Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.3.5
2.3.5 Erkenning in de rechtspraak: toekomstige vorderingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471931:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II). Zie nr. 210 voor een verkorte weergave van de casus en de belangrijkste rechtsoverwegingen. Zie ook HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).
Vgl. Kleijn, noot bij HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265 (Solleveld II). Kleijn noemt als alternatieve reden de weerstand in de literatuur tegen de eis dat de vordering moet bestaan.
Het vereiste van voldoende bepaaldheid heeft naar huidig recht een andere invulling, ook wat betreft toekomstige vorderingen. Zie nr. 138-143.
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).
Kortmann & Faber 2-III, p. 81-82. Het wetsontwerp werd op 20 januari 1981 aangeboden aan de Tweede Kamer. Zie ook reeds het mondeling overleg uit 1976, Parl. Gesch. Boek 3, p. 752. Zie ook Suijling II-2 1936/491, in vergelijkbare zin als thans art. 35 lid 2 Fw. Vgl. Rongen 2012/861, die aanneemt dat de positie van de cessionaris is verzwakt ten opzichte van de Fijn van Draat-leer.
HR 15 maart 1940, NJ 1940/848, m.nt. E.M. Meijers (De Boer/Haskerveenpolder).
HR 30 januari 1987, NJ 1987/530, m.nt. W.C.L. van der Grinten (WUH/Emmerig q.q.).
Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 3-I 1985/329 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1337. Zie bijvoorbeeld ook Köster 1964/73. Vgl. Van Creveld 1953, p. 79-81, die al het voorbeeld noemt van periodieke cessie van huurvorderingen uit nieuwe contracten, gecombineerd met een volmacht aan de kredietgever om eigenhandig de cessieakte op te maken.
28. Te midden van de opkomst van de zekerheidsoverdracht van toekomstige zaken en de uitgangspunten van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, vormde de principiële afwijzing door de Hoge Raad van de levering van toekomstige vorderingen (en andere rechten op naam) een dissonant. De ommekeer volgde in 1980. In dat jaar wees de Hoge Raad het Solleveld II-arrest. In dit arrest kwam de Hoge Raad terug op zijn eerdere jurisprudentie inzake de cessie van toekomstige vorderingen. Een dergelijke cessie werd niet langer voor logisch onmogelijk gehouden. De cessie van toekomstige vorderingen werd daarmee mogelijk. Hiervoor was vereist dat de vordering ten tijde van de cessie ook naar haar inhoud in voldoende mate door de akte van cessie werd bepaald. Ten aanzien van toekomstige vorderingen bracht deze bepaaldheidseis mee dat de vordering een onmiddellijke grondslag moest hebben in een reeds bestaande rechtsverhouding.1
Het arrest vormde een fundamentele wijziging ten aanzien van de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen. De Hoge Raad anticipeerde niet uitdrukkelijk op het – kort daarvoor vastgestelde – art. 3:97 BW omtrent de levering van toekomstige goederen, maar het ligt in de
rede dat hij bij deze regeling heeft willen aansluiten.2
De fundamentele ommezwaai was echter vooral van theoretisch belang. Praktisch leidde deze ‘paradigmaverschuiving’ niet tot een ander resultaat. Het bestaan van een onmiddellijke grondslag vormde sinds het arrest Fijn van Draat een uitwerking van het vereiste dat de vordering moest bestaan. In het arrest Solleveld keerde deze eis van een onmiddellijke grondslag terug als element ter invulling van het vereiste van voldoende bepaaldheid.3 De mate waarin cessie van “toekomstige” vorderingen mogelijk was, werd dus niet verruimd.
29. Dat een cessie van toekomstige vorderingen mogelijk was, betekende nog niet dat zij was bestand tegen een tussentijds faillissement van de cedent. In het arrest SOS/ABN oordeelde de Hoge Raad dat indien de cedent voor het ontstaan van de vordering failliet wordt verklaard en aldus krachtens art. 23 Fw op het tijdstip van dat ontstaan zijn bevoegdheid om over zijn vermogen te beschikken reeds heeft verloren, de cessie niet tegen de boedel kan worden ingeroepen.4 De cessie van toekomstige vordering kon wat haar rechtsgevolgen betreft niet op één lijn worden gesteld met de cessie van een bestaande vordering. De uitkomst van het arrest sloot aan bij het kort daarvoor gepresenteerde ontwerp voor een nieuw art. 35 Fw in het kader van de invoeringswet voor de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek.5
Uit het arrest SOS/ABN volgde tevens dat de “bestaansfictie” uit het arrest Fijn van Draat niet langer opgeld deed. Een vordering kon niet geacht worden te zijn ontstaan met het ontstaan van de onderliggende rechtsverhouding op de enkele grond dat zij daarin haar onmiddellijke grondslag had. Het arrest vormde het startpunt in een reeks van uitspraken over het ontstaansmoment van vorderingen. Het bestaan van niet-opeisbare vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen – en daarmee de bestendigheid van een cessie van deze vorderingen tegen een tussentijds faillissement – werd in deze rechtspraak veel minder snel aangenomen dan voorheen. Exemplarisch is de rechtspraak inzake huurtermijnen. In 1940 sanctioneerde de Hoge Raad nog de cessie van “bestaande” vorderingen uit een reeds bestaande huurovereenkomst ter zake van in de toekomst gelegen huurtermijnen.6 In 1987 oordeelde de Hoge Raad in het arrest WUH/Emmerig q.q. dat huurvorderingen voor toekomstige termijnen niet ontstaan op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand komt, maar eerst nadat de verhuurder zijn tegenprestatie voor de desbetreffende termijn (verschaffing van het huurgenot) heeft verricht.7
De beperkte mogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen, werd als knellend ervaren in de financieringspraktijk. De praktijk behielp zich noodgedwongen met zogenoemde cessielijsten. De kredietnemer verplichtte zich zijn toekomstige vorderingen uit nog te sluiten overeenkomsten over te dragen. Deze cessie vond plaats door middel van het periodiek toezenden aan de kredietgever van lijsten die door de kredietnemer waren opgemaakt en ondertekend en waarop de verscheidene debiteuren en bijbehorende vorderingen waren vermeld.8 Deze praktijk zou zich onder het nieuwe wetboek voortzetten in de vorm van periodieke pandlijsten en, zoals hierna aan de orde komt, zich verder ontwikkelen.