2, wet). Materieel is het doel van deze fictieve heffingen immers het corrigeren van eerder genoten aftrek.